CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie Reikwijdte en Detailniveau Energiepark Rijnenburg.pdf

Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen (2022-2026) 20 januari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsbrief Voortgang energielandschap Rijnenburg en Reijerscop16.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Notitie Reikwijdte en Detailniveau Energielandschap Rijnenburg & Reijerscop Consortium Rijne Energie c.s. V6.0 01/12/2021

Pondera

Colofon

Hoofdvestiging Nederland

Soort document

Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com

Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Postadres

Versienummer

Postbus 919 6800 AX Arnhem

Vestiging South East Asia Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia

Vestiging North East Asia Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea

Projectnaam Energielandschap Rijnenburg & Reijerscop

V6.0

Datum 1-12-2021

Project nummer 721081

Opdrachtgever Consortium Rijne Energie c.s.

Auteur Annemarie Kristen

Nagekeken door Florentine van de Wind

Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten. Pondera is niet aansprakelijk voor gederfde inkomsten of schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever. De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.

Inhoudsopgave 1 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4

Het initiatief ___________________________________________________________________ 1 M.e.r.-procedure________________________________________________________________ 2 Initiatiefnemers en bevoegd gezag _________________________________________________ 4 Leeswijzer ____________________________________________________________________ 6

2 Doelstellingen en beleid 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

33

Inleiding _____________________________________________________________________ 33 Milieueffecten en beoordeling inrichtingsalternatieven _________________________________ 33 Mitigerende maatregelen ________________________________________________________ 42 Leemten in kennis en informatie __________________________________________________ 43 Evaluatie ____________________________________________________________________ 43

6 Procedure en besluitvorming 6.1 6.2 6.3

27

Voorgenomen activiteit__________________________________________________________ 27 Inrichtingsalternatieven Energielandschap R&R ______________________________________ 29

5 Mogelijke effecten en maatregelen 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

18

Inleiding _____________________________________________________________________ 18 Potentiële locaties windenergie in Utrecht ___________________________________________ 18 Stap voor stap naar zoekgebieden zon en wind binnen het energielandschap R&R __________ 20

4 Voorgenomen activiteit en alternatieven 4.1 4.2

7

Mondiaal en Europees beleid______________________________________________________ 7 Rijksbeleid ____________________________________________________________________ 7 Provinciaal beleid ______________________________________________________________ 11 Regionale Energie Strategie _____________________________________________________ 13 Beleid gemeente Utrecht ________________________________________________________ 14 Conclusie beleid _______________________________________________________________ 17

3 Achtergrond van de totstandkoming locatie energielandschap 3.1 3.2 3.3

1

44

M.e.r.-procedure_______________________________________________________________ 44 Vergunningen _________________________________________________________________ 46 Informatie en inspraak __________________________________________________________ 46

1 Inleiding 1.1 Het initiatief De gemeente Utrecht heeft besloten om ruimte te bieden aan een energielandschap met zonnevelden en windmolens in de polders Rijnenburg en Reijerscop. Het energielandschap is een pauzelandschap. Een landschap dat, in afwachting van toekomstige woningbouw, alvast benut mag worden om er, tijdelijk, duurzame energie op te wekken. In de Visie Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop is aangegeven welke ruimte hiervoor geboden wordt en welke doelstellingen hieraan ten grondslag liggen. De gemeente heeft in een uitnodigingskader haar besluit nader uitgewerkt. Hiermee heeft de gemeente initiatiefnemers voor grootschalige energieproductie uitgenodigd om met concrete voorstellen te komen die passen binnen de geschetste kaders. Het consortium Rijne Energie c.s. (bestaande uit Rijne Energie, De Windvogel, Eneco en BHM Solar) heeft hieraan gehoor gegeven. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft het consortium Rijne Energie c.s. geselecteerd als initiatiefnemer voor het ontwikkelen van een energielandschap. Met haar initiatief beoogd Rijne Energie c.s. het pauzelandschap te ontwikkelen. De opwek van duurzame energie verandert het landschap. Rijne Energie c.s.

beseft dat de omgeving hieraan zal moeten wennen maar men moet ook beseffen dat het niet alleen om een ingreep gaat die bijdraagt aan de overschakeling naar duurzame energie maar dus ook tijdelijk is. Die tijdelijke ingreep wil Rijne Energie c.s. benutten en aangrijpen voor een meer structurele verandering: de duurzame ontwikkeling en de verrijking van landschappelijke waarden en recreatiemogelijkheden, aansluitend bij de bestaande kwaliteiten, én de kwaliteiten die de afgelopen decennia verloren zijn gegaan. Wanneer nu ingezet wordt op een robuuste ontwikkeling van groen, krijgt dat groen de tijd om mee te groeien met de verstedelijking, het stijgende aantal inwoners en de toenemende klimaatimpact van de stad. De aanplant van nieuw groen en vernatting van het veen en veenmossen zorgt ook voor CO2opslag. Kortom: het consortium Rijne Energie c.s. heeft de intentie om een Energielandschap te ontwikkelen dat bestaat uit een opstelling van windturbines en zonnevelden die landschappelijk worden ingepast. De windturbines en de zonnevelden vormen op die manier een energielandschap. De locatie van het projectgebied is weergegeven in Figuur 1.1. Het projectgebied ligt tegen Utrecht aan en wordt aan de noordzijde begrensd door de A12 en aan de oostzijde door de A2. Momenteel bestaat het plan voor dit energielandschap uit 3 windturbines en 7 hectare aan zonnevelden.

Daarnaast wordt er rekening gehouden met een groeiperspectief, waardoor er mogelijk maximaal 8 windturbines gerealiseerd kunnen worden en een groter deel van het totale zoekgebied met zonnevelden ingevuld wordt. In het uitnodigingskader spreekt de gemeente over maximaal 230 hectare zonnevelden maar vooralsnog gaan de initiatiefnemers uit van maximaal 50 hectare zonnevelden. De initiatiefnemers beschouwen de genoemde 50 hectare zonnevelden als een realistisch maximum. Omdat er op dit moment bij de grondeigenaren weinig animo is om percelen aan het energielandschap ter

Notitie Reikwijdte en Detailniveau721081 721081 | V6.0 | 1-12-2021 Pagina 1

beschikking te stellen achten de initiatiefnemers de kans groot dat het energielandschap minder dan 50 hectare zonnevelden zal omvatten. Het consortium gebruikt de m.e.r.-procedure om het optimum te vinden tussen enerzijds maximale duurzame energieopwekking en anderzijds de minimale milieu- impact op de omgeving. Figuur 1.1 Projectgebied waarin aangegeven de zoekgebieden zon en wind uit het uitnodigingskader

In het Selectiebesluit (19 februari 2021, B&W gemeente Utrecht) is opgenomen dat de gemeente Utrecht het energielandschap ruimtelijke mogelijk wil maken via de procedure van een bestemmingsplan of een omgevingsplan1. Daarnaast is een Omgevingsvergunning nodig.

1.2 M.e.r.-procedure 1.2.1 M.e.r.-plicht De procedure van milieueffectrapportage (m.e.r.) is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving, indien er sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Het doel van de m.e.r. is om te verzekeren dat adequate milieu-informatie beschikbaar is ten behoeve van de besluitvorming over dergelijke activiteiten.

