CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

SV 2026 _ 089_ Kranslegging Verzetsmonument 15 mei (1)

Commissie Bestuur 25 juni 2026, gemeente UtrechtBij agendapunt: Kranslegging door college bij Nakba-herdenking op het Domplein, bij het Verzetsmonument2.226 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Schriftelijke vragen inzake de kranslegging van het voltallige college bij de Nakbaherdenking op het Domplein van 15 mei 2026 19-05-2026 Vragen: Besluitvorming en mandaat van het college 1. Op welke datum en in welke collegevergadering is het besluit genomen dat de burgemeester en wethouder Voortman namens het voltallige college van B&W een krans zouden leggen bij de Nakba-herdenking op het Domplein op 15 mei 2026? Is dit besluit collegiaal genomen en gedragen door alle individuele collegeleden, of is het achteraf als collegestandpunt gepresenteerd? 2. Waarom heeft het college, gelet op het politiek gevoelige en internationale karakter ervan, gemeend de raad voorafgaand aan de uitvoering hierin niet te kennen? 3. Welke ambtelijke adviezen zijn aan dit besluit voorafgegaan? Kan de raad de eventuele ambtelijke adviezen krijgen? Zo nee, waarom niet? 4. Wegen voor het college bij de keuze om als overheid deel te nemen aan een herdenking van een buitenlands historisch conflict ook de overwegingen van neutraliteit, gelijke behandeling en evenwicht? Zo ja, hoe heeft het college die toets concreet uitgevoerd? 5. Op basis van welke overwegingen zijn het Domplein en het Verzetsmonument als locatie voor deze herdenking gekozen? Acht het college deze keuze gepast, en zo ja, waarom? Het Verzetsmonument, de 4 meikransen en de aantasting van een gedenkteken 6.

Is het college zich ervan bewust dat het Verzetsmonument op het Domplein in opdracht is gemaakt van het Comité tot Oprichting van een monument voor de Gevallenen in het Verzet van de Stad Utrecht, en is opgericht ter nagedachtenis aan de plaatselijke verzetsmannen en -vrouwen die in de strijd tegen de bezetter zijn omgekomen? 7. Op 15 en 16 mei 2026 is ter plaatse waargenomen dat de kransen die op 4 mei 2026 bij het Verzetsmonument waren gelegd, onder meer door de gemeente, door verzetsorganisaties, door veteranen en door nabestaanden, op een hoop waren gegooid en achter het monument waren gedeponeerd om ruimte te maken voor de Palestijnse kransen, vlaggen, borden, symbolen en tekeningen. Was het college hiervan op de hoogte? 8. Acht het college het aanvaardbaar dat de kransen van de Utrechtse Dodenherdenking op deze wijze terzijde zijn geschoven ten gunste van een politieke demonstratie over een buitenlands conflict? 9. Is door of namens het college, voorafgaand aan of tijdens de Nakba-herdenking, op enig moment opgetreden of geïntervenieerd toen bleek dat de 4 meikransen werden verplaatst

en het Verzetsmonument als drager en achtergrond werd gebruikt voor politieke spandoeken, waaronder een “Free Palestine”-spandoek? Zo nee, waarom niet? 10. Acht het college het, achteraf bezien, een fatsoenlijke handelwijze dat een gedenkteken voor het Utrechtse verzet tegen de nazi-bezetting is gebruikt als prikbord voor politieke uitingen over een hedendaags buitenlands conflict, en dat de burgemeester en een wethouder, in ambtshoedanigheid, daaraan deelnamen in plaats van daartegen op te treden? 11. Welke schriftelijke afspraken zijn er met de organisatoren gemaakt over de eerbiediging van het monument, de behandeling van de aanwezige 4 meikransen en het al dan niet plaatsen van politieke spandoeken op of tegen het monument? Is het college bereid deze afspraken aan de raad te verstrekken? 12. Is het college bereid om in overleg met het Utrechts Comité 4 mei, verzetsorganisaties, veteranenverenigingen en de Joodse gemeenschap een protocol vast te stellen waarin het Verzetsmonument op het Domplein wordt aangemerkt als exclusief gedenkteken voor het Utrechtse verzet, en waarin het oneigenlijk gebruik ervan voor politieke demonstraties over andere onderwerpen wordt uitgesloten? De organiserende keten, PGNL en Amin Abou Rashed 13.

