TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan_Bijlagen motivering
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan
TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan Ontwerp, mei 2026
TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan
2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
Utrecht
Inhoudsopgave Bijlagen motivering
5
Bijlage 1
Merbeoordelingsbeslissing
7
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
11
Bijlage 3
MILIEUKUNDIG BODEM- EN VERHARDINGSONDERZOEK
97
Bijlage 4
Quick scan ecologie
201
Bijlage 5
Aanvullend onderzoek ecologie naar vleermuizen
241
Bijlage 6
Berekening stikstofdepositie
259
Bijlage 7
5A-Projectberekening aanlegfase 2026
275
Bijlage 8
5B-Projectberekening aanlegfase 2027
283
Bijlage 9
5C-Projectberekening gebruiksfase
293
Bijlage 10
Bomen Effect Analyse
301
Bijlage 11
Akoestisch onderzoek
323
Bijlage 12
Akoestisch onderzoek Supermarkt
377
Bijlage 13
Mobiliteitsplan
445
Bijlage 14
Memo waterberging
467
Bijlage 15
Aanmeldnotitie mer-beoordeling
471
Bijlage 16
Bezonning
489
Bijlage 17
Scenarioanalyse retail Huizingalaan Utrecht
497
Bijlage 18
Jan van Galenstraat behoefte en effectentoets
547
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
3
4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
Utrecht
Bijlagen motivering
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
5
6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
Utrecht
Bijlage 1
Merbeoordelingsbeslissing
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
7
Gemeente Utrecht
Voorstel aan het college van B&W
Terinzagelegging Ontwerp Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)-omgev¡ngsplan Jan van Galenstraat-HuizingalaanVan Ginnekenlaan Beleidsvefd Portefeuillehouder Organisatieonderdeel Opsteller Kenmerk Vergaderdatum College Geheim
Ruimtelijke Ordening Ontwikkelorganisatie Rui mte 33710234 18 november ?025 Nee
Het college van burgemeester en wethouders besluit:
1. Voor de ontwikkeling van de Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan en de daarvoor benodigde wijziging van het omgevingsplan door middel van het TAM-omgevingsplan geen milieueffectrapportage op te stellen, op basis van de toetsing aan de relevante criteria uit bijlage lll van de Europese Ríchtlijn mer (201119218U) en met inachtnerning van de mitigerende maatregelen, zoals beschreven in de aanmeldnotitie.
2. Het TAM-omgevinþsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan ter inzage te leggen, bestaande uit het digitale bestand NL.IMRO.0344.BPTAMGALEHUIZIGINN-ON01, dat het omgevingsplan aanvult met regels die binnen het plangebied het volgende mogelijk maakt:
a. een herontwikkeling met 102 (betaalbare) huurwoningen, waarvan 40 sociale huunrvoningen (40o/o),34 middenhuur woningen (33%) en 28 vrije sector huur woningen (27o/o),
b. een supermarkt van max 1.250 bruto vloeroppervlak, vijf dagwinkels
c. een ondergrondse parkeergarage met 50 auto parkeer plekken en d. een kwaliteitsimpuls van de openbare ruimte.
1
I N0\' ?025
rr S c.IÌ'*-lÅ
1 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
Utrecht
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Jan van Galenstraat-Huizingalaan-Van Ginnekenlaan" (ontwerp)
11
Transect-rapport 5716 Utrecht, Jan van Galenstraat Gemeente Utrecht (UT) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
(KNA Prospector),
Versie
Versie 1.3
Projectcode
24100089
Datum
07-10-2025
Opdrachtgever
Buro SRO
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bureauonderzoek
(KNA Prospector)
Veldonderzoek
(Senior KNA Prospector)
Inhoudelijke controle
(Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding
5693542100
Gemeentelijke projectcode
JVG01
Bevoegde overheid
Gemeente Utrecht
Adviseur bevoegde overheid
Nader te bepalen
Status
Nog niet beoordeeld door Bevoegde Overheid
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (10-03-2025).
Autorisatie Naam Drs. (Senior KNA Prospector)
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein
Datum 18-09-2025
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in februari 2025 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Jan van Galenstraat te Utrecht (gemeente Utrecht). Het plangebied beslaat in totaal ongeveer 9680 m2. De aanleiding van het onderzoek is het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouw te realiseren. Het kader van het onderzoek is de aanvraag van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor de werkzaamheden, waarbij volgens het Omgevingsplan gemeente Utrecht (2024) ook een archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor het plangebied (omdat de vrijstellingsgrenzen overschreden worden). Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op de overgang van het rivierengebied naar het dekzandgebied. Ter plaatse van het plangebied wordt geen oever- of beddingafzettingen van de Rijn verwacht. De onderzoeken in de omgeving wijzen op de aanwezigheid van komklei in de omgeving van het plangebied.
De archeologische verwachting voor de periode Bronstijd-Vroege-Middeleeuwen is daarom laag. Onder de komklei en het eventueel aanwezige veen ligt echter dekzand. In de top ervan kan sprake zijn van reliëf in de vorm van dekzandkoppen en -ruggen , die in de periode LaatPaleolithicum-Neolithicum aantrekkelijk voor bewoning kunnen zijn geweest. Het dekzand is uiteindelijk in de loop van het Neolithicum met veen bedekt geraakt (Vos, 2015) . De top van het dekzand is in de omgeving van het plangebied plaatselijk intact. Vindplaatsen in het dekzand zijn in de directe omgeving vooralsnog niet aangetroffen, maar zouden wel aanwezig kunnen zijn. De top van het dekzand is op basis van onderzoek in de omgeving tussen 0 en -1,0 m NAP (70 en 250 cm -Mv) te verwachten. Verder ligt het plangebied aan de voormalige Hoofddijk, die al in 1125 na Chr. aanwezig was. Op historische kaarten ontbreken hierlangs huisplaatsen, maar wel zou afval van reizigers langs de weg aanwezig kunnen zijn. Ook is niet uit te sluiten dat hier vanwege zich mogelijk verplaatsende dorpen toch bebouwing heeft gestaan (theoretische verwachting vanwege het ontbreken van concrete historische en archeologische aanwijzingen, erg kleine kans).
