CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 2 februari 2023, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Facetbestemmingsplan Gasleiding Reijerscop de Meern Zuid17.073 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Utrecht

Het aspect explosieven geeft geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 3.3.6

Luchtkwaliteit

Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU.

De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Stof Grenswaarde EU WHO-advieswaarde-2005 NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m³ 40 µg/m³ PM10 (fijnstof) 40 µg/m³ 20 µg/m³ PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m³ 10 µg/m³ Tabel 3.1 WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5

Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde

In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m³) en voor PM2,5 (10 µg/m³). Deze motie is uitgewerkt in het Raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het Raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin Rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plansituatie en conclusie De gastransportleiding heeft geen verkeersaantrekkende werking en leidt daarmee niet tot extra verkeer. Alleen bij de aanleg zal tijdelijk sprake zijn van inzet van werktuigen. De ontwikkeling zal daarom niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. 3.3.7

Bodem

Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en als er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning. bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

27

Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabij gelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plansituatie Met het oog op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is (historisch vooronderzoek) bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 5. Over het algemeen blijkt dat op onverdachte delen langs het tracé in het landelijk gebied binnen de gemeenten Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden geen tot licht verhoogde gehalten/ concentraties kunnen voorkomen. In Utrecht kan arseen plaatselijk wel (van nature) verhoogd voorkomen in het grondwater. Verder zijn bodembedreigende activiteiten langs het tracé bekend.

Dit betreffen slootdempingen, boomgaarden en voormalige sporen en wegen. Deze zijn aangegeven op de tekeningen in de bijlage. Verder kunnen plaatselijk puinhoudende (fundatie)lagen of dammetjes gekruist worden, die kunnen worden aangemerkt als asbestverdacht. Uit de bodemkwaliteitskaarten blijkt dat enkele gebieden zijn uitgesloten van de kaarten. Dit betreffen voornamelijk wegen, sporen en bermen en het stedelijk gebied in de gemeente Utrecht, wegen en bermen van rijks- en provinciale wegen en het buitendijks gebied ter plaatse van de Hollandse IJssel en de Lek. Uit het historisch vooronderzoek komt naar voren dat op enkele locaties een verkennend bodemonderzoek nodig is. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in een latere fase van de ontwikkeling. In het geval dat ier mitigerende maatregelen uitkomen worden deze opgevolgd. Uit het bodeminformatiesysteem van Gemeente Utrecht blijkt dat er in de directe omgeving van het tracé en de bebouwing aan de Reijerscop enkele bodemonderzoeken zijn uitgevoerd, die niet zijn meegenomen in het historisch onderzoek. Er zijn licht tot matige verontreinigingen aangetroffen. Er is plaatselijk ook een bodemsanering uitgevoerd. Bij afvoer van grond is ook aandacht nodig voor PFAS. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de bodemkwaliteitskaarten van Gemeente Utrecht.

In het grondwater zijn geen (omvangrijke) grondwaterverontreinigingen of nazorgcontouren bekend. Wel is aandacht nodig voor arseen in het grondwater. Het plangebied ligt in de schone zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer. Dit betekent dat bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en voor de aanpak of verplaatsing van grondwaterverontreiniging de gevalsaanpak van de Wet bodembescherming geldt en dat er geen sprake is van een gebiedsgerichte aanpak. Op basis van het historisch vooronderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. Ter plaatse van de veldstrekking voor de open ontgraving nabij de Reijerscopsche Wetering zijn bij voormalige slootdempingen in de bovengrond tot circa 0,3 m-mv lichte verontreinigingen aangetroffen. In slibmonsters zijn geen verontreinigingen aangetroffen, dit slib is altijd toepasbaar. Het grondwater ter plaatse is niet onderzocht. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek of voor sanerende maatregelen. Ondergrond Het tracé voor de gasleiding ligt op ruim 900 meter ten zuidwesten van de boringsvrije zone van het drinkwaterbeschermingsgebied De Meern. Dit betekent dat er geen beperkingen gelden vanuit de regels in de Interim Omgevingsverordening van de provincie. Er is geen sprake van een verhoogde archeologische verwachting in het gebied.

Het gebied is op basis van de bodemopbouw (klei en veen) gevoelig voor zetting, waarmee rekening moet worden gehouden in het ontwerp. Verder is het advies om overig ondergronds ruimtegebruik nabij de gastransportleiding mee te nemen in het planontwerp, zodat dit gebruik geen belemmering of nadelige beïnvloeding op elkaar heeft. Conclusie Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bij de aanleg van de gastransportleiding is aandacht nodig voor zetting en ander ondergronds ruimtegebruik. 2 8 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

3.3.8

Natuurbescherming

Kader Wet natuurbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de Interim Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantsoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.

of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Utrecht in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bunzing, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen.

