Raadsvoorstel Wijziging Ontwikkelingskader Detailhandel 2012, APV 2010 standplaatsen en Legesverordening 2024
Tekst van het document
Voorstel aan de gemeenteraad
Wijziging Ontwikkelingskader Detailhandel 2012, APV Utrecht 2010, standplaatsen en legesverordening gemeente Utrecht 2024 Beleidsveld Organisatieonderdeel Opsteller Kenmerk Vergaderdatum Raad Referendabel Geheim
Economische Zaken Ontwikkelorganisatie Ruimte Lysbeth van Silfhout 11832801 Volgt Ja Nee
Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor te besluiten: 1. Het Ontwikkelingskader Detailhandel 2012 paragraaf V.4 over standplaatsen aan te passen, zodat branchering mogelijk wordt, met als belangrijkste uitgangspunten: a. Branchering vindt plaats op basis van type product per type standplaats, namelijk i. food en bloemen/planten op ‘dagstandplaatsen bij winkelgebieden’ ii. versbereide waren en bloemen/planten op ‘verspreide dagstandplaatsen’ iii. seizoensgebonden producten op seizoensstandplaatsen; b. Selectie vindt plaats op basis van duurzaamheid en binding met een wijk; c. De verschillende typen standplaatsen waarvoor vergunningen kunnen worden afgegeven zijn: i. dagstandplaatsen (zowel bij winkelgebieden als verspreide locaties) ii. seizoensstandplaatsen iii. incidentele standplaatsen iv. mobiele verkooppunten; d. De toepassing van een maximumstelsel; en een aantal verduidelijkingen ten opzichte van het huidige ontwikkelingskader, waaronder het mobiele karakter van de standplaatsen. 2. De wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, Standplaatsen vast te stellen, met als belangrijkste wijzigingen: a. De bestaande afdeling 5.3 Straathandel wordt gesplitst in twee aparte afdelingen zodat duidelijk is welke regels voor de standplaatsen en venten gelden; b.
Het opnemen van de aanwijzingsbevoegdheid van het college voor het aanwijzen van locaties waar standplaatsen ingenomen mogen worden en waar venten niet mogelijk is; c. De raad wordt in de gelegenheid gesteld om wensen en bedenkingen kenbaar te maken aan het college (voorhangprocedure) over het verwijderen van locaties voor dag- en seizoenstandplaatsen uit het Aanwijzingsbesluit standplaatsen voordat het college daar een besluit over neemt; d. het samenvoegen en vereenvoudigen van de regels over het innemen van een standplaats in afdeling 5.3 van APV. 3. Aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid te delegeren om het omgevingsplan zo te wijzigen dat de locaties voor standplaatsen uit het concept ‘Aanwijzingsbesluit artikel 5.13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen’ hierin worden vastgelegd. 4. De wijziging van de Legesverordening gemeente Utrecht 2024 en bijbehorende tarieventabel, bestaande uit redactionele wijzigingen, vast te stellen.
5. Het gewijzigde ‘Ontwikkelingskader Detailhandel 2012’ op te nemen in de ‘Omgevingsvisie Utrecht’ ter vervanging van het huidige ‘Ontwikkelingskader Detailhandel 2012 ’ als onderdeel van het thematisch beleid van de omgevingsvisie en de internetpagina omgevingsvisie.utrecht.nl hierbij. Burgemeester en wethouders van Utrecht,
de secretaris,
de burgemeester,
2
Samenvatting Het voorstel is om het Ontwikkelingskader Detailhandel 2012 paragraaf V.4 over standplaatsen aan te passen met als belangrijkste wijzigingen: • toepassing van branchering, • toepassing van selectie, • een definitie van de verschillende typen standplaatsen en • een nadere onderbouwing van het maximumstelsel. Het beleid voor standplaatsen is beperkt vastgelegd in het detailhandelbeleid. Door de bovenstaande zaken toe te voegen en te verduidelijken wordt een betere basis gelegd voor de regels voor verlenen van standplaatsvergunningen. Ook wordt het mobiele karakter van standplaatsen verhelderd. Naar aanleiding van wensen die eerder door de raad zijn uitgesproken, is er nu dit besluit om vergunningen voor dag- en seizoensstandplaatsen te verlenen op basis van branchering en selectiecriteria. Hiertoe heeft het college een concept-Nadere regel en een concept-Aanwijzingsbesluit voor locaties vastgesteld. De wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV, beslispunt 2) is nodig als basis voor deze regels. Daarnaast wordt in de APV een duidelijker onderscheid gemaakt tussen andere typen vergunningen die net als standplaatsvergunning onder ‘straathandel’ vallen, zoals venten en mobiele verkooppunten.
Het delegatiebesluit (beslispunt 3) zorgt ervoor dat de benodigde wijziging van het omgevingsplan sneller kan worden gedaan, zodat de planning om tijdig de nieuwe vergunningen te verlenen kan worden gehaald. Het voorstel om de legesverordening aan te passen (beslispunt 4) betreft een technische wijziging om de legesverordening in lijn te brengen met het nieuw voorgestelde beleid.
Context Aanleiding Utrecht wil een stad zijn waarin alle voorzieningen dichtbij zijn, een stad met levendige wijken en vitale winkelgebieden. Standplaatsen zorgen voor een gevarieerd aanbod, levendigheid en ontmoeting in de wijk. In de voorbije periode is veel met de raad en met standplaatshouders en vertegenwoordigers gesproken over de beperkingen waarmee de Dienstenwet ons confronteert bij de uitgifte van vergunningen. In een stad als Utrecht, die toekomstbestendig in balans wil groeien en gezond stedelijk leven wil versterken, bestaat druk op de publieke ruimte. De (openbare) ruimte is schaars en daarom is ook de ruimte voor standplaatsen gemaximeerd. Op 31 december 2023 zijn de standplaatsvergunningen op gemeentegrond verlopen. De nieuwe vergunningen moeten verleend worden in lijn met de Europese Dienstenrichtlijn, door Nederland vastgelegd in de Nederlandse Dienstenwet. In 2013 heeft het college de vergunningen verleend voor 10 jaar, met voorrang aan zittende standplaatshouders, als overgangsperiode naar een nieuwe toedeling. Hieruit volgt dat de vergunning niet nog een keer kan worden verlengd. De gemeente moet zorgen voor een procedure om tot verdeling van schaarse vergunningen te komen. Daarmee worden dag- en seizoenstandplaatsen op een zodanige wijze gegund dat iedereen een vergunning kan aanvragen. Alle aanvragers, zittend of nieuw, moeten gelijke kansen hebben.
