CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Deel 1 Programma energie besparen in de gebouwde omgeving 2022-2030.pdf

Gemeenteraad 16 juni 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Programma energie besparen gebouwde omgeving 2022-203026.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In dit hoofdstuk wordt alleen het laatste onderdeel met de gemiddelde aardgas, elektriciteit en warmte verbruiken van woningen gepresenteerd. In bijlage 3 zijn alle overige resultaten beschreven. Gemiddelde energieverbruiken Met de tussenresultaten uit bijlage 3 over de aantallen aansluitingen en de totale energieverbruiken kan per woning het gemiddelde berekend worden. De resultaten staan in de figuren hieronder.

Figuur 14a: Gemiddeld elektriciteitsverbruik per woning (alle woningen en alleen koopwoningen)

Figuur 14b: Gemiddeld aardgasverbruik per woning (alle woningen) en voor alleen koopwoningen. Bij koopwoningen worden twee waardes gegeven. Het gemiddelde verbruik van koopwoningen kan gemiddeld worden over alle koopwoningen met een aardgasaansluiting, of alleen die met volledig gebruik van aardgas (dus zonder kookgas). Die laatste groep is kleiner waardoor het gemiddelde verbruik hoger ligt. Dit is de groep die het meest betrouwbaar het werkelijk gemiddelde verbruik definieert. 58

Figuur 14c: Gemiddeld warmteverbruik per woning. Geconcludeerd kan worden dat alle gemiddelden de afgelopen jaren zijn gedaald. Uit de figuren zijn een paar opvallende zaken te benoemen: - Alle gemiddelde verbruiken liggen voor koopwoningen hoger dan voor de groep van alle woningen in de stad. Dit is een gevolg voor de gemiddeld grotere omvang van koopwoningen.

- Alle grafieken geven in het jaar 2018 een onregelmatigheid. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een onregelmatigheid in de brondata van Stedin (zie bijlage 3 voor meer informatie).

- Alle verbruiken, zowel voor elektriciteit als aardgas geven een verhoging in het jaar 2020 op het gemiddelde verbruik. Dit lijkt een gevolg van Covid19 pandemie waardoor een grote groep mensen is gaan thuiswerken vanaf maart 2020.

- Het gemiddelde elektriciteitsverbruik voor koopwoningen daalt van 2013 t/m 2019 met gemiddeld 1,5%.

- Het gemiddelde aardgasverbruik voor koopwoningen daalt van 2013 t/m 2019 met gemiddeld 1,5%

- De warmteverbruiken laten ook een daling zien (0,5% per jaar). Dit is niet afkomstig van een

besparing, immers de warmteverbruiken worden niet gemeten, maar ingeschat op basis van woningkenmerken. De daling wordt dus veroorzaakt doordat er gemiddeld meer woningen komen van jongere leeftijd die op stadswarmte zijn aangesloten. Door de verbeterde bouwnorm daalt het warmteverbruik. De vraag is of het lagere verbruik van aardgas misschien ook een gevolg is van een aanwas van nieuwe woningen. Dit is gecontroleerd door ook de aardgasverbruiken te bekijken van alleen de koopwoningen van vóór het bouwjaar 2012 (zie onderstaande figuur 15). Het blijkt dat de energiebesparing bij die groep 1,2% per jaar bedraagt. Dus de besparingscijfers op aardgasverbruik van 1,5% voor de gehele groep wordt voor slechts een klein deel beïnvloed door de nieuwe woningen.

Figuur 15: Effect van nieuwe woningen op de besparingscijfers van aardgas.

59

6.3. Toekomstig gebruik monitoringmethode Met de hier gepresenteerde methode voor de monitoring van energieverbruiken van woningen in de stad Utrecht wordt een aanvulling gegeven op de gegevens uit de landelijke klimaatmonitor van CBS. In zowel de klimaatmonitor als in de Statline database van CBS worden diverse overzichten gegeven van energieverbruiken, zowel totale als gemiddelden. In onderstaande figuur 16 zijn de gegevens over specifiek aardgasverbruik in de gemeente Utrecht zoals gegeven door de klimaatmonitor gepresenteerd naast die van de nieuwe methode. Door de wijze van presentatie van CBS lijken alle gemiddelde verbruiken lager te liggen dan circa 1200 m3 aardgas per jaar gemiddeld en bovendien kunnen trends sterk fluctueren. Dit is een gevolg van de definities die CBS hanteert en de wijze waarop gecorrigeerd wordt voor temperatuur gemiddelden over de jaren. De groene lijnen komen overeen met resultaten uit deze studie die in voorgaande paragrafen zijn beschreven. De onderste groen lijn (Utrecht/Renow) en de bovenste bruine lijn (CBS) kennen dezelfde definitie en lijken vanaf 2018 exact overeen te komen. Dit toont aan dat de data van CBS en Utrecht op dit punt overeen komen. Maar van CBS zijn ook data bekend die circa 10-15% af kunnen wijken van de Utrechtse studie.

De achterliggende oorzaak daarvan hebben we niet kunnen achterhalen door gebrek aan inkijk in de CBS data.

Figuur 16: vergelijking van diverse CBS definities van gemiddelde verbruiken (rood/bruin) met resultaten uit deze studie (groen). CBS heeft nog geen data beschikbaar van het jaar 2020. De monitoringsmethode in deze studie is in de proeffase opgesteld in een excel bestand. Aanbevolen wordt de algoritmes over te nemen in het Utrechtse energie/woningen databestand zodat de gemeente vanaf volgend jaar ook zelfstandig de monitoring met analyses uit kan voeren. Naast bovenstaande resultaten zijn er meer analyses uit te voeren met deze methode. Bijvoorbeeld kan de mate van introductie van warmtepompen in de stad gemonitord worden en de wijken/buurten waar dit plaats vindt. Maar de direct meest kansrijke mogelijkheid is de presentatie van gemeten energieverbruiken per postcodegebied in de kaart van Utrecht. Door combinatie van andere gegevens uit deze studie, zoals besparingspotentieel, ontstaat een krachtig instrument waarmee energie-initiatieven in de stad ondersteund kunnen worden. Zie volgende hoofdstuk.

