CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Informatieve toelichting bij Verordening Leerlingenvervoer gemeente Utrecht (na verwerking amendement)

Gemeenteraad 14 november 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Verordening Leerlingenvervoer; wijziging Beleidsregel bekostiging leerlingenvervoer15.613 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Informatieve toelichting bij Verordening Leerlingenvervoer gemeente Utrecht

Algemene toelichting op de verordening

Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht.

Wettelijke plicht

De Gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het

leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO),

artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de vergoeding van de

door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij

samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.

De Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht geeft uitvoering aan deze opdracht aan de gemeentebesturen. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen

indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.

De Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt.

Vervoersvoorziening

In deze verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet

altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.

Het college van burgemeester en wethouder (hierna: het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.

Uitgangspunt van de regeling is vergoeding van een fiets(vergoeding) of het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar

vervoer of de fiets, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer.

Als ouders aangeven dat zij hun kind zelf kunnen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de

vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder: a. Aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar;

b. Afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;

c. Begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

d. College: college van burgermeester en wethouders van de Gemeente Utrecht; e. Deskundige: onafhankelijk medisch, gedrags- of pedagogisch deskundige;

Eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; g. Gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een f.

structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;

h. Inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende

i. j.

lid, van de Wet op het primair onderwijs;

Leerling: de leerling die is ingeschreven en onderwijs volgt bij een school als bedoeld in dit artikel;

Ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal

onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld

plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van

de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld.;

k. OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het

samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als

bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel l.

2.47, tiende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

Openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer;

m. Opstapplaats: plaats aangewezen door burgemeester en wethouders, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;

n. Ouders: ouder(s), pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling of de meerderjarige handelingsbekwame leerling;

o. Reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en

voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het

einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;

p. Samenwerkingsverband: i.

voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel

ii.

voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband

iii.

18a van de Wet op het primair onderwijs;

als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

q. School: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: i.

het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs

ii.

het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal

iii.

het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal

als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de

iv.

expertisecentra; of

het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; s. Toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde r.

godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school, dan

t.

wel een Utrechtse taalschool voor het basisonderwijs;

Vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning

dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerling die aansluiting onmogelijk maakt;

u. Vervoersvoorziening:

i.

vergoeding van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor

ii.

aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet

iii.

gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door burgemeester en

de leerling en zo nodig diens begeleider;

verzorgen; of

wethouders noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider.

v. Woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.

Afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen

toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr.

R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een

verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid.

Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds overnemen. Gehandicapte leerling Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Verordening leerlingenvervoer.

Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is

deze in de zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De beperking

die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden

aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het

verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag

inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Bij het opvragen van de

Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst

geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van

vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen

bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de

Verordening leerlingenvervoer Gemeente Utrecht. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.

Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen

van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking

WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.

OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 2.47, tiende lid, van de WVO 2020 bepalen, dat samenwerkingsverbanden passend onderwijs en gemeenten met elkaar een Op

Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een

ondersteuningsplan vast te stellen. Het samenwerkingsverband en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over:

1. de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen;

2. het leerlingenvervoer; 3. de leerplicht. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Openbaar vervoer

Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving

zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. Opstapplaats Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden

vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald,

maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. Ouders zijn verantwoordelijk voor het reizen naar de

opstapplaats. Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten acht de Afdeling alleszins redelijk (ABRvS 26 februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107).

Opstapplaatsen kunnen ook worden ingezet indien het huisadres niet of nauwelijks bereikbaar is vanwege langdurige wegwerkzaamheden. Ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan

te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’, dit in tegenstelling tot de Jeugdwet waarbij pleegouders juist zijn uitgesloten van het begrip ouders.

Voor de leesbaarheid van de verordening is aan het begrip ouders ook de handelingsbekwame meerderjarige leerling toegevoegd. Reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het

openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde

leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling

met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan 60 minuten onderweg is, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a).

De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school

overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het

openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de

berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).

Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een

leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag wachten

tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Indien meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen. Deze wachttijden tellen op bij de reistijd. Samenwerkingsverband Onder 1° Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen

voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet

speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.

Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.

Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder 3° Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 2.47 van de WVO 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor

voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt

verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.

Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal

onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.

Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. (voor de omschrijving van de clusters zie hieronder het begrip school). School Onder 1° In de WPO gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs.

Onder 2° In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte

kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

De WEC onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap;

Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige

spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps; Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;

Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. Onder 3° In de WVO 2020 gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en pro.

Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. Toegankelijke school Voor het bepalen of een school toegankelijk is de richting van de school bepalend. In 2014 is

bepaald dat voor het bepalen van de richting van de school de registratie van de richting bij het

ministerie van onderwijs (DUO) bepalend is (ECLI:NL:RVS:2014:1118 en ECLI:NL:RVS:2014:1119). Vervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals

aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een

structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een

voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of een jonge leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.

Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel

geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.

Vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente

ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.

Artikel 2 Artikel 2 Doel

Deze verordening heeft als doel op basis van een beoordeling op grond van in de

verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke vergoeding toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats

naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

Het doel van het leerlingenvervoer is om een financiële ondersteuning te verstrekken ten

behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde

toegankelijke school aan de ouders van kinderen wie of van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken.

Hoofdstuk 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening

Artikel 3 Artikel 3 Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft, door indiening bij burgemeester en wethouders van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. 4. Burgemeester en wethouders besluiten binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 5. Burgemeester en wethouders kunnen de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verdagen. 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zoveel mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

Eerste lid Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen,

dienen zij een aanvraag in bij het college van burgemeester en wethouders. De aanvraag wordt

gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op minimaal twee vaste dagen per week verblijft. De gemeente stelt hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar. Tweede lid Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen

(bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring of een verklaring van de belastingdienst. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen

verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Bij twijfel zal de gemeente zelf een onafhankelijke deskundige moeten

inschakelen. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.

Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, geeft het college de ouders daarvoor de mogelijkheid. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de

verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de

afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de

aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen

beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun

beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is (zie ABRvS 9 november 1989, nr.

R03.89.5831/S6535). Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 3, vierde lid, is daarom bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens een beslissing neemt. Derde lid Op de voor het verkrijgen van een vervoervoorziening verstrekte gegevens is de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Dit houdt in, dat de verstrekte

persoonsgegevens slechts mogen worden gebruikt voor het kunnen behandelen van een aanvraag en het organiseren van het vervoer en of de vergoeding. Vierde lid Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen

beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. Voor de Verordening leerlingenvervoer is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.

Vijfde lid Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente.

Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de

beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn

gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van

het uitblijven van het advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te worden

afgegeven. Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 3 zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Bezwaar en beroep Er kan bezwaar gemaakt worden tegen een besluit van de gemeente, tegen het feit, dat de

gemeente te laat beslist en tegen het verdagen van een besluit. Dit moet wel op tijd worden ingediend, namelijk binnen zes weken na het besluit of het verlopen van de beslistermijn. Als bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken)

overschreden worden, kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen

bezwaar maken en beroep instellen. In dit geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-

ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid, van de Awb).

Zesde lid Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een vergoeding aan de ouders, óf

aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(bus). In het geval van een vergoeding zal de ingangsdatum van deze voorziening in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van

ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd

ontvangen (onder a). Er vindt dus geen vergoeding met terugwerkende kracht plaats. Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente zal de

datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen.

Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten (onder b). Datum van aanvraag voor het nieuwe schooljaar In de Verordening leerlingenvervoer wordt geen datum genoemd waarvóór een aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn ingediend. Het vaststellen van een datum zou er toe kunnen leiden dat aanvragen die later worden ingediend als onrechtmatig worden beoordeeld door de accountant. Er kunnen echter gegronde redenen zijn voor het laat indienen van een

aanvraag, bijvoorbeeld wanneer het nog niet vaststaat of een leerling op een bepaalde school wordt toegelaten.

De gemeente kan bij de voorlichting de ouders uiteraard wijzen op het belang van het indienen van een aanvraag zodra bekend is welke school de leerling gaat bezoeken.

Artikel 4 Artikel 4 Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin.

Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling zelf kan en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de

gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en een eigen

verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.