1

Wanneer het ruimtelijk plan na inwerkingtreding van de nieuwe omgevingswet, vermoedelijk op 1 juli 2022, wordt vastgesteld moet het omgevingsplan (de vervanger van het bestemmingsplan) worden aangepast

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 2

In het Besluit m.e.r. staat voor welke activiteiten een m.e.r. van toepassing kan zijn. De inhoudelijke vereisten aan een milieueffectrapport (MER) zijn vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. De m.e.r.-procedure mondt uit in een rapport, het milieueffectrapport (MER). Er wordt onderscheid gemaakt in het planMER en het projectMER. In Kader 1.1 zijn deze typen MER kort toegelicht. Er zijn twee redenen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1. Het wettelijke Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) benoemt activiteiten waarop de

2.

m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Daarbij is aangegeven wat het m.e.r.(beoordelings)plichtige plan of besluit is. Plannen, zoals een bestemmingsplan, waarvoor een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden opgesteld, zijn m.e.r.-plichtig.

Beide redenen zijn van toepassing op Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop (verder te noemen energielandschap R&R). Voor het bestemmingsplan is naar verwachting een Passende beoordeling nodig. Zonne-energie is niet genoemd in het Besluit m.e.r. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark valt wel onder de m.e.r.-regelgeving. In het Besluit m.e.r. zijn windparken opgenomen in onderdeel C en D van de bijlage van het besluit. Het betreft categorie: •

C22.2: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark, bestaande uit 20 windturbines of meer

•

D22.2: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer, of bestaande uit 10 windturbines of meer.

Daarnaast is het gezamenlijk opgesteld vermogen van de windturbines zeer waarschijnlijk meer dan 15 MW2. Dit betekent: •

Een plan-m.e.r.-plicht voor het bestemmingsplan;

•

Een project m.e.r.- beoordelingsplicht voor de omgevingsvergunning van de windturbines.

De project-m.e.r.-beoordelingsplicht houdt in dat het bevoegd gezag moet beoordelen of het doorlopen van een project-m.e.r. noodzakelijk is. De initiatiefnemers hebben, gezien de aard en schaal van het project, ervoor gekozen om direct een projectMER op te stellen. Een beoordeling door het bevoegd gezag of inderdaad een project-m.e.r. noodzakelijk is voor de omgevingsvergunning kan daarom achterwege blijven. Voor het Energielandschap R&R wordt een gecombineerd plan/project-MER opgesteld. Waar hierna over het MER wordt gesproken, wordt dit gecombineerde MER bedoeld. In het MER wordt het gehele beoogde energielandschap betrokken en daarom worden naast de effecten van de beoogde windturbines ook de effecten van de zonnevelden beschreven en beoordeeld. Met het opstellen van een gecombineerd plan-project-MER wordt ook aan de m.e.r.-(beoordelings)-plicht onder de Omgevingswet voldaan.

2

Er is nog geen specifieke windturbine geselecteerd. De initiatiefnemers hebben moderne windturbines op het oog met een opgesteld vermogen van tussen de 4,5 en 6 MW

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 3

Kader 1.1 PlanMER en projectMER en m.e.r.-beoordeling

PlanMER Het planMER wordt opgesteld ten behoeve van een structuurvisie of het ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan. Het planMER moet ingaan op de vraag ‘waarom hier’. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt over de milieueffecten van het plan. Het planMER geeft een onderbouwing van de locaties, waarbij mogelijk ook verschillende locaties (locatiealternatieven) worden onderzocht, en beschrijft de milieueffecten van het windpark als bijdrage aan de belangenafweging. Voor een structuurvisie is de effectbeschrijving globaal en heeft tot doel aan te tonen dat het aannemelijk is dat het plan (het windpark op de locatie) kan voldoen aan de geldende milieueisen, een planMER voor een ruimtelijk plan zal meer detailniveau bevatten. In dit geval gaat het om de locatieafweging binnen de gemeente Utrecht, de verschillende zoekgebieden binnen Rijnenburg en de informatie die nodig is voor de wijziging van het bestemmingsplan.

ProjectMER Het projectMER heeft betrekking op de milieueffecten van de concrete uitwerking van een plan en wordt opgesteld voor de besluitvorming over de omgevingsvergunning. Het gaat dus vooral om de inrichting van een gebied. Voor een windpark betreft dit een concrete uitwerking t.b.v. het bepalen van de posities van de windturbines. De effecten van een dergelijke opstelling en van opstellingsvarianten worden door middel van onderzoek in detail bepaald en afgezet tegen de geldende milieueisen, waarbij beoordeeld wordt of aan deze eisen kan worden voldaan.

M.e.r.-beoordeling Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit, die genoemd staat in onderdeel D van het besluit m.e.r., mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Voor een m.e.r.-beoordeling is doorgaans geen diepgaand onderzoek nodig. Een m.e.r.-beoordeling kent twee uitkomsten: 1) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden en er dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden of 2) belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op en de m.e.r.procedure wordt niet doorlopen.

1.2.2 Notitie reikwijdte en detailniveau Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is de eerste stap van de m.e.r.-procedure. Het doel van het opstellen en publiceren van deze conceptnotitie is om betrokkenen en belanghebbenden te informeren over het voornemen en de inhoud en diepgang (de reikwijdte en het detailniveau) van het nog op te stellen MER. Het doel is eveneens om betrokkenen en belanghebbenden in dit stadium te raadplegen om reacties te kunnen meenemen in de uit te voeren onderzoeken. De binnengekomen reacties (zienswijzen) en adviezen worden betrokken bij het verder uitwerken van de MER. Hoe omgegaan wordt met de zienswijzen wordt in een zogenaamde nota van antwoorden (NvA) vermeld. De NvA is een document dat onderdeel is van het MER en behoort bij de m.e.r.-procedure. De NRD is ook een communicatiedocument, waarin wordt aangekondigd dat er een milieueffectrapport wordt opgesteld voor Energielandschap R&R.

1.3 Initiatiefnemers en bevoegd gezag 1.3.1 Initiatiefnemer project Het consortium Rijne Energie c.s. is initiatiefnemer van het Energielandschap R&R. Omdat niet de initiatiefnemer van het Energielandschap R&R maar de gemeente het bestemmingplan kan herzien is de gemeente de initiatiefnemer van het bestemmingsplan. Daarom is Rijne Energie c.s. als initiatiefnemer

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 4

verantwoordelijk voor het project-m.e.r.-deel van de notitie en de gemeente voor het plan-m.e.r.-deel. Beide initiatiefnemers zijn dus verantwoordelijk voor het opstellen van het MER. Nadere informatie over de Rijne Energie c.s. is te vinden op de website www.rijne-energie.nl. De hiervoor genoemde website is die van de lokale energie coöperatie, één van de vier initiatiefnemers van het Energielandschap R&R. Het ontwikkelen en realiseren van het energielandschap omvat technische, organisatorische en financiële afwegings- en beslismomenten, waaronder het bepalen van opstellingsalternatieven, communicatie met de omgeving, het financieren van de bouw en het selecteren van een windturbineleverancier. In Figuur 1.2 zijn de contactgegevens van de initiatiefnemer Energielandschap R&R opgenomen. Figuur 1.2 Contactgegevens initiatiefnemer Energielandschap R&R Initiatiefnemer Naam

Consortium Rijne Energie c.s.