60

7. Informatiekaarten De resultaten van dit rapport bestaan uit twee soorten informatie: - Kentallen voor gemiddeld huidige verbruik, besparingspotentieel en prognose van toekomstig gebruik per woningcategorie (hoofdstuk 4 en 5) - Werkelijk gemeten energieverbruiken (aardgas, elektriciteit) voor woningen per postcodegebied (hoofdstuk 6). Daarmee is gedetailleerde informatie verkregen over de situatie in de stad die bovendien inzichtelijk geplot kan worden op kaarten van de stad of van de diverse wijken. Er zijn 4 typen kaarten gemaakt die in dit rapport voor één voorbeeldwijk worden beschreven

Vier kaarttypen: Kaarttype 1: Gemeten aardgas- en elektriciteitsverbruik voor woningen per PC6-gebied. Bepaald met de in hoofdstuk 6 beschreven methode. Voor een groot deel van de postcodegebieden zijn deze verbruikscijfers bewerkt naar verbruikscijfers per eigendomsvorm (zoals bijvoorbeeld particuliere woningen). Voor 5400 postcodegebieden is het gemeten aardgasverbruik met grote nauwkeurig te geven. Hetzelfde geldt voor 4600 gebieden met elektriciteitsverbruiken. Deze representeren respectievelijk 85% (aardgas) en 65% (elektriciteit) van de woningen in de stad. Voor de overige postcodegebieden zijn de werkelijke verbruiksgegevens voor woningen wel bekend, minder nauwkeurig, maar nog steeds waardevolle informatie. Deze kaart kan gebruikt worden om buurten en wijken te identificeren met de hoge energieverbruiken. Bovendien kunnen de prestaties van energiebesparingsprogramma’s gemonitord worden. Kaarttype 2: Vergelijkbare kaart als die van type 1, maar nu alleen voor het gemeten aardgasverbruik. De werkelijke verbruiksgegevens voor verwarming, warmwater en koken worden in deze kaart vergeleken met de verwachte verbruiken op basis van het gemiddeld huidige verbruik (zie hoofdstuk 4). Deze zijn voor elk postcodegebied zeer gedetailleerd bepaald per woningcategorie en per postcodegebied.

Daarmee geeft de kaart aan in welke postcodegebieden er meer of minder dan verwacht energieverbruik is. De kaart geeft aan waar de ‘hotspots’ van aardgasverbruik voor alle woningen in de stad Utrecht zijn. Kaarttype 3: Prognose van toekomstig energieverbruik (VW&K) zodra alle woningen naar niveau Spijtvrij zijn gerenoveerd. Kaarttype 4: Gemiddeld berekend besparingspotentieel voor VW&K per PC6 gebied. Berekend ten opzichte van werkelijke verbruiken (PC6-gebieden met aardgasaansluiting, kaarttype 2a) of gemiddelde gesimuleerde verbruiken (stadswarmte-aansluiting of all-electric, kaarttype 2b). Deze kaart geeft de hotspots voor besparingsmogelijkheden. De kaarttypen 2, 3 en 4 (huidig verbruik, toekomstig gebruik en besparingspotentieel) zijn beschikbaar met informatie over verbruik per m2 gebruiksoppervlakte, per woning en per PC6gebied. Kaarten van gehele stad Utrecht, per wijk of per buurt Voor de gehele stad Utrecht zijn de kaarten beschikbaar gemaakt en in één totaaldocument verzameld. Met deze basiskaart kunnen op detailniveau per buurt of wijk analyses uitgevoerd worden.

61

De kaart is met behulp van een reader eenvoudig benaderbaar voor medewerkers van de Gemeente Utrecht. In bijlage 4 staat een voorbeeld uitgewerkt voor de wijk Lombok.

62

Bijlage 1: Beschrijving van werkmethode en gebruik databestanden B1.1 Databestand Gemeente Utrecht De gemeente Utrecht beschikt over een databestand van de woningen in de stad. In dat bestand is ook het energiegebruik van woningen in beeld gebracht. Op individueel woningniveau zijn diverse kenmerken in het bestand opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld over bouwjaar, grootte en type woning, maar ook over eigendom of verhuur. Het verbruik van aardgas, stadswarmte (SW) of elektriciteit kan echter niet per individuele woning gekoppeld worden aan het databestand. Dat is een gevolg van privacyregelgeving. Als alternatief zijn de verbruiken per woningcategorie bepaald. Hoe dat is gedaan is in de deze bijlage beschreven.

Meetgegevens energie per postcodegebied Het netwerkbedrijf Stedin meet de energieverbruiken van woningen in de stad Utrecht en maakt deze openbaar op het niveau van postcode-6 (PC6) gebieden. De stad is onderverdeeld in ruim 8400 verschillende postcodegebieden. Binnen deze gebieden hebben 146.000 woningen een elektriciteitsaansluiting. Van deze woningen hebben er 107.000 tevens een aardgasaansluiting en circa 50.000 een SW-aansluiting. Een deel van de woningen heeft dus zowel SW als aardgas, waarbij aardgas meestal voor koken gebruikt wordt en de SW voor verwarming en warmwater. Stedin levert de gegevens alleen voor aardgas en elektriciteit. De SW-verbruiken zijn niet openbaar en kunnen dus niet meegenomen worden in de analyses. Met de gemeten energiedata op PC6-niveau is het bestand van de gemeente gevoed. Daarmee zijn per postcodegebied het aantal woningen bekend met individuele kenmerken per woning en het totale aardgas- en elektriciteitsgebruik: Per PC6-gebied Per woning Aantal woningen

Type Bouwjaar Gebruiksoppervlakte (GO)

Aantal elektriciteitsaansluitingen en gemiddelde kWh/jaar Aantal aardgasaansluitingen en gemiddelde m3/jaar Aantal stadswarmte-aansluitingen Tabel B1.1: beschikbare gegevens per postcode-6-gebied

B1.2 Renow-model Energiepaleis heeft de afgelopen jaren het rekenmodel Renow ontwikkeld dat bestemd is voor gebruik bij particuliere woningverbeteringen. Het model is in de periode 2018-2020 beoordeeld door diverse experts van TNO, Nieman en Berenschot5 Hiermee is een model beschikbaar waarmee direct,

5

63

AF Kruithof en H.J.J. Valk, Nieman, Beoordeling spijtvrije concepten Energiepaleis juli 2020 R. Niessink en C. Tigchelaar, TNO, Review Energiepaleis Rekentool Woningen 11 maart 2020R. Bianchi, Berenschot, Beoordeling model Energiepaleis, 31 oktober 2018 op grond van eenvoudig te bepalen kenmerken van een woning, een betrouwbaar beeld gekregen wordt van de energiebehoefte. Daarmee kunnen onderbouwde inschattingen gegeven worden over energieverbruik en comfort in woningen, zowel in de bestaande situatie als bij gebruik van renovatieconcepten.

Analysemodel Renow Het Renow-model werkt met de volgende gegevens: - Invoer woningenkenmerken op basis van landelijke gemiddelden - Invoer thermische kwaliteiten van gebouwschil (isolatie, beglazing, kierdichting) op basis van bouwjaar - Invoer installaties (verwarming, warmwater, koken, ventilatie, zonne-energie) op basis van bouwjaar. Default gebruik van aardgas HR-combitoestel met keuzemogelijkheden voor warmteleveringen met elektriciteit (en omgevingswarmte), warmtedistributie, biobrandstoffen of alternatieve gassoorten. - Invoer omvang huishouden en huishoudelijke elektriciteitsgebruik op basis van landelijke gemiddelden per woningcategorie - Invoer gebruikersgedrag op basis van landelijke gemiddelden (thermostaatinstellingen, warmtapwatergebruik, ventilatiegedrag, elektriciteitsgebruik) - Correctie binnentemperatuur (winter) op basis van schilkwaliteit en schilfactor (= schiloppervlakte/gebruiksoppervlakte) - Correctie gebruik van interne warmte op basis van thermische kwaliteit en ingestelde binnentemperatuur. - Naast bovenstaande mogelijkheden van automatische invoer zijn de gegevens ook handmatig aan te passen. Met het Renow-model kan voor elke woning het energieverbruik berekend worden in de oorspronkelijke (bouwjaar) uitvoering en/of een prognose gegeven worden van toekomstige energiebesparing.

