CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bij Besluit tot wijziging van de APV partiële herziening 2024

Gemeenteraad 23 januari 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, partiële herziening 20243.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage: Toelichting bij ‘Besluit tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, partiële herziening 2024 Artikelsgewijze toelichting Waar in een bestaande toelichting op een artikel van de APV inhoudelijke wijzigingen zijn aangebracht naar aanleiding van dit besluit, zijn deze wijzigingen weergegeven in het rood. Dit is het geval bij de artikelsgewijze toelichting op: - Artikel I, onderdeel B (Technische hulpmiddelen, artikel 2:24a) - Artikel I, onderdeel D (Verbod openlijk harddrugsgebruik, artikel 2:45a) - Artikel I, onderdeel E (Eisen organisator, artikel 5:24) - Artikel I, onderdeel G (Begripsbepaling buitenevenement, artikel 5:30) - Artikel I, onderdeel H (Melding straatfeest, artikel 5:32) - Artikel I, onderdeel F (Reserveringskalender evenementen, artikel 5:26) - Artikel I, onderdeel I (Indienen aanvraag, artikel 5:34) - Artikel I, onderdeel J (Eisen organisator, artikel 5:35) - Artikel I, onderdeel K (Reserveringskalender evenementen, artikel 5:36) - Artikel I, onderdeel L (Weigeringsgronden, artikel 5:37) Artikel I, onderdeel B Artikel 2:24a Technische hulpmiddelen Eerste lid Steeds vaker verstoren strafbare feiten de openbare orde. Zo zorgt o.a. een ram- en plofkraak, explosie, beschieting, liquidatie, beroving en autodiefstal voor ordeverstoringen en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Gelet op het grote effect dat dergelijke criminaliteit heeft op de openbare orde en veiligheid is het wenselijk om te kunnen optreden tegen het bij zich hebben, gebruiken of vervoeren van technische middelen die tot doel hebben het voorbereiden, faciliteren, plegen, afschermen of verhullen van strafbare feiten. Bij veel vormen van criminaliteit wordt gebruik gemaakt van de hedendaagse technische mogelijkheden in de vorm van technische hulpmiddelen. Bij een technisch hulpmiddel kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een baken, een Target Blue Eye of een drone. Het zijn vaak middelen zijn die een software of hardware applicatie bevatten waarmee in de openbare ruimte bijvoorbeeld personen of goederen kunnen worden gevolgd of criminelen uit het vizier van opsporingsinstanties kunnen blijven. Het is niet mogelijk een alomvattende definitie van technische hulpmiddel te geven, vanwege de constante ontwikkelingen op technologisch gebied. Met betrekking tot bepaalde technische hulpmiddelen zijn reeds strafrechtelijke verboden opgenomen in artikelen 139d, tweede lid onder a en 350d van het Wetboek van Strafrecht, en artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet. In het Wetboek van Strafrecht en de Telecommunicatiewet wordt geen aandacht besteed aan aantasting van de openbare orde en overlast als gevolg van de inzet van technische hulpmiddelen op openbare plaatsen.

Om hiertegen op te kunnen treden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van aantasting van de openbare orde en het woon- en leefklimaat tot doel heeft.