E-mailadres

info@rijne-energie.nl

1.3.2 Bevoegd gezag Voor de aanleg een windpark met een omvang tussen de 5 en 100 MW zijn Provinciale Staten (PS) op basis van artikel 9 van de Elektriciteitswet 1998 in beginsel bevoegd gezag. De gemeente Utrecht vraagt Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Utrecht af te zien van toepassing van de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van de benodigde besluiten ten behoeve van de realisatie van windmolens in Rijnenburg en Reijerscop (artikel 9f, zesde lid, onder a van de Elektriciteitswet). Hierdoor krijgt de gemeente de bevoegd gezag rol. De provincie Utrecht heeft op grond van de Wet milieubeheer (Wm) een adviesrol over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van het MER en beoordeelt het MER hier uiteindelijk ook op. Het MER is een bijlage bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Figuur 1.3 Contactgegevens bevoegd gezag en ook de initiatiefnemer van het bestemmingsplan Bevoegd gezag Gemeente

Utrecht

Adres

Stadsplateau 1, 3521 AZ, Utrecht

E-mailadres

nrd@utrecht.nl

Procedure en besluitvorming Het MER wordt opgesteld ten behoeve van de besluitvorming over het bestemmingsplan en de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het Energielandschap R&R. Het plangebied is gelegen in de gemeente Utrecht (provincie Utrecht). Voor de realisatie en exploitatie van een windpark zijn verschillende besluiten (vergunningen) nodig: •

Een omgevingsvergunning. In deze omgevingsvergunning worden diverse aspecten opgenomen zoals bouw, milieu, et cetera;

•

(Eventueel) een watervergunning, indien dat op grond van de Keur van het waterschap (verbodsbepalingen) is vereist;

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 5

•

Eventueel) vergunning en/of ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb);

•

(Eventueel) een vergunning op basis van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).

De gemeente Utrecht is het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. Er zijn mogelijk ook nog andere vergunningen of ontheffingen nodig voor het Energielandschap. Te denken valt aan vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet Natuurbescherming en een watervergunning. De bevoegde gezagen hiervoor zijn respectievelijk de provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Of, en zo ja welke vergunningen er verder nodig zijn voor dit Energielandschap zal duidelijk worden gedurende de uitvoering van het MER. Gemeentelijke coördinatieregeling Om de voorbereidende processtappen zorgvuldig en soepel te kunnen doorlopen, vragen de initiatiefnemers aan de gemeente om toepassing te geven aan de coördinatieregeling. De coördinatieregeling, onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (paragraaf 3.6.1), houdt in dat de besluiten gelijktijdig ter inzage worden gelegd. Op dat moment kan eenieder een reactie (zienswijze) geven. Het bevoegde gezag neemt vervolgens de definitieve besluiten, rekening houdend met de ontvangen adviezen en zienswijzen, welke wederom gelijktijdig (gecoördineerd) ter inzage worden gelegd. Als een belanghebbende het niet eens is met één of meer van de besluiten, kan hij/zij beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Toepassing van de coördinatieregeling heeft geen invloed op de bevoegdheden voor het nemen van besluiten (ontheffingen en vergunningen).

1.4 Leeswijzer Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau bestaat uit een vijftal hoofdstukken. In hoofdstuk 2 is het beleidskader beschreven; het beleid van de verschillende relevante overheden. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in het energielandschap en de te onderscheiden inrichtingsalternatieven. Hoofdstuk 5 gaat in op mogelijke effecten die een energielandschap teweeg kan brengen en geeft een voorstel voor het beoordelingskader waarop de inrichtingsalternatieven voor het energielandschap worden beoordeeld in het MER. Hoofdstuk 6 geeft tot slot een overzicht van de te doorlopen procedure die wordt gevolgd om tot realisatie van het energielandschap te komen.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 6

2 Doelstellingen en beleid In dit hoofdstuk is, op hoofdlijnen, het beleidskader van het Rijk, de provincie Utrecht en gemeente Utrecht geschetst waarbinnen het Energielandschap R&R wordt ontwikkeld. Het beleidskader is relevant aangezien dit enerzijds de achtergrond schetst van het windenergiebeleid in Nederland en anderzijds kaders bevat voor de concrete ruimtelijke ontwikkeling van windenergie in het plangebied.

2.1 Mondiaal en Europees beleid In december 2015 zijn op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21) 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook medeondertekend. Voor nu is de Europese ambitie gebaseerd op een politieke overeenstemming3 waarin een bindende doelstelling ten aanzien van duurzame energieopwekking is vastgelegd. In 2030 moet tenminste 32% van het energieverbruik van de Europese Unie duurzaam zijn opgewekt. De uitstoot van broeikasgassen dient in 2030 met ten minste 55% te zijn gereduceerd ten opzichte van het niveau van 1990. Dat doel was eerder op 49% gesteld.

2.2 Rijksbeleid 2.2.1 Klimaatwet In de Klimaatwet zijn de Nederlandse klimaatdoelstellingen wettelijk vastgelegd. De Klimaatwet is op 1 september 2019 in werking getreden. In de Klimaatwet staan drie doelen: •

Een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030;

•

Een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050;

•

100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050.

Elke vijf jaar komt er een klimaatplan waarin het klimaatbeleid wordt vastgesteld. Dit klimaatplan past in de systematiek van de Integrale Nationale Energie-en Klimaatplannen die voor de EU moeten worden opgesteld en het klimaatakkoord van Parijs. Het eerste klimaatplan (Klimaatplan 2021-2030) is in april 2020 gepubliceerd4.

2.2.2 Klimaatplan 2021-2030 De inhoud van het klimaatplan wordt voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het klimaatakkoord. Dit bevat maatregelen om tot het reductiedoel van 49% in 2030 te komen. Daarnaast bevat het klimaatplan beleid dat volgt uit Europese verplichtingen en ander lopend beleid. De volgende beleidslijnen worden ingezet binnen de sector elektriciteit: •

Het stimuleren van wind op zee (WOZ) tot 49 TWh in 2030;

3

Energy topics European Commision, Geraadpleegd van: https://ec.europa.eu/energy/en/topics/renewableenergyCommissie (14 april 2021). Geraadpleegd van: http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-184155_en.htm 4 “Klimaatplan 2021-2010”, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, april 2020. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2020/04/24/klimaatplan-2021-2030

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 7

•

Het stimuleren van hernieuwbare energie op land (HOL) tot 35 TWh in 2030;

•

Het stimuleren van kleinschalige hernieuwbare productie tot circa 10 TWh in 2030;

•

Het waarborgen van leveringszekerheid;

•

Investeren in voldoende elektriciteits-infrastructuur.

