CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Nadere regel kabels en leidingen.pdf

Gemeenteraad 27 januari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening kabels en leidingen, wijziging APV en legesverordening20.534 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

7.4 Aanvullende eisen horizontale ligging 1.

2.

3.

4.

5.

Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen worden zoveel mogelijk vermeden. Hiermee wordt bij de engineering terdege rekening gehouden en waar mogelijk worden bij voorkeur alternatieve routes gekozen. Is het werken aan- of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan wordt er eerst overleg met de toezichthouder gevoerd. Voorafgaand aan de engineering wordt door de netbeheerder bij de vergunningaanvraag de (digitale) bomenkaart opgevraagd. Indien er zich in het tracé te handhaven (monumentale) bomen bevinden worden die, inclusief kroonprojectie (indien bekend) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven. Via de website van de gemeente is de digitale bomenkaart beschikbaar. Deze is op verzoek ook in dwg verkrijgbaar bij de coördinator nutsbedrijven. Wegkruisingen die door een persing of gestuurde boring worden gerealiseerd worden op minimaal 5,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd. De ligging van de persing/boring moet achteraf driedimensionaal worden ingemeten en bij elke KLIC-melding worden mee gerapporteerd. Bij wegkruisingen bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken bestaat de mantelbuis (indien mogelijk) uit één lengte. De mantelbuizen worden alleen aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen.

Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, dan worden er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen (Hoofdstuk 9) dat schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 derde lid worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt. Tenzij anders met de toezichthouder overeengekomen.

7.5 Verticale ligging 1.

Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie bijlage 1. 2. Uitgangspunten bij verticale ligging: • Distributiekabels en -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen; • Vrijverval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen; • Kabels of leidingen worden niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente; • Bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m; • Er wordt een strook tussen 0,60 m onder maaiveld en 1,0 onder maaiveld vrijgehouden i.v.m. kruisende vrijverval rioolaansluitingen. Zie voor verder toelichting het Standaardprofiel in bijlage 1. • Kabels en leidingen moeten minimaal 60 cm diep komen te liggen onder maaiveld, tenzij anders overeengekomen.

De in deze paragraaf beschreven basisprincipes worden zoveel mogelijk nagevolgd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan het college een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven. Dit moet in de vergunning (of een aanpassing van een vergunning) worden vastgelegd. 3. Het college kan de vergunninghouder, netbeheerder of rechthebbende gelasten een kabel of leiding aan te passen, te verleggen of te verwijderen als die kabel of leiding niet in het standaardprofiel ligt, tenzij het college c.q. haar toezichthouder heeft ingestemd met een afwijking van het standaardprofiel. Als een kabel of leiding niet conform het standaardprofiel kan worden gelegd omdat er al een andere kabel of leiding op de plek van het standaardprofiel ligt, meldt de netbeheerder dit aan de toezichthouder, waarna de toezichthouder, na overleg met de netbeheerder, een alternatief tracé aanwijst dat zoveel mogelijk aansluit bij het vergunde tracé c.q. het voorkeursprofiel. Dit wordt vastgelegd als een afwijking van de vergunning. Deze beleidslijn geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht. Deze beleidslijn geldt voor de wijk Leidsche Rijn vanaf 1998.

Dit laat onverlet dat het college het recht heeft de verplaatsing, aanpassing of verwijdering van een kabels of leiding te gelasten indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is vanwege de (her)inrichting van openbare gronden, waaronder mede begrepen de uitvoering van werkzaamheden, de realisatie van een werk, of de aanleg van groenvoorzieningen, door de gemeente of derden, zoals omschreven in artikel 13 van de verordening.

7.6 Aanvullende eisen voor verticale ligging 1.

2.

3. 4.

5.

6.

7.

Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels of leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd. De ligging van de persing/boring moet achteraf driedimensionaal worden ingemeten en bij elke KLIC-melding worden mee gerapporteerd. Bij het kruisen van in beheer en onderhoud bij de gemeente watergangen wordt een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang aangehouden. De harde bodem is de waterdiepte + de onderhoudsdiepte zoals in de legger aangegeven. Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte wordt een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem aangehouden. Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dan bedraagt de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m. De toezichthouder kan toestemming geven voor ondiepere ligging in bermen en gazons en onder individuele bomen.

Kabels of leidingen mogen alleen onder een overbouwing worden gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m bedraagt. Dit in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch- en ander materieel. Tijdens het initiatiefoverleg met de netbeheerders worden zij geïnformeerd over de plannen zodat zij hun inbreng kunnen leveren. Hierbij geldt dat de projectontwikkelaar rekening dient te houden met de tracés van de netbeheerders. Kabels of leidingen worden indien mogelijk alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker etc.) gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt. Dit in verband met benodigde gronddekking voor de kabels of leidingen. Koppelbalken t.b.v. funderingen worden alleen gekruist als de verticale afstand tussen de bovenkant van de koppelbalken en het maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt en de te overbruggen ruimte tussen

de koppelbalken is voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de kabels of leidingen een veilige ligging verkrijgen.

8 Voorwaarden en technische eisen t.a.v. de uitvoering 8.1 Werkafspraken en voorwaarden met betrekking tot de uitvoering 1.

2.

3.

4.

5. 6. 7.

8.

De netbeheerder zorgt ervoor dat een afschrift van het instemmingsbesluit of de vergunning incl. de tekening(en), de nadere regels, en de afschriften van de toestemmingen van derden incl. de voorwaarden en de gegevens van de KLIC-melding op de graaflocatie aanwezig zijn; deze worden desgevraagd aan de toezichthouder getoond. De netbeheerder houdt zich aan de CROW-richtlijnen “Veilig werken langs de weg”, “Zorgvuldig graafproces” en de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht en de WIBON. Voorts geldt dat er ook eventueel een vergunning /instemming van het Waterschap, de provincie, Rijkswaterstaat nodig is. Indien het voor aanvang bekend is dat er kabels of leidingen van meerdere netbeheerders in het tracé, in de directe nabijheid daarvan of aansluitend aan een te roeren tracé gelegd of gerooid moeten worden, dan worden deze werkzaamheden zoveel mogelijk gecombineerd, maar in ieder geval aansluitend aan elkaar in een werkgang, uitgevoerd. De netbeheerder(s) moet(en) dit als zodanig onderling of met de betreffende netbeheerder(s) afstemmen (combiwerk). Verder kunnen ook projecten aan de orde zijn waarbij werkzaamheden van het college en netbeheerder(s) binnen een gezamenlijk afgesproken tijdvak uitgevoerd moeten worden. Deze afspraken dienen in overleg met de netbeheerders voorafgaand aan de instemmings- of vergunningsaanvraag te zijn vastgesteld.

De netbeheerder biedt overige kabel- of leidingeigenaren altijd de mogelijkheid om eventuele werkzaamheden aan hun kabels of leidingen onbelemmerd uit te voeren. De locatie van het opslagterrein van de netbeheerder wordt namens het college in overleg met de toezichthouder bepaald. De netbeheerder vraagt hiervoor een vergunning aan. Per dag mag geen grotere sleuflengte worden opengemaakt, dan op die dag weer volledig kan worden dichtgemaakt. Ook worden alle montage- c.q. lasgaten dichtgemaakt, tenzij anders overeengekomen met de toezichthouder. Bij de uitvoering van het herstel en onderhoud van de verharding geldt dat indien noodzakelijk het tijdelijk herstel van de verharding in de binnenstad (zie bijlage 3) op dezelfde dag en in de rest van de gemeente binnen 2 werkdagen uitgevoerd wordt door de netbeheerder.

9.

Indien herstel van de verhardingen niet conform de termijnen in art 8.1 achtste lid gerealiseerd is of niet veilig begaanbaar is, laat de toezichthouder namens het college het herstel verrichten.