Momenteel kan er onvoldoende worden opgetreden op openbare plaatsen tegen het gebruik, vervoer of bezit van technische hulpmiddelen voor criminele doeleinden. Met deze bepaling moet kunnen worden opgetreden tegen technische hulpmiddelen die de openbare orde kunnen aantasten, doordat het gebruik, vervoer of bezit voor criminele doeleinden is bestemd. Net zoals bij inbrekerswerktuigen en het vervoer van stoffen die brand bevorderen, moet de openbare orde zoveel mogelijk worden beschermd door in een vroeg stadium handhavend te kunnen optreden. Daarbij zijn, evenals bij genoemde bepalingen het geval is, de omstandigheden waaronder de technische hulpmiddelen bezit, vervoerd of gebruikt worden doorslaggevend. Tweede lid Uiteraard is het verbod niet van toepassing indien een technisch hulpmiddel niet voor het plegen van een strafbaar feit is bestemd. Aangezien veel voorwerpen als technisch hulpmiddelen kunnen worden beschouwd, is het niet de bedoeling dat de verdenking van het bij zich hebben, gebruiken of vervoeren van een dergelijk hulpmiddel lichtvaardig of gemakkelijk wordt uitgesproken. Bij de handhaving van deze bepaling moet hier aandacht aan worden besteed. Dit houdt in dat personen op straat niet preventief op het bezit, gebruik of vervoer van dergelijke hulpmiddelen kunnen worden gecontroleerd, zonder dat daartoe aanleiding is.

Vervolgens moet in een proces-verbaal of een bestuurlijke rapportage door een opsporingsambtenaar worden opgenomen op basis van welke feiten of omstandigheden er sprake is van een overtreding. Het tweede lid is dan ook opgenomen om optreden tegen technische hulpmiddelen met legale doeleinden te voorkomen.

Artikel I, onderdeel D Artikel 2:45a Verbod openlijk harddrugsgebruik Dit artikel bevat een verbod op het gebruik van harddrugs (lijst I van de Opiumwet), het treffen van voorbereidingen voor dat gebruik en het bezit van voorwerpen en stoffen die als hulpmiddel kunnen dienen bij het gebruik van harddrugs in de openbare ruimte en in voor het publiek toegankelijke gebouwen. Het verbod heeft als doel de openbare orde te beschermen door het tegengaan van overlast en hinder die met het gebruik van harddrugs op voor publiek toegankelijke plaatsen gepaard gaan. Dit is een ander doel dan de Opiumwet, waarmee het belang van de volksgezondheid wordt beschermd. Overigens verbiedt de Opiumwet het openlijk gebruik van harddrugs als zodanig niet. Een verbod op openlijk harddrugsgebruik is noodzakelijk, omdat de overlast als gevolg van openlijk harddrugsgebruik ernstig is toegenomen. De groep van kwetsbare harddrugsgebruikers is gegroeid en andere aanpakken om deze overlast tegen te gaan hebben niet het beoogde effect gehad. Zonder openlijk harddrugsverbod blijft het voor grote groepen gebruikers, ondanks het ruime zorgaanbod, aantrekkelijk om in de openbare ruimte harddrugs te gebruiken. Om kwetsbare harddrugsgebruikers meer naar opvang en zorg toe te geleiden is een verbod op openlijk harddrugsgebruik noodzakelijk.

Het verbod kan ervoor zorgen dat kwetsbare harddrugsgebruikers bij daartoe aangewezen maatschappelijke instellingen binnen harddrugs gebruiken en de nodige zorg en begeleiding krijgen. Met dit verbod wordt aantasting van de openbare orde tegengegaan. Het overlastgevende harddrugsgebruik brengt sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid met zich mee en gaat vaak gepaard met criminaliteit. Zo hebben de plekken waar openlijk harddrugs worden gebruikt een aanzuigende werking op dealers, andere drugsgebruikers, verslaafden en kwetsbare personen. Vervuiling en verloedering liggen op de loer. Het verbod geldt voor de gehele gemeente. Om de handhavingscapaciteit effectief en efficiënt in te zetten wordt gehandhaafd op excessen. Daarmee zal handhaving alleen worden ingezet op plaatsen waar structureel overlast wordt ervaren van openlijk harddrugs gebruik. Bij de handhaving wordt oog gehouden voor de zorg voor mensen die verslaafd zijn en worden zij zoveel mogelijk gewezen op de mogelijkheid om bij daartoe aangewezen maatschappelijke instellingen binnen drugs te gebruiken.