De toekenning van schaarse vergunningen kan op verschillende manieren gebeuren, zoals op volgorde van binnenkomst van de aanvraag, via een veiling, via selectie met criteria (vergelijkende toets) of door loting. In april van 2023 was het college voornemens een beleidsarme transitie op basis van loten voor de nieuwe vergunningen vast te stellen. De raad heeft toen niet ingestemd met de wijziging van de APV die hiervoor nodig was en heeft gevraagd een nieuw voorstel uit te werken op basis van brancheren en selecteren. Dat vroeg om nader onderzoek en beleidsontwikkeling. Hierdoor bleek het niet mogelijk de nieuwe vergunningen conform oorspronkelijke planning per 1 januari 2024 te verlenen. Daarom heeft het college op 19 september 2023 besloten de huidige standplaatsen te gedogen tot 1 oktober 2025 en heeft de raad hierover geïnformeerd met een brief. De wettelijke beperkingen kunnen helaas niet worden weggenomen. Met dit voorstel is wel de ruimte gezocht die daarbinnen mogelijk is, zodat eerder uitgesproken wensen van de raad worden uitgevoerd, er rekening te houden met de huidige situatie en duidelijkheid voor standplaatshouders wordt gecreëerd. Uitgangspunten voor nieuwe aanpak met brancheren en selecteren In het beleid en in de concept Nadere regel staat de nieuwe wijze van het toebedelen van een vergunning uitgewerkt.
3
Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd, zoals deze eerder door de raad zijn meegegeven: - zoveel mogelijk rekening te houden met de bestaande standplaatshouders - de bestaande standplaatslocaties zoveel mogelijk te behouden - zo snel mogelijk duidelijkheid te creëren voor ondernemers - te komen tot een verdeelsystematiek voor het verlenen van dag- en seizoenstandplaatsvergunning op basis van selectie en branchering. Moties en toezeggingen Tijdens het debat op 6 april 2023 is een aantal moties aangenomen dat met het voorliggend voorstel wordt uitgevoerd: Motie 65 - 2023 Houd niet vast aan loten voor standplaatsen (6 april 2023) Met het aannemen van deze motie heeft de raad het college de opdracht gegeven om te onderzoeken in hoeverre er branchering en selectiecriteria kunnen worden toegepast in de verdeelsystematiek. De uitkomsten hiervan zijn te vinden in dit voorstel. Motie 66 - 2023 Behoud locaties twee standplaatsen op de Oudegracht (6 april 2023) Dit punt is verwerkt in het collegebesluit en de plekken zijn opgenomen in het concept aanwijzingsbesluit. Eén van de plekken op de Bakkerbrug wordt een twintigtal meters verplaatst ten behoeve van de doorstroom op deze drukke brug. Tijdens het debat op 22 juni 2023 zijn verschillende moties ingediend en toezeggingen gedaan. Deze zijn als volgt opgepakt en zo nodig verwerkt in de bijgevoegde stukken.
Motie 132 - 2023 De raad paraat voor standplaatsen (22 juni 2023) Bij deze motie is toegezegd de raad te betrekken wanneer standplaatsen vervallen. Met dit raadsvoorstel stemt de raad ermee in dat wanneer een standplaats definitief dreigt te worden verwijderd en de standplaatshouder geen alternatief in de directe omgeving (250 meter) kan worden geboden, er een voorhangprocedure (artikel 169, lid 4 Gemeentewet) wordt gehanteerd. Op dit moment komen er geen standplaatsen te vervallen. Motie 133 - 2023 Maak eisen om op vergunning te staan duidelijk (22 juni 2023) Bij deze motie is de toezegging gedaan dat wordt geborgd dat de standplaatsvergunning niet meer onderling verkocht kan worden. Dit was binnen de regels en de vergunningsvoorwaarden al niet toegestaan. Deze verplichting wordt nog duidelijker in de voorschriften van de vergunning opgenomen en de controle hierop zal bij het toezicht op de vergunningen worden meegenomen. Motie 137 - 2023 Vangnet voor standplaatshouders (22 juni 2023) De motie roept op om standplaatshouders die hun vergunning kwijtraken met ingang van het nieuwe vergunningstelsel een vangnet te bieden. Zij vallen onder de doelgroep van Ondernemer Centraal. Ondernemer Centraal is een tijdelijk programma, met vooralsnog een looptijd tot eind 2024.
Indien Ondernemer Centraal niet wordt voortgezet na eind 2024 is het college voornemens een vergelijkbaar traject aan de standplaatshouders te bieden. Ondernemer Centraal biedt verschillende vormen van dienstverlening. Deze start met een intakegesprek met een ervaren ondernemer. Hierbij worden zowel zakelijke- als (zo nodig) privé onderwerpen belicht. Na het intakegesprek volgt een advies over passende dienstverlening en dit wordt met de ondernemer besproken. Dit advies is volledig op maat. Het richt zich op onderwerpen als ondersteuning bij de transitie van bedrijfsvoering, het versterken van ondernemersvaardigheden, ondersteuning bij inkomensproblematiek en schulden en bij heroriëntatie op werken in loondienst. Ook wordt gekeken naar de financiële situatie en welke mogelijkheden er zijn om aanspraak te maken op microkredieten. Daarnaast bestaat de Bijstandsverlening zelfstandigen. Deze bijstand kan een ondernemer aanvragen in de eigen woonplaats. Juridische context - algemeen Wijziging Algemene plaatselijke verordening De voorgestelde wijziging van de Algemene plaatselijke verordening (APV) vormt de juridische basis voor het verlenen van standplaatsvergunningen. De raad heeft de bevoegdheid om de APV te wijzigen (127 Grondwet, artikel 149 lid 1, Gemeentewet). Op grond van de APV kan het college
4
nadere regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een standplaatsvergunning (artikel 156 Gemeentewet). Hierin wordt onder andere de verdeelsystematiek opgenomen, zodat bij het uitgeven van nieuwe vergunningen wordt voldaan aan de Dienstenwet en de aangenomen motie van de raad. (Concept) collegebesluiten Het college heeft, vooruitlopend op besluitvorming door de raad, een concept Nadere regel en Aanwijzingsbesluiten vastgesteld. Deze zijn als bijlagen bijgevoegd bij dit voorstel en worden door het college definitief vastgesteld na besluitvorming door de raad, zoals eerder is toegezegd. Deze concept-besluiten zijn ter informatie bijgevoegd. In de concept Nadere regel artikel 5.13 APV 2010, standplaatsen’ is nader uitgewerkt: a. Op welke wijze branchering en selectie plaatsvindt en welke eisen daarbinnen worden gesteld. Dit is een nadere uitwerking van de voorliggende wijziging van het beleid en de APV. b. Dat de maximale vergunningsduur 12 jaar is voor een dag- en seizoenstandplaats. Het ministerie van EZK heeft het onderzoek ‘Schaarse vergunningen en terugverdientijd in de ambulante handel’ uit laten voeren. De uitkomst van dit onderzoek is dat een termijn tussen de 9 en 12 jaar een reële terugverdientijd is van de investeringen. De raad heeft gevraagd een vergunningsduur van 12 jaar te hanteren. Daarom is deze termijn in de Nadere regel opgenomen.