10.

Tijdens het werk worden (bestratings-)materialen naast de sleuf opgetast. Zand, grond en eventueel funderingsmateriaal wordt gescheiden ontgraven, gescheiden opgeslagen en gescheiden teruggebracht in de sleuf, tenzij anders overeengekomen met de toezichthouder. Als er direct naast de sleuf geen ruimte is wordt de plaats van tijdelijke opslag van (bestratings-) materialen vooraf in overleg met de toezichthouder bepaald. Na beëindiging van het werk of op eerste aanzegging van de toezichthouder namens het college worden deze (bestratings-)materialen verwijderd. Indien van toepassing wordt de ondergrond hersteld in de staat zoals vooraf aanwezig was.

11.

12.

13.

Alle (bestratings-)materialen worden onbeschadigd herplaatst. De netbeheerder zorgt bij beschadiging zelf voor herstel of vervangend (bestratings-)materiaal. Uitzondering hierop zijn situaties waarbij in gezamenlijke vooropname van het tracé met de toezichthouder nadere afspraken zijn gemaakt over het (bestratings-)materiaal. Al het te gebruiken (bestratings-)materiaal is van dezelfde soort en minimaal dezelfde kwaliteit als het oorspronkelijk aanwezige (bestratings-)materiaal en de door de gemeente gebruikelijk toe te passen (bestratings-)materialen.

14.

15.

16.

17.

Nadat de werkzaamheden gereed zijn wordt het tracé volledig hersteld en de werkomgeving opgeruimd achtergelaten. Bermen en onverharde grond zijn vrij van stenen en dergelijke en indien van toepassing ingezaaid. Al het overtollige puin, grond, zand, beplantingsresten of afval van de werkzaamheden wordt afgevoerd naar een erkende, gecertificeerde verwerker. Er mag ook geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten, lijnafwatering, beplanting en straat- en trottoirkolken (indien nodig dient de netbeheerder deze te reinigen). Eventueel gemaakte bronneringsgaten worden weer opgevuld. De werkomgeving wordt opgeleverd in tenminste de oorspronkelijke staat. De netbeheerder en toezichthouder leveren het tracé gezamenlijk op. Het opleverdocument wordt door beide partijen ondertekend. Indien tijdens de uitvoering afgeweken wordt van het ingestemde tracé (in horizontale of verticale zin) is hiervoor goedkeuring van de toezichthouder vereist. De netbeheerder stuurt daarna binnen 5 werkdagen een gewijzigde tracétekening met afwijkingsrapport naar het college t.b.v. het instemmingsof vergunningsdossier. De toezichthouder meldt aan netbeheerder wanneer straatwerk gevaar oplevert voor de omgeving. De netbeheerder herstelt dit na deze melding binnen 2 uur. Indien dit wordt nagelaten wordt dit via de toezichthouder namens het college gedaan.

In de gebieden als aangegeven in Bijlage 3 (Binnenstad) wordt het werkgebied, na beëindiging van elke kalenderdag, afgesloten met een afrastering (betreft hekwerk i.o.m. toezichthouder te bepalen). Alle materialen en hulpmiddelen worden of binnen deze afrastering geplaatst of worden afgevoerd.

8.2 Eisen voor het opbreken en (indien van toepassing) herstellen open verharding 1.

2.

3.

4.

5. 6.

Als bekend is bij de netbeheerder of tijdens de uitvoering blijkt dat er zich op het tracé wegkruisingen in wegen met een open verharding met een (gebonden) puinfundering of met een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw bevinden, moet er een persing of (gestuurde) boring worden gemaakt conform artikel 8.5, tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen. Wegkruisingen in wegen met een open verharding met een zandfundering mogen in open ontgraving (per rijbaan) gerealiseerd worden. Ter plaatse van de wegkruising wordt een mantelbuis gelegd waardoorheen de kabel of leiding wordt gevoerd. De mantelbuis dient minimaal 0,50 m (bij kabels) of 1 m (bij leidingen) aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen. Tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen. Het opbreken van de open verharding gebeurt handmatig en zorgvuldig, machinaal opnemen van de open verharding is niet toegestaan. Indien tijdens het opbreken van open verharding elementen breken of beschadigen vervangt de netbeheerder deze zelf door elementen van gelijke samenstelling en hoedanigheid.

Indien tijdens een vooropname gezamenlijk (toezichthouder en netbeheerder) geïnventariseerd en vastgelegd is dat een verharding van een nog op te breken tracé een bovengemiddeld aantal (> 5%) gebroken of beschadigde elementen bevat kan het vervangende materiaal mogelijk door het college beschikbaar worden gesteld. Hierover dienen afspraken gemaakt te worden met de toezichthouder. Lijnafwatering heeft vaak een fundering van (stamp)beton of gestabiliseerd zand en wordt nooit verwijderd. De lijnafwatering inclusief funderingsconstructie moet in tact blijven. Ook trottoirbanden die gefundeerd zijn worden niet verwijderd. Wanneer een lijnafwatering of een gefundeerde trottoirband gekruist moet worden dient indien nodig en bij afwijking over de toe te passen werkwijze overlegd te worden met de toezichthouder. Bij waterdoorlatende verhardingen wordt de werkwijze m.b.t. het opbreken en herstel en de eventueel toe te passen voegvulling altijd vooraf afgestemd met de toezichthouder. Het opbreken en herstellen van bijzondere (sier)bestrating (onder andere natuursteen en gepolijste tegels) kan een zekere mate van maatwerk respectievelijk een specifieke werkwijze vereisen. Om ervoor te zorgen dat het zichtoppervlak van het bestratingsmateriaal niet beschadigt, neemt de netbeheerder de nodige beschermende maatregelen waarbij aanwijzingen van de toezichthouder altijd opgevolgd worden.

7.

8.

9.

Binnen het terug aangebrachte straatwerk komen geen oneffenheden voor. Het straatwerk wordt onder hetzelfde profiel en verband gestraat als voor de werkzaamheden aanwezig was. Er worden geen klinkers op zijn kant terug gestraat. Uitgevoerd straatwerk wordt schoongeveegd afgetrild en daarna, ingeveegd met schoon brekerzand (bij klinkers), schoon straatzand (bij tegels) of schoon split (bij gebakken bestratingsmateriaal). Alle voegen in het straatwerk zijn in de eindsituatie voldoende met de ter plaatse toe te passen voegvulling gevuld. De werkomgeving wordt opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1 veertiende lid.

8.3 Eisen ten aanzien van opbreken en (indien van toepassing) herstellen gesloten verhardingen 1.

2.

3. 4.

Wegkruisingen in wegen met een gesloten verharding worden altijd gerealiseerd door een persing of (gestuurde) boring conform artikel 8.5. In overleg met en na toestemming van de gemeente kan hiervan worden afgeweken. Het is in beginsel verboden ontgravingen te verrichten in wegen met een gesloten verharding. Behoudens in het geval wanneer er in deze wegen al kabels of leidingen aanwezig zijn die moeten worden gerepareerd of dat er aansluitingen op moeten worden gemaakt. In die gevallen wordt er gewerkt met voorafgaande vergunning/instemming van het college. Voordat een asfaltconstructie wordt verwijderd, worden de grenzen van het betreffende uit te breken gedeelte op steenmaat tot de gewenste diepte ingezaagd. Bij mechanisch te verrichten grondwerk dient de asfaltsleuf minimaal 0,50 m breder te zijn dan de bakbreedte van de graafmachine. Het ondergraven van de asfaltverharding is niet toegestaan.

