CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Beleidsnota Warmte 2025-2035

Gemeenteraad 20 november 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Beleidsnota Warmte 2025-20355.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Voorstel aan de gemeenteraad

Beleidsnota Warmte 2025-2035 Beleidsveld Organisatieonderdeel Opsteller Kenmerk Vergaderdatum Raad Referendabel Geheim

Energie en Klimaat Ontwikkelorganisatie Ruimte Mirjam Harmelink 30650042 Volgt Ja Nee

Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor te besluiten: 1. De “Beleidsnota Warmte 2025-2035” met de daarbij behorende “Reactienota zienswijzen Ontwerp Beleidsnota Warmte” en “Plan Mer Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma” vast te stellen met als belangrijkste kaders: a. Te werken aan het toekomstig energiesysteem van en voor iedereen dat duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar is en dat ons door meer eigen opwek onafhankelijker maakt; b. Voor nieuwe collectieve warmteoplossingen gaat de gemeente aan de slag in buurten waar op dit moment buurtinitiatieven actief zijn; Oog-in-Al, Lunetten en Noordoost en hanteren we in het proces participatieniveau “Samen aan zet” en een adaptieve leerbenadering tot het besluit over vaststelling van een warmtekavel; c. Een collectief warmtesysteem is op basis van de huidige inzichten voor het merendeel van de buurten in Utrecht het voorkeursalternatief volgens de geactualiseerde ‘WAT’kaart waarin we de leerervaringen uit de eerste buurten meenemen: i. In blauwe buurten is het voorkeursalternatief aansluiting op het bestaande warmtenet; ii. In paarse buurten is het voorkeursalternatief nieuw(e) collectieve warmtesystem(en) bij voorkeur ontwikkeld door een publiek warmtebedrijf of een buurtinitiatief dat zich heeft ontwikkeld tot een volwaardige warmtegemeenschap; iii.

In gele buurten is het voorkeursalternatief een individuele warmteoplossing; iv. In grijze buurten (bedrijventerreinen) is het voorkeursalternatief een collectieve of individuele lage temperatuur oplossing; v. In groene buurten, die al volledige aardgasvrij zijn of waar nog minder dan vijf panden gebruik maken van aardgas, is het voorkeursalternatief aansluiting op het al aanwezige collectieve warmtesysteem of een individuele oplossing; d. En de volgende kaders te hanteren bij de uitwerking van het Warmteprogramma: i. De gemeente zet haar aanwijsbevoegdheid in op het moment dat er een haalbaar en betaalbaar aanbod voor het merendeel van de bewoners is; ii. Afhankelijk van de rol die de gemeente op zich kan nemen, spant de gemeente zich in voor het realiseren van het toekomstig energiesysteem door: 1. Het vergroten en differentiëren van de inzet van duurzame (warmte)bronnen, deze efficiënt te gebruiken en schaarse warmtebronnen eerlijk te verdelen; 2. Collectieve warmteoplossingen, seizoensopslag en slimme oplossingen om vraag en aanbod in het energiesysteem op elkaar af te stemmen, te realiseren;

3. Actief de samenwerking te zoeken met buurtinitiatieven voor het realiseren van collectieve warmtesystemen binnen de kaders en uitgangspunten van deze beleidsnota; 4. In de stad ruimte te reserveren voor het toekomstig energiesysteem; 5. Inzet op energie besparen te intensiveren; iii. Bij nieuwbouw integraal te sturen op duurzame en netbewuste energieoplossingen. 2. De Beleidsnota Warmte op te nemen in de Omgevingsvisie Utrecht door toevoeging aan het overzicht ‘Lijst beleidsdocumenten van de Omgevingsvisie Utrecht’ en de internetpagina https://omgevingsvisie.utrecht.nl/ ten de Visie op de Warmtevoorziening en de Transitie Visie Warmte deel 1 en 2 in te trekken.

Burgemeester en wethouders van Utrecht, de secretaris,

de burgemeester,

2

Samenvatting In deze Beleidsnota Warmte zijn beleidskaders opgenomen om te werken aan het toekomstig CO2-vrij energiesysteem: in welke buurten we aan de slag gaan om te leren hoe we tot een collectieve warmteoplossingen kunnen komen, welke voorkeursoplossingen we per buurt selecteren en welke doelstellingen en kaders we hiervoor willen stellen. Onderdeel van de beleidsnota is een bronnenstrategie, die een belangrijke rol speelt in het stellen van de kaders voor het verduurzamen van onze warmtebronnen. De belangrijkste kaders in de nota zijn: - Voor nieuwe collectieve warmteoplossingen gaat de gemeente aan de slag in buurten waar op dit moment buurtinitiatieven aan de slag zijn; - De gemeente zoekt actief de samenwerking met buurtinitiatieven voor het realiseren van collectieve warmtesystemen binnen de kaders en uitgangspunten van deze beleidsnota. - Een collectief warmtesysteem is op basis van de huidige inzichten voor het merendeel van de buurten in Utrecht het voorkeursalternatief; - De gemeente spant zich in om de inzet van duurzame warmtebronnen te vergroten, bij te dragen aan een efficiënte inzet en eerlijke verdeling; - De gemeente kiest voor publiek eigendom in de warmtetransitie - De gemeente zet haar aanwijsbevoegdheid in op het moment dat er een haalbaar en betaalbaar aanbod voor het merendeel van de bewoners is.