Verder is in het zuiden van het plangebied, ter hoogte van de Huizingalaan, mogelijk nog een restant van de Hoofddijk zelf in de ondergrond aanwezig, aangezien de weg daar ongeveer op historische kaarten te zien is. Eventuele archeologische resten worden verwacht onder een pakket recent ophoogzand, dat in de omgeving 50 tot 150 cm dik is. Tijdens het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een dekzandlandschap dat door komklei en veen bedekt is geraakt. Het grootste deel van deze komklei en veen is tijdens het bouwrijp maken van het plangebied afgegraven. In het hele plangebied is vervolgens een ophogingspakket van circa 95 tot meer dan 300 cm dik aangebracht. De top van het dekzand is in het plangebied op een diepte van 105-270 cm -Mv (-0,8 tot 0,5 m NAP). Het dekzand ligt in het zuiden (boringen 2-5) en oosten van het plangebied (boringen 12, 13, 17 en 21) het hoogst. In het zuidoosten (boringen 6, 7 en 9-11) en noordwesten van het plangebied (boring 14) ligt het dekzand lager. Op basis van deze hoogteverschillen lijkt in het plangebied sprake te zijn van een tweetal dekzandruggen, waartussen een laagte aanwezig is. De ruggen en laagte hebben een noordzuid oriëntatie. Het dekzand is ter plaatse van de ruggen en dalen intact aanwezig, hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van een inspoelingshorizont (B-horizont) in de top ervan.
In vier boringen ontbreekt deze B-horizont (boringen 5, 15, 16 en 20) en in vier boringen is het dekzand niet bereikt (1 en 18-20). Ter plaatse van deze boringen is geen archeologisch relevant niveau meer aanwezig. Het
dekzand is in boringen 4, 10 en 14 bedekt met een laag mineraalarm veen. Dit veen heeft een dikte van 10 tot 35 cm. Bovenop het veen of ‘schoon’ op het dekzand ligt in boringen 3, 13, 15 en 17 een laag komafzettingen van de Oud-Aa of Utrechtse Vecht stroomgordel. Deze laag komafzettingen is 10 tot 60 cm dik. De top van de ondergrond bestaat in het gehele plangebied uit een ophogingspakket. Dit pakket bestaat uit lagen grof, slecht gesorteerd zand en sterk zandige klei. Deze klei is vermoedelijk ontstaan door het vermengen van de oorspronkelijke komafzettingen met het ophoogzand. In zowel de zand- als de kleilagen komen bouwpuinresten zoals baksteenspikkels, grind en modern afval zoals plastic voor. Beide typen lagen zijn daarom geïnterpreteerd als moderne ophogingslagen. De boringen waarin een intacte B-horizont in de top van het dekzand is aangetroffen (boring 2-4, 6, 814 en 17) zijn opnieuw geboord met een 12 cm Edelmankop. De grondmonsters van het archeologisch relevante niveau zijn gezeefd over 3 mm en hebben geen archeologische indicatoren opgeleverd. Vermoedelijk bevindt zich binnen het plangebied daarom geen vindplaats. In zowel de komafzettingen als het veen zijn eveneens geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Op basis van de verkennende en karterende boringen is geconstateerd dat hoewel er intact dekzand aanwezig is, er geen aanwijzingen zijn aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De archeologische verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum en Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd op basis van het bureauonderzoek is daarom naar laag bijgesteld. Advies Op basis van het archeologisch onderzoek is voor het plangebied een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe Tijd vastgesteld. Hoewel er intacte natuurlijke afzettingen aanwezig zijn, blijkt er geen sprake te zijn van indicatoren die duiden op de aanwezigheid van een vindplaats. Wij adviseren daarom in het kader van de aanvraag van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) geen nader vervolgonderzoek uit te voeren. Wel wijzen wij erop dat als er tijdens de ontwikkelingen in het gebied onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, er een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 geldt, deze zaken te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Utrecht). Bovenstaande vormt een advies.
Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Utrecht) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
1
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
1
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
2
5.
Beleidskader
3
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
5
7.
Beschrijving bekende archeologische kenmerken
8
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
14
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
21
10. Resultaten veldonderzoek
24
11. Beantwoording onderzoeksvragen
27
12. Conclusie en Advies
29
13. Geraadpleegde bronnen
31
Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland
34
Bijlage 2: Luchtfoto
35
Bijlage 3: Plantekening (randvoorwaarden)
36
Bijlage 4: Archeologische beleidskaart van de gemeente
37
Bijlage 5: Stroomgordels
39
Bijlage 6: Paleogeografische kaart van de Limes
40
Bijlage 7: Geomorfogenetische kaart
42
Bijlage 8: Hoogtekaart
44
Bijlage 9: Bodem
46
Bijlage 10: Archeologische informatie
49
Bijlage 11: Boorpuntenkaart
50
Bijlage 12: Lithostratigrafische profielen
52
Bijlage 13: Resultatenkaart
54
Bijlage 14: Foto’s van boringen
55
Bijlage 15: Boorbeschrijvingen
58
1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in februari 2025 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Jan van Galenstraat te Utrecht (gemeente Utrecht). Het plangebied beslaat in totaal ongeveer 9680 m2. De aanleiding van het onderzoek is het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouw te realiseren. Het kader van het onderzoek is de aanvraag van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor de werkzaamheden, waarbij volgens het Omgevingsplan gemeente Utrecht (2024) ook een archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor het plangebied (omdat de vrijstellingsgrenzen overschreden worden).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij de RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur, waaronder de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de gemeente Utrecht (AKBU-reeks). Historische verenigingen zijn niet geraadpleegd. Bouwtekeningen zijn opgezocht in het Utrechts Archief (hoofdstuk 8).
Door de gemeente Utrecht is geen aanvullende informatie inzake het plangebied aangeleverd. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 14. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in mogelijke kansrijke archeologische ophogingslagen en niveaus en verstoringen. Eveneens wordt specifiek gezocht naar archeologische vondsten in de archeologisch relevante niveaus. Het inventariserend veldonderzoek wordt uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen (naar Richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de gemeente Utrecht): 1. Hoe ziet de bodem eruit in het plangebied (geologisch, geomorfologisch en bodemkundig)? 2. Is de bodemopbouw intact? Zo nee, tot hoe diep is de bodem verstoord? Kan er een verklaring worden gegeven voor de verstoringen? 3.
Zijn binnen het plangebied archeologisch relevante afzettingen, zoals laklagen, oude bodems, oeverafzettingen, ophogingslagen, enz., aanwezig? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Wat is de dikte en aard van deze afzettingen? 4. Zijn de resultaten van het booronderzoek in overeenstemming met de verwachting op basis van het bureauonderzoek of overige bekende gegevens, en welke verklaring is er voor eventuele afwijkingen? 5. Zijn in het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja, welke, en op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Wat is de aard van de afzetting waarin de indicatoren zijn aangetroffen? 6. Dient de archeologische verwachting te worden bijgesteld op basis van het karterend booronderzoek? 7. In hoeverre worden archeologische resten bedreigd door toekomstige planontwikkeling? 8. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methodes moeten hierbij ingezet? 1
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt de bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2 (KNA 4.2). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.2 (KNA 4.2).