De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Beschermde gebieden De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en, Natura 2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000 gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

29

Algemene zorgplicht Ten slotte geldt de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming: een ieder neemt voldoende zorg in acht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Als het toch noodzakelijk is om handelingen uit te voeren, dan moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk geprobeerd worden om negatieve effecten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Daarom moet iemand die een bepaalde handeling wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. De zorgplicht dient mede als vangnet voor de bescherming van soorten, waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. Plansituatie In het kader van voorliggend planvoornemen is een bureaustudie ecologie uitgevoerd door Anteagroup. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Daarnaast is voor de beoogde ontwikkeling ook een natuurtoets uitgevoerd, zie bijlage 8.

Beschermde soorten Uit de bureaustudie en het veldbezoek is gebleken dat soorten die een beschermde status hebben in de Wet natuurbescherming mogelijk voor kunnen komen op de tracés. Het betreffen de volgende beschermde soorten: Jaarrond beschermde nesten (nest van boomvalk, buizerd of ransuil, kerkuil, steenuil, Algemene broedvogels (nestplaatsen aanwezig); Vleermuizen (vliegroutes en verblijfplaatsen in de omgeving); Waterspitsmuis; Kamsalamander; Poelkikker; Heikikkers; Rugstreeppadden; Ringslang; Grote modderkruiper; Groene glazenmaker; Platte schijfhorens. In tabel 3.2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Deze tabellen volgen uit het rapportage opgenomen in bijlage 7 en 8.

3 0 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

31

3 2 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

Tabel 3.2 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming Uit de natuurtoets is gebleken dat de voorgenomen werkzaamheden mogelijk een negatief effect hebben op beschermde soorten bij het HTL tracé. Om mogelijke negatieve effecten van de werkzaamheden op steenuil, groene glazenmaker, waterspitsmuis, heikikker, rugstreeppad, poelkikker, kamsalamander, ringslang, platte schijfhoren en grote modderkruiper te kunnen beoordelen, is het onderhavige nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten, zie bijlage 9. De aanwezigheid van de steenuil, heikikker, rugstreeppad, poelkikker, platte schijfhoren en grote modderkruiper is middels nader onderzoek vastgesteld. Als gevolg van de werkzaamheden wordt landen voortplantingshabitat van de heikikker, rugstreeppad en poelkikker aangetast, alsmede leefgebied van de platte schijfhoren en de grote modderkruiper. De soorten zullen daarnaast verstoord worden door de werkzaamheden. Tevens kunnen individuen als gevolg van de werkzaamheden verwond of gedood worden, indien er geen adequate maatregelen getroffen worden. Negatieve effecten op de steenuil als gevolg van de werkzaamheden worden uitgesloten. In onderstaande figuren zijn weergegeven waar de soorten die negatieve effecten van de werkzaamheden kunnen ondervinden zijn vastgesteld.

Er is ontheffing aangevraagd voor het (tijdelijk) beschadigen en vernielen/ ontoegankelijk maken van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de heikikker, rugstreeppad, poelkikker, platte schijfhoren en grote modderkruiper. Tevens is er ontheffing aangevraagd voor het verstoren van de heikikker, rugstreeppad, poelkikker en platte schijfhoren. Er dienen maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten op de heikikker, rugstreeppad, poelkikker, platte schijfhoren en grote modderkruiper zo veel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen zijn vastgelegd in een activiteitenplan, zie bijlage 10. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Het HTL tracé kruist middels een HDD-boring de Natura 2000-gebieden 'de Uiterwaarden Lek' en 'de Zouweboezem'. De Natura 2000-gebieden worden niet fysiek aangetast. Significante negatieve effecten ten gevolge van geluid, lit, trillingen en visuele verstoring op de doelstellingen voor de Natura 2000-gebieden door de HDD-boringen en overige werkzaamheden buiten de gebieden kunnen worden uitgesloten door de afstand tussen de werkzaamheden en Natura 2000-gebieden, de tussenliggende afschermende elementen en de al aanwezige achtergrondverstoring.

bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

33

Afbeelding 3.1 Overzicht van het tracé (rood vlak) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (in groen en blauw) Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het HTL tracé kruist meerdere malen een gebied behorende tot het NNN. De gebieden worden gekruist middels een HDD-boring of door de rij- en werkstroken. Op drie locaties in de polder Achthoven, nabij de Zouweboezem, lopen rij- en werkstroken door het NNN-gebieden. Voorafgaand aan werkzaamheden in deze gebieden, worden deze afgestemd met het bevoegd gezag.