2.2.3 Klimaat- en Energieverkenning 2020 Volgens de tweede Klimaat en Energieverkenning 5 (KEV) zijn er forse extra doelstellingen nodig om de nationale doelstelling van 49 procent op broeikasgasuitstoot voor 2030 te halen. Dat betekent een gemiddelde reductie van 6 megaton per jaar. Uit de KEV-raming blijkt dat in 2020 ongeveer de helft (3 megaton) per jaar wordt gereduceerd. Dat betekent dat er een behoorlijke opgave rest. Ontwikkeling verbruikssaldo windenergie Het verbruik van hernieuwbare energie uit wind in Nederland is van 7,3 PJ in 2005 gestegen tot 38,8 PJ in 2019.6De projectie voor 2025 en 2030 zijn respectievelijk 160,6 en 233,1 PJ. Dat geeft getalsmatig een beeld van de enorme uitdaging om te voldoen aan de gemaakte doelen. In Kader 2.1 wordt de huidige stand van zaken van opgesteld vermogen van windenergie op land weergegeven. Kader 2.1 Stand van zaken windenergie

Op 1 januari 2021 stond in Nederland op land 6.719 MW aan windenergie opgesteld, in 2020 is er 2.261 MW bijgebouwd. (Bron: Windstats, 1 januari 2021). Met de uitvoering van het klimaatakkoord neem het aandeel hernieuwbare energie de komende 5 jaar naar verwachting toe met de helft. Windenergie levert op dit moment al bijna 10 % van het Nederlandse stroomverbruik. Om de doelstellingen te kunnen halen zal windenergie een cruciale rol blijven spelen.

2.2.4 Nationaal Klimaatakkoord (2019) Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op onze leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën (RES) een belangrijke rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. “Klimaat- en Energieverkenning 2020” Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), oktober 2020.

Geraadpleegd van: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2020-klimaat-en-energieverkenning2020-3995.pdf 6 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/22/verbruik-hernieuwbare-energie-met-16-procent-gegroeid 5

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 8

De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (Terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Ook wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Figuur 2.1 Invulling ambities uit het Klimaatakkoord 49% basispakket Wind op zee

49 TWh

Hernieuwbaar op land (>15 kW)

35 TWh

Overige hernieuwbare opties (incl. CO2 vrij regelbaar vermogen)

PM

Totaal

84 TWh

55%

120 TWh

Voor hernieuwbaar op land (35 TWh) wordt vooral gekeken naar wind op land en zonne-energie. Omdat dit bewezen technieken zijn met technische en economische haalbaarheid. Om deze opwekcapaciteit te realiseren is in het Klimaatakkoord opgenomen dat in dertig regio’s door gemeenten wordt samengewerkt aan een regionale energie strategie (RES). In deze RES wordt opgenomen waar en op welke manier deze opwekcapaciteit moet worden gerealiseerd. Windenergie is hierbij een van de belangrijkste opties. Ook in Utrecht is windenergie nodig om de opgave in te vullen. In Europees verband is een reductie van minimaal 55 procent in 2030 afgesproken. Op dit moment wordt er onderzoek gedaan naar de verhoging van de Nederlandse ambitie. Daar zal door het nieuwe kabinet een beslissing over gemaakt moeten worden. Dat zou leiden tot een opgave van 120 TWh hernieuwbare energie.

2.2.5 Energieakkoord voor duurzame groei en Energieagenda Het Energieakkoord voor duurzame groei (2013) biedt een langetermijnperspectief voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energie- en klimaatbeleid. Ruim veertig organisaties, waaronder overheden, werkgevers, vakbewegingen en natuur- en milieuorganisaties hebben zich verbonden om afspraken te maken over duurzame groei. Het akkoord is erop gericht om de economische structuur te versterken en om de komende jaren miljarden aan investeringen los te maken in alle sectoren van de samenleving. Door de uitvoering van het Energieakkoord voor duurzame groei wordt er een sterke stijging beoogd in het aandeel duurzame energie van 4,5% in 2013 naar 14% in 2020 en 16% in 2023. Met de Energieagenda (2016) is het de bedoeling om invulling te geven aan de doelstellingen voor de lange termijn. Hiermee wordt een duidelijke koers aangegeven om perspectief en zekerheid te kunnen bieden aan bedrijven en inwoners. De Energieagenda beschrijft de te maken stappen om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 mogelijk te maken.

2.2.6 Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) Onderdeel van het rijksbeleid is een stimuleringsregeling voor duurzame energieprojecten. Dit is uitgewerkt in de vorm van diverse subsidieregelingen waaronder de SDE+ (Stimulering Duurzame

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 9

Energieproductie plus). Vanaf het jaar 2020 wordt deze regeling omgezet naar de SDE++ regeling. Hierbij is niet de energieproductie maar de CO2 reductie bepalend voor de hoogte van de subsidie.

2.2.7 Nationale Omgevingsvisie Op nationaal niveau is het vigerend ruimtelijk beleid vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden. Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken. Prioriteiten binnen de NOVI zijn: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • • •

duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Daarnaast stelt de Rijksoverheid enkele nationale belangen vast, waarvoor zij de systeemverantwoordelijkheid draagt. Eén van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur. In dit nationale belang worden de afspraken in zowel het Klimaatakkoord van Parijs als het nationale Klimaatakkoord (ontwerp 2018) herbevestigd. Dit betekent dat de transitie naar een CO2arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd moet zijn, door dan 95% minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren ten opzichte van 1990. In de NOVI worden ook richtingen meegegeven die bij de inpassing van duurzame energie – in RESverband – kunnen worden gebruikt. De volgende zijn relevant voor het Energielandschap: 1. Voorkeur voor grootschalige clustering Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden) vermindert de ruimtelijke afwenteling en draagt bij aan kostenreductie. Waar mogelijk heeft dit de voorkeur, maar dit dient wel goed afgewogen te worden ten opzichte van (landschappelijke) effecten. 2. Voorkeursvolgorde voor zon pv (photovoltanic) De afwegingprincipes van de NOVI leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen.

Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties. Hoewel natuur- en landbouwgebieden daarbij niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwater en areaal in beheer van het Rijk (zoals Rijkswaterstaat, ProRail, Staatsbosbeheer), waaronder waar mogelijk bermen van spoor- en autowegen.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 10

2.2.8 Omgevingswet en de NOVI De Omgevingswet voorziet niet in juridische doorwerking van de NOVI naar omgevingsvisies van andere overheden. Andere overheden, burgers en bedrijven, zijn dan ook niet juridisch aan de NOVI gebonden, maar wel aan regels en normen die op basis van de NOVI worden opgesteld. Provincies en gemeenten zullen in hun eigen omgevingsvisies uiting geven aan hun verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving.

Conclusie doelstelling Rijksbeleid Nederland heeft in overeenstemming met Europese afspraken en het mondiale klimaatakkoord als doel gesteld om de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 95% gereduceerd te hebben ten opzichte van 1990. Voor 2030 is als tussendoel een reductie van 55% afgesproken. De overstap naar hernieuwbare energiebronnen moet hier een belangrijke bijdrage aan leveren. Waarbij vooral gefocust wordt op zon- en windenergie. Naast windenergie op zee is als doel gesteld om 35 TWh zon- en windenergie op land te realiseren.