5. Vervolgens wordt het asfalt met behulp van een compressor of anderszins verwijderd. De vrijgekomen materialen worden (voor zover dit mogelijk is) gescheiden naar: • teerhoudend; • niet-teerhoudend. Beiden worden afgevoerd conform de CROW publicatie 210: 'Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt'. Indien van toepassing zorgt de netbeheerder zelf voor de benodigde afvalstroomnummers. Een kopie van de acceptatie- of stortbonnen van een erkend en gecertificeerd verwerkingsbedrijf wordt direct overhandigd aan de beheerder of toezichthouder. 6. Sleuven in de asfaltverharding worden nadat de kabels of leidingen zijn gelegd, over de volle breedte opgevuld en verdicht en de oorspronkelijke funderingsconstructie wordt hersteld met menggranulaat 0/31,5 mm. De ondergrond van de fundering en de fundering voldoet na verdichting aan de technische eisen uit de meest recente Standaard RAW bepalingen. 7. De te herstellen asfaltsleuf wordt dicht gestraat in een zandbed van 30 tot 50 mm brekerzand met betonstenen (zo mogelijk in de kleur van het aanwezige asfalt) in elleboogverband op een wijze die geen gevaar oplevert. De bovenzijde van de stenen dienen gelijk te liggen met het ingezaagde asfalt. De stenen dienen vlak ten opzichte van elkaar te worden gestraat. 8.

Indien het dichtstraten van een sleuf niet op deugdelijke wijze wordt uitgevoerd kan dat tot gevolg hebben dat de aansluitende verhardingen als gevolg van het gebruik door het verkeer verzakken of beschadigd worden. Dergelijke schade dient door de netbeheerder, binnen 5 werkdagen op aanzeggen van de gemeente, te worden hersteld. 9. De werkomgeving wordt opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1 veertiende lid. 10. Het definitieve asfaltherstel laat het college achteraf uitvoeren. 11. Voor werkzaamheden aan het weglichaam boven de werfkelders gelden de volgende aanvullende voorwaarden en eisen: • grondverdichting boven de gewelven mag niet anders plaatsvinden dan door inwateren; • voor het egaliseren van de bestrating mag slechts een lichte triller gebruikt worden met een maximum gewicht van 60 kg.

De werkzaamheden dienen zodanig te worden uitgevoerd dat er geen schade aan de werfkelders kan ontstaan.

8.4 Eisen bij opbreken en herstellen bermen en gazons 1.

2. 3.

4. 5.

Bij opname van een sleufbedekking van gazon en daarmee vergelijkbare grasvelden en –stroken worden ter breedte van de sleuf regelmatige zoden gestoken. De graszoden worden “groen op groen” opgetast. Indien afgesproken is dat het college zelf zorg draagt voor het herstel van de sleufbedekking worden de vrijkomende zoden naast de sleuf gelegd. In bermen waar het steken van regelmatige zoden niet mogelijk is wordt de sleufbedekking (graspollen e.d.) naast de sleuf gelegd. Nadat de kabels of leidingen zijn gelegd en de sleuf tot op de juiste hoogte is aangevuld en verdicht wordt de berm, vrij van stenen en dergelijke, gefreesd en ingezaaid met een door het college goedgekeurd grasmengsel. Bepaling type grasmengsel geschiedt in overleg met de toezichthouder. De werkomgeving wordt opgeleverd zoals omschreven in artikel 9.1 veertiende lid. De gedragscode Flora en Fauna wet Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting is van toepassing op de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht. Op basis van de gedragscode dient een plan van aanpak in samenspraak met de toezichthouder, de beheerder Flora en Fauna/Groen en Bomen opgesteld te worden over hoe om te gaan met de aanwezige beschermde flora en fauna. De netbeheerder dient dit plan te hanteren bij de uitvoering van de werkzaamheden.

8.5 Weg- of boomkruising door middel van persen of (gestuurd) boren 1.

2. 3.

4. 5. 6.

7.

8. 9.

Indien bij een wegkruising de aanleg van kabels of leidingen door middel van een persing of (gestuurde) boring onder het wegdek wordt gerealiseerd, wordt dit haaks op de wegas, minimaal 1 m uit de tangentpunten en zodanig uitgevoerd dat er geen verzakkingen in de verharding optreden. De persing of (gestuurde) boring wordt bij voorkeur voorafgaand aan het graven van de sleuf voor het hoofdtracé gerealiseerd. Het aanbrengen van een (stalen) mantelbuis is daarbij verplicht. De minimale verticale afstand tussen de bovenkant van de te persen buis en de onderkant van de wegfundering bedraagt minimaal 0,50 m. De mantelbuis heeft een minimale dekking van 0,80 m. De minimale verticale afstand tussen de bovenkant van de te persen buis en de onderkant van een te kruisen kabel of leiding bedraagt minimaal 0,50 m. De te boren of te persen buis wordt onder de bestaande kabel of leiding doorgevoerd. Bij een wegkruising loopt de aangebrachte mantelbuis minimaal 0,50 m (bij kabels) of 1 m (bij leidingen) aan weerszijden van het te kruisen vlak door, tenzij met de toezichthouder anders is overeengekomen. Indien de locatie van een persing of (gestuurde) boring binnen de kroonprojectie van de boom ligt stemt de netbeheerder de wijze van uitvoering af met de toezichthouder. De methode van boren of persen behoeft vooraf de goedkeuring van het college.

Ongestuurde raketboringen zijn in de openbare ruimte niet toegestaan, tenzij met de toezichthouder anders is overeengekomen. Indien een boomkruising middels een zogenaamde boomboring met een mantelbuis wordt uitgevoerd, dan kunnen aan de uitvoeringseisen van de boring en de materiaalkeuze van de mantelbuis door de gemeente nadere eisen gesteld worden. De mantelbuis heeft een minimale dekking van 0,80 m. De boring wordt bij voorkeur voorafgaand aan het graven van de sleuf voor het hoofdtracé gerealiseerd. Van een gerealiseerde persing of (gestuurde) boring die niet direct in gebruik genomen wordt, worden de kopeinden van de mantelbuis afgedicht met kunststof deksels. Van een gerealiseerde persing of (gestuurde) boring die in gebruik genomen is wordt de ruimte tussen de kabels of leidingen aan de kopeinden van de mantelbuis deugdelijk afgedicht met daartoe bestemd middel (bijvoorbeeld Stopaq).

8.6 Eisen ten aanzien van. de graaf- en grondwerkzaamheden 1. 2.

3.

4.

5.

6.

7. 8.

9. 10. 11.

12.

De graaf- en grondwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd conform de technische eisen uit de meest recente CROW 500-richtlijn. Te ontgraven grond, zand, teelaarde, funderingsmateriaal enz. wordt gescheiden ontgraven, vervoerd of in depot, van de netbeheerder, gezet of aangevuld. Het opbreken van een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw vereist vaak een speciale werkwijze die afgestemd wordt met de toezichthouder. De aanwijzingen van de toezichthouder worden altijd opgevolgd. Bij het graven van sleuven wordt het talud aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, zodat de sleufwanden niet instorten of uitzakken. Zo nodig wordt de sleufwand met schotten gestut. Er mag geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten en straat- en trottoirkolken. In overleg met de toezichthouder kunnen straat- en trottoirkolken eventueel tijdelijk worden afgedekt, ter voorkoming hiervan. Nadat de kabels of leidingen gelegd zijn wordt de sleuf aangevuld en verdicht. Alle werkzaamheden vinden in een droge sleuf plaats. Om de oorspronkelijke profielopbouw van de ondergrond zo optimaal mogelijk te herstellen wordt het uitgegraven materiaal, vrij van stenen en dergelijke, over de volle breedte van de sleuf laagsgewijs en met zorg in de juiste volgorde terug in de sleuf gebracht.