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Utrecht
Plaats
Utrecht
Toponiem
Jan van Galenstraat
Kaartblad
31H
Centrumcoördinaat
137.843 / 457.130
Bij het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Jan van Galenstraat in Utrecht (gemeente Utrecht). De Jan van Galenstraat ligt aan de westzijde van het plangebied, de Kardinaal de Jongweg aan de noordzijde van het plangebied, de Zeemanlaan aan de oostzijde van het plangebied en de Huizingalaan aan de zuidzijde van het plangebied. In het plangebied zelf ligt de Van Ginnekenlaan. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. De percelen die behoren bij de Huizingalaan 26-32 behoren niet tot het plangebied. Kadastraal gezien omvat het plangebied een deel van perceel UTT00, sectie L, nummer 2484, en de gehele percelen 2483 en 592 (bron: kadastralekaart.com). De begrenzing van het plangebied is gebaseerd op de begrenzing van de plannen.
Het plangebied beslaat 9680 m2 en is deels bebouwd (circa 1610 m2) en deels in gebruik als speeltuin, parkeerplaats, weg en openbare groenstrook. Het plangebied heeft verschillende eigenaren. Het openbare gebied is in eigendom van de gemeente Utrecht, en de grond waar de twee gebouwen op staan is van Kerkebosch Ezelsdijk.
1
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).
1
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Aanvraag BOPA
Oppervlakte plangebied
9680 m2
Planvorming
Sloop en nieuwbouw woningen
Omvang verstoringen
Circa 9680 m2
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
Diepte verstoring
Parkeerkelder: 3,4 m -Mv
De bestaande bebouwing (circa 1610 m2) in het plangebied zal worden gesloopt. Deze zal plaats maken voor nieuwbouw. De nieuwbouw komt gedeeltelijk ter plaatse van de bestaande bebouwing en gedeeltelijk ernaast (vergelijk bijlage 2 en 3). In de nieuwbouw is plaats voor buurtvoorzieningen met wonen op de verdieping. Het nieuwe gebouw zal ongeveer 3400 m2 beslaan. Een plantekening met randvoorwaarden is opgenomen in bijlage 3. Onder de nieuwbouw zal een parkeergarage komen. De parkeergarage komt onder en tussen de nieuwbouw te liggen (bijlage 3). De onderkant van de keldervloer van de parkeergarage komt op ongeveer 3,4 m -Mv te liggen. Van de overige werkzaamheden (vergroenen, kabels en leidingen, verblijfsgebied) zijn nog geen ontgravingsdieptes bekend. Er worden geen ophogingen aangebracht en er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien. Het plangebied blijft in eigendom van de gemeente Utrecht en Kerkebosch Ezelsdijk.
2
5. Beleidskader Onderzoekskader
Aanvraag BOPA
Beleidskader
Omgevingsplan gemeente Utrecht (2024)
Onderzoeksgrens
Hoge verwachting: >100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv Middelhoge verwachting: > 500 m2 en dieper dan 30 cm -Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door Erfgoedwet, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het deel van het erfgoedbeheer dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is sinds 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat gemeentes rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed bij het vaststellen van het omgevingsplan. Hieronder vallen dus ook bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit is vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kan een gemeente vanuit het Omgevingsplan lokale regels stellen door monumenten (concreet) in de bodem te beschermen of ze juist vakkundig op te laten graven (lid 3, 4 en 5). Ook kunnen ze vanuit het Omgevingsplan eisen stellen aan het onderzoek, waaronder het onderzoeksthema en de onderzoeksvorm. Gemeentes hebben tot eind 2031 om tot een Omgevingsplan op te stellen. Tot die tijd geldt een Tijdelijk Omgevingsplan. In het Omgevingsplan van de gemeente Utrecht (2024) staat dat het plangebied een archeologische verwachting-4 en een archeologische verwachting-5 heeft (bron: omgevingswet.overheid.nl).
Deze verwachtingswaarden zijn gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart uit 2022, waarop aan het plangebied respectievelijk een hoge en middelhoge archeologische verwachting is toegekend (bijlage 4): • Voor de zone archeologische-verwachting 4 (hoge verwachting) geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 én dieper reiken dan 30 cm -Mv archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is • Voor de zone archeologische-verwachting 5 (middelhoge verwachting) geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 500 m2 én dieper reiken dan 30 cm -Mv archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is Gezien het grotere verstoringsoppervlakte en -diepte betekent dat in dit geval in het kader van de aanvraag van een BOPA een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). In het kader van de BOPA dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al 3
dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.
4
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio2 Geomorfologie
Utrechts-Gelders rivierengebied 3
Laag gelegen komgebied
Maaiveld
+1,5 m tot +2,6 m NAP
Bodem4
Komklei en gebroken zandgronden
Grondwaterstand (GLG)5
1,6 m -Mv
Landschapsgenese Het plangebied ligt in het midden-Nederlands rivierengebied, in het stroomgebied van de Oude Rijn (Berendsen, 2005). In het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, vanaf 50000 tot 15000 jaar geleden) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (“vlechtend”) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (De Mulder et al., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Bovenop het Laagterras (Cohen et al., 2012) is aan het einde van de laatste ijstijd dekzand afgezet (Stouthamer et al., 2015; www.dinoloket.nl). Tijdens de koudste fase van het Weichselien (het Pleniglaciaal, circa 55000 tot 15000 jaar geleden) was in de omgeving van het plangebied sprake van een poolwoestijn en een vegetatiearm landschap (Vos, 2015). Als gevolg van de sterke wind traden grootschalige verstuivingen op van zand uit de drooggelegen rivierbeddingen en het Noordzeebekken. Dit zand werd als dekzand verderop weer afgezet in vlaktes, welvingen en ruggen (Stouthamer et al. 2015). Geologisch gezien wordt dit dekzand gerekend tot de Formatie van Boxtel (De Mulder et al. 2003).
Aan het begin van het Holoceen werden deze verstuivingen geleidelijk aan banden gelegd door een sterke toename in de vegetatie, wat op zijn beurt het gevolg was van toename van de gemiddelde jaartemperaturen. Hierdoor kon in het dekzand bodemvorming plaatsvinden. Gedurende het Holoceen kwam het gebied, als gevolg van een natuurlijke rivierverlegging bij Wijk bij Duurstede (een zogenaamde avulsie), onder invloed te staan van het Utrecht-stroomsysteem (Berendsen en Stouthamer, 2001). Deze rivierverlegging vond plaats rond 4300 voor Chr. Via dit stroomsysteem heeft langdurig afvoer van Rijnwater plaatsgevonden, totdat de Kromme Rijn in 1122 na Chr. bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd (Dekker, 1980). Vanaf dat moment werd het grootste deel van het Rijnwater via de Lek en de Waal afgevoerd. Het Utrecht-stroomsysteem heeft wisselende perioden van activiteit gekend, die resulteerden in een drietal stroomgordels die via Utrecht afwaterden: de Werkhoven-stroomgordel, de Houtenstroomgordel en de Kromme Rijn-stroomgordel. De oudste stroomgordel is de Werkhovenstroomgordel (4350 – 1880 voor Chr.), gevolgd door de Houten-stroomgordel (2250 – 800 voor Chr.). De jongste omvat de Kromme Rijn-stroomgordel (1250 voor Chr. – 1122 na Chr.), die gekenmerkt wordt door een nu nog deels watervoerende restgeul van circa 20 m breedte.