2.3 Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Utrecht voor de opwekking van duurzame energie is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie en de hier bijbehorende Omgevingsverordening. Op 10 maart 2021 zijn de Interim Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening door de Provinciale Staten vastgesteld. Beide zijn vanaf 1 april 2021 in werking getreden. Om de opgave van de provincie – in 2040 energieneutraal - mogelijk te maken, wordt in de Omgevingsvisie en -verordening in verhouding tot het voorgaande beleid meer ruimte gegeven voor duurzame energieopwekking. In de Omgevingsvisie constateert de provincie dat duurzame energie een nieuwe grote ruimtevrager is. De provincie vindt het belangrijk dat er ruimte is voor de realisatie van de duurzame energiebronnen. In de omgevingsvisie geeft de provincie aan waar duurzame energieprojecten vanuit ruimtelijk perspectief mogelijk zijn in de provincie Utrecht. Algemene uitgangspunten en kaders voor initiatieven zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Een meer gedetailleerde ruimtelijke uitwerking van de opgave voor energietransitie vindt plaats in het kader van de Regionale Energiestrategieën (RES), waarin de provincie partner is. Rijnenburg als (tijdelijk) energielandschap In de omgevingsvisie is een themakaart voor energie opgenomen (zie Figuur 2.2).

Uit de themakaart blijkt dat de polders Rijnenburg en Reijerscop van de gemeente Utrecht benoemd zijn als tijdelijk Energielandschap en voor de lange termijn als een zoekgebied voor grootschalige integrale ontwikkeling wonen-werken-bereikbaarheid.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 11

Figuur 2.2 Themakaart Energie uit Omgevingsvisie provincie Utrecht (10-3-2021) met een door Pondera toegevoegde oranje gestippelde contour die het Energielandschap R&R aanduidt

In Figuur 2.3 zijn nog eens twee kaartjes uit de provinciale omgevingsvisie weergegeven waarin de mogelijkheden voor windturbines en ook zonnevelden zijn weergegeven. Hoe paarser het gebied is aangeduid, hoe meer mogelijkheden er zijn. Zoals te zien in beide kaarten is het Energielandschap R&R (ligging aangeduid met gele cirkels) voor wind grotendeels donkerpaars en voor zon geheel donkerpaars gekleurd.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 12

Figuur 2.3 Mogelijkheden wind- en zonne-energie, Rijnenburg is met de gele cirkels aangeduid (Bron: Interim Omgevingsvisie, bewerking Pondera)

Een nieuw evenwicht tussen grootschalige opwek van duurzame energie en aanwezige kwaliteiten en functies Bij inpassing van duurzame energie in de omgeving wil de provincie zorgvuldig te werk gaan en rekening houden met de Utrechtse kwaliteiten. Er kunnen compenserende maatregelen nodig zijn om aantasting te beperken. De provincie realiseert zich dat gezocht moet worden naar een nieuw evenwicht tussen grootschalige opwek van duurzame energie en aanwezige kwaliteiten en functies. Bij de inpassing van grootschalige hernieuwbare energieopwekking wenst de provincie aansluiting bij belangrijke structuren in het landschap, en bij voorkeur ook bij snel- en waterwegen. Daarnaast geeft de provincie de voorkeur aan concentratie van duurzame bronnen. Hiermee wordt spreiding voorkomen en wordt de energieinfrastructuur optimaal benut. De provincie accepteert dat vanwege de omvang van de opgave haar voorkeuren niet overal gevolgd kunnen worden. In de Interim Omgevingsverordening is opgenomen dat de voorkeur uitgaat naar een combinatie van meerdere windturbines met een vermogen van 3MW of meer. Deze bepaling geldt alleen voor landelijk gebied met uitzondering van Natura 2000-gebieden en ganzenrustgebieden. Windturbines met een ashoogte tot 20 meter zijn in het landelijk gebied op of in aansluiting op een bestaand bouwperceel mogelijk.

Het is mogelijk om zonnevelden te plaatsen op agrarische gronden of gronden met een lage natuurkwaliteit, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De structuren in landschap herkenbaar blijven en voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; b. De zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die ruimte biedt voor een bij het gebied passende bodemkwaliteit en waterkwaliteit; en c. Voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit

2.4 Regionale Energie Strategie In het Klimaatakkoord, de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken van Parijs (2015), is afgesproken dat we met elkaar de CO2-uitstoot sterk verminderen (zie ook paragraaf 2.1). Eén

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 13

van de afspraken uit het Klimaatakkoord is dat 30 energieregio’s in Nederland onderzoeken waar en hoe het best duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden. In een Regionale Energie Strategie (RES) beschrijft elke energieregio zijn eigen keuzes. Gemeente Utrecht is onderdeel van de RES regio U-16. In de RES 1.0 staat dat de regio in 2030 in totaal 1,8 TWh duurzame elektriciteit wil opwekken. Aan de hand van vier bouwblokken7 moet dit gerealiseerd worden. Het derde bouwblok dat wordt benoemd is het opwekken van windenergie en zonne-energie (vanuit zonnevelden op land). Dit bouwblok moet een bijdrage leveren aan de energietransitie van 1,164 TWh. Dit staat voor 26 turbines en circa 800 hectare zonnevelden8. Het derde bouwblok, bestaande uit de bijdrage van gemeenten die zijn voortgekomen uit lokale zoekprocessen, heeft de gemeente Utrecht de ambitie laten vastleggen om beleidsruimte voor Energielandschap R&R (acht windturbines en 230 hectare zonneveld) te creëren.

2.5 Beleid gemeente Utrecht 2.5.1 Woningbouw Rijnenburg De gemeente Utrecht heeft sinds 2010 plannen voor de ruimtelijke ontwikkeling van Rijnenburg. In dat jaar is een structuurvisie Rijnenburg vastgesteld, waarin Rijnenburg is aangewezen als een te ontwikkelen woningbouwlocatie voor 7.000 woningen en 90 hectare bedrijfsterrein. Echter, in de doorvertaling van deze structuurvisie is in het Bestemmingsplan Rijnenburg de volgende tekst opgenomen: “Onder de huidige economische omstandigheden kan geen uitvoering gegeven worden aan het in de structuurvisie Rijnenburg neergelegde ruimtelijke beleid. Ook het collegeprogramma 2014-2018 gaat uit van het vooralsnog handhaven van de bestaande situatie in dit gebied. De structuurvisie wordt daarom dan ook niet in dit bestemmingsplan vertaald in een juridisch-planologische regeling.” Deze insteek is nogmaals door de gemeenteraad bekrachtigd door het aannemen van de motie ‘Bouwpauze Rijnenburg’ op 30 juni 2016. Vervolgens heeft de gemeenteraad in 2017 het Startdocument Rijnenburg – Reijerscop vastgesteld, waarin de ontwikkeling van het gebied als een Energielandschap is aangekondigd.

