Toelichting bij Besluit tot wijziging van de APV partiële herziening 2023 (juni 2023).docx
Tekst van het document
Bijlage: Toelichting bij ‘Besluit tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, partiële herziening 2023 Artikelsgewijze toelichting Waar in een bestaande toelichting op een artikel van de APV inhoudelijke wijzigingen zijn aangebracht naar aanleiding van dit besluit, zijn deze wijzigingen weergegeven in het rood. Dit is het geval bij de artikelsgewijze toelichting op: - Artikel I, onderdeel A (Verblijfsontzegging, artikel 2:3) - Artikel I, onderdeel D en E (Neerzetten van fietsen e.d., artikel 2:32) - Artikel I, onderdeel F (Verbod op hinderlijk lachgasgebruik, artikel 2:45b) Het schrappen van een artikel van de APV maakt de toelichting bij het artikel overbodig. De toelichting komt te vervallen. Dit is het geval bij de artikelsgewijze toelichting op: - Artikel I, onderdeel C (Hinderlijk lachgasgebruik, artikel 2:28a).
Artikel I, onderdeel A Artikel 2:3 creëert een bevoegdheid voor de burgemeester om gebieden aan te wijzen waar verblijfsontzeggingen kunnen worden opgelegd aan personen die de openbare orde verstoren. Een verblijfsontzegging is een verbod om zich gedurende een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden (artikel 1:1, onder m. APV). Voorwaarde voor de aanwijzing van een gebied is de mate van ordeverstoringen die in dat gebied plaatsvinden. Alleen bij ernstige ordeproblemen kan van het artikel gebruik worden gemaakt. Deze verstoringen kunnen zowel van structurele als van incidentele aard zijn. Bij incidentele ordeverstoringen zal de gebiedsaanwijzing veelal van tijdelijke aard zijn. Een verblijfsontzegging is een bestuurlijke maatregel en geen (strafrechtelijke) sanctie. De algemene motivering voor de hantering van dit instrument is, dat in gebieden waarin de handhaving van de openbare orde onder druk staat het gerechtvaardigd is personen die daarop een inbreuk plegen tijdelijk uit het gebied te verwijderen. De maatregel is dus een instrument ter handhaving van de openbare orde. Alleen aan personen die zich in het aangewezen gebied schuldig maken aan bepaalde ordeverstoringen die in het derde lid, onder a. tot en met e. zijn opgesomd kan een verblijfsontzegging opgelegd worden. Deze opsomming is limitatief. De onder a.
genoemde artikelen uit de APV betreffen: 2:1 Bevel van de politie zijn weg te vervolgen of zich te verwijderen. 2:2 Verstoring van de openbare orde e.d. 2:22a Spelen om geld op de weg. 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen. 2:28 Hinderlijk drankgebruik. 2:29 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen.
2:45 Handel in verdovende middelen 2:45a Verbod openlijk harddrugsgebruik 2:45b Verbod hinderlijk lachgasgebruik 3:3 Straatprostitutie (eerste, tweede en negende lid) In de verblijfsontzegging dient een termijn te worden opgenomen. Het zou de bewegingsvrijheid van burgers te zeer beperken, indien een verblijfsontzegging voor onbepaalde tijd wordt opgelegd. De ernst van de inbreuk op de openbare orde zal van invloed zijn op de lengte van de termijn. In het derde lid wordt de verwijzing naar andere artikelen in de APV op grond waarvan een verblijfsontzegging kan worden opgelegd gecompleteerd. Het vijfde lid verleent de burgemeester de bevoegdheid de verblijfsontzegging naar tijd en plaats te beperken, indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven. Als voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan het reizen per openbaar vervoer door het gebied, indien er voor de betrokkene geen andere reële mogelijkheid bestaat om zijn werk te bereiken, noodzakelijk ziekenhuisbezoek af te leggen e.d. Het zesde lid verbiedt overtreding van de verblijfsontzegging. Op overtreding staat een strafrechtelijke sanctie. Dit kan artikel 184 Wetboek van Strafrecht zijn. Indien niet aan de delictsomschrijving van dit artikel wordt voldaan is strafbaarstelling op grond van de APV mogelijk.
Het derde lid van artikel 2:3 Apv bepaalt op welke gronden een verblijfsontzegging kan worden opgelegd. Nadat een gebied is aangewezen, kan een ondertekeningsmandaat met daaraan verbonden instructies worden verleend. In die instructies kan worden bepaald dat op grond van (een aantal van) de in het derde lid genoemde gronden een verblijfsontzegging wordt opgelegd conform een standaardmodel verblijfsontzegging. Verblijfsontzeggingen op deze gronden kunnen in beginsel door een mandans ondertekend worden, mits hierbij geheel volgens de instructies van de burgemeester gewerkt wordt. (Het gaat hier om een zgn. gebonden bevoegdheid). Uiteraard moet in de instructies aangegeven zijn voor welke termijn de verblijfsontzegging wordt opgelegd. Voor verblijfsontzeggingen geldt immers dat er uitsluitend sprake kan zijn van een ondertekeningsmandaat en niet van een beslissingsmandaat. Indien een verblijfsontzegging wordt opgelegd op basis van de overige gronden zal de burgemeester zelf het besluit moeten nemen.
Artikel I, onderdeel D en E Artikel 2:32 Neerzetten van fietsen e.d. Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast en het toegankelijk houden van de openbare ruimte. Voetgangers en fietsers moeten comfortabel en veilig gebruik kunnen maken van de openbare ruimte. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:32 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden. Met dit artikel werken we het eerder door de raad vastgestelde beleid rondom fietsparkeren (de module fietsparkeren van de parkeervisie) uit. Het college kan middels een aanwijzingsbesluit plaats en termijn bepalen voor het stallen van fietsen en bromfietsen. Op locaties waar de stallingscapaciteit voldoende is en de druk op de openbare ruimte groot is, kan terughoudend gebruik worden gemaakt van dit artikel. Daarbij wordt rekening gehouden met de werkelijke beschikbare stallingscapaciteit. Dat
betekent dat er gedifferentieerder, effectiever en sneller kan worden ingespeeld op behoefte en noodzaak van type handhaving. Artikel I, onderdeel F Artikel 2:45b Verbod hinderlijk lachgasgebruik Dit artikel bevat een verbod op het gebruik van de softdrug lachgas (lijst II van de Opiumwet), het treffen van voorbereidingen voor dat gebruik en het bezit van voorwerpen en stoffen die als hulpmiddel kunnen dienen bij het gebruik van lachgas in de openbare ruimte en in voor het publiek toegankelijke gebouwen. De Opiumwet verbiedt het gebruik van lachgas niet. Het gebruik van lachgas gaat gepaard met veel overlast en hinder (o.a. door ongeremd gedrag van de gebruiker) in de openbare ruimte. Ook veroorzaakt lachgasgebruik vervuiling en verloedering (o.a. door het achterlaten van ampullen, ballonnen, e.d.) van de openbare ruimte. Het verbod heeft als doel aantasting van de openbare orde tegen te gaan. Dit is een ander doel dan de Opiumwet, waarmee het belang van de volksgezondheid wordt beschermd.
Artikel I, onderdeel C Artikel 2:28a Hinderlijk lachgasgebruik Toelichting vervalt.