Veel leerlingen hebben door hun ontwikkelachterstand en/of gedragsproblemen extra

begeleiding nodig op weg naar zelfstandigheid. Dit is een verantwoordelijkheid van de ouders,

maar gemeenten kunnen hierbij ondersteunen door het inzetten van een leerproject, waarvan er verschillende worden aangeboden. Ook het bekostigen van het reizen met openbaar vervoer, bijvoorbeeld bij leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs, kan het voor gezinnen

makkelijker maken om de weg naar zelfstandig reizen te vinden. Voor het voortgezet speciaal

onderwijs is de wettelijke plicht om bij zelfstandig reizen te vergoeden bij de invoering van de Wet passend onderwijs overigens weggevallen.

Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een leerling kan reizen. Daarin speelt niet

alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen beoordelen is het van belang om kennis te hebben van de situatie van

de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.

Artikel 5 Artikel 5 OOGO met het samenwerkingsverband

Burgemeester en wethouders nemen het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO met de samenwerkingsverbanden.

In de Wet passend onderwijs is bepaald dat samenwerkingsverbanden passend onderwijs over het ondersteuningsplan OOGO (Op Overeenstemming Gericht Overleg) voeren met de

gemeente(n). Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van gemeenten kan over en weer gevolgen hebben.

Het leerlingenvervoer is één van de thema’s die bij het OOGO ter sprake komt. In het

ondersteuningsplan wordt aangegeven op welke scholen extra ondersteuning wordt geboden en welke tussenvoorzieningen er worden gecreëerd. Hiervan is een helder overzicht nodig, waaruit duidelijk valt op te maken wat de gevolgen zijn voor het vervoer van leerlingen.

Gemeenten zijn bij het op overeenstemming gerichte overleg én bij de voorbereiding daarvan

met de samenwerkingsverbanden en scholen in gesprek. De partijen zijn zodoende van elkaars inspanningen en beleid op de hoogte.

Artikel 6

Artikel 6 Algemene voorwaarden voor de beoordeling van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kennen burgemeester en wethouders aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 3. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 4. Burgemeester en wethouders bepalen bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 5. Burgemeester en wethouders kunnen aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. 6. Burgemeester en wethouders verstrekken een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning dan wel opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 7. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

Derde lid De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen

bij de ouders liggen. In het derde lid is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Vierde lid

Het vierde lid bepaalt dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan indienen, in plaats van de ouders of verzorgers. Vijfde lid Om enige beleidsruimte te creëren is in het vijfde lid bepaald, dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. Per geval wordt de termijn bepaald.

Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering zal optreden in de lichamelijk of geestelijke toestand van de leerling en deze dus aan de geldende criteria blijft voldoen, is het wenselijk te kiezen voor een periode van enkele jaren, of zelfs voor de hele schoolperiode. Als er in de

situatie van de leerling echter verandering valt te verwachten, bijvoorbeeld een verbetering in de lichamelijke of geestelijke toestand, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn van één schooljaar of korter indien een deskundige dat aangeeft.

Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op het feit dat ten onrechte genoten vergoeding kan worden teruggevorderd, dan wel kan worden verrekend (zie ook artikel 7).

Tevens dient het college, wanneer er vergoeding plaatsvindt, de wijze en het tijdstip van uitbetaling te bepalen. Zo zal moeten worden bepaald of: 1. de vergoeding per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt; 2. de vergoeding in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt. De praktijk laat ten aanzien van de wijze en het tijdstip van betaling veel verschillende varianten zien. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen kan hieraan invulling worden gegeven. Zesde lid Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo

kan het college bepalen, dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode een vergoeding van de kosten van het aangepast vervoer wordt verstrekt,

onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt

gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel.

Artikel 7

Artikel 7 Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening

1. De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan burgemeester en wethouders. 2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kennen burgemeester en wethouders al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3. Als de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en burgemeester en wethouders een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststellen, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kennen burgemeester en wethouders al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 4. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als burgemeester en wethouders vaststellen dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c.

de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;

d. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of e. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer. 5. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de leerling gedurende het verblijf van de leerling in het vervoer berust bij de ouders. 6. Ten onrechte genoten vergoeding kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.