2.5.2 Visie Energielandschap In juni 2020 heeft de gemeenteraad Utrecht de visie op het tijdelijke Energielandschap R&R vastgesteld. In de visie is opgenomen dat er tot 2030 geen woningbouw plaatsvindt, maar dat woningbouw na 2030 gefaseerd mogelijk blijft, mocht hier binnen het kader van het regionale en lokale ruimtelijk-economische beleid voor gekozen worden. In de Visie energielandschap zijn zoekgebieden aangewezen, waarin initiatieven ontwikkeld kunnen worden voor zonne- en windenergie. In de visie van de gemeente Utrecht schat de gemeente in dat de aan- gewezen zoekgebieden ruimte te bieden voor: •

Maximaal 8 grote windmolens (36 MW) en;

•

Maximaal 163 MW zonneveld (circa 230 ha).

Bouwblokken zijn onderdelen van het bod. Bouwblok 1: gerealiseerde opwek en Pijplijnstatus ‘zeker’. Bouwblok 2: zon op dak; Bouwblok 3: Lokale zoekprocessen en Bouwblok 4: Continue samenwerking en ontwikkeling 8 Resregio U-16. RES 1.0 7

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 14

In een op de visie volgend uitnodigingskader zijn de spelregels voor toekomstige initiatiefnemers voor duurzame energieprojecten opgenomen.

2.5.3 Uitnodigingskader Energielandschap R&R en Reijerscop Het uitnodigingskader9 (vastgesteld in de gemeenteraad op 9 juli 2020) is een concrete uitwerking van de genoemde visie in paragraaf 2.5.2. Hierin zijn kaders opgenomen waarbinnen voorstellen van initiatiefnemers voor grootschalige energieprojecten in het gebied moeten passen. Het uitnodigingskader beschrijft de zoekgebieden waar zon- en windenergie mogelijk is (zie Figuur 2.4). Initiatiefnemers voor grootschalige energieproductie worden via dit kader uitgenodigd om met concrete voorstellen te komen die passen binnen de in dit document geschetste kaders. De gemeente bepaalt vervolgens voor welke voorstellen de planologische besluitvormingsprocedures doorlopen kunnen worden. Het voorliggende initiatief Energielandschap R&R is hiervoor inmiddels geselecteerd. Figuur 2.4 Zoekgebieden zonnevelden en windmolens zoals opgenomen in het gemeentelijke uitnodigingskader

Bron: Uitnodigingskader juli 2020 Gemeente Utrecht

2.5.4 Ruimtelijke Strategie 2040 De gemeente Utrecht heeft nieuwe ruimtelijke strategie uitgewerkt: ’Ruimtelijke strategie 2040: Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad’10 Hierin geeft de gemeente Utrecht aan hoe zij haar stad op de lange termijn wil inrichten. Binnen deze doorontwikkeling is ruimte voor het opwekken van duurzame energie binnen de gemeente Utrecht. De volgende doelstellingen en voorwaarden zijn hierin opgenomen: 1. De gemeente heeft als doelstelling om zo snel mogelijk klimaatneutraal te zijn. Onderdeel daarvan is het bieden van ruimte voor duurzame energie. Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop is één van de lopende projecten waarvoor al zoekgebieden voor zon en wind zijn vastgesteld. Voor het realiseren van zonnevelden en windturbines gelden de volgende ruimtelijke 9

Uitnodigingskader juli 2020 Gemeente Utrecht https://omgevingsvisie.utrecht.nl/de-koers/ruimtelijke-strategie-utrecht-2040/

10

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 15

principes. Bij zonnevelden en rond windmolens wordt ernaar gestreefd om energieproductie te combineren met andere functies zoals bijvoorbeeld agrarisch gebruik, waterberging en natuur. 2. Bij de vormgeving van zonnevelden en windmolens, inclusief bijbehorende objecten (bijvoorbeeld gebouwen en hekwerken) wordt rekening gehouden met gebiedseigen waarden en kenmerken. 3. Bij realisatie van zonnevelden en windmolens in de cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. Bij realisatie van windmolens binnen een afstand van twee kilometer tot woonwijken worden regels gesteld om de effecten van geluid en slagschaduw meer te beperken dan wettelijk verplicht.

Figuur 2.5 is overgenomen uit Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040. Hierin is te zien dat Rijnenburg en Reijerscop als zoekgebied voor zowel zon- als windenergie worden beschouwd. Daarnaast is een nieuwof uitbreiding van een hoogspanningsstation in het gebied voorzien.

Figuur 2.5 Belangrijkste (zoek)locaties voor de opwekking, transport en opslag van (duurzame) energie in 2040

Bron: Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040. Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 16

2.6 Conclusie beleid De ontwikkeling van Energielandschap R&R past op deze locatie omdat: •

De ontwikkeling past binnen het mondiale, Europese en landelijke klimaatbeleid;

•

In het provinciaal beleid zijn de polders Rijnenburg en Reijerscop van de gemeente Utrecht benoemd als tijdelijk Energielandschap;

•

Het initiatief bijdraagt aan het behalen van de RES doelstelling om in 2030 in totaal 1,8 TWh duurzame elektriciteit te willen opwekken en de locatie concreet is opgenomen in de RES 1.0;

•

De gemeente Utrecht heeft in haar Visie en het hieraan gekoppelde uitnodigingskader deze locatie aangewezen voor de mogelijke ontwikkeling van een (tijdelijk) energielandschap. In de Visie energielandschap zijn zoekgebieden aangewezen, waarin initiatieven ontwikkeld kunnen worden voor zonne- en windenergie. In de visie van de gemeente Utrecht schat de gemeente in dat de aan- gewezen zoekgebieden ruimte te bieden voor: o Maximaal 8 grote windmolens (36 MW) en; o

Maximaal 163 MW zonneveld (circa 230 ha).

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 17

3 Achtergrond van de totstandkoming locatie energielandschap 3.1 Inleiding In de periode 2007 tot en met 2020 zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, omgevingsprocessen doorlopen en zijn beleidskeuzes gemaakt die hebben geleid tot de locatiekeuze van het energielandschap Rijnenburg en Reijerscop. In dit hoofdstuk wordt het proces van de totstandkoming van de locatiekeuze voor het energielandschap chronologisch beschreven. In paragraaf 3.2 worden de potentieel geschikte locaties voor windenergie in de gemeente Utrecht benoemd en wordt afgesloten met de conclusie dat de polders Rijnenburg en Reijerscop als kansrijk locatie voor windenergie is aangemerkt. Vervolgens wordt in paragraaf 3.3 beschreven hoe de zoekgebieden zon en wind voor het uitnodigingskader voor het energielandschap R&R tot stand gekomen zijn.

3.2 Potentiële locaties windenergie in Utrecht Al in juli 2007 heeft het college van B&W in de nota 'Utrecht creëert Nieuwe Energie' met een bijbehorend werkprogramma de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2‐neutraal te zijn. In 2008 is gestart met het inventariseren van de duurzame energiekansen voor de stad 11. Op 26 mei 2011 heeft de gemeenteraad motie 18 ‘Duurzaam Rijnenburg snel van start’ aangenomen bij besluitvorming12 over het programma Utrechtse Energie 2011-2014. Eerste verkenning: quick scan naar mogelijkheden windenergie binnen de gemeente Utrecht De gemeente Utrecht heeft in 2008 via een 'quick‐scan'‐methode de mogelijkheden voor windenergie binnen haar gemeentegrenzen in kaart gebracht. Via deze methode is gezocht naar gebieden waar lijnopstellingen mogelijk zijn met voldoende afstand tot woningen (400 meter, bij windturbines met 100 m ashoogte) en langs infrastructuur. Het gaat om opstellingen van grote windturbines met een ashoogte van 75 tot 100 meter. In dit onderzoek is geen rekening gehouden met landschap, toekomstige ontwikkelingen, financiële haalbaarheid, ruimtelijk beleid en visuele impact. De resultaten van de quick scan zijn in het rapport 'Locatieonderzoek Windenergie gemeente Utrecht' (september 2008) gerapporteerd. Dit rapport gaf aan dat er technische mogelijkheden voor windenergie zijn in een zestal gebieden zoals weergegeven in Figuur 3.1.