Renow Renovatieconcepten Als uitgangspunt voor besparingsberekeningen maakt Renow gebruik van een aantal veel voorkomende prestatieniveaus die als ‘concepten’ zijn gedefinieerd. De volgende concepten zijn te kiezen: - Oorspronkelijke bouw, zonder extra isolatie, met HR-combitoestel. Een viertal vaste renovatieconcepten: - Concept Basis: beperkte isolatie aangebracht (Rc is gemiddeld 1,0) en enkelglas vervangen door dubbelglas - Concept Comfort: voldoende isolatie aangebracht (Rc_gem=2) en in woonkamer HR++ glas. Mechanisch ventilatie. - Concept Duurzaam: goede isolatie (Rc_gem=3), en in woonkamer en werkkamers HR++ glas. Vraaggestuurde ventilatie. - Concept Nul-op-de-meter (NOM): uitstekende isolatie (Rc_gem=4), alle beglazing HR++, balansventilatie met warmteterugwinning. En een bijzonder 5e concept ‘Spijtvrij’ - Concept Spijtvrij geeft de minimale schilkwaliteit van de woning om in de toekomst over te kunnen gaan naar een LT-verwarmingssysteem. De invulling van dit concept is afhankelijk van de woningkenmerken. Bijvoorbeeld varieert de minimaal benodigde Rcwaarde van circa 2 (grote tussenwoningen) tot 3,5 (kleine vrijstaande woningen) en zijn er keuzemogelijkheden voor het ventilatiesysteem. 64

De concepten kunnen stapsgewijs in de loop der jaren worden opgebouwd, bijvoorbeeld gelijktijdig met natuurlijke verbetermomenten. De Renow-concepten zijn globaal vergelijkbaar met de labels zoals beschreven in onderstaande tabel. RENOW concept

komt ongeveer overeen met

Oorspronkelijk

Label is afhankelijk van bouwjaar

Basis

Label D

Comfort

Label C

Spijtvrij

Label B

Duurzaam

Label A

NOM Label A+ of beter Tabel B1.2: vergelijking Renow-concepten met woninglabels De concepten worden hieronder op hoofdlijnen besproken. Tevens zijn voorbeelden van passende bijbehorende maatregelen genoemd. Concept Basis: Doel is energiebesparing met eenvoudige losse (quick-win) ingrepen. • Van toepassing bij woningen van vóór 1974. • Selectie uit maatregelen: - Kierdichting ramen - Radiatorfolie aanbrengen - Leidingisolatie - Spouwmuurisolatie, vloerisolatie - Enkelglas vervangen Concept Comfort: Doel is voldoende comfortabel en gezond binnenklimaat, energiekostenbesparing. • Bij vooroorlogse woningen is een pakket van beperkt ingrijpende maatregelen nodig, met name de schil. • Voorbeelden van maatregelen: - Spouwmuurisolatie - Binnenzijde hellend dak, buitenzijde plat dak - Vloerisolatie - Glas vervangen in woonkamer (HR++ of HR+) - Kierdichting ramen en deuren Concept Duurzaam: Doel is een laag energieverbruik en toepassing duurzame energie. Zeer goed comfort en gezond binnenklimaat. • Bij vooroorlogse woningen is naast een pakket van ingrijpende bouwkundige maatregelen ook aanpassingen nodig in ventilatiesysteem. • Voorbeelden van maatregelen: - Dakisolatie, bij voorkeur aan buitenzijde.

- Spouwmuurisolatie net voldoende om met MT te verwarmen - Vloeren op zand aan de bovenzijde isoleren - Gemiddeld HR+, beter in woonkamer - Bouwkundige kierdichting - Aanpassen en/of aanbrengen van ventilatiekanalen

65

Concept NOM: Doel is maximaal gebruik van duurzame energie. Goed comfort en gezond binnenklimaat. Ook toepasbaar in een all-electric situatie. • Bij woningen van vóór 2000 vergaande bouwkundige maatregelen en installatietechnische aanpassingen nodig. • Voorbeelden van maatregelen: - Vloer- en/of wandverwarming en/of LT-convectoren - Soms dient ook leidingensysteem vervangen te worden - Warmtepomp toepassen, bodem- of luchtbron - Uitgekiend ventilatieontwerp met WTW Concept Spijtvrij: Doel is de woningschil voldoende voor te bereiden zodat de woning in de toekomst geschikt gemaakt kan worden voor LT-verwarming. • Bij woningen van vóór 1990 dient met name de kwaliteit van de schil voldoende goed te zijn, inclusief de kierdichting en het ventilatiesysteem. • De mate van isolatie is afhankelijk van de schilfactor (de verhouding tussen schil- en vloeroppervlakte): Kleine vrijstaande woningen zullen een veel betere schilisolatie nodig hebben dan bijvoorbeeld grote tussenwoningen. • De schilmaatregelen zijn een mix van maatregelen uit de concepten Comfort en Duurzaam. In onderstaande tabel staan de maatregelen samengevat.

66

Concept schil/GO

Infiltratie + ventilatie

Schilisolatie Ramen Ventilatietoestel geschikt voor T_aanvoer

f (m2/m2)

q(W/m2K)

alle

1

1

2,9

Kanaalventilator

HT

Radiatoren

D

Comfort alle

0,8

2

2,2

HT

Radiatoren

C

Spijtvrij 1

0,6

2

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

1,5

0,6

2

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

2

0,6

LT

Conv. (tzt)

B

2,5

0,5

3

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

3

0,5

3

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

3,5

0,5

MV+ vent.roosters Vraaggestuurd MV Vraaggestuurd MV Vraaggestuurd MV decentrale WTW decentrale WTW decentrale WTW Vraaggestuurd MV Balans met WTW

LT

Conv. (tzt)

B

MT

Convectoren

A

ZLT

Vloerverw.

A+

Basis

Duurzaam alle Toekomst alle

Rc(m2K/W)

Afgiftelichamen Label (circa)

2,5

Uw(W/m2K)

1,8

3,5

1,8

0,6

3

1,8

0,3

4

1,5

tabel B1.3: Samenvatting van maatregelen die gezamenlijk een besparingspakket vormen.

B1.3 Energieverbruik woningcategorieën Om het energieverbruik in de stad te kunnen monitoren en analyseren is het wenselijk de verbruiken ook per woningcategorie te kunnen bepalen. De gekozen hoofdcategorieën zijn type, omvang en bouwjaar van de woning. De drie hoofdcategorieën zijn onderverdeeld in respectievelijk zes, vijf en tien subklassen. In totaal wordt er gewerkt met 300 verschillende woningcategorieën. Deze zijn gegeven in tabel 3.