Was het college voorafgaand aan 15 mei 2026 ervan op de hoogte dat één van de sprekers op de Nakba-herdenking, de heer Mohamed Kotesh, optrad namens PGNL (Palestijnse Gemeenschap Nederland)? 14. Was het college ervan op de hoogte dat PGNL in 2016 is opgericht door Amin Abou Rashed, en dat deze door het U.S. Treasury OFAC op 10 juni 2025 op de SDN-terreurlijst is geplaatst vanwege zijn link met Hamas? 15. Was het college ervan op de hoogte dat het Nederlandse Openbaar Ministerie op 14 april 2026 voor de rechtbank Rotterdam vier jaar gevangenisstraf heeft geëist tegen de heer Abou Rashed wegens onder meer het overtreden van de Sanctiewet 1977 en het doorsluizen van miljoenen euro’s naar Hamas-gelieerde organisaties, en dat de uitspraak van de rechtbank is geagendeerd voor 27 mei 2026, elf dagen ná de kranslegging? 16. Indien het college van deze feiten op de hoogte was: waarom heeft het college dit geen aanleiding gevonden om te heroverwegen of een institutionele kranslegging namens het voltallige college bij een door deze keten mede-vormgegeven bijeenkomst passend was? 17. Acht het college het gepast officieel deel te nemen aan een plechtigheid georganiseerd door groepen en personen die verdacht worden van nauwe banden met een internationaal erkende terreurorganisatie en waarom wel of niet? 18.

Ontvangen de organisaties die betrokken zijn bij deze vertoning, Utrecht4Palestine, New Neighbours Utrecht, Palestine Café Utrecht, PGNL, Utrecht Student Encampment en Utrecht Medics for Gaza, subsidie of andere financiële middelen van de gemeente Utrecht? Zo ja, om welk bedrag gaat het per organisatie? De waarschuwing van de AIVD 19. Heeft het college voorafgaand aan de kranslegging kennisgenomen van het AIVDjaarverslag 2025, gepubliceerd in april 2026, waarin de dienst stelt dat “het Hamas-netwerk in Nederland betrokken is bij bredere organisaties die demonstraties organiseren namens een groter deel van de Palestijnse gemeenschap” en dat dergelijke demonstraties “kunnen leiden tot verdeeldheid in de samenleving”? 20. Hoe verhoudt zich de officiële, namens het voltallige college uitgevoerde kranslegging op 15 mei 2026 tot deze expliciete vaststelling van de AIVD, in aanmerking nemende dat de organiserende keten PGNL, opgericht door een persoon die door de Verenigde Staten als Hamas-operative is gesanctioneerd, inhoudelijk en publiek aanwezig was? 21. Acht het college zich gebonden aan de bestuurlijke verantwoordelijkheid om te voorkomen dat de gemeente Utrecht, door aanwezigheid, kranslegging, ambtelijke ondersteuning of welke andere vorm van erkenning dan ook, een platform of legitimering biedt aan

organisaties die door de AIVD in verband worden gebracht met een terroristisch netwerk? Zo ja, hoe verklaart het college dat het op 15 mei 2026 anders heeft gehandeld? De Nakba zelf en de inhoud van de herdenking 22. De Nakba verwijst naar de gebeurtenissen rond 1948 in het voormalige Britse Mandaatgebied. Op welke historische grondslag baseert het college zich wanneer het de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen van 1948, die vluchtelingenstromen aan twee zijden voortbrachten, waaronder ruim 850.000 Joden uit Irak, Egypte, Jemen, Libië, Marokko, Tunesië, Syrië en Algerije, eenzijdig duidt op een wijze die door deelname aan deze specifieke herdenking impliciet wordt onderschreven? 23. Acht het college het van belang dat in een door de gemeente bijgewoonde herdenking ook recht wordt gedaan aan de feiten dat het VN-verdelingsplan van 29 november 1947 door alle Arabische staten werd verworpen, dat zij op 15 mei 1948 de jonge staat Israël binnenvielen, dat Joodse gemeenschappen uit Oost-Jeruzalem en Gush Etzion volledig zijn verdreven, en dat de 850.000 Joodse vluchtelingen uit Arabische landen door de Israëlische Knesset jaarlijks op 30 november worden herdacht (Yom Haplitim)? Zo ja, hoe heeft dit een plek gekregen in de afweging om aanwezig te zijn? Zo nee, waarom niet? 24.

