STVV 1 juni 2023 Verordening raadgevend referendum v.2.0 (wijzigingen zichtbaar)
Tekst van het document
Concept Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht De raad van de gemeente Utrecht; -
gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de raad van 1 juni 2023; gelet op de artikelen 84, 149 en 154 van de Gemeentewet.
gezien het advies van de referendumcommissie van 23 maart 2023 ‘Vernieuwde referendumverordening en nadere regel’
Besluit de volgende verordening vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities -
centraal stembureau: het stembureau dat voor de
gemeenteraadsverkiezingen wordt ingesteld als bedoeld in artikel E 19 van de Kieswet; -
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;
-
CPR: een door de raad op grond van artikel 83 van de Gemeentewet ingestelde commissie, onder de naam Commissie Personeelszorg raadsorganen;
-
kiesgerechtigde: diegene die stemrecht heeft voor de verkiezing van de leden van de raad;
-
raad: de gemeenteraad van de gemeente Utrecht; raadsbesluit: een breder begrip dan bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene
wet bestuursrecht: een schriftelijke beslissing van de raad, met uitzondering van moties en niet aangenomen voorstellen. Ook een niet aangenomen (verworpen) voorstel is een raadsbesluit in de zin van onderhavige verordening. -
raadgevend referendum: volksraadpleging waarbij de kiesgerechtigden zich op initiatief van één of meer kiesgerechtigden kunnen uitspreken over een raadsbesluit;
-
referendumcommissie: een commissie van advies en toezicht als bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet;
-
voorzitter centraal stembureau: de burgemeester van de gemeente Utrecht als bedoeld in artikel E 19 van de Kieswet.
1
Artikel 1:2 Het raadgevend referendum
1. Een raadgevend referendum wordt gehouden als het inleidend verzoek en het daaropvolgend definitief verzoek zijn toegelaten.
2. Onderwerp van een raadgevend referendum is een raadsbesluit met uitzondering van besluiten:
a. over individuele kwesties, zoals benoemingen, schorsingen, kwijtscheldingen of schenkingen;
b. tot vaststelling of wijziging van de een rechtspositionele regeling;
c. over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers in dienst van de raad;
d. over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor politieke ambtsdragers, gewezen politieke ambtsdragers en hun nabestaanden;
e. over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en rekening, de
hoogte van gemeentelijke tarieven of belastingen en het afschaffen van belastingen;
f. tot vaststelling, wijziging of intrekking van een bestemmingsplan,
voorbereidingsbesluiten, beheersverordening, verklaring van geen bedenkingen benodigd voor (wabo-)projectbesluiten en het
exploitatieplan, de vaststelling of wijziging van het omgevingsplan, de
vaststelling van de gevallen waarvoor het bindend adviesrecht van de raad geldt in geval van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en het bindend advies omtrent een buitenplanse omgevingsactiviteit;
g. in het kader van deze verordening;
h. inzake bezwaar- of beroepsprocedures of rechtsgedingen; i.
j.
in het kader van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a van de Wet algemene regels herindeling;
k. ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de l.
wetgever waarbij de raad geen beleidsvrijheid heeft;
waarbij naar het oordeel van de raad geen raadgevend referendum kan worden gehouden in verband met dringende redenen;
m. in het kader van geheimhouding;
n. in het kader van de Wet open overheid;
o. over het interne functioneren en werkwijze van de raad, commissies, rekenkamer en ombudsloket, alsmede alle daarmee samenhangende reglementen en verordeningen;
2
p. die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder
genomen besluit waarover een raadgevend referendum is of kon worden gehouden;
q. waarbij op grond van artikel 6, tweede lid, Huisvestingswet afstemming is vereist met de Woningmarktregio en de uitvoering op regionaal niveau gelijkluidend is.
Artikel 1:3 Inwerkingtreding
1. Een raadsbesluit waarover een raadgevend referendum kan worden
gehouden, treedt in werking vijf weken na de dag van publicatie van de raadsbesluit.