In het concept Aanwijzingsbesluit artikel 5.13 APV Utrecht 2010, Standplaatsen’ worden locaties aangewezen voor dag-, incidentele- en seizoenstandplaatsen en mobiele verkooppunten. Daarbij wordt een maximumaantal vergunningen beschikbaar gesteld (vergunningenplafond). Met het concept aanwijzingsbesluit worden de huidige locaties voor standplaatsen behouden. Ook locaties op en bij bruggen in de binnenstad komen in het concept aanwijzingsbesluit terug volgens de wens van de raad. Dit heeft echter als consequentie dat sommige van deze locaties iets moeten worden aangepast. Het ministerie van EZK heeft het onderzoek ‘Schaarse vergunningen en terugverdientijd in de ambulante handel’ uit laten voeren. De uitkomst van dit onderzoek is dat een termijn tussen de 9 en 12 jaar een reële terugverdientijd is van de investeringen. De raad heeft gevraagd een vergunningsduur van 12 jaar te hanteren. Daarom is deze termijn in de Nadere regel opgenomen. In het concept ‘Aanwijzingsbesluit artikel 5.11b APV Utrecht 2010, Venten’ worden de locaties aangewezen waar venten niet mogelijk is. Dit betreft - Het Stationsgebied zoals dat is omschreven in het aanwijzingsbesluit venten - Het gebied binnen de singels - De recreatiegebieden en fiets- en wandelpaden zoals genoemd in het aanwijzingsbesluit.
In verband met de handhaafbaarheid van de openbare orde is het in deze gebieden niet wenselijk om venten toe te staan. De huur voor standplaatslocaties wordt verhoogd met 13%. Dit is nodig om de verhoogde handhavingskosten te dekken. Deze kosten zijn hoger omdat we nieuwe vergunninghouders moeten houden aan hoe zij, in hun aanvraag zelf aangegeven voorwaarden, invulling geven aan de selectiecriteria. Omdat er met dit voorstel extra eisen aan de vergunning worden toegevoegd, zijn er meer aspecten waarop gehandhaafd moet worden. Door actief te handhaven voorkomen we dat aanvragers een vergunning krijgen voor plannen die niet worden waargemaakt, terwijl andere aanvragers wel investeren in duurzaamheid en binding met de wijk. We geven vergunninghouders de tijd om hun te gaan voldoen aan de door henzelf aangegeven selectiecriteria. Denk bijvoorbeeld aan het aanvragen van het keurmerk Erkend Leerbedrijf. Delegatiebesluit Op grond van artikel 2.8 Omgevingswet kan de gemeenteraad het vaststellen van delen van het omgevingsplan delegeren aan burgemeester en wethouders. Met dit raadbesluit krijgt het college de bevoegdheid om de locaties uit het Aanwijzingsbesluit standplaatsen vast te leggen in het omgevingsplan. Voor wijzigingen van het omgevingsplan geldt altijd een inspraakprocedure.
5
Effect Dienstenrichtlijn De Europese Dienstenrichtlijn is 2006 in werking getreden en in Nederland omgezet in de Dienstenwet en heeft als doel dat er een interne markt voor diensten kan ontstaan. De reikwijdte van het begrip 'dienst' is uitgebreid, waardoor ook de detailhandel in goederen als dienst worden gezien. Standplaatsen zijn een vorm van detailhandel en vallen daarom onder de werking van de Dienstenwet. Wanneer er sprake is van schaarse vergunningen, moet uitgifte van die vergunningen plaatsvinden conform deze Dienstenwet. Dit betekent dat er bij schaarste sprake moet zijn van een gelijk speelveld voor aanvragers. Vergunningen zijn schaars indien het gemeentebestuur een maximum aan het aantal te verlenen vergunningen stelt. Voor standplaatsen geldt in het belang van de openbare orde een maximumstelsel. Deze vestigingsbeperking voldoet aan de Dienstenwet omdat de noodzakelijkheid en evenredigheid hiervan op basis van dwingende redenen van algemeen belang zijn aangetoond. Voor standplaatsen geldt in het belang van de openbare orde een maximumstelsel. Jurisprudentie schaarse vergunningen In 2016 is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het bestaan erkend van een nationale rechtsnorm die gevolgen heeft voor de besluitvorming over schaarse vergunningen (ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, Speelautomatenhal Vlaardingen).