Het onderscheid tussen deze drie stroomgordels is vooral ten oosten van Utrecht nog duidelijk te zien (Berendsen, 1982), aangezien deze hier als apart te onderscheiden zandlichamen in de ondergrond aanwezig zijn. De 2 Rensink et al. (2015) 3 Van Dinter et al. (2017) 4 Buringh en van der Knaap (1952) 5
HYDROMEDAH: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/b9e48cf7-3ada-4c3d-862d-249faff127f8
5
stroomgordels hebben afgewaterd via de Oude Rijn (die ten westen van de stad ligt) en het OudAa/Vecht systeem (ten noordoosten en –westen van de stad). Alle stroomgordels komen onder de historische kern van de stad Utrecht samen, hetgeen het onderscheiden en reconstrueren van deze stroomgordels lastig maakt door de aanwezige bebouwing en de ingrepen van de mens in het landschap door de eeuwen heen. De ligging van de verschillende stroomgordels en de landschappelijke elementen hiervan (oeverwallen, restgeulen, komgronden en crevasses) spelen echter wel een sleutelrol in het bepalen van de archeologische verwachting, met name voor wat betreft de periode van vòòr de bedijking en ontginning in de Late-Middeleeuwen. Hieronder is specifiek voor het plangebied besproken welke landschappelijke elementen van de stroomgordels in het plangebied verwacht worden. Geomorfologie en stroomgordels Op de geomorfologische kaart van Maas et al. (2019) is het plangebied en zijn omgeving weergegeven als bebouwd gebied (niet als kaartbeeld opgenomen). In de omgeving van het plangebied zijn rivierafzettingen te verwachten in vorm van oever-, restgeul-, en beddingafzettingen. Volgens de paleogeografische kaart van Cohen et al. (2012) zijn in het plangebied zelf geen beddinggordels aanwezig (bijlage 5). Ongeveer 150 m ten zuiden van het plangebied liggen de Oud Aa stroomgordel en de Utrechtse Vecht.
De Vecht is als stroomrug als gevolg van een gedeeltelijke avulsie (rivierverlegging) van de Kromme Rijn, vermoedelijk ergens in het zuiden van de middeleeuwse binnenstad van Utrecht. In eerste instantie ontstond de Oud Aa, vermoedelijk rond 1000 voor Chr., waarna kort erna de (huidige) Vecht (rond 400 voor Chr.). Beide rivieren bevinden zich binnen één stroomrug (waarmee het onderscheid tussen beide stroomgordels tussen Utrecht en Breukelen lastig te maken is). De Vecht is als watervoerende rivier actief geweest tot 1122 na Chr., het moment dat de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd door de Bisschop van Utrecht (Dekker, 1980). Dit is bevestigd op basis van een koolstof (14C-)-datering door Van Dinter et al. (2017) in het stroomopwaartse deel van de rivier in Utrecht (in een restgeulopvulling nabij het Wilhelminapark in Utrecht). De aanwezigheid van de rivier heeft in ieder geval geleid tot de vorming van oever- en beddingafzettingen in de omgeving het plangebied. Op basis van Van Dinter et al. (2017) maakt het plangebied deel uit van een laaggelegen komgebied en worden in het plangebied geen oever- en beddingafzettingen verwacht (bijlage 6). Op basis van de geomorfogenetische kaart van Berendsen (1982) worden in het westen van het plangebied kommen op dekzand verwacht (kaartcode Fk5; bijlage 7).
Geologie en lithologie Volgens de geologische kaart van TNO (2020) worden in het plangebied komafzettingen van de Formatie van Echteld verwacht, met ingeschakeld veen (Formatie van Nieuwkoop). In de omgeving van het plangebied zijn enkele geologische boringen bekend in het dinoloket (bron: www.dinoloket.nl). Ongeveer 160 m ten zuiden van het plangebied (aan de M.A. de Ruyterstraat) is vanaf het maaiveld tot 0,5 m-Mv humeus zand aanwezig. Daaronder is tot in ieder geval 1,5 m -Mv siltige klei aanwezig (boring B31H3210; dinoloket.nl). Ongeveer 150 m ten noorden van het plangebied (aan de Van Everdingenlaan) is vanaf het maaiveld tot 1,1 m -Mv matig grof zand aanwezig (boring B31H2638). Hieronder is tot 1,8 m -Mv zandige klei aanwezig. Daaronder is tot 2,5 m -Mv (-0,95 m NAP) zwak kleiig veen aanwezig. Daaronder is matig fijn, matig siltig zand aanwezig, dat naar beneden toe over gaat in zeer fijn zand (tot minstens 7,0 m -Mv). Dit zand onder het veen is vermoedelijk dekzand. Het zand dat vanaf het maaiveld is aangetroffen, betreft vermoedelijk ophogingszand.
6
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN (versie 4) varieert de maaiveldhoogte in het plangebied tussen +1,5 m tot +2,6 m NAP (bijlage 8; bron: www.ahn.nl). De maaiveldhoogte is het laagst in het centrale gedeelte van het plangebied, en het hoogst in het noorden van het plangebied. De grote hoogteverschillen worden zeer waarschijnlijk veroorzaakt door ophogingen in de groenstrook in het noorden van het plangebied. Wanneer die grote uitschieters qua hoogteligging buiten beschouwing worden gelaten, varieert de maaiveldhoogte in het plangebied tussen +1,5 en +1,7 m NAP (bijlage 8). Bodem en grondwatertrap Op de bodemkaart van Nederland is het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied (bron: www.pdok.nl; niet als kaartbeeld opgenomen). Volgens de Bodemkaart van Buringh en Van der Knaap (1952) zijn het plangebied grotendeels gebroken zandgronden op sterk venig zand aanwezig, dat binnen 80 cm -Mv overgaat in zand (kaartcode gZ1; bijlage 9). In het noorden en westen van het plangebied wordt komklei op veen verwacht, dat tussen 100 en 150 cm overgaat in zand (kaartcode Rkv3), en komklei op veen, dat binnen 100 cm -Mv overgaat in zand (kaartcode Rkv2). Een grondwatertrap is op de bodemkaart van Nederland bij de eenheid ‘bebouwing’ niet gekarteerd. Volgens HYDROMEDAH6 ligt de gemiddeld laagste grondwaterstand ter plaatse van het plangebied tussen 1,6 en 1,7 m -Mv.
