rapport-als-zelfs-overheidsingrijpen-kinderen-geen-bescherming-biedt
Tekst van het document
Zij vullen de gaten waar nodig.” De inspecties hebben in dit toezicht gezien dat wachtlijsten, de vele wisselingen en het niet kunnen doen wat nodig is het schadelijk is voor de geloofwaardigheid en het gezag van jeugdzorgwerkers. Jeugdzorgwerkers kiezen voor het vak en voeren dit uit vanwege hun betrokkenheid bij jeugdigen en gezinnen. De inspecties zien betrokken jeugdzorgwerkers die zich inzetten voor jeugdigen en hun werk vol overgave en met de juiste intenties doen.
19
De problematiek in de gezinnen is meestal ingewikkeld en er zijn regelmatig problemen op verschillende leefgebieden. Het kan gaan om psychiatrie, maatschappelijke problemen, schuldenproblematiek en complexe opvoedsituaties. Daarnaast is sprake van een complex stelsel waarbinnen de jeugdzorgwerker invulling moet geven aan de maatregel, waarbij gemeenten invloed uitoefenen op de uitvoering van de jeugdbescherming. Voor een startende jeugdzorgwerker is deze complexiteit en verantwoordelijkheid vaak te groot. Ook ervaren jeugdzorgwerkers houden het niet altijd vol om langdurig met deze hoge werkdruk en grote verantwoordelijkheid om te gaan. Daar komt bij dat de geloofwaardigheid en positie van jeugdzorgwerkers richting gezinnen en samenwerkingspartners daarbij onder druk is komen te staan, onder andere als gevolg van de vele wisselingen van jeugdzorgwerkers en jeugdzorgwerkers die te snel in het diepe worden gegooid. De inspecties constateren dat de onderzochte GI's te maken hebben met een tekort aan ervaren jeugdzorgwerkers, die voor het inwerken van nieuwe collega's bovendien te weinig tijd krijgen. Jeugdzorgwerkers willen meer tijd en aandacht besteden aan contact met een gezin, maar door de hoge caseload en (bijvoorbeeld) de tijd die zij besteden aan het organiseren van passende hulp is dit niet mogelijk.
De inspecties hebben gezien dat de landelijk afgesproken caseloadnorm in de praktijk bij de meeste onderzochte GI's niet wordt gehaald en dat de caseload per medewerker hoger ligt. Jeugdzorgwerkers benoemen dat zij last hebben van het tekort aan (ervaren) jeugdzorgwerkers, ook als de GI zich inspant om de caseload op de landelijk afgesproken norm te houden en met het Handelingsperspectief of een variant hierop te werken. Zij vertellen dat zij soms keuzes moeten maken die morele dilemma's opleveren, wat zwaar op hen drukt. Zij ervaren de effecten van het werken met het Handelingsperspectief op hun gezag in contact met gezinnen. Dit heeft ook effect op de samenwerking met samenwerkingspartners. Jeugdzorgwerkers merken verder dat zij 'met 10-0 achter staan' als zij starten, nadat een gezin op de wachtlijst heeft gestaan bij de GI. Jeugdzorgwerkers begrijpen het als ouders zeggen dat zij een gesprek met hun kind niet toestaan, omdat zij hun kind niet willen blootstellen aan de zoveelste jeugdzorgwerker die met hem of haar in gesprek wil. Het ontbreken van de (gezags)relatie tussen jeugdzorgwerker en gezin betekent echter dat de jeugdzorgwerker zijn of haar taak onvoldoende kan uitvoeren en onvoldoende zicht heeft op de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige.