Het gelijkheidsbeginsel betekent volgens deze uitspraak voor de verdeling van schaarse vergunningen dat het gemeentebestuur aan (potentiële) gegadigden gelijke kansen moet bieden om in aanmerking te komen voor deze vergunningen. Om een eerlijk speelveld, concurrentie en innovatie te kunnen borgen, is het van belang dat vergunningen voor het gebruik van schaarse middelen (zoals de openbare ruimte) geen onbepaalde duur hebben. Er is inmiddels verdergaande jurisprudentie over schaarse vergunningen. Deze jurisprudentie en de implicatie daarvan is uitgebreid bestudeerd. Daaruit, en uit verschillende juridische adviezen die zijn opgesteld na Commissievergadering VOWE van 23 maart 2023 en de Raadsvergadering van 6 april 2023, blijkt dat standplaatsvergunningen onder schaarse vergunningen vallen. Voor de Utrechtse situatie geldt dat zowel zittende vergunninghouders als lokale ondernemers geen voorrangspositie mogen krijgen bij de toedeling. Dit is ook bevestigd door de minister van EZK eind januari 2023 als antwoord op vragen uit de Tweede Kamer. Zij onderschrijft daarin het bestaan van de Europese regelgeving en de noodzaak die te volgen. Het gemeentebestuur kan niet anders dan deze regels te volgen en zittende én nieuwe ondernemers een kans te geven op een standplaats. Het verlenen van voorrang aan lokaal gebonden ondernemers is juridisch niet houdbaar.
Ook is duidelijk geworden dat een schaarse vergunning niet voor onbepaalde tijd mag worden verleend. Juridische context - branchering Naar aanleiding van een verzoek van de raad is RHO Adviseurs gevraagd om te onderzoeken in hoeverre en op welke wijze branchering houdbaar is. Hierover is zijn adviesrapporten opgesteld die als bijlagen bij dit voorstel zijn aangeboden. Samengevat adviseert RHO dat voor alle standplaatsen alleen verkoop van food (etenswaren) en bloemen & planten mogelijk is. Diervoeding valt onder food. Het bureau adviseert verkoop van non-food (goederen) uit te sluiten. Als er meerdere standplaatsen dicht bij elkaar liggen moeten die elk een ander product verkopen. Branchering op 1 specifieke locatie wordt uitgesloten. Het onderzoeksbureau onderscheidt drie typen locaties (bij winkelgebieden, losse plekken, seizoensplekken) waarbij RHO adviseert verschillend te brancheren. Het advies is bijgevoegd en in het voorliggende raadsvoorstel zijn deze adviezen verwerkt. De raad heeft de opdracht gegeven de bestaande standplaatslocaties zoveel mogelijk te behouden. Deze opdracht is de basis voor het maximumstelsel dat uitgaat van 88 kavels op grond van gemeente.
De beleidskaders waarop de wijze van branchering gebaseerd is zijn de volgende: • Ontwikkelingskader detailhandel Gemeente Utrecht (2012) • Notitie stand van zaken detailhandel 2015 • Ontwikkelingskader horeca Utrecht (2018) • Ruimtelijke strategie Utrecht 2040 • Algemene Plaatselijke Verordening – gemeente Utrecht (inwerking 1 april 2010) • Coalitieakkoord Utrecht 2022-2026
6
Juridische context - selecteren Als juridische vereisten aan de selectiecriteria wordt gesteld dat deze objectief, toetsbaar, redelijk, voldoende onderscheidend en niet discriminerend zijn. Daarnaast moeten de criteria relevant te zijn voor de met de vergunningverlening te bereiken doelen. Daartoe moeten de criteria hun juridische grondslag hebben in de APV of in beleid- en regelgeving (zie Nadere regel). Met het kiezen voor een beperkt aantal criteria die meetbaar zijn uitgewerkt en die door een selectiecommissie worden gescoord wordt voldaan aan de vereisten aan selectiecriteria dat deze redelijk, toetsbaar en objectief moeten zijn. Beslistermijn Het college kan starten met het uitwerken van de formele aanvraagprocedure zodra de APV, Nadere regel en het aanwijzingsbesluit in werking zijn getreden. Wanneer de raad in Q1 van 2024 een besluit neemt, kunnen de werkwijze en alle processen voor vergunningverlening worden vormgegeven voor het einde van de gedoogtermijn. Gezien het feit dat deze wijziging referendabel is geldt een uitgestelde inwerkingtreding van 5 weken na het raadsbesluit. De wijziging van de legesverordening en het delegatiebesluit zijn weliswaar niet referendabel (Artikel 1.2 referendumverordening), maar vanwege de samenhang met de andere deelbesluiten kunnen deze niet eerder apart in werking treden.
Beoogd effect Door de systematiek van brancheren en selecteren toe te passen op het verlenen van vergunningen voor dag- en seizoensstandplaatsen stuurt de gemeente op verscheidenheid in standplaatsen, beleidsdoelstellingen van de gemeente Utrecht en wordt de kwaliteit van het ondernemerschap in de stad versterkt. Dag- en seizoenstandplaatsen worden op zodanige wijze vergund dat iedereen een vergunning kan aanvragen en de gemeente voldoet aan de vereisten vanuit de Dienstenwet. Eerdere besluitvorming en informatievoorziening aan de raad Ontwikkelingskader detailhandel Gemeente Utrecht (2012) 05-07-2012 Notitie stand van zaken detailhandel 2015 11-11-2015 Ontwikkelingskader horeca Utrecht (2018) 08-03-2018 Ruimtelijke strategie Utrecht 2040 22-01-2021 Algemene Plaatselijke Verordening – gemeente Utrecht (inwerking 1 april 2010) Raadsbrief Vernieuwing Standplaatsenbeleid 15-03-2023 Tussentijdse Besluitvorming Standplaatsenbeleid 19-03-2023 Afrondende Besluitvorming Standplaatsenbeleid 06-04-2023 Motie 65 - 2023 Houd niet vast aan loten voor standplaatsen 06-04-2023 Motie 66 - 2023 Behoud locaties twee standplaatsen op de Oudegracht 06-04-2023 Raadsbrief Nadere informatie Vergunningen Standplaatsen Utrecht 11-04-23 Motie 132 - 2023 De raad paraat voor standplaatsen 22-06-2023 Motie 133 - 2023 Maak eisen om op vergunning te staan duidelijk 22-06- 2023 Motie 137 - 2023 Vangnet voor
standplaatshouders 22-06-2023 Raadsbrief Gedogen standplaatsen vanaf 1 januari 2024 28-09-2023
Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1