3 4 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

Afbeelding 3.2 Ligging NNN-gebieden ten opzichte van de tracés (bron; ESRI Nederland en het Kadaster) In het kader van de leidingaanleg vindt bemaling plaats. Er is onderscheid te maken tussen freatische bemaling in de slecht doorlatende deklaag die op het tracé aanwezig is, en spanningsbemaling in de goed doorlatende zandlagen onder de deklaag. Het invloedsgebied van de freatische bemaling is, als gevolg van het slecht doorlatende karakter van de deklaag, zeer beperkt (het invloedsgebied beperkt zich tot de werkstrook). Het invloedsgebied van de spanningsbemaling is aanzienlijk groter en reikt tot aan de natuurgebieden (Natura 2000 en NNN). Als gevolg van de relatief korte bemalingsduur (maximaal 2 weken per werkput en 3 dagen per segment veldstrekking) en de hoge geohydrologische weerstand van de deklaag in vergelijking tot de bemalingsduur, heeft de spanningsbemaling geen noemenswaardig effect op de freatische grondwaterstand ter plaatse van natuurgebieden. De bemaling heeft dan ook geen significant effect op de beschermde natuurgebieden. Het HTL tracé loopt middels open ontgravingen en rij- en werkstroken door weidevogelkerngebieden en belangrijke weidevogelgebieden in de provincie Utrecht en Zuid- Holland. Indien op deze locaties gedurende het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 juli) werkzaamheden plaatsvinden, kunnen negatieve effecten niet uitgesloten worden.

Er dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden of er dient toestemming verkregen te worden bij de betreffende provincie. Het HTL tracé loopt tevens door een ganzenrustgebied in de provincie Utrecht. Vanuit het oogpunt van ecologie heeft het de voorkeur om in dit gebied buiten de periode van 1 november tot 1 mei te werken. Uit vooroverleg met de provincie Utrecht is naar voren gekomen dat de werkzaamheden gedurende de periode van 1 november tot 1 maart enkel doorgang kunnen vinden indien voldoende ganzenrustgebied overblijft. Gezien met een verstoringszone van 100 meter aan weerzijden van het tracé slechts vier procent van het ganzenrustgebied tijdelijk ongeschikt gemaakt wordt, blijft voldoende ganzenrustgebied behouden. De werkzaamheden in dit gebied kunnen dus in principe jaarrond worden uitgevoerd indien er overdag (tot een uur voor zonsondergang) gewerkt wordt en de oorspronkelijke situatie zoveel mogelijk wordt hersteld. Wel dient nog definitieve toestemming te worden verkregen bij de provincie. Het HTL tracé loopt door de groene contour, natuurparels en een waterparel. Al deze gebieden bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

35

worden middels een HDD-boring gekruist. Deze categorieën beschermde gebieden kennen geen externe werking. Effecten kunnen worden uitgesloten. Het tracé liggen op grote afstand van beschermd grasland in de bollenstreek, de groene buffer, ganzenrustgebied (Zuid-Holland) en gebieden met de status strategische reservering natuur.

Tabel 3.3 Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming Stikstofdepositie Voorheen werd het Programma Aanpak Stikstof (PAS) gebruikt als kader om te bepalen of de stikstofdepositie als gevolg van een plan of project toelaatbaar is op grond van de Wet natuurbescherming. Echter is sinds 29 mei 2019 vastgesteld dat het PAS niet correct passend beoordeeld is en daarmee in strijd is met de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Daarom mag het (PAS) niet meer gebruikt worden voor vergunningverlening. Het gevolg is dat nu voor elk plan en project beoordeeld moet worden of de stikstoftoename leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige beschermde natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Voor de aanleg van het tracé zullen tijdelijk werkzaamheden plaats vinden. Ten behoeve van de werkzaamheden zullen onder andere mobiele werktuigen met verbrandingsmotoren worden ingezet welke een emissie van NOx naar de omgeving met zich meebrengen en daarmee mogelijk stikstofdepositie op gevoelige natuurgebieden in de omgeving. Voor de aanleg is daarom onderzocht (zie bijlage 11) of er (significant) negatieve effecten zijn als gevolg van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden op onder andere de Natura 2000-gebieden Zouweboezem, Uiterwaarden Lek, Lingegebied & Diefdijk Zuid en Oostelijke Vechtplassen.