- We nemen stevig de regie en zetten de kleine stappen nu al. Voor de grote stappen, die we willen nemen in de transitie, hebben we ook de instrumenten van het rijk nodig. Die randvoorwaarden zorgen ervoor dat het eindbeeld van 2050 haalbaar wordt. Na besluitvorming over de Beleidsnota Warmte worden de kaders in een Warmteprogramma verder uitgewerkt. Het is een bevoegdheid van het college om het Warmteprogramma vast te stellen. Het Warmteprogramma beschrijft hoe de gemeente binnen de vastgestelde kaders en uitgangspunten van de Beleidsnota Warmte de komende 10 jaar in de stad aan de slag gaat en wordt elke vijf jaar geactualiseerd, waarin we de leerervaringen uit de vorige buurten meenemen.

Context Aanleiding Het speelveld rondom de warmtetransitie is voortdurend in beweging, mede door nieuwe wetgeving vanuit het Rijk, zoals de Wet Collectieve Warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Daarnaast zijn er nieuwe inzichten over het potentieel en de kosten van duurzame warmtebronnen, de mogelijkheden voor energiebesparing, het ruimtebeslag van de energietransitie en het groeiende belang van koeling. Er zijn nieuwe ontwikkelingen, zoals de terugtrekkende rol van warmtebedrijven en de krapte op het elektriciteitsnet (netcongestie) waardoor de implementatie van warmteoplossingen wordt bemoeilijkt. Dit veranderde speelveld vraagt om nieuwe beleidskaders die zijn vastgelegd in deze Beleidsnota Warmte. Juridische context Met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt het Warmteprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet. Gemeenten zijn hierdoor verplicht om hun Transitievisies Warmte om te zetten naar een Warmteprogramma voor 31 december 2026. De Beleidsnota Warmte kan worden gezien als een beleidsnota op grond van de Utrechtse standaard voor beleidsdocumenten. De beleidsnota is tevens een thematisch onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht en vervangt de Transitievisie Warmte Deel I en II de Visie op de Warmtevoorziening.

In het raadsvoorstel geeft de raad een opdracht mee aan het college om een aantal uitgangspunten in een Warmteprogramma uit te werken. Dit Warmteprogramma sluit aan op de systematiek van de Utrechtse standaard voor beleidsdocumenten en wordt een Uitvoeringsprogramma genoemd. De term Warmteprogramma is een wettelijke term en wordt daarom ook zo gebruikt. Na de Beleidsnota Warmte is het Warmteprogramma de volgende stap in het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving van Utrecht. Dit sluit naast de verplichtingen uit de wet ook het beste aan bij de uitoefening van de bevoegdheden van respectievelijk raad en college.

3

Beslistermijn Eind 2025 om de termijnen te halen die het Rijk heeft meegegeven voor de verplichte afronding van het Warmteprogramma op 31 december 2026, waar deze beleidsnota de kaders voor vastlegt. Deze datum is vastgelegd in de Wet Gemeentelijke instrumenten Warmtetransitie (WgiW). Beoogd effect Met het vaststellen van de kaders in de Beleidsnota Warmte geeft de Raad de richting voor de vormgeving van de transitie naar een toekomstig CO2-vrij warmtesysteem in de stad. Op basis van deze kaders kan het college vervolgens concreet invulling geven aan activiteiten en beoogde resultaten voor de komende 10 jaar in het Warmteprogramma.

Eerdere besluitvorming en informatievoorziening Datum Wat 2 nov 2017 Visie op de Warmtevoorziening (2017) 3 juni 2021 Transitievisie Warmte deel 1 25 nov 2021 Transitievisie Warmte deel 2 20 april 2021 Raadsbrief Transitievisie warmte: resultaten onderzoek aardgasvrije bedrijventerreinen 4 nov 2022 Raadsbrief Vervolg Transitievisie Warmte: buurtaanpak aardgasvrij blok 1 27 juni 2023 Raadsbrief Ontwikkelingen in de warmtetransitie -sturen met onzekerheden 21 nov 2023 Raadsbrief Ontwikkelingen in de warmtetransitie - Sturen met onzekerheden II 24 april 2024 Raadsbrief speelveld Warmtetransitie en voorbereidingen publiek warmtebedrijf 20 maart Raadsbrief Uitvoeringsprogramma verduurzaming bedrijventerreinen 2024-2028 2024 29 aug 2024 Raadsbrief Notitie Reikwijdte en Detailniveau Warmteprogramma 28 okt 2024 Raadsbrief Impuls Besparen, Buurtaanpak aardgasvrij en Voortgang aanpak koopkracht- en energiecrisis 15 apr 2025 Raadsbrief Ontwerp-Beleidsnota Warmte en Milieueffectrapport ter inzagelegging

Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1

3. De “Beleidsnota Warmte 2025-2035” met de daarbij behorende “Reactienota zienswijzen Ontwerp Beleidsnota Warmte” en “Plan Mer Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma” vast te stellen met als belangrijkste kaders: a. Te werken aan het toekomstig energiesysteem van en voor iedereen dat duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar is en dat ons door meer eigen opwek onafhankelijker maakt; b. Voor nieuwe collectieve warmteoplossingen gaat de gemeente aan de slag in buurten waar op dit moment buurtinitiatieven actief zijn; Oog-in-Al, Lunetten en Noordoost en hanteren we in het proces participatieniveau “Samen aan zet” en een adaptieve leerbenadering tot het besluit over vaststelling van een warmtekavel; c. Een collectief warmtesysteem is op basis van de huidige inzichten voor het merendeel van de buurten in Utrecht het voorkeursalternatief volgens de geactualiseerde ‘WAT’- kaart waarin we de leerervaringen uit de eerste buurten meenemen: i. In blauwe buurten is het voorkeursalternatief aansluiting op het bestaande warmtenet; ii. In paarse buurten is het voorkeursalternatief nieuw(e) collectieve warmtesystem(en) bij voorkeur ontwikkeld door een publiek warmtebedrijf of een buurtinitiatief dat zich heeft ontwikkeld tot een volwaardige warmtegemeenschap; iii. In gele buurten is het voorkeursalternatief een individuele warmteoplossing;