Het Ontwikkelingskader Detailhandel 2012 paragraaf V.4 over standplaatsen aan te passen, zodat branchering mogelijk wordt, met als belangrijkste uitgangspunten: a. Branchering vindt plaats op basis van type product per type standplaats, namelijk i. food en bloemen/planten op ‘dagstandplaatsen bij winkelgebieden’ ii. versbereide waren en bloemen/planten op ‘verspreide dagstandplaatsen’ iii. seizoensgebonden producten op seizoensstandplaatsen; b. Selectie vindt plaats op basis van duurzaamheid en binding met een wijk; c. De verschillende typen standplaatsen waarvoor vergunningen kunnen worden afgegeven zijn: i. dagstandplaatsen (zowel bij winkelgebieden als verspreide locaties) ii. seizoensstandplaatsen 7
iii. incidentele standplaatsen iv. mobiele verkooppunten; d. De toepassing van een maximumstelsel; en een aantal verduidelijkingen ten opzichte van het huidige ontwikkelingskader waaronder het mobiele karakter van de standplaatsen. Argumenten 1.1
Door op deze wijze te brancheren wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de bestaande situatie en stadsbreed voor iedereen op dezelfde wijze gebrancheerd. Met de voorgestelde brancheringsregel, kunnen in de basis alle producten die nu verkocht worden, verkocht blijven worden in de stad op de bestaande locaties. Bovendien kan met deze brancheringsregel geen non-food vanuit standplaatsen worden verkocht. Met dit voorstel wordt gebrancheerd binnen de juridische kaders en dat houdt onder andere in dat branchering aansluit bij het gemeentelijke beleid. De Dienstenwet schrijft voor dat het beleid niet-discriminerend, noodzakelijk én evenredig moet zijn. Daarbij moeten de maatregelen op coherente en systematische wijze toegepast worden. In haar beleid kiest de gemeente Utrecht voor winkelgebieden en voor solitaire plekken waarbij het aanboden product aansluit bij het gerichte bezoekgedrag. Dit versterkt de beleving van deze plekken. Kern is: we moeten gelijke plekken gelijk behandelen. Behalve als er gericht beleid is, dat ongelijke behandeling rechtvaardigt. Dat is er nu niet. Dagstandplaatsen bij winkelgebieden worden ingevuld met food en bloemen/planten. Uitgangspunt is dat op verspreide standplaatslocaties alleen versbereide waar (dus niet alle soorten food), of bloemen/planten kunnen worden verkocht. Dit om de vitaliteit van (ook kwetsbare) winkelcentra te beschermen.
Winkelcentra zijn immers de plaats waar niet-versbereide waar kan worden gekocht. De standplaatshouder kan zich uiteraard wel melden voor andere plaatsen waar niet-versbereide waar wel is toegestaan. Op verspreide dagstandplaatsen kunnen standplaatshouders zich inschrijven met versbereide producten of bloemen/planten. Seizoensstandplaatsen zijn plekken die worden vergund voor het zomer- en/of het winterseizoen voor het aanbieden van een seizoensgebonden product. Met de voorgestelde wijziging wordt een beleidsinhoudelijke basis als juridische onderbouwing gecreëerd voor brancheren die verenigbaar is met andere ruimtelijke ambities van de gemeente Utrecht die in de onderstaande beleidsstukken zijn vastgelegd (of hieraan gerelateerde stukken): • Ontwikkelingskader detailhandel Gemeente Utrecht (2012) • Notitie stand van zaken detailhandel 2015 • Ontwikkelingskader horeca Utrecht (2018) • Ruimtelijke strategie Utrecht 2040 • Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Utrecht 2010 • Coalitieakkoord Utrecht 2022-2026 Hiermee komt de gemeente tot een afgewogen brancheringsregeling die voor de gehele stad geldt. Wanneer de gemeente niet voor branchering kiest, dan brengt dit het risico met zich mee dat er op alle locaties non-food producten verkocht mogen worden (bijvoorbeeld telefoonhoesjes of pinatas. Dit is een serieuze bedreiging van onze winkelcentra.
1.2
Door selectie op duurzaamheid en binding met de wijk in het beleid op te nemen kan worden geselecteerd in lijn met de wens van de raad. Het is van belang dat de selectiecriteria ook aansluiten bij de beleidsdoelstellingen van de gemeente en passen binnen het vergunningenstelsel. Deze criteria sluiten nauw aan bij de beleidsdoelstellingen van de gemeente om bij te dragen aan gezond 8
stedelijk leven, een toekomstbestendige en sociale stad (RSU 2040), en stevige maatregelen om de klimaatcrisis aan te pakken. In het debat op 6 april 2023 heeft de raad, o.a. met het aannemen van motie M65-2023, deze wens uitgesproken. De criteria zijn uitgewerkt in samenspraak met de Koninklijke CVAH en Asra Advies en juridisch getoetst. Het criterium duurzaamheid wordt beoordeeld op de subcriteria. - Afval & transport, - Keurmerken gericht op duurzaamheid & herkomst en - Plannen voor verduurzaming. Het criterium binding met de wijk wordt beoordeeld op de plannen voor binding met de wijk en op de subcriteria (zie artikel 12 nadere regel): - Leren en werken - Verbinding met de wijk - Voorbereiding op een wijk (klantenbinding en marktverkenning) Wanneer er een gelijke score is, dan weegt het criterium binding met de wijk zwaarder. Daarmee wordt recht gedaan aan de bestaande situatie. De detailuitwerking van deze twee criteria doet het college samen met de vergunninghouders in het eerste kwartaal van 2024. Een selectiecommissie die op een later moment door het college wordt aangewezen zal, in het geval er meerdere aanvragen voor eenzelfde vergunning zijn, de betreffende aanvragen beoordelen aan de hand van de criteria. Het college is voornemens om ook een vertegenwoordiger vanuit de branche toe te voegen aan de selectiecommissie.
Uiteraard moet dit wel iemand zijn zonder directe belangen in relatie tot de Utrechtse vergunningaanvragers. 1.3
Door de verschillende typen standplaatsen in het beleid op te nemen kan de gemeente duidelijke regels stellen voor het verlenen van standplaatsvergunningen die recht doen aan de verschillende types standwagens en de producten die zij verkopen. Op dagstandplaatsen bij winkelgebieden kunnen standplaatshouders zich inschrijven voor food producten of bloemen en planten. Op verspreide dagstandplaatsen kunnen standplaatshouders zich inschrijven met versbereide producten (broodjes, snacks, koffie) of bloemen/planten. Seizoensstandplaatsen zijn plekken die worden vergund voor het zomer- en/of het winterseizoen voor het aanbieden van een seizoensgebonden product. Naast de dag- en seizoensstandplaatsen kent de gemeente Utrecht nog incidentele standplaatsen en mobiele verkooppunten bij winkels.