Jeugdzorgwerker met reclasseringsmaatregelen: “De jeugdige heeft moeite met de tweeledige rol van de jeugdreclasseerder: aan de ene kant is de jeugdzorgwerker een vertrouwenspersoon en andere kant de is die de zoveelste hulpverlener die op een gegeven moment ook weer weggaat. In het begin was er sprake van een moeizame relatie tussen mij en de jeugdige. Dit had ook te maken met vader die voornamelijk veel moeite had met de eerdere jeugdzorgwerkers en de vele wisselingen, waardoor deze gedachtegang ook werd doorgezet naar jeugdige.” Jeugdzorgwerkers zien verder dat gemeenten hun beoordeling van de noodzaak om hulp in te zitten voor een jeugdige en diens gezin her-beoordelen. Zij moeten zich verantwoorden over de hulp die zij willen inzetten en gemeenten zijn het hier niet altijd over eens. Jeugdzorgwerkers benoemen dat het lijkt of gemeenten geen vertrouwen hebben in hun analyse. Jeugdzorgwerkers die uitvoering geven aan reclasseringsmaatregelen ervaren dat zij hun positie verliezen omdat gemeenten bepalen welke hulp wordt ingezet. Het niet kunnen doen wat nodig is voor jeugdigen en gezinnen heeft zijn weerslag op jeugdzorgwerkers, wat terug te zien is in het verloop en verzuim bij de meeste GI's. De inspecties zien een vicieuze cirkel van jeugdzorgwerkers die vol goede moed aan hun uitdaging beginnen, maar ook weer snel uitstromen.
Dit heeft te maken met de hoge werkdruk en met de beperkte mogelijkheden 'het goede' te kunnen doen voor een jeugdige en diens gezin. Het komt ook doordat het gezag dat nodig is om deze functie goed te kunnen vervullen onder deze omstandigheden lastig is op te bouwen. Niet alleen nieuwe jeugdzorgwerkers maar ook ervaren jeugdzorgwerkers hebben last van deze imagoschade.
20
4.2
Waardering voor jeugdzorgwerkers
De inspecties hebben in dit toezicht breed de ervaringen opgehaald van jeugdigen en ouders. Daarin zien de inspecties terug dat jeugdigen en ouders ook heel positief kunnen zijn en merken dat de inzet van de jeugdzorgwerker en de ingezette hulp hen kan helpen. Ouder: Je leest veel negatieve uitspraken over de jeugdbescherming op internet. Uit mijn eigen ervaring kan ik wel anders zeggen. In mijn ogen: als je samenwerkt met de jeugdbescherming dan komt het altijd goed. Ze zijn er om ons te helpen en te zorgen dat we het uiteindelijk allemaal zelf doen.
Jeugdige: “Ze heeft mij en mijn broertje goed geholpen.” Jeugdigen en ouders zijn positief als de jeugdzorgwerker er voor hen is, voor hen klaarstaat, als zij zich gehoord voelen. Sommige ouders geven terug dat zij hun jeugdzorgwerker deskundig, duidelijk, respectvol, begripvol en meedenkend vinden. Een hoge waardering voor de jeugdzorgwerker is er ook als ouders en jeugdigen een goede samenwerking ervaren. Dat is de bescherming, begeleiding en hulp waar elke jeugdige die ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd recht op heeft. Ouder: “Ik geef mijn jeugdzorgwerker een rapportcijfer 9, om dat ze zich kan in leven in de situatie van ons en ook dingen heel goed ziet en aanvoelt.” Deze waardering laat zich ook uitdrukken in cijfers. Ouders en jeugdigen die aangeven dat zij geen periode hebben gehad waarin zij geen jeugdzorgwerker hadden, zijn een stuk positiever over hun jeugdzorgwerker(s). 43% van deze groep vindt bijvoorbeeld dat hun jeugdzorgwerker(s) voldoende tijd en aandacht aan hen besteden, ten opzichte van 18% van de jeugdigen en ouders die weleens geen vaste jeugdzorgwerker heeft gehad. 44% vindt dat de jeugdzorgwerker(s) begripvol zijn, ten opzichte van 19% van de jeugdigen en ouders die weleens geen jeugdzorgwerker hebben gehad. Als het gaat om de vraag of de jeugdzorgwerker respectvol is, is de verhouding 59% versus 36%. Zie ook figuur 9. Figuur 9
Waardering jeugdzorgwerker 70%
59%
60% 50%
44%
43%
36%
40% 30% 20%
18%
19%
10% 0% Voldoende tijd en aandacht
Altijd een jeugdzorgwerker gehad
Begripvol
Respectvol
Soms geen jeugdzorgwerker gehad
21
Ouder: “Ik hoor veel verhalen om mij heen en ook bangmakerij maar bij deze instelling werken mensen met het hart op de juiste plaats.”
Ouder: “Onze jeugdzorgwerker doet er alles aan ons en onze situatie te begrijpen, ondanks dat deze nog relatief in de taboesfeer zit en er vrij veel over onbekend is. Jeugdzorgwerker staat open om hierover te leren, mee te denken en mee te zoeken naar passende hulp voor een minderjarige, ondanks de enorme werkdruk en propvol schema. Dat verdient respect en waardering.”