De dikten van grond-, fundering- en zandlaag of de laag teelaarde zijn gelijk aan de oorspronkelijke laagdikten. Bermen en groenstroken worden met voldoende overhoogte aangevuld. Bevroren grond of zand, sneeuw, (groen)afval en puin wordt niet verwerkt in de aanvulling. Om de juiste verdichtingsgraad te verkrijgen wordt de aanvulling uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m waarbij elke laag, bij voorkeur met een mechanisch verdichtingsapparaat (wacker trilstamper of trilplaat), wordt verdicht. Daar waar open verharding aanwezig is wordt het oorspronkelijke zandbed direct onder de verharding, de straatlaag, hersteld. Aanvullingen in beplantingsvakken of onder gazon op een diepte van minder dan 80 cm heeft na verdichting een sondeerwaarde van maximaal 1,5 MPa. De laag met teelaarde wordt niet verdicht. De controle op het aanvullen en verdichten van de sleuven vindt plaats door of namens de netbeheerder. Indien de toezichthouder hierom vraagt overlegt de netbeheerder deze gegevens. Indien de toezichthouder constateert dat de aanvulling c.q. verdichting niet aan de door het college gestelde eisen voldoet, herstelt de netbeheerder dit binnen 5 werkdagen. Indien de oorzaak is, dat de uitgekomen grond niet voor aanvulling of verdichting geschikt is wordt deze afgevoerd.

De netbeheerder levert dan nieuwe voor aanvulling benodigde grond of zand op het werk en verwerkt dit opnieuw en beperkt zich tot alleen de noodzakelijke aanvulling om de juiste verdichting te behalen. Daarna vindt wederom een controle door de toezichthouder plaats. Indien na de termijn van 5 werkdagen herstel uitblijft c.q. onvoldoende is uitgevoerd laat het college het herstel verrichten door een door het college geselecteerde aannemer tegen marktconforme kosten.

8.7 Eisen ten aanzien van de kabel- of leidingwerkzaamheden 1.

2.

De netbeheerder overtuigt zich voor de start van de werkzaamheden van de plaats van alle in de openbare gronden van het werk gelegen kabels en leidingen. Hiertoe worden in het beoogde tracé proefsleuven gegraven door de netbeheerder. Mocht de toezichthouder dit nodig vinden, dan worden op zijn aanwijzingen aanvullende proefsleuven gegraven. Van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels of leidingen houdt de netbeheerder een actuele registratie bij die op eerste aanzeggen aan de toezichthouder wordt overhandigd. Indien afwijkingen van het vigerende standaarddwarsprofiel dan wel het door het college aangewezen standaard tracé worden geconstateerd bepaalt de netbeheerder in overleg met de toezichthouder voor de te leggen kabel of leiding een nieuw tracé.

3.

4.

5.

6. 7. 8. 9.

10.

11.

12. 13.

14. 15. 16. 17.

Er worden geen kabels of leidingen, handholes c.q. distributiepunten of andere (bovengrondse) voorzieningen boven bestaande kabels of leidingen geplaatst waardoor deze niet meer bereikbaar zijn voor onderhoud, reparatie en dergelijke. Indien geen andere oplossing mogelijk is dan kan in overleg met en met goedkeuring van de betreffende netbeheerder onder voorwaarden of met het nemen van maatregelen eventueel toch tot aanleg c.q. plaatsing worden overgegaan. Kabels of leidingen die bij de netbeheerder in beheer zijn (geweest) en die tijdens de werkzaamheden blijvend buiten gebruik worden gesteld of kabels of leidingen die de afgelopen 10 jaar niet in gebruik zijn geweest, worden zoveel mogelijk gelijktijdig met de uit te voeren werkzaamheden verwijderd of, na overleg, op een door het college aan te geven tijdstip. Voor tijdelijk aan te brengen voorzieningen (zoals b.v. damwanden, sleufbekisting, etc.) ten behoeve van werkzaamheden aan kabels of leidingen in de openbare ruimte is de goedkeuring van de beheerder of toezichthouder vereist. Deze tijdelijke voorzieningen worden na het voltooien van de werkzaamheden verwijderd, tenzij in overleg met de beheerder of toezichthouder anders wordt besloten. Bij de aanleg van kabels of leidingen en voorzieningen nabij bomen en in of nabij andere groenvoorzieningen worden de bepalingen uit Hoofdstuk 9 van dit handboek strikt in acht genomen.

Alle te leggen kabels of leidingen zijn duidelijk voorzien van een codering of label waaruit blijkt wat de functie is of wie de eigenaar van deze kabel of leiding is. (Voorbereide) huisaansluitingen worden zo veel mogelijk tegelijk met de aanleg van het hoofdtracé aangelegd en haaks op het distributienet om geen extra beslag te leggen op de ondergrondse ruimte. Voorbereide huisaansluitingen, waarbij de voor de huisaansluiting bedoelde buis of kabel op de benodigde lengte in de openbare grond wordt opgeborgen [vooral bij CAI en Fiber to the home (Ftth)] worden zo strak mogelijk opgerold en gebundeld. De bovenkant van de rol ligt op dezelfde hoogte als de kabel en evenwijdig aan en tegen de perceelgrens. De exacte locaties van handholes/distributiepunten en bovengrondse voorzieningen worden in overleg met de toezichthouder bepaald, en mogen alleen worden geplaatst in aanwezigheid van de toezichthouder. Conform het bepaalde in tweede en derde lid van dit artikel wordt vooraf vastgesteld of de gekozen locatie vrij is van overige kabels of leidingen. Indien de toezichthouder constateert, óf dat op een later moment blijkt, dat een handhole/distributiepunt of bovengrondse voorziening bezwarend is geplaatst dan verplaatst de netbeheerder deze binnen 5 werkdagen.

Bovengrondse voorzieningen worden in overleg met het de toezichthouder zoveel mogelijk uit het zicht – liefst inpandig of ondergronds- geplaatst of direct naast andere, reeds aanwezige, bovengrondse voorzieningen. Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen in een straatprofiel worden deze zoveel mogelijk langs gevels of in lijn met het bestaande straatmeubilair geplaatst. Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen van grotere afmeting in of nabij een groenvoorziening kan de gemeente nadere eisen stellen. Er kan bijvoorbeeld aanplant van extra beplanting gewenst zijn om de bovengrondse voorziening zoveel als mogelijk aan het zicht te onttrekken. Deze extra voorwaarden worden door het college zoveel mogelijk opgenomen in het instemmingsbesluit of in de vergunning, echter de aanwijzingen van de toezichthouder worden eveneens altijd opgevolgd. Bovengrondse voorzieningen worden voorzien van een anti-graffiti voorziening (coating of strips), tenzij anders overeengekomen. De in- en uitgaande kabels bij handholes c.q. distributiepunten en bovengrondse voorzieningen worden zodanig gelegd dat verweving met kabels of leidingen van andere netbeheerders wordt voorkomen. Bij ondergrondse plaatsing worden handholes c.q. distributiepunten zodanig geplaatst dat het deksel een minimale dekking heeft van 0,50 m onder het maaiveld. Het deksel van handholes c.q.

distributiepunten die op maaiveldniveau worden geplaatst voldoet minimaal aan verkeersklasse D400 (NEN-EN 124) en ligt altijd gelijk met de aanwezige bestrating of (berm)verharding. Indien mogelijk een deksel toepassen waar het straatwerk in opgenomen kan

18.

worden. Aanwezige elementenverharding rond de handhole worden geknipt in het bestaande verband. De netbeheerder draagt zorg voor het beheer van de handhole, indien een handhole door verzakking op enig moment niet meer gelijk ligt met de bestrating of (berm)verharding herstelt de netbeheerder dit op eerste aanzegging van het college. Nadat alle werkzaamheden gereed zijn meet de netbeheerder de ligging gegevens van de kabels of leidingen, inclusief (voorbereide) huisaansluitingen, handholes c.q. distributiepunten en bovengrondse voorzieningen (digitaal) in om deze op een As-Built tekening digitaal beschikbaar te hebben voor raadpleging door derden (conform WIBON).