1.4
Het stellen van een maximum aan de hoeveelheid standplaatsen is noodzakelijk omdat de (openbare) ruimte schaars is. In een stad als Utrecht, die toekomstbestendig in balans wil groeien en gezond stedelijk leven wil versterken, bestaat druk op de publieke ruimte. De (openbare) ruimte is schaars en daarom is ook de ruimte voor standplaatsen gemaximeerd. Er is dus beleidsmatig een beperkt aantal standplaatsen in de openbare ruimte aangewezen ter gebruik voor ambulante handel. In Utrecht gaat het om 88 standplaatsen op gemeentegrond en 14 standplaatsen op grond van derden, voortvloeiend uit het continueren van de reeds vergunde kavels op een openbare plaats. Met de toepassing van het voorgestelde maximumstelsel worden de huidige standplaatslocaties behouden en wordt ruimte gecreëerd voor nieuwe, extra standplaatslocaties. Daarnaast worden voor incidentele standplaatsen in de binnenstad maxima vastgesteld.
1.5
Het mobiele karakter van standplaatsen wordt hiermee duidelijker omschreven Na sluitingstijden van de winkels wordt de standplaats weer openbare ruimte voor andere doeleinden. Om het aantal verkeersbewegingen met (grote) voertuigen te beperken en ter voorkoming van geluidsoverlast mag een verkoopwagen of andere verkoopinrichting na sluitingstijd blijven staan als er sprake is van aansluitende verkoopdagen.
9
1.6
Door de aanpassing van het ontwikkelkader wordt aangegeven waarom standplaatsen van belang zijn voor de stad en wordt de juiste basis in het beleid gecreëerd voor aanpassing en toepassing van de regels. Standplaatsen zorgen o.a. voor levendigheid en ontmoeting in de wijk, voor verruiming en variatie van het voorzieningenniveau met voldoende aantrekkingskracht voor een breed publiek en bieden ondernemers mogelijkheden voor verplaatsbare bedrijfsvoering; In de oorspronkelijke tekst van het Ontwikkelingskader staat dat ambulante handel aanvullend is op het bestaande aanbod in winkelcentra. Dit wordt gecorrigeerd omdat dat suggereert dat er sprake is van economisch ordenen. Een beleidsmatige basis voor branchering, selectie type standplaatsen en een maximumstelsel is van belang voor zorgvuldige uitvoering van het nieuwe beleid.
Kanttekeningen/Risico’s 1.1
Met deze aanpassing wordt niet tegemoet gekomen aan de wens om op een meer gedetailleerd niveau te brancheren. Er is onderzocht of verder brancheren (bijvoorbeeld op wijkniveau) zou bijdragen aan het behoud van het huidige diverse aanbod. Met de vaststelling van het standplaatsenbeleid in 2013 zijn de toen bestaande locaties als geschikt beoordeeld, dit is ook de beleidsmatige onderbouwing, en het uitgangspunt van het nieuwe beleid. Als we dit uitgangspunt loslaten en een nieuwe beleidsmatige onderbouwing toepassen, bijvoorbeeld per wijk, is nieuw beleid met logische en uitlegbare, systematische onderbouwing een vereiste. Aanpassing van het aanwijzingsbesluit kan alleen op een systematische en coherente wijze: denkt u bijvoorbeeld aan een vergelijkbare hoeveelheid of vergelijkbaar type standplaatsen op vergelijkbare locaties, zoals: bij elk winkelgebied van tussen de 20.000 en de 25.000 m2 vier dagstandplaatslocaties, bij elk park en elke begraafplaats één standplaats. Dit zou ruimte kunnen bieden om standplaatslocaties toe te voegen op bepaalde locaties, maar brengt tegelijkertijd een reëel risico met zich mee dat er standplaatsen in de stad vervallen.
Omdat de huidige standplaatslocaties historisch gegroeid zijn en de situatie per locatie verschillend is, verwachten wij dat meer geobjectiveerd beleid juist het huidige aantal standplaatsen èn de locaties ervan ter discussie zal stellen. Om die reden is niet voorgesteld om te brancheren op wijkniveau, vanuit het uitgangspunt ‘de bestaande standplaatslocaties zoveel mogelijk behouden’, met het oog op de inwoners en ondernemers.
1.2
De selectiecriteria leiden tot extra administratieve lasten voor de ondernemers. Dit zijn echter barrières die recht doen aan wat de gemeente wil van de standplaatshouders. De gemeente zal ondernemers betrekken bij het uitwerken van de criteria en legt uit wat de achterliggende gedacht is bij de vragen in het aanvraagformulier. Hierin moet een balans gevonden worden tussen administratieve lasten en de benodigde informatie om een selectie te kunnen onderbouwen.
1.3
Bij toepassing van selectiecriteria kan alleen worden getoetst op toekomstige plannen van ondernemers Vanwege het gelijkheidsbeginsel in de Nederlandse Dienstenwet kan niet worden getoetst op bewezen ervaring. Ervaren ondernemers kunnen uiteraard hun ervaring wel inzetten om toekomstige plannen goed te onderbouwen.
2
De wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, Standplaatsen vast te stellen, met als belangrijkste wijzigingen: a. De bestaande afdeling 5.3 Straathandel wordt gesplitst in twee aparte afdelingen zodat duidelijk is welke regels voor de standplaatsen en venten gelden; b. Het opnemen van de aanwijzingsbevoegdheid van het college voor het aanwijzen van locaties waar standplaatsen ingenomen mogen worden en waar venten niet mogelijk is; c. De raad wordt in de gelegenheid gesteld om wensen en bedenkingen kenbaar te maken aan het college (voorhangprocedure) over het verwijderen van locaties 10
voor dag- en seizoenstandplaatsen uit het Aanwijzingsbesluit standplaatsen voordat het college daar een besluit over neemt; d. het samenvoegen en vereenvoudigen van de regels over het innemen van een standplaats in afdeling 5.3 van APV. Argumenten 2.1
Door het toevoegen van de aanwijzingsbevoegdheid wordt de juridische basis voor het Aanwijzingsbesluit van het college voorzien, en is de APV up-to-date en voor standplaatsen in lijn met de modelverordening van de VNG. Op basis van de gewijzigde APV is het college bevoegd de locaties aan te wijzen waar dag-, seizoens-, incidentele standplaatsen en mobiele verkooppunten mogen worden ingenomen. Deze aanwijsbevoegdheid is nu alleen in de nadere regel opgenomen. Hiervoor is echter een basis in de APV nodig. Met het concept aanwijzingsbesluit worden de huidige 88 standplaatskavels behouden, waaronder ook 14 kavels op dit moment niet bezet zijn.