4.3
Bij de meeste gecertificeerde instellingen is het bestuur 'in control'
De inspecties zijn bij 4 van de 5 GI's gematigd positief over de manier waarop de bestuurders intern zaken op orde hebben. Zij weten wat er speelt in de taakuitvoering en waar de noodzaak tot verbeteren ligt, maar slagen er onvoldoende in om verbeteringen door te voeren. Dit hangt samen met externe factoren, zoals de arbeidsmarktproblematiek en het ontbreken van passende hulp. De GI's hebben een passende visie en missie en stellen jeugdigen hierin centraal. De bestuurders van de GI's zijn over het algemeen nauw betrokken bij wat er speelt in de organisatie, zij laten zich zien en staan voor hun medewerkers. Zij organiseren in- en tegenspraak. Zij zijn zowel naar interne als externe stakeholders transparant over de keuzes die zij maken, al zijn zij zich zoals gezegd nog onvoldoende bewust van - en hierdoor onvoldoende transparant over - de effecten van deze keuzes voor jeugdigen en hun gezinnen. Bestuurders merken op wat niet goed gaat en zetten hier verbeterplannen op in. De bestuurders werken hard aan de werving en het behoud van voldoende personeel, maar het daadwerkelijk realiseren van verbeteringen op dit punt verloopt moeizaam. Op de schaarste van de arbeidsmarkt hebben zij geen invloed. Hetzelfde geldt voor het ontbreken van een toereikend hulpaanbod en/of de onvoldoende toegankelijkheid van het hulpaanbod voor jeugdigen en gezinnen die te maken hebben met een maatregel.
De inspecties hebben de afgelopen jaren herhaaldelijk laten zien wat de samenhang is tussen de problemen bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering en het ontbreken van passende hulp die nodig is om jeugdigen en gezinnen effectief te beschermen. De inspecties zien dat bestuurders hier zowel overstijgend als op casusniveau over in gesprek zijn met gemeenten. Dit leidt ertoe dat de inspecties - met uitzondering van JB Noord - in handhaving geen effectief middel zien om de normafwijkingen weg te nemen. Handhaving op de GI zal niet leiden tot tijdig passende bescherming, begeleiding en hulp aan elke jeugdige waarvoor de GI een maatregel uitvoert, zolang niet ook de onderliggende oorzaken buiten de invloedssfeer van de GI zijn weggenomen. De inspecties benadrukken opnieuw dat het toezicht niet het middel is dat zal leiden tot tijdig passende bescherming, begeleiding en hulp aan elke jeugdige met een maatregel, zolang niet ook de onderliggende oorzaken van de normafwijkingen zijn weggenomen.
5 5.1
Onderkenning, transparantie en stevig leiderschap zijn nodig Bestuurlijke verantwoordelijkheid en transparantie is vereist
De gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering hebben vanuit de overheid de belangrijke taak gekregen om jeugdigen te beschermen die in hun ontwikkeling worden bedreigd. De inspecties verwachten van bestuurders van jeugdbeschermingsorganisaties dat zij helder en expliciet zijn als zij niet of onvoldoende waarmaken waarvoor de instelling in het leven is geroepen. Het werken met het Handelingsperspectief is een ontoereikend alternatief voor jeugdigen en ouders. De inspecties spreken bestuurders aan op hun verantwoordelijkheid om aan hun
22
opdrachtgevers, jeugdigen, gezinnen én aan politiek en maatschappij duidelijk te maken dat zij onder deze omstandigheden hun wettelijke taak niet (kunnen) waarmaken. Bestuurders moeten transparanter zijn over de beperkte uitvoering van hun kernfunctie wanneer zij te maken hebben met onderbezetting als gevolg van de arbeidsmarktproblematiek of met het ontbreken van passende hulp. Maar vooral ook over de gevolgen hiervan voor jeugdigen en hun ouders. De inspecties hebben eerder in het ‘Signalement Jeugdbeschermingsketen in gevaar’ als bodemeis gesteld en dat de gecertificeerde instellingen ten minste zicht moeten houden op de ontwikkeling en veiligheid van elke jeugdige. De inspecties verwachten dat bestuurders er ten minste voor zorgen dat sprake is van voldoende betekenisvol contact met elke jeugdige waarvoor zij de maatregel uitvoeren. Als de gecertificeerde instelling hier niet in slaagt, vragen de inspecties van de bestuurder dat deze hier transparant over is en zijn verantwoordelijkheid neemt als hij deze bodemeis niet kan waarmaken.