Dit betekent dat boven 1,6 à 1,7 m -Mv organische resten als planten en zaden vermoedelijk al door oxidatie zijn gedegradeerd. Eventuele resten van bot en leer zijn boven dit niveau waarschijnlijk wel goed bewaard gebleven in de klei. Dit geldt in mindere mate ook voor houtresten. Anorganische vondsten zoals (vuur)steen, metaal en aardewerk kunnen ongeacht de grondwaterstand bewaard zijn gebleven.
6
HYDROMEDAH: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/b9e48cf7-3ada-4c3d-862d-249faff127f8
7
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Middelhoog-Hoog
Archeologische waarden en/of informatie
Niet binnen plangebied In omgeving sporen uit Late-MiddeleeuwenNieuwe Tijd
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 10). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart heeft het plangebied grotendeels een hoge archeologische verwachting (bijlage 4). Deze verwachting is gebaseerd op de ligging langs de Hoofd Dijkse Watering (later Ezelsdijkje en de voormalige Hoofddijk) en de aanwezigheid van lichtgolvende dekzandgebieden (vergelijk Berendsen, 1982). Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder veldonderzoek plaatsgevonden (bijlage 10). Volgens Archis maakt het plangebied wel deel uit van het vooronderzoek naar de snelfietsroute tussen Amersfoort en Utrecht (onderzoeksmelding 5065168100), maar uit het rapport blijkt dat de omgeving van het plangebied daarbij niet onderzocht is (De Boer, 2021). In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 10). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied.
In het onderzoeksgebied zijn geen vondstmeldingen aanwezig. Informatie uit overige bronnen In de Archeologische Kronieken van Utrecht komt het plangebied niet voor. Ook in de Bouwhistorische Kronieken van Utrecht is het plangebied niet vermeld. De enige vermelding van de Jan van Galenstraat is de bouw van een dierenkliniek, ergens aan de noordzijde van de Alexander Numankade (Kroniek, 1984). Archeologische vondsten zijn daarbij niet vermeld. De bespreking richt zich op de aanwezigheid van een 80 cm dikke laag grijszwarte veen op -1,0 m NAP, dat op basis van zijn samenstelling uit het Boreaal stamt. Hieruit blijkt dat de waterspiegel van de Vecht in het Boreaal een kleine anderhalve meter lage moet hebben gelegen dan nu (Bron: Archeologische Kroniek, 1926-1972; p. 179-180). Conclusie bekende waarden Uit de geraadpleegde informatie (tabel 1) blijkt dat de archeologische verwachting in de omgeving van het plangebied is gekoppeld aan het voorkomen van 1) intact dekzand 2) oever- en restgeulafzettingen van de Oud Aa en Vecht, en 3) de aanwezigheid van historische bebouwing of elementen. Op basis de geraadpleegde informatie is het aannemelijk dat het plangebied deel uitmaakt van het komgebied, 8
waar in de ondergrond dekzand aanwezig is. Crevasses zijn niet aangetroffen in de omgeving. In de omgeving van het plangebied is de top van het dekzand aangetroffen tussen 0 en -1,0 m NAP (70-290 cm -Mv). De top van het dekzand was in de omgeving van het plangebied plaatselijk intact. Vindplaatsen in het dekzand zijn vooralsnog niet aangetroffen, maar dit zegt niet dat ze niet aanwezig kunnen zijn. Op basis van de onderzoeken in de omgeving is de aanwezigheid van oeverafzettingen (waarop vanaf de Bronstijd bewoning plaats zou hebben kunnen vinden) in het plangebied niet waarschijnlijk. In de omgeving zijn sporen van landgebruik uit de Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd aangetroffen.
9
Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstandwindrichting
Type onderzoek
Bevindingen
Bron
4574608100
Zeeheldenbuurt (F.C. Donderstraat/ Alexander Numankade)
80 m ten zuiden
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Op basis van het bureauonderzoek gold voor het zuidwesten van het onderzochte gebied een hoge archeologische verwachting op bewoningsresten vanaf de Late-Bronstijd, vanwege de aanwezigheid van oeverafzettingen van de Vecht. In het noordoostelijk deel van het onderzochte gebied werd een nat komgebied verwacht, waarvoor een lage archeologische verwachting gold. Ook werden op basis van historische kaarten elementen uit de Late-Middeleeuwen verwacht, zoals wegen, bruggen en een stadspoort (Nales, 2017).
Nales (2017)
4587706100 4862141100
Archeologische begeleiding
Transect (in prep.)
Uit het booronderzoek blijkt dat het westelijke deel van het onderzochte gebied een hoge archeologische verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten. Deze verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van restgeulafzettingen, waarin waardevolle (archeologische) resten aanwezig kunnen zijn, en op de aanwezigheid van enkele historisch waardevolle objecten en structuren. De rest van het onderzochte gebied heeft een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten. Dit komt doordat de archeologisch relevante oeverafzettingen in dit deel van het gebied zijn afgegraven en verstoord geraakt (tot 50 à 280 cm Mv), waardoor eventueel aanwezige resten zullen zijn vernietigd. In het noordoosten van het onderzochte gebied zijn overstromingsafzettingen gevonden, die wijzen op (voormalige) natte, niet bewoonbare omstandigheden (Nales, 2017). Voor de zone met een hoge archeologische verwachting is een vervolgonderzoek in de vorm van een begeleiding geadviseerd, 10
voor de zone met een lage archeologische verwachting is geen vervolgonderzoek geadviseerd (Nales, 2017). Voor het huidige plangebied is van belang dat door Nales (2017) dekzand is aangetroffen in het komgebied. De top van het dekzand is tussen 170 en 310 cm -Mv aangetroffen (0,0 en -1,0 m NAP). In het grootste deel van het onderzochte gebied ontbreken sporen van bodemvorming in de top van het dekzand. Slechts op enkele plekken is een zwakke inspoelingshorizont te herkennen (BC-horizont) als gevolg van podzolering. Boven het dekzand is veen en komklei aangetroffen, met aan de top een verstoringspakket. Het verstoringspakket is 50 tot 100 cm dik (Nales, 2017). De bodemopbouw zoals die is aangetroffen tijdens de archeologische begeleiding komt overeen met de bodemopbouw zoals die door Nales (2017) is beschreven. Voor het huidige plangebied is het met name van belang dat in het oosten van het onderzochte gebied dekzand is aangetroffen (rondom Willem Barentszstraat). In enkele profielen is podzolering in de top van het dekzand waargenomen (Transect, in prep.) Tijdens de begeleiding in de Zeeheldenbuurt zijn archeologische resten uit verschillende periodes aangetroffen. Daarmee is de archeologische verwachting gedeeltelijk bevestigd.