Artikel I, onderdeel E Artikel 5:24 Vereisten organisator In dit artikel zijn een aantal vereisten opgenomen waaraan een organisator moet voldoen om voor een vergunning in aanmerking te komen. Deze eisen zijn opgenomen omdat de persoon van de organisator van belang is voor een goede voorbereiding en organisatie van het evenement. Dit zal namelijk van grote invloed zijn op het verloop van het evenement. Een organisator heeft daarom een bijzondere verantwoordelijkheid. Hij zal het evenement gedegen en deskundig moeten voorbereiden, organiseren en begeleiden. Ook zal hij het door hem in te zetten personeel en de bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun gedrag. Hierbij speelt het eigen gedrag van de organisator een grote rol. Als niet aan een of meer eisen kan worden voldaan dan moet de vergunning worden geweigerd. Aanhef en onder a Een organisator mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn. In het licht daarvan worden in ieder geval de volgende zaken als voorbeelden van slecht levensgedrag beschouwd: betrokkenheid bij geweldsdelicten, witwaspraktijken, gebruik en/of handel in drugs, rijden onder invloed, discriminatie, eerdere weigering van een vergunning vanwege levensgedrag. Per geval wordt bekeken wat hier nog meer onder valt.

Uitsluitend gedragingen die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag hebben plaatsgevonden worden meegenomen in de beoordeling omtrent het levensgedrag, zodat iemand niet voor een langere tijd achtervolgd wordt door fouten die in het verleden gemaakt zijn. Als de burgemeester bekend is met gedragingen van een organisator die getuigen van slecht levensgedrag dan wordt in de regel de vergunning geweigerd. Aanhef en onder b De leeftijdseis is in overeenstemming met wat naar de huidige inzichten aan personen van die leeftijd kan worden overgelaten. Van een persoon die deze leeftijd heeft bereikt, mag een zekere mate aan levenservaring, verantwoordelijkheidsgevoel en overwicht verwacht worden om een goed organisator te zijn. Van personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt zal dat per geval van de persoon en de situatie afhangen. In de gevallen waarin hier twijfel over bestaat - of er sprake is van een goed organisator - kan de burgemeester een leeftijdseis stellen als vereiste voor een vergunning. Aanhef en onder c Het criterium dat een organisator aantoonbare ervaring moet hebben met vergelijkbare evenementen zorgt ervoor dat volkomen onervaren organisatoren evenementen organiseren die de nodige impact hebben op de belangen die de vergunningplicht voor evenementen beoogt te beschermen.

Juist vanwege het ontbreken van ervaring is de kans groter dat de voorbereiding en /of uitvoering van een evenement te wensen overlaat met alle gevolgen van dien. Van de burgemeester kan dan ook niet verwacht worden dat aan een dergelijk evenement medewerking wordt verleend. Ook kan niet worden verwacht dat de gemeente en/of hulpdiensten bij de aanvraag van een vergunning of begeleiding van een evenement dat deel voor zijn (hun) rekening neemt waarin de organisator in gebreke blijft vanwege gebrek aan ervaring. Voor kleine en ‘risicoloze’ evenementen zal niet snel ervaring als vereiste worden gesteld, omdat de onervarenheid van de organisator niet direct tot aantasting van de belangen zal leiden waarvoor een vergunningenstel is ingeroepen. Het gebrek aan ervaring weegt

daarom zwaarder naarmate het evenement risicovoller is en/of de grootschaligheid van het evenement toeneemt. Maar, dat hoeft niet zo te zijn. Elk evenement kent naar inhoud een bepaald risico, dus de burgemeester kan dit vereiste altijd stellen als de situatie daarom vraagt. Artikel I, onderdeel F Artikel 5:26: Reserveringskalender evenementen Zesde lid Een reservering op de reserveringskalender evenementen komt te vervallen als niet tijdig een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het evenement. Tijdig wil zeggen 12 weken voor start van het evenement, gelet op artikel 5:27 APV. Hiermee worden plekken vrijgemaakt voor andere aanvragen voor evenementen die niet op de reserveringskalender staan, maar nog wel binnen de termijn van artikel 1:8 afgehandeld kunnen worden. Dit betreft vaak kleine(re) evenementen, omdat de behandeltermijn van grote evenementen langer is dan de tijd die nog over is (minder dan 12 weken) om een aanvraag tijdig te vergunnen. Wordt alsnog een aanvraag ingediend voor het evenement dat op de reserveringskalender stond dan geldt artikel 5:34, lid 4; een ontvankelijke aanvraag gaat voor een later ingediende aanvraag.