Woningtype

Bouwperiode

Grootteklasse

Vrijstaand

Vóór 1930

kleiner dan 50 m2

Twee-onder-één-kap

1930-1945

50-100 m2

Eindwoning rij

1945-1964

100-150 m2

Tussenwoning rij

1965-1974

150-200 m2

Meerlaags (laag/midden)

1975-1987

meer dan 200 m2

Meerlaags (hoog)

1988-1991 1992-2005 2006-2011 Na 2012

Bijzondere klasse ‘Monument’ Tabel B1.4: Indeling woningcategorieën In het gemeentelijke databestand is voor elk PC6-gebied bekend hoeveel woningen per categorie zich daarin bevinden, het aantal energieaansluitingen (elektriciteit, gas en/of warmte) en het gemiddelde verbruik per jaar. Gegevens in per woning per PC6-gebied Totaal Utrecht per woningcategorie databestand

67

Woningtype

Type

Aantal woningen

Aantal woningen

Aantal woningen

Bouwperiode

Bouwjaar

Aantal woningen

Aantal woningen

Aantal woningen

Grootteklasse

m2 GO

Totaal GO

Totaal GO

Totaal GO

Elektriciteit verbruik

--

kWh/jaar

kWh/jaar

Onbekend

Aardgas verbruik

--

m3/jaar

m3/jaar

Onbekend

GJ/jaar

Onbekend

Stadswarmte --Tabel B1.5: gegevens in databestand gemeente Utrecht

In bovenstaande tabel is te zien dat de energieverbruiken op het niveau van woningcategorie nog onbekend zijn, deze dienen bepaald te gaan worden.

Omrekening van postcodegebied naar woningcategorie Er zijn voldoende gegevens aanwezig om een wiskundige vertaling te kunnen gaan maken van gemeten verbruiken per PC6 gebied naar gemiddelde verbruiken per woningcategorie. Dit is alleen mogelijk voor de woningen met een aansluiting op elektriciteit en/of aardgas. Voor warmte zijn er immers geen verbruiksgegevens bekend. Daarom zijn voorafgaand aan de berekeningen eerst de PC6-gebieden geselecteerd waarvan bekend is dat er alleen elektriciteit- en aardgasaansluitingen zijn (dus geen warmteaansluiting) en waarvan de hoeveelheden woningen in de gemeente database overeen komt met het aantal in de Stedin database. Er zijn ruim 2000 postcodegebieden waar dit het geval is. Deze gebieden representeren 50.000 woningen. Dit bestand is gebruikt voor het omrekenen van gemeten energieverbruiken per PC6-gebied naar gemiddelde energieverbruiken per woningcategorie. De genoemde omzetting maakt gebruik van een meervoudige lineaire regressiemodel (MLR-model). Deze methode levert resultaten met een hoge nauwkeurigheid mits er voldoende woningen in een individuele woningcategorie aanwezig zijn. In de praktijk blijkt dit niet voor alle woningcategorieën het geval. Met name de ‘randen’ van de grootteklassen komen minder vaak voor (<50 m2 en >200 m2) en ook bijvoorbeeld de 2-onder-1- kap en vrijstaande woningen of de woningen van na 2012.

Een samenvatting van de resultaten staat in tabel B1.6. Woningtype Gemiddeld m3 aardgas/jaar kWh elektriciteit/jaar Vrijstaand

2668

5807

Twee-onder-één-kap

1915

4027

Eindwoning rij

1492

3365

Tussenwoning rij

1391

2877

Meerlaags (laag/midden)

979

2248

Meerlaags (hoog)

895

2167

Totaal 1199 Tabel B1.6: niet-gecorrigeerde energieverbruiken per jaar

2643

We noemen de resultaten uit de MLR-methode voorlopig de ‘niet-gecorrigeerde gemiddelde verbruiken’ per woningcategorie. In de volgende paragraaf zullen we namelijk met behulp van het Renow-model deze berekende waarden gaan corrigeren voor de hierboven genoemde MLRonnauwkeurigheid die veroorzaakt wordt door een ongelijkmatige verdeling van woningcategorieën over PC6-gebieden.

Kalibratie woningcategorieën In de vorige paragraaf is beschreven op welke wijze de gemeten energieverbruiken (afkomstig van Stedin per PC6-gebied) zijn omgerekend naar woningcategorieën. Dit heeft geleid tot een eerste 68

dataset van 300 niet-gecorrigeerde energiekentallen per woningcategorie. Deze dataset nr.1 bevat dus niet-gecorrigeerde kentallen gebaseerd op metingen. Daarnaast hebben we een tweede set van energieverbruiken per woningcategorie. Deze is afkomstig van simulatieberekeningen met het Renow-model. De simulatieberekeningen zijn uitgevoerd op basis van aannames over gemiddeld bewonersgedrag en gemiddelde woningverbeteringen. Daarmee kan deze set afwijken van de werkelijke Utrechtse situatie. Deze dataset nr.2 bevat dus gemiddelde kentallen gebaseerd op simulatieberekeningen. Aangezien de twee datasets beide energiekentallen bevatten voor dezelfde groep van 300 woning categorieën, maar op verschillende wijze zijn verkregen, moeten deze in eerste orde benadering wel vergelijkbaar zijn. Dit gegeven hebben we gebruikt om een iteratieprocedure op te zetten die de twee sets op elkaar laat aansluiten. Bovendien is de 2e set met simulatiekentallen gekalibreerd met de totale gemeten energieverbruiken in het gehele woningenbestand Utrecht. De iteratie- en kalibratieprocedure staat beschreven in de laatste paragraaf van deze bijlage. Resultaat zijn twee vergelijkbare datasets voor 300 woningcategorieën, waarvan de eerste gebaseerd is op gecorrigeerde metingen en de tweede op een gekalibreerde simulatieberekening.

De gekalibreerde simulatieberekening wordt in het vervolg gebruikt om de analyses op het Utrechtse woningbestand uit te voeren. B1.4 Iteratie- en kalibratieprocedure Uit de Stedin metingen per PC6 gebied is een dataset geproduceerd van 300 niet-gecorrigeerde energiekentallen per woningcategorie. Hiervoor is gebruik gemaakt van een dataset van ruim 2000 metingen op postcode6 niveau en een Meervoudig Lineair Regressiemodel (MLR). (zie paragraaf B1.3) Daarnaast is met het Renow-simulatiemodel ook een set van 300 energiekentallen per woningcategorie berekend. De simulatieberekeningen zijn uitgevoerd op basis van aannames over gemiddeld bewonersgedrag en gemiddelde woningverbeteringen. Aangezien de twee datasets beide energiekentallen bevatten voor dezelfde groep van 300 woningcategorieën verwachten we dat de sets in een eerste orde benadering vergelijkbaar zijn. Dit gegeven hebben we gebruikt om een iteratieprocedure op te zetten die de twee sets nauwkeuriger op elkaar laten aansluiten. Het iteratieproces heeft de volgende stappen doorlopen: 1) Met het Renow-model is voor elke woningcategorie een prognose gegeven van het energieverbruik voor verwarmen, warmwater en koken. Dit resulteert in 300 waarden voor het gemiddelde energieverbruik per woning.