Deze Natura 2000-gebieden bevatten namelijk allen stikstofgevoelige natuurwaarden. Gezien de omvang van het project en het feit dat een project soms ook op grotere afstand tot stikstofdepositie kan leiden, is een effect als gevolg van stikstofdepositie op andere stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten. Uit de AERIUS-berekening komt naar voren dat er sprake is van een tijdelijke toename (van maximaal twee jaar) in stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van diverse Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van een permanente toename of een depositie in de gebruiksfase. Een aantal van de habitattypen in deze Natura 2000-gebieden zijn wat betreft stikstofdepositie 3 6 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

‘overbelast’, omdat de Kritische Depositie Waarde (KDW) op dit moment wordt overschreden als gevolg van de hoge achtergronddepositie. Op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het recent opgestelde ‘Stappenplan Toestemmingsverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’ (www.rijksoverheid.nl) moet het risico op aantasting van de natuurlijke kenmerken ecologisch worden beoordeeld. Daarom is de een passende beoordeling opgesteld (bijlage 11). Ten behoeve van de verduidelijking van de effecten van de werkzaamheden op het Habitattype Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Zouweboezem en op beschermde vogels in de Vogelrichtlijngebieden Oostelijke Vechtplassen en Zouweboezem is een addendum opgesteld, zie bijlage 12. Wanneer geen sprake is van een relevante stikstofdepositiebijdrage kan eenvoudigweg geen sprake zijn van ecologische doorwerking en is er geen sprake van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Om deze rede zijn drie Natura 2000gebieden nader beschouwd (waarbij sprake is van habitattypen met een depositie hoger dan 0,05 mol/ha/jr). Op basis van deze beoordeling is gebleken dat voor het project, ook cumulatief, significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Hiermee kan uit deze passende beoordeling worden geconcludeerd dat - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden - de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Conclusie Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn of mogelijk verwacht worden op en nabij het tracé: Jaarrond beschermde nesten (nest van boomvalk, buizerd of ransuil, kerkuil, steenuil, Algemene broedvogels (nestplaatsen aanwezig); Vleermuizen (vliegroutes en verblijfplaatsen in de omgeving); Waterspitsmuis; Kamsalamander; Poelkikker; Heikikkers; Rugstreeppadden; Ringslang; Grote modderkruiper; Groene glazenmaker; Platte schijfhorens. In tabel 3.2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Op basis van het activiteitenplan is een ontheffing aangevraagd voor de negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten. Het HTL tracé doorkruist Natura 2000, NNN, weidevogelgebieden, ganzenrustgebied, de groene contour, natuurparels en waterparels. In tabel 3.3 is een overzicht van de conclusies en vervolgstappen opgenomen. Indien binnen de kwetsbare periode wordt gewerkt dient er een ontheffing te worden aangevraagd.

Uit de AERIUS-berekening komt naar voren dat er sprake is van een tijdelijke toename (van maximaal twee jaar) in stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van diverse Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van een permanente toename of een depositie in de gebruiksfase. Op basis van de Passende beoordeling is gebleken dat voor het project, ook cumulatief, significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Hiermee kan uit deze passende beoordeling worden geconcludeerd dat - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden - de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. 3.3.9

Water

Kader Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. De resultaten van de watertoets worden weergegeven in deze paragraaf. Deze paragraaf is opgesteld in overleg bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

37

met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR en het waterschap AGV(Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Provinciale Omgevingsvisie (in werking getreden op 1 april 2021); Provinciale Interim Omgevingsverordening (in werking getreden op 1 april 2021); Gemeentelijk beleid: De visie Water en Riolering (in werking getreden februari 2022), de visie Klimaatadaptatie (in werking getreden februari 2022); Waterschapsbeleid HDSR: Waterwet, Waterbeheerprogramma 2022-2027, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam HDSR, Beleidsregels Keur 2019[]; Watervergunning – onttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater.

Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap HDSR (zie artikel 3.10 Keur 2019). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald. Watervergunning - Keur Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk. Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Bodemopbouw en grondwater In het geohydrologische rapport (bijlage 13) zijn de lokale geohydrologische situatie, het te verwachten waterbezwaar en de effecten en mogelijke risico's van de bemaling beschouwd.