2. De termijn, genoemd in het eerste lid, schort op met ingang van de dag nadat een besluit bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, is genomen om een inleidend verzoek toe te laten. De opschorting wordt zo spoedig mogelijk kenbaar
gemaakt op of bij het gepubliceerde raadsbesluit en vermeldt de reden van opschorting.
3. De opschorting, genoemd in het tweede lid, eindigt op de dag nadat:
a. de termijn, genoemd in artikel 2:2, derde lid voor het indienen van een definitief verzoek is verstreken en binnen die termijn geen definitief verzoek is ingediend;
b. een besluit, bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, is genomen tot afwijzing van het definitieve verzoek;
c. het centraal stembureau heeft vastgesteld dat de uitslag van een
raadgevend referendum niet heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing van het raadsbesluit en de raad hiervan in kennis heeft gesteld als bedoeld in artikel 3:4, derde lid;
c.d. de raad heeft besloten het raadsbesluit waarover het raadgevend
referendum is gehouden in te trekken en/of een gewijzigd raadsbesluit heeft genomen.
4. Het beëindigen van de opschorting wordt zo spoedig mogelijk kenbaar
gemaakt op of bij het gepubliceerde raadsbesluit en vermeldt de reden van beëindiging.
Artikel 1:4 Directe inwerkingtreding van referendabele raadsbesluiten
1. Indien de inwerkingtreding van een raadsbesluit waarover een raadgevend referendum kan worden gehouden, geen uitstel kan lijden, kan onder
verwijzing naar dit artikel in het raadsbesluit de inwerkingtreding in afwijking van artikel 1:3 worden geregeld, onverminderd de mogelijkheid om over het raadsbesluit een raadgevend referendum te houden.
3
2. Indien over een raadsbesluit als bedoeld in het eerste lid een raadgevend
referendum wordt gehouden en onherroepelijk is vastgesteld dat dit heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing van het raadsbesluit,
vergadert de raad zo spoedig mogelijk over het reeds in werking getreden
raadsbesluit. De raad kan het college opdracht geven tot voorbereiding van
een raadsvoorstel tot intrekking van het raadsbesluit en, indien gewenst, een nieuw te nemen raadsbesluit.
Hoofdstuk 2 Van verzoek tot besluit Artikel 2:1 Stap 1: het inleidend verzoek
1. Iedere kiesgerechtigde kan schriftelijk of elektronisch een inleidend verzoek
tot het houden van een raadgevend referendum indienen bij de voorzitter van het centraal stembureau. De voorzitter van het centraal stembureau informeert de raad hierover.
2. Een inleidend verzoek tot het houden van een raadgevend referendum wordt ondersteund door ten minste 1.000 geldige ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden.
3. Het inleidend verzoek kan worden ingediend vanaf het moment dat de raad
zijn besluit heeft genomen en moet zijn ingediend uiterlijk drie weken na de dag waarop het raadsbesluit is gepubliceerd in het openbare raadsinformatiesysteem op www.utrecht.nl.
4. Geldige ondersteuningsverklaringen behorend bij een inleidend verzoek zijn tevens geldend in het geval een toegelaten inleidend verzoek wordt gevolgd door een definitief verzoek.
Artikel 2:2 Stap 2: het definitieve verzoek
1. Nadat het inleidend verzoek is toegelaten, kan iedere kiesgerechtigde
schriftelijk of elektronisch een definitief verzoek tot het houden van een raadgevend referendum indienen bij de voorzitter van het centraal
stembureau. De voorzitter van het centraal stembureau informeert de raad hierover.
2. Een definitief verzoek tot het houden van een raadgevend referendum wordt
ondersteund door ten minste 10.000 geldige ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden, waaronder mede begrepen de geldige
ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden behorende bij het
inleidende verzoek. Iemand moet kiesgerechtigd zijn binnen de periode van de dag dat het raadsbesluit is gepubliceerd en de einddatum van de mogelijkheid tot het indienen van het definitieve verzoek.