- We verwachten dat deze waarden in eerste orde benadering gelijk zullen zijn aan de nietgecorrigeerde MLR-resultaten van de Stedin meetdata. Immers met het RENOWmodel worden simulatieberekeningen uitgevoerd per woningcategorie op basis van gemiddeld verbruik en gemiddelde woningkenmerken. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de Utrechtse metingen hier veel van zullen afwijken. - De gemiddelde met Renow-model berekende energieverbruiken per woning zijn vertaald naar Renow-kentallen zoals verbruik per m2 gebruiksoppervlakte en/of per woning. 2) De Renow-kentallen zijn gevoed in het PC6-databestand van de gemeente Utrecht. Dit geeft een Renow-prognose voor het energieverbruik per PC6-gebied. - Met de 300 sets van kentallen zijn de Renow-verbruiken berekend per PC6-gebied. Dit is mogelijk omdat we per PC6-gebied het aantal woningen kennen met de bijbehorende woningkenmerken. Resultaat is de Renow-prognose voor het energieverbruik per PC6 gebied. 69

3) De Renow-prognoses per PC6-gebied worden met het MLR-model weer omgerekend

(teruggerekend) naar gemiddelde verbruiken per woningcategorie. Dit is gedaan op exact dezelfde wijze als de eerder beschreven omrekening van de Stedin PC6-waarden naar woningcategorieën (zie paragraaf B1.3). Resultaat is een met het MLR-model berekende gemiddelde energieverbruik per woningcategorie. - In theorie zou het MLR-resultaat van de Renow-data exact dezelfde waarden moeten geven als de eerder ingevoerde kentallen van Renow per woningcategorie. De waarden zijn echter niet gelijk omdat de PC6 gebieden een ongelijkmatige verdeling van woningcategorieën hebben waardoor er een afwijking ontstaat. De verhouding tussen de MLR-resultaten (met Renow-data) en de oorspronkelijke Renowkentallen is een maat voor de afwijking die geïntroduceerd is door de MLRberekeningen. Voor elke woningcategorie is die verhouding bepaald. Bij de categorieën die een groot aantal woningen vertegenwoordigen is de verhouding ongeveer gelijk aan 1. Bij de categorieën die minder bezet zijn is het verhoudingsgetal veel groter of kleiner dan ‘1’. Zie ook onderstaande figuren voor meer details.

Figuur B1.1: verhouding tussen MLR output en Renow input. Boven: alle 300 woningcategorieën in 6 blokken: vrijstaand, 2^1 kap, hoekwoning, tussenwoning, meerlaags_laag en _hoog. Onder: uitvergroting voor het 4e blok (tussenwoningen) van oud (links) naar nieuw (rechts).

4) Met de verhoudingsgetallen zijn de eerder berekende (Stedin) energieverbruiken per

woningcategorie gecorrigeerd. Resultaat is een nieuwe set van gemiddelde energieverbruiken per woningcategorie. - Daarmee krijgen we een set van 300 energieverbruiken die direct afgeleid zijn van de gemeten Stedin data in de stad. De eerder geïntroduceerde onnauwkeurigheid is geminimaliseerd door gebruik van de Renow-verhoudingsgetallen. - De gecorrigeerde meetdata van Stedin per woningcategorie zijn in bijlage 2 gegeven. 70

De resultaten uit het Renow-model zijn gekalibreerd op de totale verbruiken zoals door Stedin gegeven. De gebruikte kalibratiestappen worden hieronder kort toegelicht. 5) Per woningcategorie is met het Renow simulatiemodel het energieverbruik berekend voor de oorspronkelijke situatie (=bouwjaar). Deze is vergeleken met het bekende energieverbruik per woningcategorie zoals bepaald met de MLR omzetting van de Stedin meetdata. 6) Voor de woningcategorieën met bouwjaar na 1990 verwachten we in de praktijk dat er nog geen substantiële woningverbetering heeft plaatsgevonden. De gemiddelde waarden van de Renow-simulatie en van de Stedin metingen behoren gemiddeld met elkaar overeen te komen. Zie onderstaande figuur B1.2 waarin de verhouding is gegeven voor alle woning categorieën. Dit blijkt in het algemeen een correcte aanname met enkele uitzonderingen: • Voor de hoekwoningen geeft de MLR-omzetting 20% lagere waarden dan de RENOW simulatie. Dit is te verklaren uit het feit dat hoek- en tussenwoningen gemiddeld in dezelfde verhouding voorkomen in de PC6-gebieden waardoor de MLR methode deze twee verschillende types niet goed kan onderscheiden. Daardoor wordt de hoekwoning te laag ingeschat en de rijwoningen iets te hoog. In de analyses wordt hiervoor gecorrigeerd.

• Voor een aantal categorieën met weinig woningen zien we enkele verschillen tussen RENOW simulatie en de Stedin/MLR-waarden. Bijvoorbeeld bij de kleine woningen (<50m2) geeft de MLRmethode circa 20% hogere waarden dan de RENOW simulatie. Deze effecten zijn niet te verklaren op bouwfysische gronden en de verwachting is dat het te maken heeft met de onnauwkeurigheid bij kleine aantallen in de MLR-methode. Gezien de kleine aantallen en het onverklaarbare effect wordt besloten hier niet voor aan te passen. De eventueel hierdoor geïntroduceerde fout zal geen effect hebben op de eindresultaten. • Voor de veel voorkomende tussenwoningen en appartementen (midden-/laagbouw) komen de gekalibreerde waarden gemiddeld goed overeen.

Figuur B1.2: verhouding tussen kentallen voor aardgasverbruik voor verwarming in m3/m2. Betreft de gecorrigeerde metingen van Stedin versus berekening van Renow.

Bijlage 2: Kentallen woningcategorieën B2.1 Aardgasverbruik Berekeningen op basis van dataset met ruim 2000 postcode-6 gebieden met alleen een gasaansluiting.