Om constructietechnische- en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge werkputten en sleuven plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden op de locatie moet daartoe bemaling worden toegepast. Op het tracé Hoornaar bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich overwegend tussen NAP -8,0 m à NAP -9,5 m en bestaat uit klei en veen. Zeer lokaal komen zandlagen in de holocene deklaag voor. Op het meest noordelijke deel van het tracé bevindt de onderzijde van de deklaag zich op NAP -4,0 m à NAP -6,1 m. Onder de deklaag is tot een diepte van NAP -45 m à NAP -60 m het eerste watervoerend pakket aanwezig. Dit watervoerend pakket bestaat overwegend uit grof tot zeer grof zand. Plaatselijk bestaan de bovenste meters van het watervoerend pakket uit (matig) fijn zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Hoornaar varieert overwegend tussen 0,30 m -mv en 1,0 m -mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket loopt in een GHS vanuit het zuiden richting de Lek op van NAP -1,30 m naar NAP +0,70 m vervolgens loopt de stijghoogte noordelijk richting weer af naar NAP -1,30 m. De stijghoogte is in een GLS situatie 0,2 m à 1,2 m lager (hoe dichter bij de Lek hoe groter de fluctuatie).

Op de delen waar een zandtussenlaag aanwezig is bevindt de stijghoogte in de zandtussenlaag zich tussen de freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket. Op het tracé Utrecht bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich op circa NAP -4,0 m en bestaat uit klei en veen. Onder de deklaag is het eerste watervoerend pakket aanwezig. De bovenste meters van dit pakket bestaat uit fijn tot matig grof zand met daaronder grof tot zeer grof zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Utrecht varieert overwegend tussen 1,0 m -mv en 2,0 m 3 8 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

-mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket varieert overwegend tussen NAP -0,30 m en NAP -0,60 m. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. 3.3.10 Archeologie Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 2007 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.

De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Chw bestemmingplanAlgemene regels Utrecht De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In het Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop De Meern Zuid nemen we alvast de regeling voor archeologie op uit het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht (gebiedsaanduiding archeologische verwachting 4 en 6). Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop De Meern Zuid wordt later vastgesteld dan het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Daarom wordt hier alvast de nieuwe regeling opgenomen, omdat anders de oude regeling vastgesteld zou worden nadat het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht al in werking is getreden.

In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het bestemmingsplan. Met de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de plankaart in het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Deze archeologische waardenkaart is gebaseerd op de bodemkaart, cultuurhistorische en archeologische waarden en verwachtingen en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad.

Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van zeer hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting, gebieden van middelhoge archeologische verwachting, gebieden van lage archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Op de archeologische waardenkaart zijn deze archeologische rijksmonumenten weergegeven als WA1a. Met de inwerkingtreding van de bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

39

Omgevingswet wordt de gemeente bij meervoudige vergunningsaanvragen wel als bevoegd gezag aangewezen en heeft het Rijk advies- en instemmingsrecht. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historisch-topografische bronnen en landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond.

Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden zonder archeologische waarde (WA7) zijn gebieden waar geen archeologische waarden (meer) worden verwacht. Hier geldt geen vergunningsplicht. Archeologie in het plangebied en conclusie Binnen het plangebied zijn geen archeologische rijksmonumenten aanwezig. Volgens de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht doorsnijdt het noordelijke uiteinde van de gasleiding Hoornaar-Reijerscop een gebied van hoge archeologische verwachting (WA 4). Voor het overige ligt het tracé in een gebied van lage archeologische verwachting (WA 6). Als de verstoring in meer dan één zone valt, geldt voor de toepassing dat de zone die de minste verstoring toestaat wordt gehanteerd. In dit geval betekent dit dat er een vergunningsplicht van toepassing is bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm (WA4). De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied overschrijdt de vrijstellingsgrenzen (oppervlakte en diepte) en is daarmee vergunningsplichtig.

Aan de vergunning worden voorwaarden verbonden ten aanzien van het archeologisch onderzoek dat uitgevoerd moet worden.