In 2020 is het potentieel opwek duurzame elektriciteit binnen de Gemeente Utrecht geactualiseerd 13. Dit heeft voor de polders Rijnenburg en Reijerscop geen nieuwe inzichten opgeleverd.

Utrecht creëert Nieuwe Energie – werkprogramma 2008 ‐ 2011 https://ris2.ibabs.eu/Reports/ViewListEntry/Utrecht/1307d299-bea1-4fb8-8579-68b19fe0d1fc 13 Potentie opwek duurzame elektriciteit Gemeente Utrecht, 10 maart 2021, Overmorgen 11 12

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 18

Figuur 3.1 Mogelijke windenergiegebieden volgens het onderzoek 'Locatieonderzoek Windenergie gemeente Utrecht'.

Nader onderzoek Windenergie in Utrecht: locatie Rijnenburg kansrijk In 2010 heeft de gemeente als vervolg op de hiervoor genoemde quick scan een haalbaarheidstudie “Windenergie in Utrecht”14 laten uitvoeren. Doel van dit haalbaarheidsonderzoek was inzicht bieden in: 1. De kansen en mogelijkheden voor windenergie in de zes gebieden uit de quick scan; 2. Economische opbrengst, bijdrage aan klimaatambitie, landschappelijke impact, aansluiting op ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in het gebied, geluid‐ en slagschaduwhinder en externe veiligheid; 3. De rol die de gemeente ten behoeve van de bouw van de windturbines kan innemen; 4. Planologische procedure en procedure rond vergunningaanvraag windenergie, inclusief mogelijke opstellingen. Een algemene conclusie van het onderzoek is dat de locatie Rijnenburg kansrijk voor windenergie is. De locatie Rijnenburg biedt ruimte om veel vermogen aan windenergie te realiseren waarmee in het kader van klimaatneutrale stad in 2030 een substantiële hoeveelheid CO2‐uitstoot kan worden vermeden. De impact op landschap en natuur is er gering en de financiële rentabiliteit het hoogst. Op deze locaties kunnen

14

Windenergie in Utrecht, Haalbaarheidstudie, 15 februari 2010, Bosch en van Rijn

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 19

binnen de wettelijke randvoorwaarden van geluid‐ en slagschaduwhinder15 windturbines worden gerealiseerd. Mede op basis van het potentieelonderzoek (zie vorige paragraaf) heeft de raad in 2011 geconstateerd dat de polders Rijnenburg (1.005 hectare) en Reijerscop (223 hectare) als één van de weinige locaties in de stad Utrecht geschikt zou kunnen zijn voor de grootschalige opwekking van zonne- en/of windenergie. De gemeenteraad heeft op 26 mei 2011 ingestemd met het Programma Utrechtse Energie 2011-2014 en het bijbehorende uitvoeringsprogramma 2011-201216. Tevens is tegelijkertijd een motie “Duurzaam Rijnenburg snel van start”17 aangenomen. Met deze motie wordt het college opgedragen de plaatsing van windturbines in de polder Rijnenburg te stimuleren en binnen bestaande wet- en regelgeving medewerking te verlenen aan plaatsing van windturbines door een initiatiefnemer.

3.3 Stap voor stap naar zoekgebieden zon en wind binnen het energielandschap R&R In 2016 heeft de raad de motie “Bouwpauze Rijnenburg” (M2016/107) aangenomen, waarin wordt opgedragen om grondeigenaren en initiatiefnemers voor duurzame energieproductie op de hoogte te brengen van het feit dat er tot 203018 woningbouw zal plaatsvinden in Rijnenburg. Vervolgens heeft hierover in 2017 een aantal stadsgesprekken plaatsgevonden. In juli 2017 is, op basis van deze stadsgesprekken, de startnotitie voor een energielandschap vastgesteld. Bij de vaststelling van de Startnotitie energielandschap Rijnenburg en Reijerscop heeft de raad het college in amendement 2017/29 opgedragen om “ten minste vier scenario’s voor een samenhangend energielandschap te ontwerpen.” Samen met initiatiefnemers, inhoudelijke experts, grondeigenaren, bewoners en overige belanghebbenden heeft de gemeente Utrecht gedurende ongeveer een jaar een ontwerptraject doorlopen om de scenario’s te ontwikkelen. Het ontwerptraject heeft zes scenario’s opgeleverd. Het college heeft geconstateerd dat geen van de zes scenario’s een door de raad gezocht optimum tussen beperken van hinder, de ruimtelijke waarden, ecologische en natuurwaarden, functies in het gebied, energieopbrengst en financiële participatie heeft kunnen bereiken. Daarom is een zevende scenario uitgewerkt als voorkeursalternatief.

Het voorkeursalternatief is in een “visie op het energielandschap” en een uitnodigingskader met daarin de spelregels voor toekomstige initiatiefnemers uitgewerkt.

3.3.1 Locatieafweging: bepaling maximaal zoekgebied zon en wind binnen de polders Rijnenburg en Reijerscop Ten behoeve van het ontwerpen van de door de gemeenteraad gevraagde scenario’s zijn in eerste instantie potentiële zoekgebieden voor windenergie en zonnevelden bepaald aan de hand van de wettelijke randvoorwaarden en veiligheidsafstanden. De te hanteren afstand tot windmolens is in een aantal gevallen afhankelijk van de afmetingen van de windmolen. Bij het definiëren van de zoekgebieden is de gemeente Utrecht uitgegaan van grote windmolens met een ashoogte van 155 meter en een rotordiameter van 150 meter.

15

Deze beoordeling is in 2010 gemaakt. Destijds waren de normen uit het Activiteitenbesluit bruikbaar. Op dit moment zijn de in het Activiteitenbesluit genoemde (geluid-, slagschaduw- en externe veiligheids-) normen voor windparken als gevolg van het Nevele arrest buiten werking (zie ook Kader 5.1) 16 https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/Utrecht/bddb0b3c-ea84-4bb9-8330-0ea574fbae04 17 https://ris2.ibabs.eu/Reports/ViewListEntry/Utrecht/1307d299-bea1-4fb8-8579-68b19fe0d1fc 18 In de RSU 2040 is bepaald dat er tot 2040 geen woningbouw komt

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 20

In het Handboek Risicozonering Windturbines zijn veiligheidsafstanden tot windmolens opgenomen: •

De afstand tot snelwegen moet minimaal de helft van de rotordiameter zijn. Voor grote windmolens komt dat neer op 75 meter.