4
3. Het definitieve verzoek moet zijn ingediend uiterlijk zes weken na de dag
waarop de voorzitter van het centraal stembureau het besluit tot het toelaten van het inleidend verzoek bekend heeft gemaakt.
Artikel 2:3 De ondersteuningsverklaringen
1. Een kiesgerechtigde mag maximaal één ondersteuningsverklaring indienen. 2. Een ondersteuningsverklaring mag schriftelijk of elektronisch worden ingediend.
3. Een ondersteuningsverklaring bevat de voorletters, achternaam, adres,
woonplaats en geboortedatum van de kiesgerechtigde. Naast deze gegevens bevat een ondersteuningsverklaring een handtekening van de kiesgerechtigde.
4. Ongeldig is een ondersteuningsverklaring die:
a. is ingediend na afloop van buiten de voor het desbetreffende verzoek gestelde termijn;
b. afkomstig is van een persoon die niet kiesgerechtigd is; of: c. niet volledig en feitelijk juist is ingevuld.
Artikel 2:4 Beoordeling van het inleidend verzoek en definitieve verzoek 1. Het verzoek wordt afgewezen als:
a. het een raadsbesluit betreft dat is uitgezonderd als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid;
b. het aantal geldige ondersteuningsverklaringen minder bedraagt dan vereist is voor het betreffende verzoek;
c. het is ingediend door een niet-kiesgerechtigde; of:
d. het is ingediend buiten de voor het desbetreffende verzoek gestelde termijn.
Artikel 2:5 Steekproef geldigheid ondersteuningsverklaringen definitieve verzoek 1. Ondersteuningsverklaringen die niet op grond van artikel 2:4, tweede lid, onderdeel a, ongeldig zijn verklaard, worden gecontroleerd via een steekproef. De steekproef wordt getrokken uit alle geldige
ondersteuningsverklaringen op één lijst als één groep, waarbij de kans voor elke geldige ondersteuningsverklaring om deel uit te maken van de steekproef even groot is.
2. De omvang van de steekproef wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: S = (4147,36 x Y) / (4146,36 + Y), waarbij:
5
S = het aantal ondersteuningsverklaringen dat voor een steekproef is geselecteerd;
Y = het totaal aantal ondersteuningsverklaringen dat niet op grond van artikel 2:4, tweede lid, sub a ongeldig is verklaard.
3. De ondersteuningsverklaringen die worden gebruikt voor de steekproef worden op aselecte wijze geselecteerd.
4. Het aantal in de steekproef aangemerkte ondersteuningsverklaringen wordt uitgedrukt als een percentage van het totaal aantal geverifieerde ondersteuningsverklaringen.
5. Het totaal aantal geldige ondersteuningsverklaringen is het totaal aantal
ondersteuningsverklaringen die niet op grond van artikel 2:4, tweede lid,
ongeldig zijn verklaard, vermenigvuldigd met het percentage, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 2:6 Het besluit op het inleidend verzoek en definitieve verzoek
1. De voorzitter van het centraal stembureau besluit of een verzoek wordt
toegelaten of afgewezen binnen twee weken na de dag waarop het verzoek is ingediend.
1.2.
Indien de voorzitter van het centraal stembureau advies van de
referendumcommissie verzoekt, wordt dit advies uiterlijk binnen twee dagen na ontvangst van het inleidend of definitief verzoek bij de referendumcommissie ingediend.
2.3.
De voorzitter van het centraal stembureau informeert de indiener van het
verzoek en de gemeenteraad gelijktijdig hierover en maakt het besluit
vervolgens zo spoedig mogelijk openbaar op de gemeentelijke website
Artikel 2:7 Subsidie
Op grond van de Algemene subsidieverordening gemeente Utrecht kan het college nadere regels stellen ten aanzien van de subsidiëring van activiteiten ter
ondersteuning van het publieke debat en de meningsvorming over het onderwerp waarop het referendum betrekking heeft.