8.8 Werken in of met verontreinigde grond 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

De netbeheerder werkt volgens de CROW- richtlijn “Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water” en aanvullend daarop de CROW-richtlijn “Kabels en leidingen in verontreinigde bodem”. Om na te gaan of de voorgenomen graafwerkzaamheden mogelijk zullen plaatsvinden in verontreinigde bodem, voert de netbeheerder ten minste historisch vooronderzoek uit en in sommige gevallen tevens een bodemonderzoek. De eerste fase van het historisch vooronderzoek verloopt via het digitale bodemloket. Indien de geplande werkzaamheden in de bodem meer dan 10 meter buiten de op het bodemloket aangegeven locatiecontouren worden uitgevoerd, is geen verder bodemonderzoek nodig. De bodemkwaliteit voldoet dan naar verwachting minimaal aan de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse Wonen zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Zie in dit verband ook de vigerende bodemkwaliteitskaart. Indien er wel samenloop is met de bekende locatiecontouren, of het werk binnen 10 meter van zo'n contour wordt uitgevoerd, is aanvullend historisch vooronderzoek noodzakelijk. Zo nodig voert de initiatiefnemende netbeheerder vervolgens aanvullend en/of nader bodemonderzoek uit. Indien bij de werkzaamheden in de bodem (tijdelijk) verontreinigde grond of grondwater wordt verplaatst, dan is hiervoor goedkeuring van de Omgevingsdienst regio Utrecht (RUD) nodig.

In het digitale loket van de RUD kunnen de eventueel noodzakelijke meldingsformulieren worden gedownload. De netbeheerder bepaalt zelf of ze haar kabels en leidingen in verontreinigde bodem wil leggen. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de werknemers (Arbowetgeving) en voor de eventuele aantasting van kabels en leidingen door bodemverontreiniging ligt bij de netbeheerder. Komt een netbeheerder vervuilde grond of grondwater tegen die niet bekend was bij het college, dan wordt dit direct gemeld bij de beheerder of toezichthouder en wordt het werk gestaakt. Daarna worden er passende maatregelen genomen in samenspraak met de toezichthouder Wet bodembescherming. Overtollige grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker of hergebruikslocatie. Verwerken van de overtollige grond in de directe omgeving van het werk is alleen toegestaan binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Indien (aanvul)grond wordt aangevoerd van buiten de locatie, wordt dit op grond van het Besluit bodemkwaliteit vooraf worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit. Dit geldt ook voor de eventuele tijdelijke opslag van (aanvul)grond op het werkterrein of op een ander terrein.

9 Werken aan of nabij groenvoorzieningen Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt voor groenvoorzieningen, behoudens bermen en gazons. Daarvoor geldt het bepaalde in artikel 8.4.

9.1 Werkafspraken en voorwaarden met betrekking tot groenvoorzieningen 1.

2.

3.

In relatie tot werkzaamheden t.b.v. kabels of leidingen kan het noodzakelijk zijn dat er ook werkzaamheden (verwijderen of snoeien) aan groenvoorzieningen worden uitgevoerd. Dit kan voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden van de netbeheerder nodig zijn, maar het kan ook binnen de onderhoudstermijn van de werkzaamheden van de netbeheerder vallen. De afspraken daarover worden vooraf met de toezichthouder gemaakt. Als het tracé door beplanting loopt wordt de beplanting door de netbeheerder verwijderd en afgevoerd, of in overleg met de toezichthouder indien mogelijk terug gezet. Het college zorgt in een gunstig jaargetijde voor nieuwe beplanting. Ter bescherming van in het wild levende planten en dieren werkt gemeente Utrecht sinds 2007 met een gedragscode. De gedragscode is een door een het Rijk goedgekeurde set regels en maatregelen, die kan worden toegepast bij de uitvoering van werkzaamheden op locaties met beschermde soorten. Een gedragscode is één van de in de Wet natuurbescherming vastgestelde instrumenten, die kunnen worden ingezet bij het overtreden van verbodsbepalingen of ter voorkoming daarvan. De netbeheerder dient dit plan te hanteren bij de uitvoering van de werkzaamheden.

9.2 Werkafspraken en voorwaarden met betrekking tot bomen 1.

2. 3.

4.

5.

Bij het passeren van bomen worden door de netbeheerder voorzorgsmaatregelen getroffen die schade aan de betreffende boom voorkomt. De maatregelen en aanwijzingen zijn aangegeven in Bijlage 2: Bomenposter; werken rond bomen. Indien de afstand van te leggen kabels of leidingen tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.3 vierde lid worden er beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt. In het wortelgestel van bomen wordt slechts bij hoge uitzondering handmatig gegraven. Dit is echter alleen toegestaan met goedkeuring van de toezichthouder. Wortels dikker dan 40 mm in diameter worden nooit verwijderd of beschadigd. Wortels kleiner dan 40 mm in diameter worden verwijderd door zagen zonder de wortels te breken of eraan te trekken. Ontgraven wortels worden beschermd tegen uitdrogen, vorst en beschadiging. Wanneer een boom wordt beschadigd wordt dit direct gemeld bij de toezichthouder. Toezicht en handhaving vindt plaats conform de Beleidsregel Handhavingsparagraaf Bomen. Het rooien van bomen door de netbeheerder geschiedt pas na toestemming van het college. Voor het rooien van bomen dient er een kapvergunning te worden aangevraagd.

10 Werken in gebieden met een archeologische verwachting 10.1 Regels voor werken in een gebied met een archeologische verwachting 1. Tijdens het werken in de gemeente Utrecht moet de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg (2009) in acht worden genomen. Hieraan gekoppeld is de Archeologische waardenkaart. Op de waardenkaart is door middel van kleuren weergegeven welke archeologische waarde of verwachting een gebied heeft en of daarvoor een archeologievergunning benodigd is. 2. Om te kunnen toetsen of een archeologievergunning noodzakelijk is, moeten de vragen op het aanvraagformulier voor ingrijpende en niet-ingrijpende werkzaamheden worden beantwoord. In het belang van de bescherming van de archeologische waarden of verwachting kunnen door de burgemeester en wethouders voorwaarden aan de vergunning worden gesteld. 3. Voor gebieden waarvoor geen archeologische waarde of verwachting (meer) geldt, geldt de wettelijke meldingsplicht bij het doen van toevalsvondsten. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan dient conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. afdeling Erfgoed, gemeente Utrecht, te worden gedaan. 4.

Voor het verstoren van een archeologisch rijksmonument (ook onder water) is altijd een monumentenvergunning nodig. Deze is te vinden op de website Archeologie in Nederland. 5. Eisen met betrekking tot vergunningsaanvraag: Om te kunnen beoordelen of een archeologisch onderzoek/vergunning noodzakelijk is dienen de documenten bij de vergunningsaanvraag in een gebied met hoge archeologische verwachting (binnenstad, rode gebieden in de waardenkaart, of >500m tracé in gele en oranje gebieden) minimaal de volgende gegevens te bevatten: i. Locatie van alle bodemingrepen op een kadastrale ondergrond (dus ook expansielussen, lasgaten, in- en uittrede punten bij gestuurde boringen, etc); ii. Exacte lengte, breedte en diepte van de voorgenomen bodemingrepen (dus ook de breedte van de te ontgraven sleuven); iii. Betreft het een bestaand tracé, nieuw tracé of deels nieuw/bestaand tracé; iv. Indien bestaand tracé: of er dieper en breder wordt gegraven (dus of er onverstoorde bodem wordt ontgraven); v. Een overzichtstekening van het bestaande en nieuwe tracé inclusief een doorsnede van het bestaande en nieuwe profiel; vi. Wijze van uitvoering (open ontgraving, damwanden, sleufbekisting, etc); vii. Uitsnede van de archeologische waardenkaart (zone waar bodemingrepen plaats vinden).