4

iv. In grijze buurten (bedrijventerreinen) is het voorkeursalternatief een collectieve of individuele lage temperatuur oplossing; v. In groene buurten, die al volledige aardgasvrij zijn of waar nog minder dan vijf panden gebruik maken van aardgas, is het voorkeursalternatief aansluiting op het al aanwezige collectieve warmtesysteem of een individuele oplossing; d. En de volgende kaders te hanteren bij de uitwerking van het Warmteprogramma: i. De gemeente zet haar aanwijsbevoegdheid in op het moment dat er een haalbaar en betaalbaar aanbod voor het merendeel van de bewoners is; ii. Afhankelijk van de rol die de gemeente op zich kan nemen, spant de gemeente zich in voor het realiseren van het toekomstig energiesysteem door: 6. Het vergroten en differentiëren van de inzet van duurzame (warmte)bronnen, deze efficiënt te gebruiken en schaarse warmtebronnen eerlijk te verdelen; 7. Collectieve warmteoplossingen, seizoensopslag en slimme oplossingen om vraag en aanbod in het energiesysteem op elkaar af te stemmen, te realiseren; 8. Actief de samenwerking te zoeken met buurtinitiatieven voor het realiseren van collectieve warmtesystemen binnen de kaders en uitgangspunten van deze beleidsnota; 9. In de stad ruimte te reserveren voor het toekomstig energiesysteem; 10. Inzet op energie besparen te intensiveren; iii.

Bij nieuwbouw integraal te sturen op duurzame en netbewuste energieoplossingen. Argumenten 1.1

Het ontwikkelen van het toekomstig energiesysteem is in lijn met de algemene ontwikkeling van de energietransitie en sluit aan bij het Nationaal Programma Energiesysteem (NPE) en de energievisie van de provincie. Ons energiesysteem transformeert zich van een centraal energiesysteem op basis van fossiele brandstoffen naar een toekomstig energiesysteem met inzet van zowel centrale als decentrale duurzame energiebronnen (Nationaal Programma Energiesysteem). In dit toekomstige energiesysteem is er een grotere rol voor elektriciteit, moet de energievraag en -aanbod bij elkaar worden gebracht in plaats en tijd, en gaan meer partijen actief deelnemen in het energiesysteem, waaronder bewonersinitiatieven. Als lokale overheid spreekt het voor zich om aan te sluiten bij de landelijke ontwikkelingen. Utrecht wil een bijdrage leveren aan deze transitie door o.a. te werken aan een warmtevoorziening van en voor iedereen die CO2-vrij is, met als voorwaarden dat het systeem betaalbaar, betrouwbaar en ons onafhankelijk maakt. Daarmee houden we vast aan de publieke waarden die in de Transitievisie Warmte deel I zijn vastgesteld. Deze randvoorwaarden passen ook bij de publieke belangen die in het NPE van de Rijksoverheid zijn opgenomen: betaalbaar, betrouwbaar, veilig, duurzaam en rechtvaardig.

1.2

De gemeente gaat aan de slag met drie buurtinitiatieven die hebben aangegeven in samenwerking met de gemeente aan de slag te willen met betaalbare en haalbare collectieve warmteoplossingen omdat hier draagvlak is voor de warmtetransitie. 5

Voor het merendeel van de wijken is een collectieve warmteoplossing de voorkeursoplossing en de gemeente wil actief aan de slag om dit te realiseren om daarmee invulling te geven aan de afspraken in het coalitieakkoord. Door vertraagde besluitvorming op rijksniveau over de benodigde wet- en regelgeving om de gemeentelijke regierol in te vullen en de doordat benodigde uitbreiding en verzwaring van de elektriciteitsnetten nog niet is gerealiseerd gaat de gemeente pragmatisch aan de slag met het realiseren van de collectieve warmteoplossingen. Dit betekent dat de gemeente op dit moment de prioriteit legt bij buurten waar buurtinitiatieven nu aan de slag willen met een collectieve warmteoplossing, die al samenwerken met de gemeente en waar voldoende warmtevraag om een haalbaar en betaalbaar collectief te realiseren. Op dit moment zijn dit buurtinitiatieven in Oog in Al, Lunetten en Noordoost. Voor de samenwerking hanteren we in het proces participatieniveau “Samen aan zet” tot het besluit over vaststelling van een warmtekavel. Op het moment dat nieuwe buurtinitiatieven zich melden dan beoordelen we op dat moment of het initiatief voldoende volwassen is om voor ondersteuning in aanmerking te komen. De criteria voor nieuwe buurtinitiatieven werken we verder uit in het Warmteprogramma. 1.3