Hoofdstuk 3 Procedure voorbereiding, stemming en uitslag Artikel 3:1 De Kieswet is zoveel mogelijk van toepassing
Op de procedure ter voorbereiding, stemming en uitslag van het raadgevend
referendum zijn bepalingen uit de hoofdstukken E, paragrafen 2, 3 en 5, J, L, N,
paragrafen 1 en 4, Na en P, paragrafen 1 en 4 van de Kieswet zo veel mogelijk van 6
overeenkomstige toepassing, voor zover bij of krachtens deze verordening niet
anders is bepaald, met dien verstande dat ‘de dag van de kandidaatstelling’ in de
van de overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen uit de Kieswet gelezen wordt als ‘de vierenveertigste dag voor de dag van de stemming’.
Artikel 3:2 Datum stemming
1. Het college bepaalt de dag waarop de stemming over het raadgevend referendum wordt gehouden.
1.2.
De dag van de stemming wordt in beginsel gecombineerd met de
eerstvolgende stemming voor:
2. Als dag van stemming wordt een woensdag aangewezen binnen een termijn die aanvangt op de vijfentachtigste dag en eindigt zes maanden na de dag
waarop de voorzitter van het centraal stembureau het besluit heeft genomen tot toelating van het definitieve verzoek. Als dag van stemming kan geen
algemeen erkende feestdag of dag in juli of augustus worden aangewezen.
3. Als binnen de in het tweede lid bedoelde termijn een stemming plaatsvindt voor:
a. een verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der StatenGeneraal;
b. een verkiezing voor de leden van provinciale staten van Utrecht; c. een verkiezing voor de leden van het algemene bestuur van
Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden of van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;
d. een verkiezing voor de leden van de raad;
e. een verkiezing voor de leden van het Europees Parlement, of;
f. een ander raadgevend referendum op basis van deze verordening.,
3. Indien in een kalenderjaar geen reguliere verkiezing wordt gehouden, wordt als de dag van stemming een dag aangewezen binnen een termijn die
aanvangt vier maanden en eindigt na zes maanden na de dag waarop de voorzitter van het centraal stembureau het besluit heeft genomen tot
toelating van het definitieve verzoek. Als dag van de stemming kan geen
algemeen erkende feestdag of dag in juli of augustus worden aangewezen. wordt de dag van die stemming aangewezen als dag van de stemming voor het raadgevend referendum.
Artikel 3:3 Referendumvraag
1. De raad stelt zo spoedig mogelijk na het toelaten van het definitieve verzoek de referendumvraag vast. Dit doet de raad nadat de referendumcommissie heeft geadviseerd over de referendumvraag. De raad verzoekt de
7
referendumcommissie zo spoedig mogelijk na het toelaten van het definitieve verzoek om dit advies.
2. Aan kiesgerechtigden wordt voorgelegd of zij voor of tegen de geformuleerde referendumvraag zijn. Deze vraag kan ook betrekking hebben op (een) afzonderlijk(e) onderde(e)l(en) van de raadsbesluit als het verzoek zich slechts daarop richt.
3. De referendumvraag met de antwoordmogelijkheden wordt aan het adres van de kiesgerechtigden bezorgd.
Artikel 3:4 Vaststelling uitslag
1. Het centraal stembureau berekent de uitslag van het raadgevend referendum en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen de referendumvraag zijn
uitgebracht alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht.
2. Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen de
referendumvraag heeft gestemd waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
3. Het centraal stembureau stuurt het proces-verbaal met de uitslag onverwijld toe aan de raad waarna het proces-verbaal met de uitslag zo spoedig mogelijk wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website.
Artikel 3:5 Vervolg uitslag
1. Als de uitslag van het raadgevend referendum afwijzend is, vergadert de raad zo spoedig mogelijk over het gevolg van de uitslag en het al dan niet
inwerkingtreden van het betwiste raadsbesluit. De raad kan het college
opdracht geven tot voorbereiding van een nieuw te nemen raadsbesluit.
2. Als de uitslag van het raadgevend referendum niet afwijzend is, treedt de het raadsbesluit in werking zoals bepaald in artikel 1:3, derde lid, aanhef en onderdeel c.