11 Herstel openbare grond in oude staat

11.1 Vergoedingen voor herstel van de openbare grond in de oude staat Voor het in oude staat terugbrengen van de openbare grond, na beëindiging van de werkzaamheden, is de vergunninghouder of rechthebbende de daaruit voortvloeiende uitvoerings-, onderhouds-, beheer- en degeneratiekosten verschuldigd, welke worden berekend conform de door de VNG (landelijk) geadviseerde herstraattarieven. Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. 11.2 Regels voor herstel van de openbare grond in de oude staat door een vergunning- of instemminghouder Het college kan bij grote projecten (zoals projecten met een aaneengesloten tracélengte van meer dan 30 km, of met een geraamd schadebedrag aan de openbare ruimte van meer dan €1 miljoen op basis van tarief B1), in afwijking van de hoofregel dat de grond na beëindiging van graafwerkzaamheden door de gemeente in de oude staat wordt teruggebracht, besluiten dat de openbare grond door vergunning- of de instemmingshouder in de oude staat wordt teruggebracht. Dit dient te worden vastgelegd in de vergunning of het instemmingsbesluit. Het bepaalde in de verordening met betrekking tot het weigeren, schorsen of intrekken of wijzigen van vergunningen en instemmingsbesluiten is hierop van overeenkomstige toepassing. De eisen voor het terugbrengen van de grond in de oude staat zijn neergelegd in bijlage 7.

De vergunning- of de instemmingshouder dient deze eisen tijdig en onverkort na te leven.

12 Beleid toekomstig gebruik ondergrond 12.1 Toekomstige ontwikkelingen De gemeente staat voor grote ruimtelijke uitdagingen in de periode 2021-2050. De ondergrond wordt op veel plekken al intensief gebruikt, en het gebruik zal nog intensiever worden door onder meer de energietransitie, de klimaatadaptatie, digitalisering en de wens de stad te gaan vergroenen. Dit betekent dat het belangrijk is ruimte in de ondergrond beschikbaar te houden voor toekomstig gebruik. Het ondergrondse ruimtegebruik neemt door de volgende ontwikkelingen ingrijpend toe: a. Aanleg gescheiden rioolstel: om het afvalwater en hemelwater separaat op een veilige en hygiënische manier af te voeren is vervanging van ca 470 km riool nodig (bijna de helft van de stad moet nog vernieuw worden, na 2050 nog 250 km). Waar mogelijk infiltreren we het regenwater, maar ook dat zorgt voor een toenemende ruimteclaim. Voor een gescheiden riool rekenen we 1,75m extra breedte. b. Vergroening stad: de gemeente wil de stad gaan vergroenen door het aanplanten van bomen en struiken in straten en op pleinen. Dit is ook met het oog op de klimaatadaptie en het beperken van hittestress. De gemeente wil ca. 60.000 bomen bijplaatsen (t.o.v. 160.000 bomen nu). Daarvoor moet ruimte worden vrij gehouden en moeten soms kabels en leidingen worden verplaatst. c.

Ondergrondse afvalvoorzieningen: in stad zullen meer gemeenschappelijke ondergrondse voorzieningen voor brengen van diverse soorten afval worden geplaatst, tot ruim 400 in de bestaande stad. Dit zijn relatief omvangrijke objecten (1,85m x 1,85m x 3m). Er zijn nu ca. 4000 containers in Utrecht. d. Uitbreiding glasvezelnetwerk: er zal een glasvezelnetwerk worden aangelegd voor ca. 135.000 woningen. Ca. ¼ van de panden heeft al een glasvezelaansluiting. e. Verzwaring elektriciteitsnet: het elektriciteitsnet zal (mede vanwege de energietransitie) worden verzwaard. Het hoogspanningsnet zal met ca. 240 km worden uitgebreid. Het middenspanningsnet zal met ca. 1.100 km tot 1.200 km worden uitgebreid waarbij ook ca. 1.000 middenspanningsruimtes worden geplaatst, waarvan ongeveer ¾ in de bestaande stad. Er staan nu al ruim 1000 van deze transformatorhuisjes in Utrecht. Het laagspanningsnet zal ca. 2.000 tot 3.300 km worden uitgebreid. Dit moet zoveel mogelijk in het standaardprofiel worden ingepast. f. Warmwaternet (stadsverwarming): het huidige warmtenet zal worden uitgebreid. In ongeveer de helft van de stad zal een warmwaternet worden aangelegd naar 93.000 van de nu 130.000 panden met een gasaansluiting. g. WKO’s en TEO’s: h. Er zullen in Utrecht veel nieuwe Warmte koude opslag (WKO’s) worden aangelegd. De TEO capaciteit is al bezet. De doelstelling is ca.

1500 bronnen en 2500 lussen te plaatsen in de periode 2020-2050. 12.2 Ordening ondergrond In artikel 5 en 8 van de verordening is aangegeven dat het college nadere regels kan stellen of een vergunning kan weigeren in het kader van de ondergrondse ruimtelijke ordening. Het doel van die ordening is de ondergrondse ruimte efficiënt te gebruiken, en ruimte beschikbaar te houden, of te reserveren, voor toekomstig gebruik. Het uitgangspunt is zoveel mogelijk ondergrondse ruimte beschikbaar te houden voor nieuwe functies en bestemmingen. Daartoe wordt de aanvraag van een vergunningen steeds getoetst aan het standaardprofiel en toekomstige bestemmingen en functies voor zover die bekend zijn of ontwikkelingen in te schatten zijn.

12.3 Ruimte creëren voor nieuwe ontwikkelingen door toetsing aan standaardprofiel, voorzienbare ontwikkelingen en het verwijderen van loze leidingen Om zoveel mogelijk ruimte te behouden voor aanpassingen en uitbreidingen van bestaande kabel en leidingnetwerken en voor nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat een kabel of leiding zo mogelijk steeds in het standaardprofiel wordt gelegd. Zie verder paragraaf 7. Er wordt er geen nadeelcompensatie verleend voor leidingen die (zonder instemming van het college) niet conform het standaardprofiel liggen, als dit vooraf op die locatie als wel leidend was aangegeven. De aanvraag voor het aanleggen van een kabel of leiding wordt voorts getoetst aan bekende projecten en voorziene of mogelijke ontwikkelingen. Een vergunningaanvraag kan om die redenen worden geweigerd als dit in strijd is met een goede ondergrondse ordening (zie artikel 8 sub f.) 12.4 Verwijderen loze leidingen Om ruimte te creëren voor nieuwe kabels en leidingen, is het voorts belangrijk alle leidingen die niet meer worden gebruikt te verwijderen. Als een wijk wordt afgekoppeld van het gas, of telecomkabels niet meer worden gebruikt omdat ze wordt vervangen door glasvezelkabels, is het belangrijk dat de loze lozingen leidingen worden verwijderd om ruimte vrij te maken voor nieuwe bestemmingen.

Die verwijdering wordt zo mogelijk gecombineerd met werkzaamheden in de weg door de gemeente, een nutsbedrijf of een derde, om kosten te besparen en de hinder voor omwonenden te beperken. Uitgangspunt is wel steeds dat een leiding die niet meer wordt gebruikt, wordt verwijderd zodra dat mogelijk is, of als het nodig is voor een nieuwe functie of bestemming van de openbare grond. Voor telecomkabels is de regeling van artikel 5.2 lid 9 van de TW van toepassing. 12.5 (Data)kaarten Het college zal in een latere fase een meer of minder globale (data)kaart opstellen waarin met toekomstig ruimtegebruik en de knelpunten die daarbij zullen optreden in beeld worden gebracht. Het college is hiervoor mede afhankelijk van gegevens die netbeheerders aanleveren. Een inschatting is voorts altijd afhankelijk van veel (onzekere) factoren. Tot die tijd zal het college werken met globale inschattingen / verwachtingen van het toekomstig gebruik van de ondergrond.