Op basis van de hoogte van de nationale kosten, ruimtebeslag, belasting van het elektriciteitsnet en de effecten op de leefomgeving is een collectieve warmtevoorziening voor het merendeel van de buurten het voorkeursalternatief. Uit de diverse onderzoeken die zijn gedaan, waaronder het opstellen van een planMER, blijkt dat een collectieve warmtevoorziening voor het merendeel van de buurten in Utrecht het voorkeursalternatief is. Uitzondering vormt een aantal buurten waar een individuele oplossing het voorkeuralternatief is. In deze buurten heeft een individuele oplossing significant lagere nationale kosten, is deze inpasbaar in woningen en leidt deze niet tot negatieve effecten op de leefomgeving die niet zijn te mitigeren. Dit leidt tot een geactualiseerde ‘Wat’ kaart met de voorkeursoplossingen voor de warmtevoorziening per buurt in deze Beleidsnota Warmte. De gemeente gaat hier de komende jaren op de volgende manieren mee aan de slag: a. In blauwe buurten is het voorkeursalternatief aansluiting op het bestaande warmtenetten en zet de gemeente de komende jaren in op energie besparen. Op plekken waar vanuit andere opgaven de straat ingrijpend opengaat wordt wel gekeken of gebruik gemaakt kan worden van meekoppelkansen. Een voorbeeld zijn de werven in de binnenstad. b.

In paarse buurten is het voorkeursalternatief nieuw(e) collectieve warmtesystem(en) bij voorkeur ontwikkeld door een publiek warmtebedrijf of een buurtinitiatief dat zich heeft ontwikkeld tot een volwaardige warmtegemeenschap; c. In gele buurten is het voorkeursalternatief een individuele warmteoplossing en zetten we in op overschakeling op natuurlijke momenten zolang we nog te maken hebben met netcongestie. Daarna zetten we actieve stimulering naar overschakeling op duurzame individuele warmteoplossing. d. In grijze buurten (bedrijventerreinen) is het voorkeursalternatief een collectieve of individuele lage temperatuur oplossingen voor ruimteverwarming en warm tapwater en is de gemeente aan de slag op bedrijventerreinen met een goede organisatiegraad; e. In groene buurten, die al volledige aardgasvrij zijn of waar nog minder dan vijf panden gebruik maken van aardgas, is het voorkeursalternatief aansluiting op het al aanwezige aardgasvrije systeem of een individuele warmtepomp en zetten we in op overschakeling op natuurlijke momenten. Dit betekent dat in deze buurten geen collectieve aanpak komt.

1.4

Door de aanwijsbevoegdheid in te zetten verbetert de gemeente de haalbaarheid van collectieve warmteoplossingen en voorkomt de gemeente hoge maatschappelijke kosten door de instandhouding van twee energie-infrastructuren In de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) is geregeld dat gemeenten via het Omgevingsplan (vast te stellen door de gemeenteraad) een aanwijsbevoegdheid kunnen inzetten. Gemeenten kunnen vanuit hun regierol met dit instrument in het omgevingsplan maatwerkregels opnemen over wanneer een bepaalde wijk van het aardgas af gaat en welk duurzaam warmtealternatief voor aardgas wordt gekozen. Met het opnemen van deze regels in het omgevingsplan 6

ontstaat de juridische bevoegdheid om de levering van aardgas in het betreffende gebied binnen een bepaalde termijn te stoppen. Het wordt echter pas ingezet op het moment dat een haalbaar en betaalbaar aanbod beschikbaar is voor het merendeel van de bewoners. 1.5

Door deze uitgangspunten te hanteren, kan de gemeente haar bevoegdheden inzetten en sturen op onderdelen van het toekomstig energiesysteem. Om de transitie naar een CO2-vrij energiesysteem te maken is het nodig dat we een aantal activiteiten intensiveren. Dit doen we binnen de mogelijkheden die we als gemeente hebben waarbij de gemeente met name in het ruimtelijk spoor sturingsinstrumenten heeft. Voor het (mede) ontsluiten van nieuwe (warmte)bronnen kunnen we initiatiefnemers helpen en ondersteunen. Voor de vergunningverlening zijn we, afhankelijk van de beheerder van de bron, vaak ook afhankelijk van bijvoorbeeld provincie, waterschap of Rijkswaterstaat. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad reserveren we ruimte voor het toekomstige energiesysteem zodat deze onderdeel worden van de integrale gebiedsontwikkelingen zoals standaard toegepast door de gemeente Utrecht. Wij intensiveren onze samenwerking met buurtinitiatieven en gaan ze de ruimte bieden om op groeien tot volwaardige warmtegemeenschappen die een eigen collectieve warmtevoorziening kunnen realiseren en exploiteren.

Tot slot hebben we een programma Energie Besparen voor verschillende doelgroepen inclusief (maatschappelijk) ondernemers waar we met een stimulerende aanpak gebouweigenaren aanzetten tot het nemen van energiebesparende maatregelen nemen in hun gebouw (woning, bedrijf of instelling) zodat zij klaar om de overstap naar een nieuwe warmteoplossing te maken.

1.6

Het ontsluiten van de potentiële warmtebronnen en het realiseren van energieopslag vraagt om extra inzet van de gemeente. Uit onderzoek blijkt dat er in potentie voldoende duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn in Utrecht. De potentiële warmtebronnen zijn echter niet direct beschikbaar en ontsloten en vragen daarom meer inspanningen van de gemeente om deze in te zetten voor de nieuwe warmteoplossingen. Dit gaat specifiek om de ontwikkeling van aquathermie, bodemenergie en waterstof als piekvoorziening van het warmtenet. Zeker nu de potentie voor toepassing van geothermie als basislastbron voor collectieve warmtenetten als nihil ingeschat. De focus komt daarmee te liggen op het scenario met weinig MT en HT bronnen en wordt aquathermie (energie uit oppervlaktewater en afvalwater) een belangrijke basislastbron voor collectieve warmtenetten, zowel in het stadswarmtenet, buurtwarmtenetten en in de nieuwbouw (in combinatie met energieopslag in de bodem). We zijn als gemeente verantwoordelijk voor het scheppen van de condities waardoor publieke en marktpartijen deze bronnen kunnen gaan ontwikkelen en exploiteren, efficiënt worden ingezet en eerlijk worden verdeeld.