Hoofdstuk 4 Referendumcommissie Artikel 4:1 Samenstelling 1. De raad stelt een referendumcommissie in en benoemt haar leden en
plaatsvervangend leden op voorstel van het dagelijks bestuur van de raad.
2. De referendumcommissie bestaat uit drie vijf leden; deze drie vijf leden
kiezen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
8
3. De selectiecommissie doet een voorstel aan het dagelijks bestuur van de
raad. De selectiecommissie bestaat uit de leden van de CPR, bijgestaan door de griffier van de raad.
4. Geen (plaatsvervangend) lid kunnen worden personen die tot vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming:
a. lid zijn geweest van het college,
b. een politieke functie hebben uitgeoefend in de gemeente Utrecht, of c. ambtenaar zijn geweest in dienst van de gemeente Utrecht.
5. Het dagelijks bestuur doet bij het voorstel een verklaring van elke kandidaat met:
a. De mededeling dat hij de benoeming als lid van de referendumcommissie zal aanvaarden;
b. Een overzicht van de (openbare) hoofd- en nevenfuncties die hij bekleedt;
c. Een verklaring in voorkomende gevallen ook naderhand per ommegaande het overzicht van hoofd- en nevenfuncties te actualiseren door dit te melden aan de griffier van de raad.
6. Het dagelijks bestuur doet bij het voorstel tevens: a. Een Verklaring Omtrent het Gedrag;
b. Een positief bevonden achtergrondonderzoek.
7. Benoeming van de leden en plaatsvervangende leden vindt plaats voor een periode van zes jaar, waarna de mogelijkheid bestaat van een eenmalige herbenoeming voor eenzelfde periode.
8. De voorzitter stelt in overleg de leden van de referendumcommissie een
rooster van aftreden vast zodat wordt voorkomen dat meerdere leden van de referendumcommissie in één keer zullen aftreden.
9. Een (plaatsvervangend) lid van de referendumcommissie kan ieder moment
ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de voorzitter van de raad.
10.De raad kan een (plaatsvervangend) lid van de referendumcommissie
ontslaan wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid, andere zwaarwegende
gronden, indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen of indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn commissielidmaatschap te vervullen. Omtrent het voornemen tot ontslag wordt de betrokkene gehoord door de CPR.
11.De leden van de referendumcommissie ontvangen een vergoeding op grond van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
12.Het secretariaat van de referendumcommissie wordt vervuld door een
ambtelijk secretaris. De secretaris wordt aangewezen door de raad en staat bij de vervulling van zijn taak onder leiding van de voorzitter van de referendumcommissie.
9
13.De CPR onderhoudt namens de raad het contact met de
referendumcommissie en voert ten minste jaarlijks een gesprek met de voorzitter respectievelijk de voorzitter en de leden van de
referendumcommissie over het functioneren van de referendumcommissie en de uitvoering van haar taken.
14.De referendumcommissie stelt elk jaar vóór 1 april een verslag op van zijn werkzaamheden over het voorafgaande jaar.
Artikel 4:2 Advies en toezicht
1. De referendumcommissie kan op eigen initiatief of op verzoek van de raad, de voorzitter van het centraal stembureau of het college advies uitbrengen over aanpassingen van deze verordening, over de referendabelheid van
raadsbesluiten, over de bij de referenda en referendumverzoeken te volgen procedure, de referendumvraag en alle overige zaken die het raadgevend referendum betreffen en die zij van belang acht.
2. De referendumcommissie kan vergaderen en besluiten nemen wanneer minimaal drie leden aanwezig zijn.
2.3.
De referendumcommissie brengt advies uit binnen een termijn van vier
weken met inachtneming van een minimumtermijn van twee weken.krijgt
minimaal een termijn van twee weken voor het uitbrengen van het gevraagde advies. Het gevraagd advies dient uiterlijk binnen vier weken gereed te zijn, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2:6 lid 2. In dat geval brengt de referendumcommissie binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek haar advies uit.
3.4.
Het advies wordt door de referendumcommissie gelijktijdig gedeeld met
4.5.