4 0 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

Afbeelding 5.3 Uitsnede uit de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart. Het tracégedeelte van de gasleiding Hoornaar-Reijerscop dat binnen de gemeente Utrecht valt, is met een rode stippellijn aangeduid (bron: gemeente Utrecht, 2022) Archeologisch bureauonderzoek Om mogelijk aanwezige archeologische waarden in beeld te brengen is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijlage 14). Hieruit blijkt dat ter hoogte van het oude bewoningslint langs de Reijerscop mogelijk bewoningsresten vanaf de late middeleeuwen aanwezig zijn. Volgens de historische kaarten vanaf 1850 komt er geen bebouwing voor, waardoor de verwachting op resten uit de nieuwe tijd laag is. Daarbij komt dat er geen open ontgraving zal plaatsvinden in de zone waarin zich de bewoningsresten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd doorgaans bevinden.

bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

41

Afbeelding 5.4 Uitsnede uit de archeologische verwachtingskaart van het archeologisch bureauonderzoek (bijlage 14), met in zwart globaal onderhavig plangebied (Kalisvaart 2018) Het uitgevoerde bureauonderzoek heeft op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) een mogelijke oude stroomgordel of crevasserug in beeld gebracht (afbeelding 5.4). Omdat binnen het plangebied niet gekarteerde stroomgordels/crevasses in de ondergrond aanwezig kunnen zijn, waarop zich archeologische resten uit de prehistorie kunnen bevinden, is geadviseerd om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren in de zones waar de leiding door middel van open ontgraving wordt aangelegd. Deze methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit 6 boringen per hectare of 1 boring per 50 m1 tracé – is er niet primair op gericht om archeologische resten vast te stellen. Hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en –intensiteit te gering. Wel is de methode geschikt om 1) de aard van bodemopbouw en 2) de mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragende niveaus te bepalen. Inventariserend veldonderzoek Op basis van het verkennend booronderzoek (bijlage 14) kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gelegen in veenkomgebieden en als het ware wordt omringd door verschillende stroomgordelsystemen.

De natuurlijke ondergrond bestaat uit klei-op-veengronden. In boringen 523, 568 en 570 is onder het veen dekzand aangetroffen, waarin zich in boringen 568 en 570 een hydropodzol heeft ontwikkeld. Ook in boring 599 is in de diepere ondergrond zand aanwezig. Dit zand is uiterst siltig en zwak kleiig en zwak gelaagd. Mogelijk betreft het beddingzand behorende bij een relatief diepgelegen stroomgordel. In principe geldt er een hoge verwachting voor de top van de beddingafzettingen (mogelijk aangetroffen in boringen 531 en 599) en het dekzand (met name in combinatie met podzolidatie: aangetroffen in boringen 568 en 570; in boring 523 is enkel een A-horizont aanwezig). De top van de beddingafzettingen vertoont echter geen rijpingskenmerken. Ook het dekzand vertoont kenmerken van natte omstandigheden. Gezien de diepe ligging van het zand betreft het een landschap dat al gedurende het mesolithicum is overstroomd, waarna veengroei plaatsvond. Daarnaast zijn er geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen tijdens het booronderzoek. 4 2 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

Conclusie Verreweg het grootste deel van de gasleiding zal worden aangelegd in een gebied van lage archeologische verwachting. Aan de noordzijde van het plangebied doorsnijdt het tracé een gebied van hoge archeologische verwachting. Hier bevindt zich een bewoningslint uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Volgens de kadastrale kaart van 1832 bevond zich toentertijd geen bewoond erf in het plangebied. Het verkavelingspatroon en het Actueel Hoogtebestand Nederland geven evenmin aanleiding om hier oudere bewoning te vermoeden. Daarbij komt dat er geen open ontgraving zal plaatsvinden in de zone waarin zich de bewoningsresten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd doorgaans bevinden. Mocht er binnen 60 meter ten zuiden van Reijerscop toch gekozen worden voor aanleg door middel van open ontgraving, dan dient in deze zone eerst een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, te worden uitgevoerd. 3.3.11 Bomen Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1 e keus herplant op locatie, 2 e keus herplant dichtbij locatie, 3 e keus herplant elders.

Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. Soms mag er worden afgeweken van de herplantplicht. Dat kan als er sprake is van onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend. Aan het bomenbeleid van de gemeente Utrecht wordt in paragraaf 2.3.2.2.1 getoetst. Conclusie Voor de aanleg van de ondergrondse gasleiding worden er in de gemeente Utrecht geen bomen gekapt. Binnen het plangebied in de gemeente Utrecht staan geen bomen. 3.3.12 Duurzaamheid De gemeente Utrecht heeft duurzaamheid onderverdeeld in drie verschillende onderwerpen: CO2 -neutraal. Emissieneutraal en volledig over nieuwe hernieuwbare energie; Klimaatadaptatie. Voorbereid op hitte, droogte, wateroverlast en extreem weer; Circulair. Enkel gebruik maken van circulaire materialen en producten Het aanleggen van een gasleiding voor hoogcalorisch gas heeft met diverse duurzaamheidsaspecten te maken. Klimaatadaptie wordt besproken bij het onderdeel water.