Handelingsperspectief ontoereikend De inspecties hebben herhaaldelijk gevraagd om bij de evaluatie van het werken met het Handelingsperspectief aandacht te hebben voor de effecten hiervan op jeugdigen en gezinnen (zie Signalen Jeugdbeschermingsketen oktober 2023 en april 2024). Dit is onvoldoende gebeurd, wat ertoe heeft geleid dat de inspecties dit nu zelf hebben onderzocht. De inspecties zien bij de onderzochte GI's dat zij er niet in slagen om aan elke jeugdige een vaste jeugdzorgwerker te koppelen. Het werken met het Handelingsperspectief, of door jeugdigen zonder vaste jeugdzorgwerker onder te brengen bij een speciaal team, wekt de indruk dat de situatie niet ideaal, maar onder controle is en dat er ten minste zicht is op deze jeugdigen. De inspecties zien dat wat destijds gestart is als een tijdelijke oplossing, inmiddels structureel onderdeel is van de werkwijze bij de GI's. De rapporten van de inspecties maken duidelijk dat het werken met het Handelingsperspectief of een variant hierop volstrekt ontoereikend is om de taak om namens de overheid jeugdigen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd ernstig tekortschiet.
Geen opnamestop De GI's werken met het Handelingsperspectief of met een variant hierop. Zij kunnen feitelijk niet kiezen voor het instellen van een opnamestop, als zij hun taak niet of onvoldoende kunnen vervullen als gevolg van personele onderbezetting. De GI’s zijn namelijk geacht een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel uit te voeren, indien de kinderrechter de zaak aan hen toewijst. Daarnaast hebben bestuurders van de GI's de onderlinge afspraak om niet aan de kinderrechter te laten weten dat zij geen jeugdigen meer kunnen opnemen. Dit omdat de last dan bij een andere GI komt te liggen. Bestuurders benoemen dan ook dat zij een verantwoordelijkheid ervaren deze wettelijke opdracht toch aan te nemen voor elke jeugdige die via de kinderrechter bij hen wordt aangemeld, ook als zij dit niet (direct) kunnen waarmaken. De inspecties zien echter dat hierdoor een schijnveiligheid wordt gewekt. De jeugdigen zijn wel 'binnen' bij de GI, maar in feite gebeurt er onvoldoende om de onveiligheid af te wenden. De GI draagt hier wel de verantwoordelijkheid voor. Raad van Toezicht: “We hebben een paar jaar geleden gesproken over een opnamestop, maar kinderen zijn aan ons toegewezen en wij zijn verantwoordelijk.”
Zorgen van bestuurders over transparantie
De inspecties zien dat er bestuurders zijn die met gemeenten delen dat ze geen volledige uitvoering kunnen geven aan hun opdracht. Maar de inspecties zien ook dat bestuurders terughoudend zijn met communiceren over de tekortkomingen in de taakuitvoering en dat zij zelf beperkt zicht hebben op de effecten hiervan voor jeugdigen en gezinnen. Bestuurders hebben zorgen dat negatieve beeldvorming ertoe leidt dat nog minder professionals een baan als jeugdzorgwerkers overwegen of uit het vak vertrekken. Dit onderzoek laat zien dat een belangrijke
23
oorzaak dat jeugdzorgwerkers uitvallen of het vak verlaten is dat zij niet kunnen doen wat zij voor de jeugdigen zouden willen doen. Het oplossen van deze ernstige en inmiddels structurele situatie begint bij het onderkennen hiervan en de soms stille acceptatie te doorbreken. Niet alleen door de bestuurders, maar ook door gemeenten, stelselverantwoordelijken, politiek en maatschappij (zie volgende paragraaf). Dit onderkennen, betekent ook erkenning en waardering voor de jeugdzorgwerkers die het vak onder deze moeilijke omstandigheden zo goed mogelijk vervullen, maar tegen de grenzen aanlopen van wat mogelijk is. Raad van Toezicht: Niemand wil een wachtlijst, maar we hebben het gesprek gevoerd over hoeveel je in de caseload kwijt kan. We lopen tegen grenzen aan. Het is kiezen tussen 2 kwaden. Je moet ook medewerkers in bescherming nemen zodat ze een goede kwaliteit van zorg kunnen leveren.