Eerste lid Ouders zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed zijn op de toegekende

vervoersvoorziening zo snel mogelijk door te geven aan het college. Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:

1. wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing; 2. verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); 3. wijziging van het adres van de school; 4. wijziging van de schooltijden; 5. verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer; 6. wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen. Tweede lid Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte vervoersvoorziening in, en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe (artikel 7, tweede lid). Derde, vierde en zesde lid Het college kan, zonder dat ouders of meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de

vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte vergoeding is verstrekt. Het zesde lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde vergoeding terug te

vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken vergoeding (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:165). Een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de

vorm van aangepast vervoer is verstrekt, kan het college de toegang tot dit vervoer tijdelijk of

voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig en inzittenden in gevaar brengt. Vijfde lid De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen, wanneer het gedrag beïnvloedbaar is, hun kind te begeleiden bij het vervoer.

Het recht op aangepast vervoer met een taxibus is geen absoluut recht. Als de leerling of een ouder zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de

vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de

ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het

gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer.

Hoofstuk 3 Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening

Het beoordelen van een aanvraag leerlingenvervoer valt uiteen in twee vragen. In eerste

instantie zal beoordeeld moeten worden of er recht is op een vergoeding (Hoofdstuk 3). In tweede instantie wordt onderzocht wat passend vervoer is voor de leerling (hoofdstuk 4).

In deze beoordelingsfase (hoofdstuk 3) wordt beoordeeld of voldaan wordt aan de criteria die

het college hanteert al dan niet recht te krijgen op een vergoeding leerlingenvervoer, ongeacht het type vervoersvoorziening.

Eerst nadat is vastgesteld dat aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening volgt de

onderzoeksfase (hoofdstuk 4), waarin de aard en omvang van de vervoersvoorziening die kan worden toegekend wordt beschreven.

Artikel 8 Artikel 8 Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2. Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. 3. Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

aan burgemeester en wethouders is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling is; b.

aan burgemeester en wethouders is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen

niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.

Eerste lid In de artikelen 4 van de WPO ende WEC en artikel 8.29 van de WVO 2020 is bepaald dat de raad bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen

bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde

godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt voor het (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen.

Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij

gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg.

Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de

aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden. Het college kan besluiten om in het geheel geen vergoeding te verstrekken, als

vervoer aanwezig is waarvan de kosten voor de gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de leerling van dat vervoer gebruik maakt. Bijvoorbeeld in het geval de gemeente taxibussen laat rijden naar de dichtstbij gelegen school.

Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling

gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde. Richting Voor het bepalen of een school toegankelijk is de richting van de school bepalend. In 2014

heeft de afdeling bepaald dat voor het bepalen van de richting van de school de registratie van de richting bij het ministerie van onderwijs (DUO) bepalend is (ECLI:NL:RVS:2014:1118 en ECLI:NL:RVS:2014:1119).

Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, etc. Instellingen voor cluster 1 en cluster 2

Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: De instelling of de reguliere

school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de hand van

criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of op begeleiding vanuit de instelling. Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind

inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden voor is, bij een school voor (voortgezet)

speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies krijgen

van de commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de instelling.

De school is vol Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen zorgplicht voor de leerling. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de

eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder

weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school – de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren – kan de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de

dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een

vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt. Dislocaties en nevenvestigingen Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de Verordening

leerlingenvervoer moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de

huisvesting en materiele instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’. Tweede lid Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid. Voor alle onderwijssoorten geldt de

hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling

toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde

toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school

buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen. Na invoering van het

passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale

school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de WPO). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van

basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn. In het tweede lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van de

voorgaande leden van artikel 8 de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het derde lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders. Passend onderwijs De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld is een van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de school waar de leerling is aangemeld niet zelf in de benodigde onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de verantwoordelijkheid van deze school om een

andere school te vinden die wel een passende onderwijsplek kan bieden. Is het niet haalbaar om de leerling binnen het regulier onderwijs te plaatsen, dan kan een aanbod op het (voortgezet) speciaal onderwijs worden gedaan. Bij de beoordeling of een school zelf in de benodigde

ondersteuning kan voorzien vormt het schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden.

Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplan op waarin – onder meer – wordt

aangegeven welk niveau van basisondersteuning voor elke school geldt, hoe de scholen met elkaar een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen hebben gecreëerd, op

welke wijze verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders

informeren. Uit het ondersteuningsplan blijkt welke scholen bepaalde ondersteuning kunnen bieden. Derde lid Artikel 8, derde lid, beschrijft drie voorwaarden, waardoor het college tóch kan besluiten om een vergoeding te verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke en door het samenwerkingsverband geadviseerde school.

1. De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet overtuigend worden aangetoond aan het college. Dit kan bijvoorbeeld door middel van

een onderbouwing door het samenwerkingsverband of door een intelligentie-onderzoek wanneer er onderwijs nodig is als gevolg van de hoogbegaafdheid van een leerling; 2. Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke

onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de WPO, WEC of WVO 2020, zal aan

het college overtuigend moeten worden aangetoond, waarom dat onderwijs niet geboden

kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal (basis) onderwijs vervangen. De

leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij aanwezig is;

3. In aansluiting op het doel van de Wet passend onderwijs, namelijk: het onderwijs zo

dicht mogelijk bij huis aanbieden, vindt er regelmatig overleg plaats tussen de gemeente en het samenwerkingsverband met als doel om het onderwijs dichter bij huis te organiseren (zie artikel 5). Symbiose Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor

basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een

overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op

leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.

Artikel 9 Artikel 9 Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b. speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of c.

speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.

2. In afwijking van het eerste lid wordt voor een leerling van zowel het (speciaal) basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs als het voortgezet onderwijs, die gehandicapt is, geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan burgemeester en wethouders genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders hierover advies vragen aan een deskundige. De deskundige

betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen.

Eerste lid Artikel 4, achtste lid, van de WPO en artikel 4, zevende lid, van de WEC stellen dat de

gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op vergoeding bestaat op grond van de afstand. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. Deze afstand is in de Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht als criterium

aangehouden. De afstand moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden

bepaald. Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de wet niet

mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van

de WEC). Met andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in afstand tussen jongere

en oudere kinderen is niet toegestaan. Het is wel mogelijk om de afstandsgrens per schoolsoort te laten verschillen. Tweede lid Volgens artikel 4, het vierde lid, van de WEC en artikel 8.28van de WVO 2020 komen leerlingen slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op ander

vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de WEC) en het regulier

voortgezet onderwijs (artikel 8.28, van de WVO 2020) geldt, dat gehandicapte leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening.

Om te kunnen beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te

reizen, is in een aantal gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal

dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar

vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken. Zelfstandig reizen De praktijk wijst uit, dat wanneer leerlingen geholpen worden om zelfstandig te leren reizen, de overstap er naar toe makkelijker wordt. In het kader van het stimuleren van het zelfstandig

reizen, kan het college overwegen om leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs (onder voorwaarden) wél in aanmerking te laten komen voor een vergoeding voor het openbaar vervoer.

Artikel 10

Artikel 10 Aanwijzing opstapplaats 1. Burgemeester en wethouders kunnen bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling van en naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 3. Burgemeester en wethouders wijzen geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.

Eerste lid Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden

vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald,

maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de

gemeente aangewezen opstapplaats. Hiermee zal ook de reistijd in het aangepast vervoer voor de leerlingen (aanzienlijk) kunnen afnemen.

Daarnaast kan een opstapplaats worden aangewezen als tijdelijke oplossing als één of meerdere adressen slecht of niet bereikbaar zijn door bijvoorbeeld weg- of rioleringswerkzaamheden. Tweede lid In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling het redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken. De Afdeling vindt de reistijd, die niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk.

Hiermee is echter nog niet aangegeven wanneer de Afdeling de reistijd niet meer redelijk acht. Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig

minuten, en waar indien mogelijk een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus

niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden, dat zij hun kind begeleiden tot ten minste het moment dat hun kind in het voertuig is gestapt (zie ABRvS 24 augustus 1992, nr. R03.90.1504/83-105).

Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerskosten wordt ingediend, blijft de

afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen

terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op vergoeding van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer. Ook

blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact. Met andere woorden: de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a. Derde lid Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Om te bepalen hoe ouders dit dienen aan te tonen zie artikel 19, eerste lid, onder c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=72ceb561-7cb8-44a8-9e36-18b21e2e5970