1.7

Een kader voor duurzame en netbewuste energiesystemen in de nieuwbouw maakt voor ontwikkelaars duidelijk waar ze aan toe zijn. Netcongestie vraagt de gemeente om versneld aan te sturen op integrale netbewuste energiesystemen bij nieuwbouw en herontwikkelingen. Een integraal netbewust energiesysteem heeft een aantal kenmerken waarvan de verwachting is dat deze de komende jaren meer vorm gaat krijgen. Het zoveel mogelijk lokaal opwekken en gebruiken van energie, het flexibel gebruiken van energie en het toepassen van energieopslag zijn hier voorbeelden van. Doordat nieuwe grootverbruikersaansluitingen niet mogelijk zijn vanwege netcongestie, moeten integrale netbewuste energiesystemen versneld worden toegepast om de nieuwbouw door te laten gaan. Door dit beleidskader vast te leggen voor alle nieuwbouw of

7

herontwikkeling weten ontwikkelaars waar ze aan toe zijn. De gekozen oplossingen kunnen variëren, maar zijn altijd duurzaam en netbewust. 1.8

Om regie te houden op de warmtetransitie is het van belang om nu aan te geven welke kaders nodig zijn voor het opstellen van het Warmteprogramma vooruitlopend op de besprekingen van mogelijke bezuinigingen op de gemeentelijke begroting. Dit besluit moet nu worden voorbereid om de termijnen te halen die het Rijk heeft meegegeven voor de verplichte afronding van het Warmteprogramma op 31 december 2026, waar deze beleidsnota de kaders voor vastlegt. Deze datum is vastgelegd in de Wet Gemeentelijke instrumenten Warmtetransitie (WgiW). Daarbij is in de raadsbrief ‘Impuls Besparen, Buurtaanpak aardgasvrij en Voortgang aanpak koopkracht- en energiecrisis’ aangekondigd om richting bewoners en bedrijven duidelijkheid te geven over de planning en het handelingsperspectief.

Kanttekeningen/Risico’s 1.1

Het is onbekend hoe het energiesysteem van de toekomst er precies uitziet. De richting waarin het energiesysteem van de toekomst zich ontwikkelt, is in verschillende visies beschreven (NPE en energievisie Utrecht). Het exacte eindplaatje kan op dit moment niet worden geschetst. Met de kaders die in deze Beleidsnota Warmte zijn opgenomen geeft de gemeente richting aan de door haar gewenste ontwikkelingen in het energiesysteem van de stad. Deze kaders en uitgangspunten zijn met de kennis van nu opgeschreven. Hoewel deze passen binnen de richtingen die door het rijk en de provincie worden geschetst en de gemeente zelf ook ziet voor het toekomstige energiesysteem, kunnen externe ontwikkelingen die nu niet zijn voorzien op termijn tot andere kaders of uitgangspunten leiden. Aangezien het een complexe transitie is om tot een CO2-vrij energiesysteem in met name de bestaande stad te komen, kan en wil de gemeente niet wachten tot het nieuwe energiesysteem zich gevormd heeft. De gemeente evalueert elke vijf jaar of de kaders en uitgangspunten in de Beleidsnota Warmte moeten worden aangepast. Dit doet ze gelijktijdig met de verplichte herijking van het Warmteprogramma.

1.2

Mogelijk zijn er meer buurtinitiatieven in Utrecht die aan de slag willen met een collectieve warmteoplossing Op dit moment is van buurtinitiatieven in Oog-in-Al, Lunetten en Noordoost bekend dat ze aan de slag willen met warmteoplossingen. Zij hebben eerder meegedaan aan Expeditie Warmte waarin bewoners, ondernemers en experts met hulp van de gemeente de mogelijkheden van duurzame, lokale warmtebronnen onderzochten als alternatief voor verwarmen op aardgas (in 2021). Deze buurtinitiatieven zijn dus al langer bezig om stappen te zetten en zijn nu toe aan een volgende stap richting een collectieve warmte-oplossing. Nieuwe buurtinitiatieven kunnen zich melden bij de gemeente, waarna we gezamenlijk verkennen hoe de gemeente hen het beste kan ondersteunen. In het Warmteprogramma werken we deze ondersteuning verder uit.