2.2.
Door de raad de gelegenheid te bieden om wensen en bedenkingen kenbaar te maken (voorhangprocedure) wordt de raad maximaal betrokken wanneer standplaatslocaties dreigen te verdwijnen Bij gebiedsontwikkelingen zal altijd opnieuw moeten worden afgewogen hoe er met de schaarse publieke ruimte om wordt gegaan. Dit kan betekenen dat nu aangewezen locaties in de toekomst niet meer beschikbaar zijn voor standplaatsen. In de APV is echter opgenomen dat in het geval er een standplaatslocatie voor een dag- of seizoenstandplaats definitief dreigt te verdwijnen, de raad wordt betrokken via een voorhangprocedure. Dit is in lijn met de wens in de Motie 132 - 2023 De raad paraat voor standplaatsen.
2.3
De aanpassing van de Apv is nodig om de gekozen verdeelsystematiek van brancheren en selecteren voor dag- en seizoenstandplaatsen, de vereisten vanuit de Dienstenwet én het sturen op een gevarieerd aanbod en de beleidsdoelstellingen van de gemeente Utrecht op de juiste manier in regels vast te leggen Op basis van beleid en de Dienstenwet is een bepaalde mate van branchering en selectie mogelijk (zie ‘juridische context voor uitgebreidere toelichting). Deze wijzigingen zijn in lijn met de voorgestelde aanpassing van het ontwikkelingskader detailhandel. Ook wordt zo bepaald aan wie een vergunning wordt verleend in het geval er meerdere aanvragers in aanmerking willen komen voor een vergunning.
2.4
De bepalingen in de APV met betrekking tot standplaatsen worden hiermee geactualiseerd Hiermee sluiten de bepalingen in de APV weer aan bij de huidige situatie in de stad en de modelverordening van de VNG.
2.5
Hiermee wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen andere typen vergunningen die net als standplaatsvergunning onder ‘straathandel’ vallen, zoals venten en mobiele verkooppunten. Net als andere onderdelen van de wijziging zorgt dit voor meer duidelijkheid voor ondernemers. Venten zijn vergunningen voor straatverkopers die zich tijdens het verkopen verplaatsen. Dit is ook één van de vereisten bij een ventvergunning. Dit is dus een fundamenteel ander product dan standplaatsen. Door dit duidelijk te onderscheiden kan de gemeente met de uitgifte van deze verschillende typen vergunning ook beter sturen op het gebruik van de openbare ruimte voor wat voorheen onder de term straathandel viel. In de nieuwe APV vervalt deze term en gaat het alleen nog over standplaatsen of venten. De verschillende soorten vergunningen leggen namelijk een ander soort beslag op de publieke ruimte. Het is wenselijk dat de gemeenteregels stelt om hier beleidsmatig op te kunnen sturen en handhaven.
Kanttekeningen/Risico’s
11
2.1
Het toevoegen van een voorhangprocedure wanneer standplaatsen dreigen te verdwijnen kan toekomstige herontwikkelingen bemoeilijken. De voorhangprocedure biedt de standplaatshouders extra bescherming. De raad moet in ieder geval de gelegenheid krijgen zich uit te spreken wanneer een standplaatslocatie dreigt te verdwijnen. Standplaatslocaties kunnen dreigen te verdwijnen in het belang van herontwikkelingen van gebieden. Als de raad zich dan uitspreekt voor behoud van deze locatie, moet de herontwikkeling worden herzien. Bij de herontwikkeling van de Neude kon echter in de nabijheid van de huidige locatie een geschikte nieuwe locatie worden gevonden.
Beslispunt 3
Aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid te delegeren om het omgevingsplan zo te wijzigen dat de locaties voor standplaatsen uit het concept ‘Aanwijzingsbesluit artikel 5.13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen’ hierin worden vastgelegd.
Argumenten 3.1
Hiermee kan de nieuwe verdeelsystematiek zo snel mogelijk worden toegepast. De raad heeft eerder uitgesproken de huidige standplaatslocaties zoveel mogelijk te willen behouden. Deze opdracht wordt uitgevoerd met het aanwijzingsbesluit. In de APV is opgenomen dat een vergunning voor een standplaats wordt geweigerd indien er sprake is van strijd met het omgevingsplan. In de huidige omgevingsplannen zijn de huidige standplaatsen onvoldoende gewaarborgd. Dit moet gerepareerd worden voordat het college de nieuwe vergunningen kan gaan uitgeven. Dit delegatiebesluit geldt alleen voor de technische verwerking van het aanwijzingsbesluit in omgevingsplan en betreft geen andere wijzigingen van het omgevingsplan. Daarom is het efficiënter deze wijziging mee te nemen in andere technische wijzigingen naar aanleiding van de invoering van de omgevingswet, waar het college al toe bevoegd is. Zo kan na de behandeling van dit raadsvoorstel direct aan de slag worden gegaan met inrichting van het vergunningsverleningsproces.
Beslispunt 4
De wijziging van de Legesverordening gemeente Utrecht 2023 en bijbehorende tarieventabel, bestaande uit redactionele wijzigingen, vast te stellen.
Argumenten 4.1
Deze beperkte technische wijziging zorgt ervoor dat de tekst in de legesverordening aansluit bij het nieuwe standplaatsenbeleid. Het gaat voornamelijk om tekstuele wijzigingen om de begrippen in de legesverordening gelijk te stellen aan die in het nieuwe standplaatsenbeleid, de APV, de nadere regel en het aanwijzingsbesluit.