Is het college zich ervan bewust dat de term “Nakba” in huidige politieke context per definitie de oprichting van de staat Israël zelf, niet enkel een specifieke gebeurtenis daarin, markeert als rampzalig, en dat deelname van de overheid aan deze herdenking daarmee onvermijdelijk een politieke positie inhoudt over het bestaansrecht van de enige Joodse staat ter wereld? 25. Heeft het college beoogd met de kranslegging stelling te nemen in het politieke en historische debat over de als Nakba aangeduide gebeurtenissen en de oprichting van de staat Israël? “Free Palestine” en de eerdere uitspraken van de burgemeester 26. Het college legde een krans voor een spandoek met de tekst “Free Palestine”. Hoe leest het college deze slogan? Sluit het college bij deze interpretatie expliciet de variant uit die in het herziene Hamas-handvest van 2017 wordt verkondigd, “the full and complete liberation of Palestine, from the river to the sea”, een formulering die per definitie het einde inhoudt van Israël als Joodse staat? 27. Burgemeester Dijksma heeft op 9 november 2023, naar aanleiding van een sit-in op Utrecht Centraal, publiek verklaard dat de leuze “From the river to the sea, Palestine will be free” “kan worden gezien als een oproep tot geweld”.

Hoe verhoudt deze eerdere uitspraak van de burgemeester zich tot de keuze van het college om in 2026 wel een krans te leggen voor een “Free Palestine”-spandoek bij een herdenking die door dezelfde keten van organisaties werd gevormd waar deze leuzen worden gescandeerd? Consistentie, neutraliteit en gelijke behandeling 28. Waarom heeft het college de keuze gemaakt om de Nakba officieel te herdenken, gezien er geen connectie met Nederland is en er zo talloze andere gebeurtenissen over de hele wereld herdacht kunnen worden? 29. Heeft het college van Utrecht in de afgelopen tien jaar institutionele kransleggingen verricht namens het voltallige college bij herdenkingen van: de Armeense Genocide (24 april); de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling van 1923; de slachtoffers van de Sovjetinvasie in Hongarije in 1956; de Praagse Lente in 1968; de deling van India en Pakistan in 1947 met circa twintig miljoen ontheemden; de Yezidi-genocide van 2014; de Oeigoeren in Xinjiang; of de circa 850.000 Joden die tussen 1948 en de jaren ’70 uit Arabische en islamitische landen zijn verdreven (Yom Haplitim, 30 november)? Indien nee, op welke criteria baseert het college zijn keuze voor wél of niet institutionele aanwezigheid bij internationale herdenkingen?

30. Begrijpt het college dat zijn deelname en kranslegging op 15 mei 2026 hebben geleid tot een aanhoudende discussie over de vraag waar en wanneer het college namens Utrecht wel of geen krans zou moeten leggen, en wat de criteria daarvoor zouden moeten zijn? 31. Is het college bereid om, ter waarborging van gelijke behandeling en consistentie, in 2026 of 2027 namens het voltallige college eveneens een krans te leggen bij Yom Haplitim ter herdenking van de Joodse vluchtelingen uit Arabische en islamitische landen? 32. Is het college voornemens andere gebeurtenissen uit de menselijke geschiedenis officieel te gaan herdenken en zo ja welke en waarom wel of niet? 33. Hoe verhoudt zich de aanwezigheid van de burgemeester en wethouder Voortman bij deze herdenking tot de rol van de burgemeester als neutrale macht en tot de wettelijke taak onder artikel 170 lid 2 Gemeentewet om de bestuurlijke integriteit te bevorderen? De Joodse gemeenschap in Utrecht 34. Heeft het college, voorafgaand aan deze kranslegging, overleg gevoerd met de Nederlands-Israëlitische Gemeente Utrecht (NIG Utrecht), de Liberaal Joodse Gemeente Utrecht (LJGU), of met andere vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap in Utrecht? Zo ja, wat waren hun standpunten? Zo nee, waarom is dit overleg achterwege gebleven? 35.