De vindplaatsen bestaan uit een mogelijk veenpad (op basis van gekliefde horizontale palen aan de basis van het veen), sporen van landgebruik uit de Late-Middeleeuwen tot in de Late Nieuwe Tijd en sporen van de aanleg van de woonwijk aan het eind van de Late Nieuwe Tijd in de 20ste eeuw. Ook is de restgeul in kaart gebracht (Transect, in prep.).
11
5269750100 5284079100
Alexander Numankade, Griftkade
285 m ten zuidoosten
Verkennend booronderzoek
Archeologische begeleiding
Op basis het onderzoek van Nales (2022) gold in het zuiden van het onderzochte gebied een hoge archeologische verwachting op nederzettingsresten uit de Bronstijd-Late-Middeleeuwen op de oeverafzettingen van de Oud Aa en Utrechtse Vecht. Ook gold een hoge verwachting op restgeulen. In het noorden van het onderzochte gebied gold een archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode LaatPaleolithicum-Neolithicum, op basis van de aanwezigheid van dekzand in de ondergrond (Nales, 2022).
Nales (2022) Van der Linde et al., (2024)
Tijdens het verkennende booronderzoek zijn restgeul- en beddingafzettingen van de Vecht aangetroffen, evenals dekzand. De top van de dempingslagen (uit de 17e eeuw) van de restgeul ligt tussen 75 en 135 cm -Mv, de top van de oeverafzettingen is vanaf 130 à 150 cm -Mv aangetroffen. De top van de oeverafzettingen is verstoord, maar diepere grondsporen zijn niet uit te sluiten. De top van het dekzand is in het noorden van het onderzochte gebied aangetroffen tussen 180-290 cm -Mv (1,0 tot 0 m NAP). Het dekzand is afgedekt met veen, kom- en oeverafzettingen (de oeverafzettingen zijn slechts 10 cm dik). De top van het dekzand is intact, waardoor het zijn archeologische verwachting behoudt. Op vier plekken waar de werkzaamheden tot 2,5 m -Mv reiken is een vervolgonderzoek aanbevolen naar de restgeulafzettingen en het dekzand (Nales, 2022). De ontgravingen ten behoeve van de in- en uittredepunten van de gestuurde boringen zijn begeleid (Van der Linde et al., 2024). De gerealiseerde ontgravingsdiepte bedroeg maximaal 2 m -Mv, in een vrij sterk talud, waardoor de archeologische niveaus niet overal bereikt zijn. Het dekzandniveau is niet bereikt. In één werkput zijn in de oeverafzettingen en bovenliggende ophooglagen keramiekscheven uit de 19e-20e eeuw 12
aangetroffen. Grondsporen zijn niet aangetroffen. In een andere werkput is een toemaakdek op een restgeul aangetroffen, met een dakpanfragment (Van der Linde et al., 2024). 5545944100
Kögllaan
195 m ten oosten
Booronderzoek
Alleen de eerste bevindingen zijn beschikbaar. Hieruit blijkt dat geen vindplaats is aangetroffen. Er zijn komafzettingen op bosveen/rietveen op dekzand aangetroffen.
Archis3
4930513100
Spoorwegmuseum
165 m ten noordoosten
Bureauonderzoek
Het onderzochte gebied ligt op de overgang van het rivierengebied naar het dekzandgebied. In het midden van het onderzochte gebied is mogelijk een dekzandrug aanwezig, die tot de bedekking met veen (rond 4300 voor Chr.) aantrekkelijk voor bewoning kan zijn geweest. De komafzettingen daarboven zijn niet aantrekkelijk voor bewoning. Op historische kaarten was het gebied in gebruik als landbouwgrond.
Modderkolk en Brokke (2020)
4666519100
Alexander Numankade
290 m ten zuidwesten
Inspectie
In 1956 is een rioolsleuf gegraven. Vanaf het maaiveld is een 60 cm dikke veenhoudende kleilaag aanwezig. Daaronder is 80 cm gitzwart veen aanwezig (tot -1,0 m NAP). Analyse van het veen laat zien dat het veen in het Midden-Boreaal gevormd is (8000 jaar geleden).
Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de gemeente (19261972; p. 179-180)
13
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype Cultuurhistorische elementen
Cope-ontginningen 7
Hoofddijk
Aard historisch landgebruik
Hoofddijk, weiland
Historische bebouwing aanwezig
Nee
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Historisch gezien bevindt het plangebied zich in het landelijk, agrarisch gebied ten noordoosten van de historische binnenstad van Utrecht. Het plangebied is daarbij gelegen aan de Hoofddijk/Oude Steenweg, die op de kaart van Specht uit 1539 bekend staat onder de naam ‘Hooft Dijkse Watering’ (figuur 2). Vermoedelijk betreft dit de weteringsloot die ten noorden langs de Hoofddijk lag. De Hoofddijk/Oude Steenweg van Utrecht naar het klooster Oostbroek is de oudste bestrate weg van Nederland (1125 na Chr.; Blijdenstijn, 2015). In 1139 werd door het pas ontgonnen veen een weg aangelegd tussen Utrecht en de Bilt; deze weg kreeg rond 1290 na Chr. bestrating tot het Vrouwenklooster in de Bilt en werd het nieuwe begin van de route naar Rhenen. Om het verschil met de Hoofddijk/Oude Steenweg aan te geven kreeg deze nieuwere bestrate weg de naam Nieuwe Steenweg (Blijdenstijn, 2015). Deze laatst genoemde weg circa 650 m lag ten zuidoosten van het plangebied. Op de kaart van Specht die de situatie in 1539 aangeeft is te zien dat langs de Hoofddijk geen bebouwing aanwezig was (figuur 2). Het is echter niet geheel uit te sluiten dat er geen bebouwing aanwezig is geweest.