Artikel I, onderdeel G Eerste lid Artikel 5:30 Begripsbepaling buitenevenement Het begrip evenement is algemeen omschreven. Onder deze definitie vallen dan ook alle soorten evenementen voor zover deze op of aan de weg of het openbaar water plaatsvinden, zoals sportevenementen en straatfeesten op de openbare weg, maar ook herdenkingsplechtigheden en optochten niet zijnde openbare manifestaties. Daarnaast vallen ook kermissen, circussen en braderieën onder de definitie. Aangezien de genoemde activiteiten dezelfde uitstraling kunnen hebben als een evenement is het logisch dat de toetsingscriteria, die bij een evenement van belang zijn, ook hierop van toepassing zijn. Van de definitie zijn activiteiten uitgezonderd die al onder een ander wettelijk regime vallen. Bioscoopvoorstellingen behoren niet tot de uitzonderingen en vallen dus onder de definitie van een evenement. Utrecht kent geen openluchtbioscoop waarmee de noodzaak om dergelijke bioscoopvoorstellingen onder de uitzonderingen te laten vallen niet aan de orde is.

Artikel I, onderdeel H Artikel 5:32 Melding straatfeest Algemeen Voor het organiseren van straatfeesten is in het kader van de vermindering van administratieve lasten gekozen voor een meldingsplicht. Een straatfeest valt onder het begrip evenement zoals bepaald in artikel 5:30 APV, maar daar geldt onder voorwaarden een meldingsplicht voor in plaats van een vergunningplicht. Het is aan een organisator om aan de voorwaarden te voldoen en ook tijdig een melding te doen. Een straatfeest is een kleinschalige activiteit die niet langer dan 1 dag duurt, die in de openbare ruimte plaatsvindt, met als doel vermaak en ontspanning voor (de buren uit) de straat of naastgelegen straten. Het gaat om het bevorderen van de sociale verbinding tussen deze personen en de activiteiten op het evenement zien daar ook op. Het gaat dus niet om een verjaardagsfeest dat in de openbare ruimte plaatsvindt. Bij een straatfeest past geen commercieel doel. Een straatfeest is

namelijk niet ter promotie van andere activiteiten. Daarom moet voor (deels) commerciële activiteiten op een straatfeest een ‘gewone’ evenementenvergunning worden aangevraagd. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan dan betekent dit overigens niet dat het evenement helemaal niet door kan gaan, maar dat dit niet mogelijk is met een melding. De situatie moet bijvoorbeeld beter beoordeeld (kunnen) worden aan de hand van stukken, de impact op de omgeving moet meer in kaart gebracht worden of er zijn aanvullende voorwaarden nodig voor het evenement. Geschikte locaties voor straatfeesten zijn: pleinen, grasvelden, sportvelden, parkeerplaatsen en vergelijkbare locaties. Veelal zitten straatfeesten andere activiteiten niet in de weg. Een combinatie van activiteiten, zoals bij een ander feest, braderie of in een winkelgebied past minder goed bij het doel van een straatfeest (sociale verbinding) en is daarom veelal geen geschikte locatie. Straten kunnen worden afgesloten als voldoende maatregelen worden genomen. Straatfeesten in parken zijn niet toegestaan. Daar is een evenementenvergunning voor nodig, zodat (aanvullende) maatregelen in een vergunning kunnen worden opgenomen om het groen te beschermen.