71

GAS

Meetdata_gecorrigeerd voor GD, niet gecorrigeerd voor MLR

Vrijstaand verwarming/m2 Monument Voor 1930

Tussenwoning < 50 1686 1734

050 100

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2105

2495

2792

4468 m3

Monument

939

1358

1748

2045

3721

m3

2153

2543

2840

4516

Voor 1930

987

1406

1796

2093

3769

m3

2865

4541 m3

1930-45

1011

1430

1820

2117

3794

m3

4431 m3

1946-64

902

1321

1711

2008

3684

m3

m3

1930-45

1759

2177

2567

1946-64

1649

2068

2458

1964-74

1737

2156

2546

2843

4519

m3

1964-74

990

1409

1799

2096

3772

m3

1975-87

1466

1885

2275

2572

4248

m3

1975-87

719

1138

1528

1825

3501

m3

1988-91

1300

1719

2108

2406

4082 m3

1988-91

553

971

1361

1659

3335

m3

1992-05

1262

1681

2071

2368

4044

m3

1992-05

515

934

1324

1621

3297

m3

2006-11

1194

1612

2002

2300

3976

m3

2006-11

446

865

1255

1552

3229

m3

2012->

1100

1519

1908

2206

3882

m3

2012->

353

771

1161

1459

3135

m3

2755

2_1 kap woning verwarming/m2 Monument

Meerlaags_laag_midden < 50 1354

050 100 1773

100 150 2163

Voor 1930

1402

1821

1930-45

1426

1845

2235

1946-64

1317

1736

2126

1824

2214

1964-74

1405

2211

1943

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2460

4136 m3

Monument

820

1239

1629

1926

3603

m3

2508

4184 m3

Voor 1930

868

1287

1677

1974

3650

m3

2532

4208

m3

1930-45

893

1312

1701

1999

3675

m3

4099 m3

1946-64

783

1202

1592

1889

3565

m3

2511

4187

m3

1964-74

872

1290

1680

1978

3654

m3

2240

3916 m3

1975-87

600

1019

1409

1706

3382

m3

2423

1975-87

1134

1553

1988-91

968

1386

1776

2074

3750 m3

1988-91

434

853

1243

1540

3216

m3

1992-05

930

1349

1739

2036

3712

m3

1992-05

397

815

1205

1503

3179

m3

2006-11

861

1280

1670

1967

3644

m3

2006-11

328

747

1136

1434

3110

m3

2012->

768

1186

1576

1874

3550

m3

2012->

234

653

1043

1340

3016

m3

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

682

1101

1491

1788

3464

Hoekwoning

Meerlaags_hoog

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

1062

1480

1870

2168

3844

m3

m3

72

Voor 1930

1110

1528

1918

2216

3892

m3

Voor 1930

730

1149

1539

1836

3512

m3

1930-45

1134

1553

1943

2240

3916

m3

1930-45

755

1173

1563

1861

3537

m3

1946-64

1024

1443

1833

2130

3806

m3

1946-64

645

1064

1454

1751

3427

m3

1964-74

1113

1532

1921

2219

3895

m3

1964-74

733

1152

1542

1839

3515

m3

1975-87

842

1260

1650

1948

3624

m3

1975-87

462

881

1271

1568

3244

m3

1988-91

675

1094

1484

3457 m3

1988-91

296

715

1104

1402

3078

m3

1992-05

638

1056

1446

1744

3420

m3

1992-05

258

677

1067

1364

3040

m3

2006-11

569

988

1378

1675

3351

m3

2006-11

190

608

998

1296

2972

m3

2012->

475

1284

1581

3257

m3

2012->

96

515

904

1202

2878

m3

894

1781

Tabel B2.1: niet-gecorrigeerde meetdata. Het gemiddelde aantal woningen per categorie bedraagt 165 woningen. De rood gekleurde velden hebben minder dan 10 woningen waardoor het resultaat onnauwkeurig zal zijn. De groen gekleurde velden hebben een groot aantal woningen (>500).

In de volgende tabel zijn de waarden gecorrigeerd voor de onnauwkeurigheid die met de MLRmethode is geïntroduceerd.

73

GAS

gecorrigeerd voor GD en MLR

Vrijstaand

Tussenwoning

verwarming/m2

< 50

050 100

Monument

809

1608

Voor 1930

1094

1930-45

1033

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2261

2871

6396

m3

Monument

784

1103

1710

2097

3028

m3

1812

2473

2978

5798

m3

Voor 1930

932

1234

1614

2036

3225

m3

1769

2283

2997

4816

m3

1930-45

891

1412

1630

2039

3077

m3

1946-64

543

1830

2352

2901

7092

m3

1946-64

804

1306

1519

1970

3273

m3

1964-74

974

1590

2598

2871

4361

m3

1964-74

859

1368

1633

1937

3121

m3

1975-87

915

1845

2492

3007

5305

m3

1975-87

640

1277

1478

1927

3012

m3

1988-91

745

1229

1904

2273

3058

m3

1988-91

833

1093

1234

1664

2428

m3

1992-05

635

1081

1757

2052

3100

m3

1992-05

650

1041

1219

1467

2099

m3

2006-11

605

1296

1544

1950

2801

m3

2006-11

605

953

1184

1370

2151

m3

2012->

511

849

1420

1578

2325

m3

2012->

871

861

1095

1248

1771

m3

2_1 kap woning

Meerlaags_laag_midden

verwarming/m2

< 50

050 100

Monument

896

1471

Voor 1930

1042

1930-45

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2062

2399

3528

m3

Monument

805

1184

1667

2285

3659

m3

1653

2234

2562

4856

m3

Voor 1930

820

1227

1699

2395

4099

m3

1002

1735

2194

2760

4086

m3

1930-45

771

1148

1619

2148

3381

m3

1946-64

936

1730

2087

2613

8797

m3

1946-64

723

1041

1531

2103

3209

m3

1964-74

956

1778

2259

2558

3558

m3

1964-74

715

1062

1599

2141

4287

m3

1975-87

890

1418

2132

2583

5237

m3

1975-87

516

835

1293

1643

4212

m3

1988-91

766

1168

1782

1893

3008

m3

1988-91

525

738

1140

1505

2537

m3

1992-05

664

1127

1620

1739

2442

m3

1992-05

501

724

1019

1333

2440

m3

2006-11

631

1015

1573

1712

2308

m3

2006-11

462

690

1021

1356

2282

m3

2012->

604

865

1281

1522

2031

m3

2012->

1615

652

1022

1248

2185

m3

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Hoekwoning

Meerlaags_hoog

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

654

1100

1502

1918

3443

m3

Monument

485

1023

1543

2126

3346

m3

Voor 1930

726

1169

1649

2132

3383

m3

Voor 1930

670

1190

1755

2120

3370

m3

1930-45

830

1341

1726

2113

3845

m3

1930-45

723

983

1416

2115

3174

m3

1946-64

611

1228

1557

2011

4966

m3

1946-64

581

974

1357

2006

3090

m3

1964-74

711

1317

1657

1986

2987

m3

1964-74

602

1053

1342

2024

3053

m3

1975-87

466

1154

1437

1932

3558

m3

1975-87

431

733

1156

1483

2632

m3

1988-91

467

919

1206

1608

2550

m3

1988-91

420

658

973

1413

2306

m3

1992-05

401

873

1184

1416

2239

m3

1992-05

382

652

990

1369

2223

m3

2006-11

361

821

1141

1334

2091

m3

2006-11

333

603

881

1208

2044

m3

74

tabel B2.2: Gecorrigeerde meetdata. Er zijn nog uitschieters te zien, bijvoorbeeld vrijstaande woning < 50 m2. Dit heeft te vaak maken met een gemiddelde oppervlakte in die specifieke grootteklasse die afwijkt van het numerieke gemiddelde. Bijvoorbeeld als gevolg van een klein aantal woningen in de klasse.