1.3

Bewoners en stakeholders hebben gerekend op de voorkeursoplossingen en planning zoals in de Transvisie Warmte I en II was aangegeven. Ten opzichte van de ‘Wat’ Kaart in de Transitievisie Warmte hebben enkele buurten nu een andere voorkeursoplossing. Dit geldt met name voor Vleuterweide-Noord, -Oost, centrum en -West, -Zuid, Veldhuizen, de Meern-Noord. Deze gaan van collectief naar individueel. Dit zijn echter buurten die in de Transitievisie Warmte achteraan stonden in de planning naar aardgasvrij. Daarom is de verwachting dat bewoners nog niet hebben geanticipeerd op de aanleg van een collectieve warmteoplossing. Ook stonden in de Transitievisie Warmte buurten waar aansluiten op het bestaande collectieve warmtenet de oplossing was die hoog scoorde op de drie criteria robuustheid, betaalbaarheid en zo min mogelijk gedoe –als eerste gepland om van het aardgas af te gaan. Door de huidige onzekerheden rondom wet- en regelgeving voor zowel gemeente als het huidige warmtebedrijf Eneco en de betaalbaarheid van deze voorkeursoplossing voor bewoners zijn de ontwikkelingen in deze eerste buurten nagenoeg allemaal stilgevallen. In Raadsbrief Buurtaanpak aardgasvrij is toegelicht 8

dat de bestaande aanpak op dit moment niet logisch is en de planning onder invloed van de veranderde omstandigheden moet worden aangepast. Het is van belang dat de stakeholders en bewoners zo snel mogelijk weer duidelijkheid krijgen over de activiteiten die nog wel mogelijk zijn en doorgang zullen vinden in hun buurt en dat kan met de nieuwe geactualiseerde ‘Wat’ kaart en de uitwerking in het Warmteprogramma. 1.4

Door het inzetten van de aanwijsbevoegdheid kunnen gebouweigenaren minder keuzevrijheid ervaren wat betreft het moment waarop ze overstappen naar een CO2vrije warmteoplossing. Door de aanwijsbevoegdheid in te zetten kunnen gebouweigenaren zich gedwongen voelen om stappen te zetten. Voordat de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet, moet zij zich vergewissen van de betaalbaarheid van de aanpak, participatie organiseren en het aanhouden van een redelijke termijn tussen het aanwijzen van een gebied en het daadwerkelijk beëindigen van de levering van aardgas. Hoe de gemeente dit moet doen wordt uitgewerkt in landelijke regelgeving. Ook de definitie van betaalbaarheid wordt op rijksniveau uitgewerkt. Voor een redelijke termijn wordt uitgegaan van ongeveer 8 jaar. De gemeente kan natuurlijk voor een langere termijn kiezen. Gebouweigenaren houden echter altijd de mogelijkheid om zelf te investeren in een individuele (of zeer klein collectieve) duurzame warmteoplossing (opt-out) en niet aan te sluiten op de (grote) collectieve warmtevoorziening. Er is dus geen aansluitverplichting op een collectieve warmteoplossing maar wel een verplichting om over te stappen naar een (uiteindelijk) CO2-vrije warmteoplossing.

1.5

De gemeente staat niet voor alles aan de lat en is afhankelijk van andere stakeholders. Het realiseren van een CO2 vrije warmtevoorziening is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid, het bedrijfsleven en bewoners. Publieke warmte- en netwerkbedrijven zijn verantwoordelijk voor de investeringen in de warmteen elektriciteitsinfrastructuur. De ontsluiting van duurzame warmtebronnen is een taak die zowel publieke als private partijen oppakken. Eigenaren, bewoners en gebruikers van gebouwen spelen een voortrekkersrol door te investeren in de aanpassingen die nodig zijn om hun eigen gebouwen geschikt te maken voor een duurzame warmtebron. Verder is de gemeente afhankelijk van het Rijk voor (1) het op orde brengen van de landelijke wet- en regelgeving zoals de Wet collectieve warmte (Wcw). We verwachten dat met het vaststellen van de Wcw er duidelijkheid ontstaat over de toekomst van de private (en ook publieke) warmtebedrijven en of daarmee Eneco, als bestaande private partij, mee gaat werken aan de uitbreiding van het bestaande warmtenet in Utrecht.

(2) de verdere uitwerking van instrumenten door Rijk om de betaalbaarheid van collectieve warmtenetten te verbeteren, zoals een tariefplafond, investeringssubsidies, een prijsgarantie en het versterken van de publieke realisatiekracht (bijvoorbeeld via een waarborgfonds en nationale deelnemingen in publieke warmtebedrijven).

1.6

Netcongestie houdt mogelijk langer aan dan nu gedacht Gebouweigenaren, die dat willen, of buurten waar een individuele all-electric de beste oplossing is, kunnen de overstap niet maken bij aanhoudende congestie. Buurtwarmtenetten waarbij gebruik wordt gemaakt van een collectieve warmtepomp krijgen ook geen netaansluiting waardoor duurzame warmtebronnen niet gerealiseerd kunnen worden en het ook langer duurt om de bronnen voor het bestaande warmtenet te verduurzamen. De gemeente zet daarom binnen het programma Energie besparen in op het aardgasvrij ready maken van gebouwen en gaat met Stedin op zoek naar lokale uitwisseling met opslag waardoor mogelijk in kleinere gebieden toch een betaalbaar warmtenet kan worden gerealiseerd.

1.7

Betaalbare duurzame warmtebronnen zijn mogelijk niet snel beschikbaar en/of duur. 9

Voor collectieve warmtenetten is geothermie potentieel een belangrijke bron, maar er is geen potentie in de stad Utrecht. Er zijn kansen over de gemeentegrens om op aan te sluiten, in dat geval kunnen kosten hoger uitvallen en zijn we afhankelijk van buurgemeenten. Veel bronnen op lagere temperatuur vragen hogere investeringen dan duurzame biomassa. Voor een betaalbare collectieve stadswarmte moet de biowarmte installatie mogelijk nog langer blijven draaien. Voor de kleinere (buurt)netten is een duurzame piekinstallatie kostbaar en moet hiervoor langer fossiele brandstof worden ingezet. Aangezien niet op korte termijn waterstof of groen gas beschikbaar zal zijn voor Utrecht. 1.8

Ontwikkelaars van gebieden waar de gemeente geen grondeigenaar is moeten meewerken. Netbewuste systemen vragen om meer ruimte in woningen en hebben over het algemeen hogere investeringskosten, die de businesscase voor de projectontwikkelaar negatief beïnvloeden. Doordat netcongestie nieuwbouw ook treft biedt het sturen op collectieve systemen toch mogelijkheden om te kunnen bouwen.