Het project zelf is een toevoeging op de weg naar CO2 neutraliteit. De bedrijven die nu nog zijn aangesloten op laagcalorisch gas worden verplicht om over te stappen naar hoog calorisch gas. Het gas vanuit Groningen zal niet meer door deze bedrijven gebruikt worden. Daarbij kan het een stap zijn op weg naar groen gas (alternatief gas). Door stap voor stap van het aardgas af te gaan wordt de uitstoot van broeikasgassen verminderd. Bij de aanleg van de gasleiding is rekening gehouden met het laatste onderwerp op het gebied van duurzaamheid, circulariteit. Voor het aanleggen van de leiding maakt men grotendeels gebruik van gestuurde boringen. De Nederlandse benaming 'horizontaal gestuurd boren' is afgeleid van de term HDD, oftewel Horizontal Directional Drilling. Dit bestaat uit 3 fasen. Tijdens de eerste fase (pilotboring) wordt de boorkop door de aarde geduwd en aan de hand van GPS zeer nauwkeurig gestuurd naar het uittredepunt. Als de pilotboring gereed is, wordt de boorkop vervangen door een ruimer voor de tweede fase. De ruimer wordt vervolgens door het boorgat teruggetrokken. Tijdens het terugtrekken vergroot de ruimer het boorgat tot een diameter van ongeveer 50 centimeter. Tegelijkertijd trekt de ruimer stalen boorstangen achter zich aan. Hierdoor blijft de verbinding onder de grond tussen het intredepunt en uittredepunt in stand.

Tijdens de pilotboring en het ruimen wordt het boorgat gevuld met boorvloeistof om instorting van het boorgat te voorkomen. De laatste fase is het intrekken van mantelbuizen. De verschillende mantelbuizen worden in 1 keer ingetrokken. In zwaar verstedelijkt, beschermd of moeilijk toegankelijk gebied zijn ondergrondse boringen de ideale oplossing. Door een gestuurde boring heeft de omgeving namelijk minimaal last van de werkzaamheden. Zeker als de leidingen voor deze boringen ook nog eens prefab aangeleverd kunnen worden. bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

43

Voordelen van prefab mantelbuizen voor boringen zijn: Alles op de juiste maat op het juiste moment op de bouwplaats Bij kleinere diameters leidingen op haspel mogelijk Geen afval op de bouwplaats 3.3.13 Conclusie Uit dit hoofdstuk volgt dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Overige milieuthema's zijn voor de onderhavige ontwikkeling niet relevant en zijn daarom niet beschreven.

4 4 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Als gevolg van de aardbevingen in Groningen werkt de Rijksoverheid aan een zo snel mogelijke afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld. Eén van de maatregelen om dit te realiseren, is de omschakeling van de grootste afnemers van laagcalorisch gas. Dit houdt in dat een groep van negen bedrijven verplicht moet omschakelen naar hoogcalorisch gas of een duurzaam alternatief voor oktober 2022. Gasunie Transport Services is verantwoordelijk om deze negen bedrijven aan te sluiten op het hoogcalorisch gasnet. Voor de omschakeling van één van deze bedrijven dient het tracé DN300 van Hoornaar (S-238) tot meet- & regelstation (M&R) Reijerscop (A-107) te worden aangelegd, zodat het bedrijf aangesloten kan worden op het hoogcalorisch gasnet. De aanleg van de nieuwe leiding en de aansluitingen van de leiding worden aanbesteed. Gasunie Transport Services is zowel financieel als organisatorisch verantwoordelijk voor het project en ook het beheer van de leiding. De kosten van het gehele project komen volledig voor rekening van Gasunie Transport Services. Gasunie Transport Services is in staat om de werkzaamheden geheel uit eigen middelen te financieren. De economische uitvoerbaarheid is daarmee afdoende gewaarborgd.