13 Slotbepalingen 13.1 Toepassingsbereik Deze nadere regel is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, de instandhouding of de opruiming van kabels en leidingen, en het hebben en houden van kabels en leidingen in of op openbare gronden. Deze nadere regel is eveneens van toepassing op werkzaamheden voor gemeentelijke netwerken.

13.2 Inwerkingtreding Deze nadere regel treedt in werking op dat het moment dat de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht in werking treedt.

13.3 Citeertitel Deze nadere regel wordt aangehaald als Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht (handboek kabels en leidingen). Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, in de vergadering van <datum>

De burgemeester,

Sharon A.M. Dijksma De secretaris

Gabrielle G.H.M. Haanen

Toelichting 1. Algemeen Inleiding Dit handboek bevat de nadere regel zoals bedoeld in artikel 5 en 15 van de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht. De verordening en dit handboek geven regels voor het aanleggen, onderhouden, instandhouden, verwijderen en het hebben en houden van kabels en leidingen in de openbare gronden van de gemeente Utrecht. De gemeente is meestal eigenaar van de openbare ruimte en beheerder van de weg. De gemeente regelt de wijze van uitvoeren van werkzaamheden ook publiekrechtelijk via een verordening (de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht). Voor niet-telecom kabels en leidingen geldt een vergunningplicht op grond van artikel 6 van de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht. De gemeente moet communicatie-infrastructuur op grond van de Telecommunicatiewet gedogen. Wel is er o.g.v. de Telecommunicatiewet en de Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht een instemmingsbesluit nodig. De gemeente erkent het belang van communicatie-, energie-, afval- en drinkwaterbedrijven om gebruik te maken van de openbare ruimte. Wel dient de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoeren van werkzaamheden aan kabels en leidingen te worden getoetst aan bovengenoemde regelingen. Daarbij worden de belangen van het boven- en ondergrondse gebruik van de openbare ruimte tegen elkaar afgewogen.

Uitgangpunt is dat: • de graafactiviteit met vergunning of instemming (telecom) is toegestaan; • de gemeente plaats, tijd en werkwijze beoordeelt en bijstuurt. Hierbij geldt dat aan de gegevens die moeten worden verstrekt bij aanvragen van een vergunning of instemming nadere voorschriften (publiek rechtelijk) en/of voorwaarden kunnen worden gesteld bij het uitvoeren van werken in de openbare ruimte van de gemeente Utrecht. Coördinatie, planning en programmering zijn hierbij belangrijke hulpmiddelen. Planningen van grote en langdurige werken moeten vroegtijdig bekend worden en in het reguliere kabel- en leidingoverleg (het zogenaamde coördinatieoverleg nutsbedrijven) worden ingebracht en afgestemd met de geplande werkzaamheden van de gemeente Utrecht en de andere netbeheerders. Het gaat daarbij om: a. het afstemmen van het beheer van bovengrondse en ondergrondse infrastructurele werken van de gemeente en de energie-, afval-, drinkwater- en communicatiebedrijven en andere bedrijven die in, op of aan wegen kabels, leidingen of buizen exploiteren of beheren, af te stemmen; b. het bevorderen van vlotte, snelle en waar mogelijke gelijktijdige uitvoering van de werkzaamheden, teneinde de hinder en de duur van de werkzaamheden tot een minimum te beperken; c. het bevorderen van werkzaamheden met goede kwaliteit teneinde de openbare ruimte duurzaam te beheren.

Onder kabel- en leidingwerken wordt verstaan alle boven- en ondergrondse werkzaamheden in, op of boven de openbare grond in verband met het aanleggen, onderhouden, verleggen en verwijderen van kabels en leidingen. Tevens daartoe behorende alle benodigdheden, zoals afsluiters, handholes, bovengrondse kasten, trafo stations, glasvezelcentrales en verder. 1.1 Aanleiding Teneinde de overlast die het gevolg is van werken in de openbare ruimte (ondergronds) zoveel mogelijk te beperken is door de gemeente Utrecht in de afgelopen jaren een aantal afspraken en regelingen gemaakt voor (gemeentelijk) diensten en bedrijven die regelmatig in de openbare ruimte aan het werk moeten. Deze regelingen betreffen de samenwerking, coördinatie en voorwaarden voor en tussen bedrijven en de gemeente als beheerder van de openbare ruimte inzake geplande werkzaamheden.

Omdat de bestaande regelgeving is veranderd, het in de ondergrond drukker wordt, is het noodzakelijk de reeds gemaakte afspraken opnieuw tegen het licht te houden en vast te leggen. Uitgangspunt is dat voor alle netbeheerders zoveel mogelijk dezelfde regels en afspraken gelden. In een aantal gevallen is dat echter niet mogelijk door de eerder vastgestelde overeenkomsten (met bv. de Gasunie) en wettelijke regelgevingen voor de diverse netbeheerders. 1.2 Gemeentelijke organisatie De gemeentelijke organisatie is ingedeeld in bedrijven, afdelingen en vakteams. De werkzaamheden die te maken hebben met kabels en leidingen zijn onderverdeeld binnen de afdeling Beheer Openbare Ruimte en Gebouwen/ Ondergrondse Infra respectievelijk de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving/Vergunningen Openbare Ruimte. 1.3 Netbeheerders Bedrijven en ook de gemeente (en andere overheden) die eigenaar en/of beheerder zijn van kabels en leidingen, evenals particulieren die na aanvraag een vergunning of instemming verkregen hebben om kabels en/of leidingen in de openbare grond te leggen, worden beschouwd als netbeheerders.

De netwerken die de netbeheerders onder andere in de ondergrond van de gemeente Utrecht hebben liggen betreffen: • Gas; • Afval- en drinkwater; • Laag, midden en hoogspanning; • Openbare verlichting; • Telecom; • Cameratoezicht; • Stadsverwarming; • WKO • Proceswaterleidingen • Persleidingen; • Blusleidingen; • Transportleidingen voor brandstoffen; • Verkeersregelinstallatie kabels. De regels in dit handboek zijn ook van toepassing op gemeentelijke netwerken en de beheerders van gemeentelijke netwerken, behalve voor zover die zien op het aanvragen van een vergunning. 1.4 Leeswijzer In dit “handboek kabels en leidingen, gemeente Utrecht 2020” worden de voorschriften en afspraken tussen de gemeente Utrecht en de netbeheerders vastgelegd voor zover het gaat om leggen, houden, onderhouden en verwijderen van kabels en leidingen in de openbare ruimte. De doelen van het handboek zijn: • Het borgen en bevorderen van de kwaliteit van de (ondergrondse) openbare ruimte; • Het bevorderen van een juiste (ondergrondse) ordening en een veilige ligging van kabels en/of leidingen; • Het beperken van overlast en het bevorderen van een veilige omgeving voor de burgers tijdens de werkzaamheden aan kabels of leidingen; • Het beperken dan wel voorkomen van graafschade. Het handboek bestaat uit drie onderdelen: • Algemene en procedurele informatie; • Technische eisen/voorschriften m.b.t.

tracébepaling, ontwerp-, uitvoerings- en beheers voorschriften. • De bijlagen met daarin gemeente specifieke informatie.