75

GAS

Renow_gekalibreerd

Vrijstaand

Tussenwoning

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

757

1583

2186

2835

5338

m3

Monument

772

1148

1702

2113

2467

m3

Voor 1930

991

1745

2353

2902

4844

m3

Voor 1930

863

1232

1557

1999

2582

m3

1930-45

913

1668

2134

2872

3978

m3

1930-45

755

1308

1477

1887

2337

m3

1946-64

511

1803

2281

2875

5951

m3

1946-64

751

1296

1452

1909

2540

m3

1964-74

909

1572

2533

2861

3734

m3

1964-74

771

1323

1529

1851

2422

m3

1975-87

854

1815

2404

2954

4373

m3

1975-87

594

1249

1365

1798

2181

m3

1988-91

676

1199

1816

2214

2487

m3

1988-91

747

1112

1218

1628

1842

m3

1992-05

573

1048

1658

1977

2522

m3

1992-05

604

1095

1211

1476

1632

m3

2006-11

550

1259

1467

1887

2218

m3

2006-11

571

1022

1189

1391

1661

m3

2012->

394

743

1216

1396

1672

m3

2012->

439

780

967

1143

1255

m3

2_1 kap woning

Meerlaags_laag_midden

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

830

1440

1972

2343

2907

m3

Monument

770

1201

1626

2267

2972

m3

Voor 1930

922

1571

2091

2460

3968

m3

Voor 1930

766

1248

1681

2427

3446

m3

1930-45

863

1618

2014

2601

3303

m3

1930-45

659

1082

1491

2032

2665

m3

1946-64

863

1700

2000

2559

7193

m3

1946-64

691

1059

1493

2087

2597

m3

1964-74

875

1736

2166

2514

2985

m3

1964-74

641

1023

1493

2042

3352

m3

1975-87

824

1398

2043

2521

4218

m3

1975-87

532

895

1300

1678

3340

m3

1988-91

675

1132

1681

1832

2388

m3

1988-91

475

765

1107

1486

1947

m3

1992-05

585

1088

1517

1670

1911

m3

1992-05

461

766

1009

1342

1889

m3

2006-11

559

990

1520

1650

1803

m3

2006-11

432

747

1020

1373

1759

m3

2012->

416

739

1081

1332

1444

m3

2012->

331

581

889

1137

1541

m3

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Hoekwoning

Meerlaags_hoog

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

878

1411

1792

2266

3186

m3

Monument

516

1115

1585

2205

2777

m3

Voor 1930

925

1445

1908

2453

3087

m3

Voor 1930

687

1290

1819

2238

2892

m3

1930-45

975

1537

1866

2276

3286

m3

1930-45

676

990

1371

2083

2553

m3

1946-64

787

1503

1774

2265

4321

m3

1946-64

621

1066

1399

2083

2553

m3

1964-74

875

1567

1853

2209

2633

m3

1964-74

594

1085

1326

2022

2467

m3

1975-87

616

1412

1617

2120

2938

m3

1975-87

520

863

1241

1598

2166

m3

1988-91

681

1218

1445

1873

2222

m3

1988-91

467

759

1017

1479

1821

m3

1992-05

621

1206

1461

1711

1999

m3

1992-05

440

774

1054

1460

1775

m3

2006-11

591

1166

1430

1632

1867

m3

2006-11

415

742

955

1306

1627

m3

76

tabel B2.3: Gemiddelde aardgasverbruik per woning. Deze waarden zijn berekend uit de gekalibreerde Renow kentallen (tabel B2.4). Betreft de woningen uit het databestand van ruim 2000 PC6 gebieden met alleen aardgasaansluiting.

B2.2 Renow kentallen elektriciteitsverbruik alle woningcategorieën

grootteklasse

<50

050 100

Vrijstaand

kWh/woning

3050

3850

4650

5450

7850

2_1 kap woning

kWh/woning

2300

3100

3900

4700

7100

Hoekwoning

kWh/woning

2050

2850

3650

4450

6850

Tussenwoning

kWh/woning

1800

2600

3400

4200

6600

Meerlaags_laag_midde kWh/woning

1550

2350

3150

3950

6350

Meerlaags_hoog

1300

2100

2900

3700

6100

kWh/woning

- 100 150

- 150 200

-

200>

tabel B2.4: Gekalibreerde gemiddelde elektriciteitsverbruiken voor huishoudelijke toepassingen per woning. De verbruiken worden met name bepaald door omvang huishouden en daarmee is er een directe relatie met de grootteklasse. Het licht toenemende verbruik in bouwjaarklasse is een gevolg van gebruik van mechanische ventilatie. B2.3 Besparingspotentieel per woning en per categorie

Energiekentallen woningcategorieën Voor alle 300 woningcategorieën in dit onderzoek zijn de kentallen bepaald voor verwarming, uitgedrukt in m3 aardgas per m2 gebruiksoppervlakte. Voor elke categorie is het oorspronkelijke verbruik (afhankelijk van bouwjaar) gegeven én de verbruiken nadat één van de vier hoofdconcepten is toegepast. Deze verbruiken staan in onderstaande figuren. Voor elke type woning is een figuur gemaakt met 10 bouwjaren en 5 grootteklassen.

77

Figuur B2.5 aardgasverbruik voor verwarming per m2 vloeroppervlakte. Per woningtype en per grootteklasse.

Besparingspotentieel per woningcategorie In het onderzoek zijn bovenstaande kentallen gebruikt om het energieverbruik voor de stad Utrecht te kunnen analyseren. In paragraaf 4.3 is een samenvatting gegeven voor particulier woningen die 78

aangesloten zijn op aardgas. In onderstaande figuren zijn de verbruiken gedetailleerd uitgewerkt voor al deze woningen. Tevens zijn de belangrijkste categorieën woningen nader uitgewerkt, met name de tussenwoningen en meerlaagse (laag & midden) woningen.

Figuur B2.6 particuliere woningen met alleen aardgasaansluiting. Totaal aardgasverbruik (linker y-as) en totaal aantal woningen (rechter y-as) per woningcategorie (alle grootteklassen), voor alleen tussenwoningen (per grootteklasse) en voor alleen de laag-middenhoge meerlaagswoning (per grootteklasse).

79

Figuur 2.7 : Voor particuliere woningen met aardgasaansluiting het besparingspotentieel per woning en geheel per categorie.

80

Bijlage 3: Resultaten van monitoring energieverbruik Deze bijlage geeft tussenresultaten van de monitoring energieverbruik. Deze zijn gebruikt voor het presenteren van gemiddelde energieverbruiken zoals beschreven in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ontwikkeling van aantal gebouwen en energie-aansluitingen Voor een nauwkeurige monitoring van energieverbruik is het van belang om het juiste aantal gebouwen en aansluitingen te kennen. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: - Het aantal gebouwen wordt door BAG gegeven. Deze zijn gesplitst in woningen en in overige gebouwen.

-

Stedin houdt de hoeveelheid aansluitingen bij. Niet alle woningen zijn aangesloten. Bijvoorbeeld geldt dit soms voor woningen in aanbouw, die tellen wel als woning, maar nog niet als aansluiting. Naast woningen en gebouwen kent Stedin nog meer kleinverbruikers-aansluitingen voor overige objecten. Deze komen niet voor in de data van BAG.

-

Alle bewoonde woningen hebben een elektriciteitsaansluiting.

-

Alle woningen zonder aardgasaansluiting of alleen met kookgas hebben een alternatief nodig voor verwarmen. Momenteel zijn bijna al deze woningen aangesloten op de stadswarmte. Voor de toekomst verwachten we meer woningen die alleen op elektriciteit zijn aangesloten, dus all-electric en zonder stadswarmte of aardgas. Momenteel komen deze woningen nog niet in de statistieken voor.

Niet alle woningen hebben een aardgasaansluiting. De woningen die dat wel hebben kunnen het aardgas gebruiken voor de volledige warmtevraag van zowel verwarming, warmtapwater als koken. Enkele woningen gebruiken aardgas alleen voor koken (kookgas).