Voor wat betreft eventuele planschade die derden kunnen ondervinden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe leiding heeft Gasunie Transport Services een planschadeovereenkomst met de gemeente afgesloten. Eventuele kosten vanwege planschade zijn voor rekening van Gasunie Transport Services. Daarnaast heeft Gasunie Transport Services met de zakelijk gerechtigden in de algemene voorwaarden een schadevergoedingsregeling opgenomen. Grondexploitatie In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De aanleg van een leiding worden echter niet als een dergelijke bouwplan aangemerkt. Op grond van het Bro behoeft daarom geen anterieure overeenkomst of exploitatieplan te worden opgesteld.

4.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

4.2.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. Vooroverlegreacties zijn in deze paragraaf behandeld. Het waterschap HDSR heeft in haar reactie aangegeven dat de aanleg van de ondergrondse gasleiding geen invloed zal hebben op de waterhuishouding. De benodigde bemaling voor de aanleg van de gasleiding kan afhankelijk van de precieze locatie mogelijk wel invloed hebben op de waterhuishouding of waterveiligheid. In dat geval moet er een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap. In dat kader is geadviseerd vroegtijdig contact op te nemen met het waterschap voor de vergunningaanvraag. De Provincie Utrecht heeft aangegeven dat er geen strijdigheden zijn met het provinciaal belang zoals beschreven in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht. Van de gemeente Montfoort en de Gasunie geen vooroverlegreacties ontvangen.

bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

45

4 6 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening.

5.2

Planvorm

Dit bestemmingsplan bestaat geheel uit een dubbelbestemming, zonder enkelbestemmingen. Hiervoor is gekozen, omdat enkel de gasleiding wordt mogelijk gemaakt. De andere functies in het gebied blijven hetzelfde. Het opnemen van de enkelbestemmingen zou in dat geval misleidend zijn, omdat dat niet is waar dit bestemmingsplan om gaat. Dit voorliggende bestemmingsplan vormt een ‘facetherziening’. Dat houdt in dat de bestemmingsplannen die onder het plangebied van voorliggend bestemmingsplan liggen, geldend blijven en niet worden vervangen door dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan komt er als het ware ‘overheen’ te liggen.

5.3

Opbouw regels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hoofdstuk 2 geeft de planregels behorende bij de in het plangebied voorkomende dubbelbestemming. Hoofdstuk 3 bevat de algemene, voor het gehele plangebied geldende, regels en hoofdstuk 4 bevat tot slot de overgangsregels en slotregel. Toepassingsregels In de planregels van het bestemmingsplan zijn de planregels van de onderliggende geldende bestemmingsplannen opnieuw van toepassing verklaard. Alle (onderliggende) bestemmingen zijn en blijven daarmee nog steeds van kracht. Het gebruik van het woord of Wanneer in de regels van dit bestemmingsplan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten.

5.4

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 4 Leiding - Gas Het gehele plangebied bestaat uit de dubbelbestemming Leiding – Gas. Voor deze bestemming is bepaald dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht. Hiernaast is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. Deze twee bepalingen zijn voorgeschreven in artikel 14, lid 2, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Tevens is in dit artikel, in het eerste lid, voorgeschreven dat een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding, in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Deze belemmeringenstrook moet minimaal 5 meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, bedragen. In dit bestemmingsplan is deze belemmeringenstrook dan ook aangehouden en deze strook vormt de breedte van het plangebied.

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is geregeld dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

47

latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Artikel 6 Overgangsrecht In het Besluit ruimtelijke ordening is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen. Indien de in het plan opgenomen regels, voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsregels van toepassing. De overgangsregel heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt. Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan. Het doel van het overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden. Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan. Vergunningplichtige bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Wabo die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt.

Wel kan met een beroep op het overgangsrecht een aanvraag worden ingediend voor de verbouw van een illegaal bouwwerk. Om te voorkomen dat een dergelijke aanvraag moet worden gehonoreerd, is in de overgangsbepaling van dit plan opgenomen dat deze slechts van toepassing is op legale bouwwerken. Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd, voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt. Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht. Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, van het overgangsrecht is uitgesloten. Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan. Dit laatste is uiteraard mede afhankelijk van andere aspecten, waaronder de vraag of het strijdige gebruik reeds zolang plaatsvindt dat de gemeente haar rechten heeft verwerkt. Artikel 7 Slotregel In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven.

4 8 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)

Gemeente Utrecht

Uitgave Gemeente Utrecht Bezoekadres Stadskantoor, Stadsplateau 1 Postadres Postbus 8406, 3505 RK Utrecht Telefoon 030 - 286 00 00 Mail gebiedsontwikkelingjz@utrecht.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=83439f42-7bf2-4335-9ed3-dd00e500c3c9