Hoe weegt het college de openbare verklaring van het Centraal Joods Overleg van 17 mei 2026, waarin de koepelorganisatie stelt dat “anti-Israëlische narratieven een directe en aantoonbare impact (hebben) op de veiligheid en het gevoel van thuishoren van Joden in Nederland”? 36. Welke concrete maatregelen treft het college om de fysieke veiligheid van Joodse Utrechters, van de Utrechtse synagogen en van de Joodse begraafplaats te waarborgen in de aanloop naar en in de nasleep van de uitspraak in de zaak-Abou Rashed op 27 mei 2026? Reflectie, oordeel en politieke verantwoordelijkheid 37. Deelt het college de opvatting dat het onverenigbaar is met de waardigheid van het ambt, en met de eerbied die wij in Utrecht aan onze verzetsstrijders verschuldigd zijn, dat de kransen van de Nationale Dodenherdenking achter het Verzetsmonument zijn gedeponeerd om plaats te maken voor kransen, vlaggen en spandoeken die betrekking hebben op een politiek conflict op een ander continent, en dat de burgemeester en een wethouder daaraan in ambtshoedanigheid hebben deelgenomen? 38.

Acht het college het uitlegbaar aan de families van Utrechtse verzetsstrijders, aan veteranen, aan overlevenden van de Tweede Wereldoorlog en aan hun nabestaanden, dat juist het monument dat hun verlies herdenkt op 15 mei 2026 is gebruikt als drager en achtergrond van politieke uitingen over het Israëlisch-Palestijnse conflict, een conflict waar Nederland geen partij in is, en dat geen enkele inhoudelijke band heeft met het Utrechtse verzet tegen de nazi-bezetting? 39. Deelt het college de opvatting dat een Nederlandse lokale overheid, in welke vorm, op welke wijze en met welke intentie dan ook, niet behoort bij te dragen aan de normalisering of legitimering van leuzen, symbolen of organisatorische ketens die herleidbaar zijn tot een terroristische beweging die de vernietiging van een soevereine staat en haar bevolking tot doel heeft? 40. Deelt het college de opvatting dat het Verzetsmonument op het Domplein, evenals alle andere gemeentelijke gedenktekens, eigendom is van alle Utrechters tezamen en dat in Nederland voor iedere ingezetene, ongeacht herkomst of overtuiging, dezelfde gedragsnorm geldt: dat nationale herdenkingsmonumenten worden gerespecteerd, dat de eerbetonen die er liggen niet worden verstoord, en dat zij niet worden geclaimd voor demonstraties over conflicten waarmee zij geen inhoudelijke band hebben? 41.

Is het college bereid om voor toekomstige institutionele kransleggingen of officiële aanwezigheid van collegeleden bij herdenkingen van buitenlandse conflicten een

transparant toetsingskader vast te stellen, waarin in elk geval worden meegewogen: bestuurlijke neutraliteit, consistentie ten opzichte van andere conflicten, de antecedenten van de organiserende partijen, het oordeel van de AIVD en de gevolgen voor alle Utrechtse gemeenschappen, en dit kader ter vaststelling voor te leggen aan de gemeenteraad?

Gesteld door: • •

Mika Raterman, JA21 Yvonne Hessel, Utrecht Solidair

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=a004e281-329c-4ca6-85e2-61d6aa9c1453