•

De afstand tot kwetsbare objecten (waaronder woningen) moet minimaal de ashoogte plus een halve rotordiameter zijn. Voor grote windmolens komt dit neer op circa 230 meter.

Door het gebied lopen verschillende aardgastransportleidingen en een hoogspanningsleiding. Deze kennen allen een zone van 250 meter waar geen windmolens mogen worden geplaatst. De beperkingen ten aanzien van zonnevelden zijn minder vergaand en betreffen uitsluitend een zone van 55 meter direct onder de hoogspannings- leiding en een strook van 5 meter aan weerszijde van het hart van de gasleiding. In het zuidelijkste deel van Rijnenburg (ten westen van de Nedereindse Plas) zou op basis van de wettelijke normen ruimte zijn voor één windmolen. Dit is tijdens de participatieve ontwerpfase door geen enkele partij als wenselijke of haalbare optie gezien. Op basis van bovenstaande zijn de maximale zoekgebieden in Rijnenburg en Reijerscop globaal bepaald en verbeeld in Figuur 3.2 Figuur 3.2 Maximale zoekgebieden voor scenario’s

Maximaal zoekgebied zon scenario’s

Maximaal zoekgebied wind scenario’s

3.3.2 Visie energielandschap: ontwikkeling scenario’s Nadat de maximale zoekgebieden zijn bepaald (zie paragraaf 3.3.1) is een intensief proces gevoerd waarbij uiteindelijk in opdracht van de gemeenteraad zes mogelijke scenario’s zijn onderzocht. Er is gezocht naar een optimum tussen beperken van hinder, de ruimtelijke waarden, ecologische en natuurwaarden, functies in het gebied, energieopbrengst en financiële participatie.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 21

Er zijn zes scenario’s ontwikkeld: 1. Energie voorop 2. Zon Voorop 3. De Ring 4. De Kreek 5. Nieuw Rijnenbrug 6. Poldergroep Na afsluiting van de ontwerpfase is gestart met het tweede deel van de opdracht van de gemeenteraad: het geven van inzicht in en weging van de effecten van het energielandschap, waarbij het eerder genoemde optimum gezocht moest worden. De scenario’s zijn beoordeeld op basis van vier punten die samen een goed beeld geven van de realiseerbaarheid van het optimum: •

Hinder voor de omgeving;

•

Landschappelijke kwaliteit, met name landschap, groen, natuur, recreatie en sport;

•

Energieproductie;

•

Opbrengsten voor (de mensen in en om) het gebied die volgt uit de business case in relatie tot de eigen bijdrage van de gemeente.

De effecten van de scenario’s op deze (milieu)aspecten van de zonneparken en de windturbines zijn separaat inzichtelijk gemaakt. Hiervoor zijn ter onderbouwing diverse specialistische onderzoeken uitgevoerd, te weten: -

-

-

Geluids- en slagschaduwonderzoek voor scenario’s Energielandschap n.a.v. raadsvraag gemeente Utrecht, 2 oktober 2018, DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. Energielandschap Rijnenburg en Rijerscop te Utrecht/Second opinion onderzoek geluid en slagschaduw, 10 september 2019, Cauberg Huygen B.V. Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop/Resultaten akoestisch en slagschaduwonderzoekdefinitief voorstel voor raad, januari 2020, DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V.Notitie watervogels Polder Reijerscop, Heicopsche Polder en Polder IJsselveld, 26 april 2018, Sovon Vogelonderzoek. Weidevogels in een toekomstig energielandschap/Potenties voor weidevogels in het energielandschap Rijnenburg in de gemeente Utrecht, 6 januari 2020, Bureau Waardenburg Natuuronderzoek energielandschap Rijnenburg en Reijerscop/Resultaten veldonderzoek 2019 naar vleermuizen, grote modderkruiper, waterspitsmuis, platte schijfhoren en vogels, 9 april 2020, Bureau Waardenburg. Uitwerking landschappelijk raamwerk: opgebouwd uit verschillende elementen: de ondergrond, bodem en water maar ook groen, ecologie, en infrastructuur. Het bouwt voort op de kenmerkende en waardevolle eigenschappen van het landschap, als de boerderijlinten en slagenverkaveling. Het raamwerk is een groenblauwe drager waarin ook recreatieve routes zijn opgenomen.

Het verbindt Rijnenburg en Reijerscop met de omgeving, zowel het Groene hart als de omliggende gemeenten, de stedelijke omgeving (integraal als onderdeel in de Visie en Uitnodigingskader opgenomen).

De (milieu)effecten zijn bepaald aan de hand van een voorbeeldopstelling (zon en wind) passend binnen het betreffende scenario. De effecten van de ontwikkeling van zonne-energie zijn overigens anders dan die van de ontwikkeling van windenergie (zie Kader 3.1)

Notitie Reikwijdte en Detailniveau 721081 721081| V6.0 | 1-12-2021 Pagina 22

Kader 3.1 Relevante aspecten en effecten van zonnevelden en windparken

Zonne-energie Zonnevelden hebben effect op het aspect landschap en natuur. De potentiële effecten zijn afhankelijk van het aantal panelen, de hoogte en de oriëntatie van de panelen. Windenergie De focus bij windenergie ligt op de aspecten leefomgeving (geluid en slagschaduw), ecologie, landschap en de verwachte elektriciteitsopbrengst per locatie (MWh). Er is vooral gezocht naar het optimum tussen energieproductie en effecten op de leefomgeving. Door bij het bepalen van de zoekgebieden al rekening te houden met de wettelijke randvoorwaarden (afstandsnormen) ten aanzien van veiligheid was bij het opstellen van de scenario’s het aspect veiligheid al voldoende meegenomen. Voor veel aspecten is het potentiële effect afhankelijk van het type turbine (de referentieturbine(‘s)) en de positie van de windturbines.

Effecten op de leefomgeving Het realiseren van het energielandschap heeft effecten op de leefomgeving, welke onder andere ook tot hinder zullen kunnen leiden. In dit kader zijn de effecten van geluid en slagschaduw op gevoelige objecten19 beschouwd. Onderzocht is wat de effecten zijn, uitgaande van de (toen nog) geldende normen uit het Activiteitenbesluit. Ook is naar het aspect hoorbaarheid gekeken. Hiervoor zijn geen landelijke normen en daarom is in afstemming met de omgeving een projectspecifieke effectbeoordeling uitgewerkt.

Landschappelijke kwaliteit Voor het aspect landschappelijke kwaliteit zijn zowel de deelaspecten landschap als natuur beschouwd. Onderzocht is welke effecten de scenario’s hebben op deze deelaspecten. Hierbij is ten aanzien van landschap onderzocht in hoeverre de energieopgave als kans of bedreiging voor het landschappelijk raamwerk en cultuurhistorie kan worden gezien. Ten aanzien van natuur is gekeken naar de nabij gelegen beschermde natuurgebieden, als ook naar de in het plangebied aanwezige (beschermde) soorten en de (on)mogelijkheden om vanuit de energieopgave de ecologische structuur te verbeteren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=8b418c48-17c2-4d00-ae2b-cc87f69b9e78