Eerste lid, onder a Er is een maximum aantal personen opgenomen om te voorkomen dat in een lange straat, vaak een hoofdweg, een straatfeest wordt georganiseerd voor de hele straat en dat dit met een melding mogelijk is. Het maximaal aantal bezoekers geldt als deze tegelijkertijd aanwezig zijn. Eerste lid, onder b Straatfeesten kunnen niet plaatsvinden op hoofdwegen, ontsluitingswegen, hoofdfietsroutes, busroutes en routes voor hulpdiensten. Die wegen moeten vrij blijven voor verkeer en bereikbaarheid. Daar is altijd een evenementenvergunning voor nodig, omdat bij afsluitingen van deze wegen en routes gekeken moet worden naar omleidingen en veelal een mobiliteitsplan onderdeel is van het evenement. Een andere straat mag worden afgesloten voor verkeer en er kunnen objecten op de ‘normale’ doorgaande weg worden geplaatst als er voldoende ruimte over blijft voor hulpdiensten. De weg mag niet geblokkeerd worden door objecten. Als er hekken worden gebruikt voor de afsluiting dan moeten die voldoen aan de landelijke richtlijn (CROW 96b: omleidingen en tijdelijke bewegwijzering). Dit wil vaak zeggen een rood/wit afzethek of dranghek met een C1 verkeersbord er op. Zonder de juiste afzetting mag een straat niet worden afgesloten.

Soms moeten ook andere verkeersmaatregelen genomen worden, zoals het omdraaien van de rijrichting, toestaan dat er in twee richtingen gereden kan worden of het plaatsen van omleidingsborden. Dit verschilt per situatie en is de verantwoordelijkheid van de organisator. Eerste lid, onder d Tijdens een straatfeest is versterkt (muziek)geluid toegestaan. Vooral bedoeld voor sfeer en niet hoofdactiviteit. De geluidsnorm is gelijk aan niet-muziekevenementen zodat mogelijke geluidsoverlast in de omgeving van het evenement beperkt blijft. Om hiervoor te zorgen wordt een afstand van 15 meter van de geluidsbron aangehouden als meetpunt met een Leq van 1 minuut. Hiervoor is gekozen, omdat in straten al snel een geluidsgevoelige gevel dichterbij ligt dan 15 meter (de geluidsbron staat op een oprit van een woning) en dit van invloed is op het geluidsniveau. Eerste lid, onder e De Alcoholwet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is als er een besloten feest wordt gehouden, waarvoor geen entree wordt gevraagd en waarbij niet betaald hoeft te worden voor het schenken van de alcoholhoudende drank. Als er sprake is van het vragen en betalen van een vaste bijdrage wordt ervan uit gegaan dat er sprake is van het anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank (artikel 1 jo. 3 Alcoholwet, Uitspraak Hoge Raad van 10 februari 1987, N.J. 1987, nr. 836).

Dat past niet bij een straatfeest, omdat geen drinken verkocht mag worden (en ook geen eten of goederen) en er ook geen bezoekers zijn, anders dan de deelnemers aan het feest.

Eerste lid, onder f Bij straatfeesten worden er vaak tafels en stoelen, partytenten, barbecues en springkussens gebruikt. Dit zijn objecten, net als rood – wit hekken met een C1 bord om straten af te sluiten voor verkeer. Voor alle objecten geldt dat deze niet groter mogen zijn dan 25 m2 per object. Verschillende tenten of andere objecten naast en/of aan elkaar zetten, waardoor dit een geheel wordt, mag. Maar, als dit in totaal groter wordt dan 25 m2, dan is dit niet toegestaan onder een melding voor een straatfeest. Het aantal objecten wordt beperkt door de ruimte die beschikbaar is. Eerste lid, onder g Een straatfeest mag niet een ander evenement in de weg zitten dat met een evenementenvergunning is verleend. Om die reden is het verstandig om tijdig een melding te doen over het evenement en zo nodig contact te zoeken met de gemeente over lopende aanvragen voor een (ander) evenement en verleende vergunningen. Hiervoor kan ook gekeken worden op de website van de gemeente; zie www.utrecht.nl/evenementen. Eerste lid, onder i en j De organisator doet uiterlijk twee weken voordat het evenement plaatsvindt een melding bij de burgemeester. De burgemeester kan dan zo nodig maatregelen treffen en de melding laten aanpassen of niet accepteren, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan.