1.9

Voor het slagen van de warmtetransitie is het draagvlak en handelingsbereidheid van de bewoners en organisaties in de stad cruciaal. Voor het aardgasvrij maken van de stad is het cruciaal om gebouweigenaren en gebruikers te motiveren om mee te doen aan de verduurzaming van hun woning en wijk of buurt. Om de kansen te vergroten dat bewoners mee gaan doen, starten we in gebieden waar buurtinitiatieven actief zijn en gaan we deze actief ondersteunen om op te groeien tot volwassen Warmtegemeenschappen die een eigen collectief warmtesysteem kunnen realiseren en exploiteren. Verder zetten we in op publiek eigendom in de warmtetransitie omdat uit onderzoeken en het klimaatpanel blijkt dat dat daarmee het draagvlak voor collectieve warmteoplossingen wordt vergroot.

1.10

Middelen voor ruimtereservering en inpassing van trafo’s moeten beschikbaar komen We streven naar het reserveren van ruimte in de ondergrond bij rioolvervangingen in buurten waar een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief is. Dit doen we alleen in buurten waar we binnen 10 jaar starten met de aanleg van een warmtenet. De kosten voor deze ruimtereservering zijn niet gedekt en dit betekent dat we ruimtereservering nu alleen meenemen als de kosten beperkt zijn. Het realiseren van transformatorhuisjes wordt in de eerste plaats bekostigd door de netbeheerder Stedin. De meerkosten voor een betere inpassing of aankleding worden voor de eerste trafo’s door de gemeente opgepakt. Met deze pilots laten we ook voor de netbeheerder zien hoe we tot een beter draagvlak en versnelling in het oplossen van netcongestie komen. Hiervoor zijn middelen vrijgemaakt in de voorjaarsnota voor 2025 en 2026. Dit betekent dat de bekostiging vanaf 2027 vraagt om nieuwe afwegingen binnen de beschikbare middelen. Indien er geen dekking wordt gevonden voor deze kosten dan heeft dit mogelijk gevolgen voor de kwaliteit van de openbare Ruimte.

Beslispunt 2

De Beleidsnota Warmte op te nemen in de Omgevingsvisie Utrecht door toevoeging aan het overzicht ‘Lijst beleidsdocumenten van de Omgevingsvisie Utrecht’ en de internetpagina https://omgevingsvisie.utrecht.nl/ ten de Visie op de Warmtevoorziening en de Transitie Visie Warmte deel 1 en 2 in te trekken

Argumenten 2.1 De Beleidsnota Warmte met daarin de nieuwe kaders voor beleid vervangt de Visie op de Warmtevoorziening en de Transitie Visie Warmte deel 1 en 2. Met het vaststellen van de Beleidsnota Warmte door de Raad vormen de kaders in deze nota het nieuwe beleid ten aanzien van de Warmtetransitie. Daarmee trekken we de de Visie uit de Warmtevoorziening uit 2017 en de Transitie Visie Warmte deel 1 en 2 uit 2021in.

10

Financiën De beleidsnota biedt de kaders en uitgangspunten voor de route naar een aardgasvrij Utrecht. De kosten die gepaard gaan met deze warmtetransitie zijn aanzienlijk en omvatten onder meer investeringen in de aanleg en versterking van de warmte- en elektriciteitsinfrastructuur, de isolatie van gebouwen en de realisatie van installaties voor de productie en opslag van duurzame energie. De financiering van deze kosten is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid, het bedrijfsleven en bewoners. Publieke warmte- en netwerkbedrijven zijn verantwoordelijk voor de investeringen in de warmte- en elektriciteitsinfrastructuur. De ontsluiting van duurzame warmtebronnen is een taak die zowel publieke als private partijen oppakken. Eigenaren, bewoners en gebruikers van gebouwen spelen een voortrekkersrol door te investeren in de aanpassingen die nodig zijn om hun eigen gebouwen geschikt te maken voor een duurzame warmtebron. De structurele kosten voor de uitvoering van deze nota worden gedekt binnen de bestaande capaciteit en vanuit het huidige programmabudget Klimaatvriendelijke Stad, onderdeel Energietransitie. Een belangrijke randvoorwaarde voor de uitvoering van de plannen is de beschikbaarheid van middelen vanuit het Rijk.

Deze middelen zijn essentieel om betaalbare warmteoplossingen mogelijk te maken en de personele kosten voor de uitvoering van de buurtaanpak te dekken. In 2025 is 7,4 miljoen euro ontvangen voor Energietransitie vanuit de tijdelijke regeling Capaciteit Decentrale Overheden (CDOKE), deze middelen mogen nog tot en met 2027 worden uitgegeven. Vanaf 2026 is de hoogte van het jaarlijkse bedrag aan gemeenten nog onzeker. Op basis van berichtgeving vanuit het Rijk is er in de begroting is vanaf 2026 rekening gehouden met een te ontvangen bedrag van minimaal € 5 miljoen. Hiermee is de dekking voor de beleidsnota toereikend, met uitzondering van de kwalitatieve inpassing van transformatorstations vanaf 2027 (€ 500.000 per jaar). Het realiseren van transformatorhuisjes wordt in de eerste plaats bekostigd door de netbeheerder Stedin, de kosten voor een betere inpassing zijn echter voor de gemeente. Dit betekent dat bekostiging voor inpassing vanaf 2027 vraagt om een toekomstige afweging binnen de beschikbare middelen. In buurten waar een collectieve warmtevoorziening als voorkeursalternatief wordt gezien, moet deze worden ingepast in de ondergrond, naast andere infrastructuur zoals riolering, waterleidingen, elektriciteitskabels, ondergrondse afvalcontainers, laadinfrastructuur en bomen. De ondergrond in veel Utrechtse buurten is al behoorlijk vol.