Het zou kunnen zijn dat het voormalige dorp zich toen al naar de volgende ontginningsas richting het noorden had verplaatst, net zoals bij Tienhoven het geval is (Blijdenstijn, 2015). Of dat hier ook het geval is, is niet bekend. Maar als het zo gegaan is, zegt het ontbreken van bebouwing op de kaart uit 1539 niet dat geen bebouwing aanwezig is geweest. Op de kaart van Van Deventer ligt het plangebied op de rand van het kaartblad en was het in gebruik als weiland (figuur 3). Ook op de kaart van Tirion uit 1757 (figuur 4) en het Kadastrale Minuutplan uit 1881-1832 (figuur 5) is het plangebied onbebouwd. De kavels zijn langgerekt, haaks op de Hoofdweg, en kenmerkend voor een cope-ontginning. Pas tussen 1955 en 1980 verschijnt bebouwing in het plangebied (figuur 6-9). Deze bebouwing is tot op heden aanwezig (figuur 10). Op basis van het Stedenbouwkundig programma van eisen (gemeente Utrecht, 2024) dateren de bestaande panden uit 1964. De woningen zijn gebouwd nadat de militaire beperkingen van de Waterlinie waren opgeheven (gemeente Utrecht, 2024). Beeldbepalende panden en gemeentelijke monumenten worden in het plangebied niet verwacht (bron: https://geodata.utrecht.nl/geoserver/UtrechtOpen/wms). Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) maakt het plangebied deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (1815-1940).
De linie vormde de oostelijke verdediging van de Vesting Holland (bron: www.ikme.nl). Op de kaart van verdedigingswerken van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) 8 is te zien dat het plangebied daarbij deel uit maakt van het inundatiegebied. Overige elementen zijn ter plaatse van het plangebied niet aanwezig. Volgens de kaart met elementen uit de Tweede Wereldoorlog van de gemeente Utrecht, zijn in het plangebied geen tankgrachten, loopgraven,
7 Blijdenstijn (2015) 8 https://rce.webgis.nl/nl/map/kaart-van-verdedigingswerken
14
bomkraters, bunkers en geen inslagpunten bekend. Op een luchtfoto van de RAF9 uit 1943 zijn geen militaire structuren in het plangebied te zien. Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is deels bebouwd (circa 1610 m2) en deels in gebruik als speeltuin, parkeerplaats, weg, en openbare groenstrook (bijlage 2). In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn, is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond. Daarom zijn hier bodemverstoringen besproken: • Uit het stedenbouwkundig programma van eisen (gemeente Utrecht, 2024) blijkt dat de bebouwing in het plangebied aan de Jan van Galenstraat onderkelderd is. In het Utrechts Archief zijn bouwtekeningen opgevraagd van de aanwezige panden (bron: hetutrechtsarchief.nl). De tekeningen leveren geen ondergrondse dwarsdoorsnede van de panden op, waarop de diepte en omvang van de kelders af te lezen is. • Uit de milieukundige rapportage blijkt dat geen aanvullende milieukundige onderzoeken of saneringen nodig zijn voor het plangebied (Grondslag, 2025). Uit de boringen blijkt dat vanaf het maaiveld zand aanwezig is. Tussen 60 en 120 cm -Mv gaat dit op sommige plekken in het oosten van het plangebied over in zandige, zwak siltige klei. Deze kleilaag is tot 70 à 250 cm -Mv aanwezig. Daaronder is soms veen, maar meestal weer zand aangetroffen.
De top van dit onderste zand is tussen 130 en 250 cm -Mv aangetroffen (Grondslag, 2025). Dit betreft vermoedelijk de top van het dekzand. In andere boringen is geen kleilaag aangetroffen en ligt de top van het dekzand vermoedelijk dus hoger. Op basis van de milieukundige boringen is daar diepteligging van de top van het dekzand niet te bepalen. • Ter plaatse van de bestaande kabels en leidingen is de ondergrond aangetast. De locaties van de kabels en leidingen zijn weergegeven in bijlage 11. Kabels en leidingen concentreren zich in de Jan van Galenstraat en parallel aan de noordzijde van het gebouw, en de Huizingalaan. Volgens het principeprofiel van de gemeente Utrecht zijn datakabels op 0,6 m -Mv aangelegd, gas (lage druk) en laagspanning op 0,7 m -Mv, warmteleidingen (stadsverwarming) tussen 0,45 en 0,6 m -Mv en waterleidingen op 1,0 m -Mv. De diepteligging van de riolering is niet in het principeprofiel opgenomen, maar in de tekening is wel te zien dat deze dieper ligt dan de rest van de kabels en leidingen (bron: gemeente Utrecht). De exacte aanlegdiepte van de kabels en leidingen is niet bekend, waardoor niet exact bekend is welke archeologische lagen met de kabels en leidingen zijn aangetaste en welke niet. Dit ook samen met de variabele diepteligging van het dekzand. Onder de kabels en leidingen kunnen dus mogelijk nog archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn.
9 https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf
15
Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op de kaart van Specht uit 1700, waarbij het kaartbeeld gebaseerd is op de situatie in 1539. Bron: hetutrechtsarchief.nl.
Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op de kaart van Van Deventer uit 1560. Bron: hetutrechtsarchief.nl.
16
Figuur 3: Het plangebied (rood omlijnd) op de kaart van Tirion uit 1757. Bron: https://hetutrechtsarchief.nl.
Figuur 4: Het plangebied (rood omlijnd) op de Kadastrale Minuut uit 18111832. Bron: www.hisgis.nl.
17
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
18
Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1980 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
19
Figuur 10: Uitsnede van een topografische kaart uit 2015 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
20
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische verwachting en periode De archeologische verwachting is afhankelijk van de landschappelijke ondergrond en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen: • Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op de overgang van het rivierengebied naar het dekzandgebied. Ter plaatse van het plangebied wordt geen stroomgordel in de ondergrond verwacht, waarvan de oevers vanaf de Bronstijd bewoond kunnen zijn geweest. De onderzoeken in de omgeving wijzen op de aanwezigheid van komklei in de omgeving van het plangebied. Crevasses worden op basis van onderzoek in de omgeving niet verwacht. De archeologische verwachting voor de periode Bronstijd-Vroege-Middeleeuwen is daarom laag. Onder de komkleien mogelijk veen ligt echter dekzand. Hierin kunnen dekzandkoppen en -ruggen aanwezig zijn, die in de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum aantrekkelijk voor bewoning kunnen zijn geweest, totdat het dekzand in het Neolithicum (Vos, 2015) met veen werd overdekt. De top van het dekzand was in de omgeving van het plangebied plaatselijk intact. Vindplaatsen in het dekzandzijn in de directe omgeving vooralsnog niet aangetroffen, maar zouden wel aanwezig kunnen zijn als de bodem intact is. • Het plangebied ligt aan de voormalige Hoofddijk, die al in 1125 na Chr. aanwezig was.