Op grond van de Dienstenrichtlijn is het vereist om de organisator (de meldingplichtige) een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat het evenement mag plaats vinden, als de burgemeester niet binnen de termijn van 10 dagen na ontvangst van de melding reageert. Tweede lid Er kunnen redenen zijn om een straatfeest te verbieden of om een vergunningplicht aan dit evenement te verbinden. Dit wordt gedaan op grond van de weigeringsgronden uit artikel 1:8 en artikel 5:37 APV. Is dat het geval dan laat de burgemeester dit binnen 10 dagen na ontvangst van de melding weten. Dan kan eventueel het evenement nog worden aangepast, al is de tijd daar krap voor als de melding laat wordt ontvangen. Artikel I, onderdeel I Artikel 5:34 Indienen aanvraag Vierde lid Op grond van artikel 5:37, derde lid, onder d kan een vergunning voor een evenement geweigerd worden als op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan een reservering is opgenomen op de reserveringskalender evenementen voor een ander evenement. De reserveringskalender evenementen zorgt daarmee voor spreiding van evenementen in locaties en tijd. Dit wil niet zeggen dat alle plekken voorzien zijn. Als er ruimte is, naast de evenementen op de reserveringskalender, dan geldt dat een eerste ontvankelijke aanvraag voor een locatie en tijd voor gaat op een later ingediende ontvankelijke aanvraag.

Een organisator moet er dus voor zorgen dat complete aanvragen worden ingediend, zie hiervoor artikel 5:34. Artikel I, onderdeel J Artikel 5:35 Vereisten organisator Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:24, eisen aan een organisator bij binnenevenementen. Aanvullend geldt dat het buiten vaker gaat om kleinschalige(re)

evenementen, omdat voor binnenevenementen pas een vergunningplicht geldt als er 2000 of meer bezoekers tegelijkertijd aanwezig zijn. Voor die kleinere buitenevenementen zal de eis onder b en c minder zwaar wegen dan wel minder snel gelden, omdat kleine evenementen anders geen kans krijgen en dat is op voorhand niet de bedoeling van dit artikel.

Artikel I, onderdeel K Artikel 5:36: Reserveringskalender evenementen Zesde lid Een reservering op de reserveringskalender evenementen komt te vervallen als niet tijdig een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het evenement. Tijdig wil zeggen 12 weken voor start van het evenement, gelet op artikel 5:27 APV. Hiermee worden plekken vrijgemaakt voor andere aanvragen voor evenementen die niet op de reserveringskalender staan, maar nog wel binnen de termijn van artikel 1:8 afgehandeld kunnen worden. Dit betreft vaak kleine(re) evenementen, omdat de behandeltermijn van grote evenementen langer is dan de tijd die nog over is (minder dan 12 weken) om een aanvraag tijdig te vergunnen. Wordt alsnog een aanvraag ingediend voor het evenement dat op de reserveringskalender stond dan geldt artikel 5:34, lid 4; een ontvankelijke aanvraag gaat voor een later ingediende aanvraag. Artikel I, onderdeel L Artikel 5:37 Weigeringsgronden Derde lid onder e Er zijn situaties dat achteraf gezien onvoldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen bij een evenement of dat de planvorming onvoldoende is nageleefd waardoor er schade is ontstaan aan de omgeving. Vaak ziet dat op bomen of groen en soms ook op dieren. Maar het kan ook gaan om andere ondergronden, straatmeubilair en objecten.