Door nu al ruimte te reserveren, kunnen we hoge extra kosten in de toekomst beperken. Daarom streven we naar het reserveren van ruimte bij rioolvervangingen in buurten waar een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief is. Dit doen we alleen in buurten waar we binnen 10 jaar starten met de aanleg van een warmtenet. Het aanleggen van loze warmteleidingen wordt in principe niet gedaan. De kosten voor deze ruimtereservering zijn niet gedekt en dit betekent dat we ruimtereservering alleen meenemen als de kosten beperkt zijn. Een verdere detaillering van kosten wordt uitgewerkt in het Warmteprogramma en de wijkuitvoeringsprogramma’s, waarbij dan meer bekend is over nadere kosten en dekking.

Vervolg Na besluitvorming door de raad over de Beleidsnota Warmte zal een uitwerking van deze kaders in het Warmteprogramma volgen. Deze beschrijft waar en hoe we binnen de vastgestelde kaders in de stad de komende tien jaar aan de slag gaan met de warmtetransitie. Het Warmteprogramma moet volgens de nieuwe Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (inwerkingtreding per 1 januari 2026) eind 2026 zijn vastgesteld. Het Warmteprogramma moet volgens dezelfde wet minimaal elke vijf jaar worden geactualiseerd en waarbij naast nieuwe inzichten ook leerervaringen uit vorige buurten worden meegenomen om tot een adaptieve WAT-kaart te komen.

Samen stad maken (voorheen: Participatie) In het kader van deze beleidsnota was “Gemeente aan zet’ van toepassing, er is niet samengewerkt met Utrechters voor dit voorstel. We hebben in het kader van deze beleidsnota gepeild bij stakeholders of de opvattingen, zorgen en wensen van bewoners sinds de vaststelling van de Transitievisie Warmte (TVW) zijn veranderd. Om hier een beeld van te krijgen hebben we een overzicht gemaakt van de geleerde lessen uit (i) de onderzoeken die de afgelopen jaren zowel landelijk als lokaal zijn uitgevoerd naar aardgasvrij, en (ii) de buurtaanpak aardgasvrij. Daarnaast is

11

input opgehaald via het klimaatpanel en een aantal expertsessies. De geleerde lessen en input is meegenomen in de uitwerking van deze beleidsnota. Verder heeft de ontwerp Beleidsnota Warmte van 17 april tot en met 21 mei ter inzage gelegen. Op de Beleidsnota Warmte en het planMER zijn reacties binnengekomen van de Gemeente Stichtse Vecht, Provincie Utrecht, Eneco, Vitens, Energie-U, Wijkplatform NoordWest, RWU, Natuur en Milieufederatie Utrecht en Bewonersinitiatieven, en zes inwoners. In de Reactienota zijn antwoorden geformuleerd op de binnengekomen zienswijzen en is aangeven tot welke wijziging of aanvulling dit heeft geleid in de Beleidsnota Warmte of het planMER. Een aantal punten uit de zienswijzen hebben geleid tot aanvullingen en nuanceringen van de tekst maar hebben niet geleid tot aanpassingen van de kaders.

Communicatie Op het moment dat de definitieve Beleidsnota Warmte ter besluitvorming aan de gemeenteraad wordt aangeboden, actualiseren we de beleidswebpagina over warmte (utrecht.nl/warmtebeleid), waar ook een publieksvriendelijke samenvatting beschikbaar is. Daarnaast informeren we de volgers van onze Denkmee-pagina, delen we de informatie via de gemeentelijke nieuwsbrief en sturen we een bericht aan onze netwerkpartners, met het verzoek dit via hun eigen communicatiekanalen te verspreiden. Ook delen we weer een update via LinkedIn, gericht op professionals die betrokken zijn bij de warmtetransitie. De Beleidsnota Warmte wordt daarnaast op de gebruikelijke wijze gepubliceerd op officielebekendmakingen.nl. Ook wordt de beleidsnota toegevoegd aan het thematisch beleid Energie als onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht, ook te vinden via de gemeentelijke website www.utrecht.omgevingsvisie.nl

Referendabel De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht is van toepassing. Volgens de verordening is deze beleidsnota referendabel. Dat betekent dat de beleidsnota 5 weken na publicatie in werking treedt, mits er in de tussenliggende periode geen verzoek tot het houden van een raadgevend referendum is ingediend

Bijlagen Bijlagen besluitvorming - Beleidsnota Warmte - Reactienota zienswijzen Beleidsnota Warmte en PlanMER Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma Bijlagen informatief - PlanMER Beleidsnota Warmte - Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma - Bronnenstrategie: scenario’s voor de inzet van duurzame warmtebronnen - Nadere toelichting Beleidsnota Warmte en voortgang warmtetransitie

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=0a300913-9691-43be-9333-08b9d535993a