4.2
De hoogte van de leges wordt niet aangepast waardoor de kosten voor het aanvragen van een standplaatsvergunning niet hoger worden. Het invoeren van het vergunningsverleningsproces brengt hogere kosten mee voor de gemeente, door de nieuwe verdeelsystematiek en de handhaving na verlening van de standplaatsvergunningen. De hoogte van de kosten hangt af het aantal inschrijvingen per plek. De selectieprocedure op basis van de nieuwe regels is immers arbeidsintensief. De gemeente Utrecht streeft normaal gesproken naar kostendekkende leges. De leges voor standplaatsvergunningen zijn echter al niet dekkend. Het is gebruikelijk om dit soort kostenverhogingen door te berekenen in een legesverhoging. Wij vinden het echter belangrijk dat, gezien de grote veranderingen voor de standplaatshouders en de daardoor ontstane onrust, er geen verhoging van de leges plaatsvindt. Dit wordt nader toegelicht in de financiële paragraaf hieronder.
Beslispunt
12
5.
Het gewijzigde ‘Ontwikkelingskader Detailhandel 2012’ op te nemen in de ‘Omgevingsvisie Utrecht’ ter vervanging van het huidige ‘Ontwikkelingskader Detailhandel 2012’ als onderdeel van het thematisch beleid van de omgevingsvisie en de internetpagina omgevingsvisie.utrecht.nl hierbij.
Argumenten 5.1
Hiermee blijft de omgevingsvisie op detailhandelbeleid actueel.
Financiën Kosten en dekking van deze werkwijze - Verhoging huur van ca. 13% (bovenop inflatie). Dat is meerjarig kostendekkend ter dekking van de extra handhavingskosten. De dekking wordt betaald door de standplaatshouders die de plek gegund hebben gekregen. Uit de afgelopen periode is gebleken dat extra handhaving nodig is. De huurprijs is sinds 2013 jaarlijks conform het gemeentelijke indexcijfer (gebaseerd op de consumentenprijsindex) aangepast. De huidige huurprijzen zijn te vinden op Kosten gebruik grond vaste standplaats | gemeente Utrecht. -
250.000, - euro + 28.500, - euro incidenteel. Er zijn kosten bij het invoeren van het vergunningsverleningsproces volgens de nieuwe verdeelsystematiek en de handhaving na verlening van de standplaatsvergunningen. De hoogte van de kosten hangen af het aantal inschrijvingen per plek (meer dan 1 inschrijving), wij schatten de totale kosten hiervoor op ongeveer 250.000, - (dit zijn incidentele kosten, omdat de vergunningen voor 12 jaar verleend worden). Hier komen nog meerkosten van 28.500,- euro bij omdat er bij de leges geen onderscheid te maken voor het aantal inschrijvers. De kosten worden ingepast in de lopende begroting van het programma Werk, Economie en Bestaanszekerheid en door te prioriteren binnen de handhavingsactiviteiten. Dit zal mogelijk ten koste moeten gaan van actielijnen uit de Actie Agenda Utrechtse economie, bijvoorbeeld werken in de wijk, ondersteuning van winkelgebieden, ondersteuning werkgevers bij hervestiging, verbreden arbeidsmarktaanpak, monitoring van de Actie Agenda, (opstellen NEx en Common Wealth Building), aansluiting bij Rijks en EU-beleid en bij netwerken in de stad, sociaal ondernemerschap en/of uitstel beleidsnota's etc.
Vervolg Na het besluit tot wijziging van de APV voor standplaatsen stelt het college de Nadere regel en de Aanwijzingsbesluiten definitief vast. Na inwerkingtreding van bovengenoemde besluiten worden de procedures verder uitgewerkt en het systeem gebouwd om zo eenvoudig mogelijk een vergunningaanvraag te doen. Begin van de zomer 2024 wordt de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen opengesteld. Op 1 oktober 2025 gaan de nieuwe vergunningen voor dag- en seizoenstandplaatsen in.
Participatie Standplaatshouders of hun vertegenwoordigers zijn meegenomen in de belangrijke/bepalende dilemma’s in het project. Inmiddels zijn alle standplaatshouders gedurende dit traject richting nieuw beleid één op één gesproken. Het contact verloopt de komende tijd via de afdeling vergunning, toezicht en handhaving. Dit zorgt voor continuïteit voor de standplaatshouders in het contact met de gemeente. - Bij de totstandkoming van het onderzoek naar brancheren zijn de branchevereniging CVAH en ASRA Advies betrokken. De uitkomst van het onderzoek is aan alle standplaatshouders toegestuurd. Zij konden daarbij hun voorkeur aangeven voor de wijze van brancheren zoals in het onderzoek is omschreven, of om niet te brancheren. Een klein deel van de standplaatshouders heeft op de vraag gereageerd. Van de 17 reacties waren er 12 voor het voorstel om te brancheren, 3 tegen en 2 zonder mening. - Op de werkwijze selecteren hebben branchevereniging CVAH en ASRA Advies input gegeven. De uitwerking hiervan zal met standplaatshouders in Q1 2024 plaatsvinden.
13
Communicatie Het college informeert standplaatshouders zo vroeg, duidelijk en eerlijk mogelijk. De afgelopen periode is met de standplaatshouders contact geweest door het toesturen van de gedoogbeslissing en het onderzoek naar brancheren. Ze zijn uitgenodigd om de huurovereenkomst op stadskantoor te ondertekenen. Er worden ook gesprekken met individuele standplaatshouders gevoerd wanneer zij vragen hebben. Zij worden gelijktijdig met de raad geïnformeerd over de voorliggende stukken. Het college zorgt voor een zo eenvoudig mogelijk aanvraagproces voor de vergunningen, toegankelijke via de website. Het college biedt uitleg bij het aanvragen van een vergunning aan.
(Niet) Referendabel De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht is van toepassing.
Bijlagen Bijlagen besluitvorming: - Gewijzigd Ontwikkelingskader Detailhandel 2012 - Wijzigingsbesluit APV - Wijzigingsbesluit Legesverordening 2024- + Bijlage – Locatielijst bij Concept ‘Aanwijzingsbesluit artikel 5.13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen Bijlagen informatief - Raadsbrief toelichting raadsvoorstel standplaatsen - CONCEPT Nadere regel artikel 5.13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 - CONCEPT Aanwijzingsbesluit artikel 5.13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen - Adviesrapport branchering standplaatsen Utrecht RHO - Adviesrapport maximumstelstel standplaatsen Utrecht RHO
14