De raad en het college stellen aan de referendumcommissie de voor de
5.6.
De referendumcommissie houdt toezicht op de uitvoering van deze
raad, de voorzitter van het centraal stembureau en het college. advisering benodigde stukken onverwijld ter beschikking.
verordening en het neutrale karakter van de door het college te verstrekken voorlichting over het raadgevend referendum.
Artikel 4:3 Klachten
1. De referendumcommissie behandelt klachten in het kader van de toezichtstaak zoals genoemd in artikel 4:2, vijfde zesde lid.
2. De referendumcommissie brengt terstond advies uit als een ingediende klacht zo ernstig is, dat de gedraging of de publicatie waarop de klacht betrekking heeft, moet worden gestaakt.
3. Voor het onderzoek in het kader van de klachtbehandeling kan de
referendumcommissie alle informatie die zij nodig acht, opvragen bij het 10
college, voorzitter van het centraal stembureau en de raad. Zij verlenen de referendumcommissie terstond iedere medewerking.
4. De hoorzitting voor de behandeling van klachten is openbaar.
5. De klager of zijn gemachtigde wordt ten minste twee weken voordat de
hoorzitting van de referendumcommissie plaatsvindt, schriftelijk uitgenodigd om aldaar aanwezig te zijn.
6. De voorzitter van de referendumcommissie kan leden van het college dan wel ambtenaren of anderen uitnodigen aanwezig te zijn op de hoorzitting om informatie te verstrekken.
7. Aan een hoorzitting nemen ten minste twee leden van de referendumcommissie deel.
8. De referendumcommissie beraadslaagt achter gesloten deuren over de gegrondheid van de klacht.
9. De referendumcommissie neemt binnen vier weken na ontvangst van de
klacht een schriftelijke beslissing en zendt dit onverwijld toe aan de klager of dienst gemachtigde alsmede aan de beklaagde.
10.De referendumcommissie maakt de beslissing op de klacht openbaar, tenzij
het openbaar belang zich verzet tegen openbaarmaking of openbaarmaking in het kader van artikel 5.1 van de Wet open overheid achterwege dient te blijven.
Artikel 4:4 Vergadering en openbaarmaking
1. De referendumcommissie vergadert in beslotenheid.
2. De adviezen van de referendumcommissie zijn openbaar tenzij het openbaar belang zich verzet tegen openbaarmaking of openbaarmaking in het kader van artikel 5.1 van de Wet open overheid achterwege dient te blijven.
3. Indien er sprake is van een advies op verzoek van de raad, voorzitter van het centraal stembureau of het college kunnen nadere afspraken worden gemaakt met de referendumcommissie over het moment van
openbaarmaking, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.
4. Het advies van de referendumcommissie als bedoeld in artikel 3:3 eerste lid wordt openbaar met de vaststelling van de referendumvraag.
Hoofdstuk 5 Straf- en slotbepalingen Artikel 5:1 Strafbepaling
Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die:
11
a. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
b. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving,
bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken;
c. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
d. als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden; e. door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem;
f. stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun stempas, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven. Artikel 5:2 Termijnen
1. Ten aanzien van alle in deze verordening genoemde termijnen, met
uitzondering van de termijnen genoemd in artikel 3:2, geldt dat deze exclusief recesweken van de raad zijn.
Artikel 5:32 Overgangsbepalingen
1. Op een reeds lopende referendumprocedure is de Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht 2017 van toepassing.
2. De leden van de referendumcommissie die op grond van de Verordening
raadgevend referendum gemeente Utrecht 2017 door de raad zijn benoemd,
worden geacht tevens te zijn benoemd in de referendumcommissie op grond van deze verordening, zulks voor de zittingsperiode zoals in hun benoemingbesluit is aangegeven. Artikel 5:43 Intrekking
De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht 2017 wordt ingetrokken.
Artikel 5:54 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking in het gemeenteblad. 12
Artikel 5:65 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van <datum>.
De burgemeester, Sharon A.M. Dijksma
De griffier, Merel van Hall
13