Daarnaast kan een organisator zijn planvorming niet zijn nagekomen en heeft hij onvoldoende bijgestuurd waardoor gevaarlijke situaties zijn ontstaan. In sommige gevallen moet de gemeente en/of een hulpdienst dan optreden. Organisatoren die stelselmatig overtredingen begaan of laten zien dat zij onvoldoende grip hebben op het verloop van het evenement moeten geweerd kunnen worden in de gemeente. Om die reden is dit lid opgenomen, mede op aangeven van een motie (Motie 400, 2023) van de gemeenteraad waarin is opgeroepen om nieuwe vergunningen te kunnen weigeren - een rode kaart te geven - bij bewezen wangedrag op het gebied van ecologie. Dit lid is bewust breder geformuleerd, omdat mogelijk wangedrag niet ophoudt bij ecologie. Het uitgangspunt is dat de eerste stap geen weigering is van een volgende aanvraag van een evenementenvergunning. Een organisator krijgt de gelegenheid om zijn planvorming aan te passen en om gemaakte fouten te herstellen bij een eventuele volgende editie van het evenement en zo schade of een slecht verloop van het evenement te voorkomen. Met de mogelijkheid een aanvraag te weigeren zal daarom niet lichtvaardig worden omgegaan, de impact kan immers groot zijn. Het gedrag en handelen van de organisator moet aantoonbaar zijn, wat wil zeggen dat het aan hem is toe te wijzen. Dat kan zijn direct, maar ook indirect als het een gevolg is van het evenement.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan het maaien van een veld voor parkeren voor het evenement in strijd met weten regelgeving of dat er geen of te weinig verkeersregelaars aanwezig waren waardoor (grote) verkeersproblemen zijn ontstaan. Het gaat hierbij om de organisator zelf, maar ook om het gedrag en handelen van anderen die voor of namens de organisator werkzaamheden verrichten. Het gedrag en

handelen ziet ook op het niet doen of nalaten, bijvoorbeeld door geen maatregelen te treffen of door de voorschriften van een vergunning niet na te leven. Het gedrag of handelen ziet ook op een organisator die zijn planvorming bij de aanvraag op orde heeft maar dit (doelbewust) niet nakomt of anders handelt dan wat van een goed organisator verwacht mag worden om het evenement in goede banen te leiden. In alle gevallen is een objectieve waarneming nodig of is het noodzakelijk dat het gedrag te herleiden is tot de organisator. Is dit niet het geval dan kan datgene wat is voorgevallen hem ook niet worden aangerekend. De gevolgen van het evenement vallen in beginsel allemaal onder zijn verantwoordelijkheid. Dat begint bij de start van het opbouwen en duurt tot na het afbouwen. In veel gevallen zal daarom gevraagd worden om een concreet verbeterplan, bijvoorbeeld om bomen en gras te beschermen, en hoe dat plan zal worden uitgevoerd. De inhoud van het plan hangt af van het evenement en de locatie en het eerdere gedrag en handelen of nalaten. Dit plan maakt dan onderdeel uit van de evenementenvergunning. Worden de stappen en maatregelen in het plan niet nagekomen dan volgt mogelijkerwijs het besluit dat een volgende vergunning geweigerd wordt, omdat de organisator onvoldoende blijk heeft gegeven van (extra) inzet om een goed organisator te zijn.

De waarborgen missen, hij neemt daar geen verantwoordelijkheid voor en is daar ook niet aanspreekbaar op, zie ook artikel 5:37, derde lid, onder b. Het hangt van de omstandigheden van het geval en de ernst van wat is gebeurd af hoe hiermee wordt omgegaan en wanneer wordt overgegaan tot weigering van een vergunning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=e9cf2803-e3d8-4e79-95c2-fc74c8d5b228