Op historische kaarten ontbreken hierlangs huisplaatsen, maar wel zou afval van reizigers langs de weg aanwezig kunnen zijn. Ook is niet uit te sluiten dat hier vanwege zich mogelijk verplaatsende dorpen toch bebouwing heeft gestaan, al is de kans hierop erg klein omdat concrete historische en archeologische aanwijzingen hiervoor ontbreken (theoretische verwachting). Verder is in het zuiden van het plangebied, ter hoogte van de Huizingalaan, mogelijk nog een restant van de Hoofddijk zelf in de ondergrond aanwezig op basis van historische kaarten. Stratigrafische positie en diepteligging • De top van het dekzand is op basis van onderzoek in de omgeving tussen 0 en -1,0 m NAP (70 en 250 cm -Mv) te verwachten. Milieukundige boringen lijken in het oosten van het plangebied op een diepere ligging (130 en 250 cm -Mv) van de top van het dekzand te wijzen dan in de rest van het plangebied (Grondslag, 2025). Volgens Buringh en van der Knaap (1952) en Berendsen (1882) is in het plangebied mogelijk een verhoging van de top van het dekzand aanwezig (bijlage 9). Al met al kan de diepteligging van de top van het dekzand dus op korte afstand sterk variëren. • Restanten van de Hoofddijk of afval van reizigers kunnen in de top van de komafzettingen aanwezig zijn. Deze worden verwacht onder een pakket recent ophoogzand.
In de omgeving van het plangebied is dit pakket ophoogzand 50 tot 150 cm dik. Complextypen, omvang en prospectiekenmerken • In het plangebied worden jachtkampen verwacht. Jachtkampen kenmerken zich door een concentratie van vuursteen en grondsporen in de vorm van haardkuilen. De omvang ervan kan variëren tussen circa 100 en 1000 m2. De aanwezigheid hiervan is in eerste instantie afhankelijk van de intactheid van de top van het dekzand in het gebied. • Van de Hoofddijk zijn mogelijk ophooglagen en verharding in de ondergrond aanwezig. Verder kan afval van reizigers in de omgeving van de weg worden aangetroffen. • In het plangebied kunnen huisplaatsen van verplaatsende dorpen/laatmiddeleeuwse (ontginnings)boerderijen worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting is samengevat in onderstaande tabel 2.
21
Zoekstrategie en advies Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten is het in eerste instantie de vraag wat de exacte landschappelijke ligging, bodemopbouw en mate van intactheid ervan is in het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek is de top van het dekzand ter plaatse van de aanwezige kelder en kabels en leidingen mogelijk al aangetast. Om dit te kunnen toetsen, dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn. De aan- of afwezigheid van een vindplaats uit de steentijd kan door middel van een karterend booronderzoek worden vastgesteld. Hiervoor wordt geadviseerd methode A3 voor middelgrote steentijdvindplaatsen te hanteren (Tol, 2012), vanwege de mogelijke aanwezigheid van een dekzandkopje. Hierbij hoort een boorgrid van 13x15 m. De methodiek en resultaten van dit booronderzoek zijn in het volgende hoofdstuk besproken.
22
Tabel 2: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.
1
Archeologische verwachting Datering
2 3 4
Complextype Omvang Diepteligging
5
Gaafheid en conservering
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Reden Hoog Laat-Paleolithicum-Neolithicum Mogelijk is een dekzandkopje in het plangebied aanwezig, dat aantrekkelijk voor bewoning kan zijn geweest. Na deze periode werd het dekzand te nat voor bewoning. Laag Bronstijd-Vroege Middeleeuwen Het plangebied lag in een nat komgebied, dat niet aantrekkelijk voor bewoning was. Bewoning concentreerde zich in deze tijd op de oeverwallen, die niet in het plangebied verwacht worden. Crevasses die mogelijk bewoonbaar zijn geweest in de deze periode, worden in het plangebied niet verwacht. Hoog Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd Het plangebied ligt aan de Hoofddijk, die al in 1125 na Chr. is aangelegd. Huisplaatsen erlangs zijn niet bekend op historische kaarten, maar ook niet geheel uit sluiten vanwege mogelijke wandelende boerderijlinten. Jachtkamp, Hoofddijk, afval van reizigers, huisplaatsen van verplaatsende dorpen. 100-1000 m2 (omvang jachtkamp) Top dekzand: tussen 70 en 250 cm -Mv Hoofddijk: onder recent ophoogpakket van vermoedelijk 50-150 cm dikte. +/Boven 1,6 à 1,7 m -Mv zijn organische resten als planten en zaden vermoedelijk al door oxidatie zijn gedegradeerd. Eventuele resten van bot en leer zijn boven dit niveau waarschijnlijk wel goed bewaard gebleven in het klei. Dit geldt in mindere mate ook voor houtresten. Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten of grondsporen.
Bebouwing met kelder, bestaande kabels en leidingen. 23
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Verboom-Jansen en De Wit, 2025). De boringen zijn daarbij gebruikt om de mate van intactheid van de bodem, de bodemopbouw zelf en het voorkomen van archeologische indicatoren te bepalen. In totaal zijn in het plangebied 21 boringen gezet (boring 1-21). De boringen hebben een diepte tot maximaal 300 cm –Mv en zijn daarbij doorgezet tot minimaal 30 cm in de top van het dekzand. In boringen 1, 7 en 18-20 is de natuurlijke ondergrond niet bereikt. Deze boringen zijn gestaakt op het grondwaterpeil, waardoor het boorgat dichtslibt met zand. De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. In de boringen waarin archeologisch relevante niveaus waargenomen zijn (boring 2-4, 6, 8-14 en 17), is opnieuw een boring gezet met een Edelmanboor met een diameter van 12 cm. Grondmonsters van het archeologisch relevante niveau zijn gezeefd over 3 mm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008).
Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 15. Enkele foto’s van enkele boringen zijn weergegeven in bijlage 14. De boringen zijn conform boormethode A3 (middelgrote vindplaats) van het Leidraad voor karterend booronderzoek (Tol et al., 2012) gelijkmatig in het plangebied uitgezet in een boorgrid van circa 13 x 15 m. De boringen zijn afhankelijk van kabels en leidingen in de ondergrond en oppervlakte verharding in de vorm van asfalt zo geplaatst, dat deze zonder betonboor geboord konden worden. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 11. De coördinaten en hoogteligging van de boorpunten zijn bepaald met behulp van een dGPS (afwijking van maximaal 0,01 m; x,y,z). Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het plangebied bebouwd met een appartementengebouw en verder in gebruik als parkeerplaats, straat en groenstrook. In het zuidoosten van het plangebied is een speeltuin aanwezig. Het maaiveld binnen het plangebied is nagenoeg vlak. In het noorden van het plangebied, ter plaatse van de groenstrook zijn een drietal verhogingen aanwezig in het maaiveld. Deze liggen circa 1 meter hoger dan het straatniveau. Deze verhoging zijn antropogeen aangebracht en niet natuurlijk. De verhogingen bevinden zich ter plaatse van een voormalig tankstation dat op de topografische kaart uit 1980 zichtbaar is.