De van toepassing zijnde wetten, verordeningen en het Handboek: • Wettelijke bepalingen zoals onder andere de Telecommunicatiewet en de Wet Informatie-uitwisseling Bovengrondse en Ondergrondse Netwerken (WIBON); • Lokale regelgeving van de gemeente zoals onder andere Verordening kabels en leidingen gemeente Utrecht en de legesverordening; • Het handboek, met verwijzingen naar verdere relevante richtlijnen en regelgeving onder andere de meest recente Standaard RAW bepalingen, CROW-richtlijnen, Nen-normen, UAV 2012 en verder. Bijlage 6 bevat gemeente specifieke eisen en hier zijn de contactgegevens van de gemeente opgenomen.

BIJLAGEN Bijlage 1 Standaardprofiel ondergrondse infrastructuur (Dwarsprofiel) Standaardprofiel ondergrondse infrastructuur (profiel op basis van distributienetten, transportnetten worden altijd als maatwerk ingepast)

Profiel in het Handboek openbare ruimte (2019)

De gebieden waar waarschijnlijk sprake is van het standaarddwarsprofiel 2017 uit het HOR zijn: Lunetten, Overvecht, Tuindorp, Kanaleneiland, Voordorp, Veemarkt, Voorveldsepolder, Jaarbeurs, stationsgebied, Science park, Rijnsweerd, Vleuten -De Meern en Velthuizen-zuid.

Het Leidsche Rijn profiel

LR profiel 2.5 M

LR profiel 4.0 M Het Leidsche Rijn profiel wordt toegepast in Leidsche Rijn, Haarrijn en de Merwedekanaalzone

Bijlage 2 Bomenposter (werken rondom bomen in Utrecht)

Handboek bomen p.34.

Werken rond bomen

Bijlage 3 Overzichtskaart Binnenstad conform lid 8 Overzichtskaart

Bijlage 4 Hoofdwegennet gemeente Utrecht Hoofdnet Fiets

Hoofdnet Openbaar Vervoer

Hoofdnet Auto

Bijlage 5 BLVC-plan Meer informatie over een BLVC is te vinden via deze link: https://www.utrecht.nl/ondernemen/vergunningenen-regels/toolbox-bouwhinder/ Standaard BLVC plan A. Toelichting Project (administratieve gegevens en betrokken partijen) • Omschrijving van project (aard van de werkzaamheden) • Nut, noodzaak en achtergrond van het project • Opdrachtgever, verantwoordelijkheidsstructuur • Informeren nood- en hulpdiensten • Betrekken wijkteam van de politie • Aanstellen omgevingsmanager • Initiatiefoverleg en verslagen • Planning, motivatie tijdpad en consequenties • Werktijden (extra inzet ploegen of juist niet) met motivatie • Plaats in het bestuurlijk traject (betreft veelal projecten in opdracht van de gemeente) • Kaartmateriaal over de situatie van het project (Bouwplaatsinrichting) B. Omgevingsscan (nauwkeurige omschrijving van de omgeving) • Belangrijke maatschappelijke voorzieningen in de omgeving (bijvoorbeeld: ziekenhuis, grote onderneming, enz.). • Eventuele projecten en evenementen tijdens de werkzaamheden in de omgeving en beïnvloeding op de verkeersafwikkeling. • Afspraken met betrokken partijen. • De omgevingsscan op kaartmateriaal aangeven. C.

Risicoanalyse • Risicoanalyse (risico’s die de planning van het project kunnen beïnvloeden, met oplossingsrichtingen Procedurele risico’s als kapvergunningen of bij veranderde planning: problemen met de subsidie voorwaarden. • Mogelijke technische knelpunten. • Mogelijke invloed van weersomstandigheden. • Andere activiteiten in de omgeving die de verkeersafwikkeling rond het project beïnvloeden en het project ernstig kunnen verstoren. D.

E.

F.

Bereikbaarheid • Verantwoordelijkheden aannemer (specifieke eisen vastleggen) • Tijdelijke verkeersmaatregelen (link leggen naar regelgeving bv CROW 96B) • Categorieën (elke categorie benoemen) • Avond, Nacht en weekend werk / Werken buiten reguliere werktijden (ontheffing) • Locatie Directiekeet Leefbaarheid (maatregelen die de leefbaarheid op peil moeten houden) • Geluidsoverlast en Trillingshinder. • Ophalen (huis)afval • Schoonhouden werkterrein en omgeving. • Ordelijk werkterrein. • Goede verlichting. Veiligheid (fysieke en sociale veiligheid tijdens de werkzaamheden) en Gezondheid • In- en uitrijdend bouwverkeer • Verkeersveiligheid algemeen (Bouwen buiten bouwterrein en naast de school) • Kwaliteit tijdelijke verharding • Handhaving verkeersregels

G.

H. I.

J.

• Sociale veiligheid • Beheer van de tijdelijke verkeersvoorzieningen Sloop-/Bouwveiligheid • Locatie • Opdrachtgever • Vergunning,- en vergunninghouder • Aannemer • Sloop-/Bouwmethode • Overzicht bijbehorende documenten o Tekeningen Bouwplaatsinrichting o Bouwput en Bouwputafscheiding • Monitoring: o.a. Uitgangspunten en Onderzoekgegevens van de bodem, grondwater, trillingen, geluid, etc. • Bluswater voorzieningen in de omgeving • Beheer Sloop-/Bouwveiligheidsplan • Maatregelenmatrix en verwijzing naar documenten (zie tabel Maatregelenmatrix) o Onbevoegd betreden bouwterrein o Aanrijdgevaar door bouwverkeer o Bezwijken/breken/vallen van constructie of onderdelen (boven de weg) o Omvallen van materieel o Vallende voorwerpen op openbaar terrein of belendingen o Brandgevaar / Brandbeveiliging Communicatieplan (communicatie over het project tijdens de verschillende fasen) Faseringsplan (Verkeerstechnisch: plaatsen van afzettingen en dergelijke) • De data van faseringen met motivatie (bijvoorbeeld kort maar hevig, bij veel heiwerk) • Per fase aangeven welke gevolgen het project heeft voor de verschillende verkeersmodaliteiten • Het faseringsplan aangeven op een tijdlijn • Per fase intekenen op kaartmateriaal Verkeersmaatregelenplan (omleiding van verkeersstromen tijdens de werkzaamheden • Inzet verkeersregelaars met motivatie.

• Aandacht voor looproutes en tijdelijke verhardingen (plankiers).

Maatregelenmatrix en verwijzing naar documenten Gevaar

Suggesties voor maatregelen (per activiteit)

1. Onbevoegd

Algemeen

betreden bouwterrein

inclusief spelende kinderen (diverse

gevaren, o.a. vallen, bekneld raken

• • • • •

elektrocutie, verdrinken)

Schuttingen

Hekken (antiklim)

Poortcontrole

Meldprocedure bezoekers

Bewaking buiten werktijd

…………………………

Bij uitbreiding bestaande en in gebruik zijnde gebouwen •

Bouwactiviteiten scheiden van gebruiksfunctie:

o

o •

in tijd (buiten werktijd)

fysiek scheiden (voldoende ruimte ertussen of afschermen)

Machines / bouwmaterieel niet onbeheerd

achterlaten • •

Vluchtroutes in stand houden

Afspraken maken met gebouwbeheerder

……………………… 2. Aanrijdgevaar door bouwverkeer

• • • • • • •

Overzichtelijke in- en uitritten

Tijdelijke veilige laad-/loszones

Spiegels

Verkeersbebording

Afzetting / omleiding (na overleg

wegbeheerder)

Bevoegde verkeersregelaar …………………………

3. Bezwijken /breken/

Sloop-, hak- en boorwerkzaamheden en onder-

of onderdelen

•

vallen van constructie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=79b9f935-2999-4c91-addc-ccd4a184d546