5.2
Gezamenlijke verantwoordelijkheid
Met het toezicht brengen de inspecties ook nu weer de tekortkomingen en de oorzaken hiervan voor het voetlicht. Maar met toezichtinterventies op de GI’s verdwijnen de belangrijkste achterliggende oorzaken niet. Alleen als tekortkomingen in de taakuitvoering ook ontstaan door tekortkomingen in de wijze van bestuur van een GI kan handhaving effect hebben. De tekortkomingen die samenhangen met stelselproblematiek zullen blijven bestaan omdat die grotendeels buiten de invloedssfeer van de GI’s liggen. Een interventie hierop kan dan ook een negatief effect hebben. De aandacht van de GI zal zich richten op het wegnemen van de normafwijkingen, terwijl de energie moet zitten in het gezamenlijk overstijgend aanpakken van de hoofdoorzaken. De bestuurders van de GI's kunnen het niet alleen. Stevig leiderschap van GI’s, gemeenten en Rijk zijn nodig om de oorzaken van de problemen in de jeugdbescherming en - reclassering aan te pakken. Leiderschap om niet alleen naar de eigen belangen en verantwoordelijkheden te kijken, maar juist over de eigen schaduw heen. De inspecties vragen stelselverantwoordelijken, wethouders en bestuurders de problemen gezamenlijk te onderkennen en niet te berusten in onmacht. Neem gezamenlijk verantwoordelijkheid, wees op alle niveaus transparant over de feitelijke situatie en de onwenselijkheid ervan voor jeugdigen en gezinnen én voor de jeugdzorgwerkers.
De afgelopen jaren zijn de ontwikkelingen in het landelijk programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming het antwoord geweest op de herhaaldelijke ernstige conclusies van de inspecties. De implementatie hiervan is ongewis, nu de financiering bij de voorjaarsnota van 2025 niet rond is gekomen en de GI’s zich hieruit hebben teruggetrokken. Het lange termijnperspectief blijft daarmee onduidelijk, terwijl ook in het hier en nu de uitvoering van jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen ernstig tekort blijft schieten. Tenslotte is de werkwijze Jeugdreclassering in verbinding gestopt in verband met problemen rondom de financiering. In juli 2025 zijn het ministerie van VWS, het ministerie van JenV en de VNG naar buiten gekomen met een boodschap over het Toekomstscenario. Zij kondigden gezamenlijk aan dat het meer moet draaien om het gezin als sprake is van onveiligheid of de ontwikkeling van een jeugdige in gevaar is. Genoemde partijen houden koers op het eindbeeld van het Toekomstscenario, ondanks dat de financiering er niet is. Het is positief dat - ondanks het ontbreken van financiële dekking genoemde partijen inspanningen blijven verrichten om te verbeteren. Maar wat de inspecties in dit toezicht hebben geconstateerd staat ver af van de ambities die in het Toekomstscenario zijn geschetst.
De inspecties hebben er dan ook geen vertrouwen in dat dit het antwoord is op de huidige situatie voor jeugdigen en gezinnen die vanwege hun ontwikkelingsbedreiging of recidiverisico te maken hebben met jeugdbescherming of jeugdreclassering. De inspecties zien acceptatie bij gemeenten dat GI's werken met het Handelingsperspectief en wacht- en doorstroomlijsten, op dezelfde manier als sommige GI-bestuurders in deze situatie een 24
'status quo' zien. Het baart de inspecties zorgen dat belangrijke partijen die verantwoordelijk zijn voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdbescherming (gemeenten) en voor de uitvoering daarvan (GI's) lijken te berusten in de huidige situatie. De inspecties doen een oproep voor stevig leiderschap door de partijen om gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen die ook vraagt dat hun handelen verder rijkt dan de eigen opgave. De inspecties roepen de staatssecretaris voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, als stelselverantwoordelijken, op om hier het voortouw in te nemen.
25
Duidelijk. Onafhankelijk. Eerlijk. www.igj.nl
Toezicht, omdat rechtvaardigheid en veiligheid niet vanzelfsprekend zijn. www.inspectie-jenv.nl