Het aantal woningen en het aantal aansluitingen (alle typen) zijn in onderstaande drie figuren van elektriciteit, aardgas en warmte gegeven.

Figuur B3.1.a: Totaal aantal elektriciteitsaansluitingen per jaar.

Figuur B3.1.b: Totaal aantal aardgasaansluitingen per jaar.

81

Figuur B3.1.cc: Totaal aantal overige aansluitingen per jaar (met Renow-model afgeleide waarde). Dit zijn voor het overgrote deel woningen met een stadswarmte aansluitingen. De totaalgegevens aardgas en elektriciteit in bovenstaande figuren zijn afkomstig van Stedin. De overige data zijn afkomstig van gemeente Utrecht en/of het Renow-model. Alle figuren geven een duidelijk, in de regel gelijkmatige, trend weer van een toenemend aantal woningen en aansluitingen op elektriciteit, aardgas en warmte in de stad Utrecht. Wel duidelijk waarneembaar is de onregelmatigheid in het jaar 2018. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de overgang naar een andere monitoringswijze van Stedin. Bij elektriciteit lijkt dit met name invloed te hebben op het totaal aantal aansluitingen voor de overige objecten. Het aantal aansluitingen voor woningen wordt hier nauwelijks door beïnvloed. Bij de aardgasaansluitingen zien we in 2018 ook een onregelmatigheid. Dit kan dezelfde oorzaak hebben als die bij elektriciteit, echter het kan ook een gevolg zijn van een werkelijke verlaging van aantal aardgasaansluitingen. Deze zou dan gecompenseerd worden door de overige (warmte) aansluitingen (figuur B3.1.c) waar vanaf 2018 een vergelijkbare toename is te zien.

Totaal verbruik van elektriciteit, aardgas en warmte Het energieverbruik is door Stedin gemeten en met behulp van de woninggegevens van gemeente Utrecht en simulatiegegevens uit het Renow-model uitgesplitst naar gebouwen en woningen. In de onderstaande figuren staan de resultaten voor het totale verbruik in de gemeente Utrecht van elektriciteit, aardgas en warmte.

Figuur B3.2.a: Elektriciteitverbruik per jaar. Het totale elektriciteitsverbruik per jaar stijgt gestaag. Alleen in het jaar 2018 is de eenmalige ‘correctie’ te zien die hierboven verklaard is en afkomstig lijkt van een kleiner aantal aansluitingen dat meegeteld wordt. Dit zit met name in de overige gebouwen en de objecten en heeft bijna geen invloed op de woningen. In figuur B3.2.a was een duidelijke toename van woningen te zien in de periode tussen 2013 en heden. Deze stijging zien we niet in het totaalverbruik van woningen waarmee geconcludeerd kan worden dat verbruik per woning af zal nemen (zie volgende paragraaf).

82

Figuur B3.2.b: Aardgasverbruik per jaar, gecorrigeerd voor graaddagen. In tegenstelling tot elektriciteitsverbruik neemt het totale aardgasverbruik van woningen gestaag af. Dit staat los van de dip in 2018 als gevolg van het eerder genoemde aantal aansluitingen. Daarbij valt op dat de daling bij woningen groter is dan bij de overige gebouwen en objecten. Ook valt op bij het totaal verbruik, maar ook bij het woningenverbruik, dat in het jaar 2017 een eenmalige toename zichtbaar is van circa 1,5%. Mogelijke is dit een gevolg van een foutieve correctie door Stedin voor de gemiddelde jaartemperatuur.

Figuur B3.2.c: Warmteverbruik (in m3 aardgasequivalenten per jaar) bestemd voor woningen Het jaarlijkse energieverbruik voor overige warmte (met name stadswarmte) in woningen neemt jaarlijks toe. Dit is een gevolg van het stijgend aantal woningaansluitingen op stadswarmte per jaar. In de twee figuren voor aardgas (B3.2.b) en stadswarmte (B3.2.c) is te zien dat de trend tegengesteld is. Daar waar warmte stijgt, daalt het aardgasverbruik. Er zou geconcludeerd kunnen worden dat het gaat om vervanging van aardgas door stadswarmte. Nader onderzoek is nodig om dit te kunnen bevestigen. Particuliere koopwoningen, aansluitingen en totaal energieverbruik Met de monitoringmethode kan ook afzonderlijk naar particuliere koopwoningen gekeken worden. In onderstaande figuren zijn zowel aantallen woningen en aansluitingen als het totale energieverbruik voor elektriciteit, aardgas en warmte gepresenteerd.

Figuur B.3.3.a: Aantal particuliere koopwoningen en energie-aansluitingen.

83

Figuur B3.3.b: Energieverbruiken per jaar voor particuliere koopwoningen. Let op De aardgas- + warmtelijn telt beide gebruiken op en geeft daarmee het totale verbruik (in m3 aardgasequivalenten). In analogie met het alle woningen in de stad stijgen ook bij de particuliere woningen alle aantallen aansluitingen elektriciteit, aardgas en warmte (figuur B3.3.a). Bij aardgas en warmte is hier in het jaar 2018 wederom de kleine onregelmatigheid te zien (iets verhoogd aantal aansluitingen bij aardgas en in gelijke mate maar een tegenovergestelde waarde bij warmte). In figuur B3.3.b staan de energieverbruiken voor particuliere woningen. De trend van aardgas (licht dalend) en warmte (licht stijgend) telt op tot een vlakke lijn. De afgelopen jaren is dus wel het aantal particuliere woningen gestegen, maar het totale verbruik voor verwarmen, warmtapwater en koken blijft gelijk. Op het gebied van elektriciteitsverbruik voor particuliere woningen zien we wel een ander effect vergeleken bij de groep van alle woningen in de stad. Hier daalt de totale elektriciteitsvraag vanaf 2017 en stijgt vervolgens weer in 2020. Dit kan goed verklaard worden met de sterke toename van zonnepanelen vanaf 2017 in combinatie met het ‘Covid19-effect’ dat zichtbaar is in 2020.

84

Bijlage 4: Voorbeeld Informatiekaarten In dit rapport worden ter illustratie van de mogelijkheden enkele kaarten getoond met resultaten voor de wijk Lombok-West in Utrecht.

1) Huidig energieverbruik Kaarttype 1 geeft een overzicht van alle postcodegebieden in de wijk. Het betreft het werkelijk gemeten energieverbruikverbruik aardgas of elektriciteit. In dit voorbeeld zijn de kaarten voor aardgas gegegeven. Er zijn drie kaarten:

-

Linkerkaart 1.1: Verbruik per m2 gebruiksoppervlakte. De oranje kleuren geven een verbruik/m2 dat hoger ligt dan gemiddelde in de stad (gemiddeld is 13 m3 aeq/m2). De Groene kleuren geven een lager dan gemiddeld verbruik. Middenkaart 1.2: Verbruik per woning in dat gebied. De helder rode kleuren geven een verbruik/woning dat hoger ligt dan gemiddelde in de stad (gemiddeld is 1315 m3 aeq/woning). De helder groene kleuren geven een lager dan gemiddeld verbruik. Rechterkaart 1.3: Totaalverbruik per postcodegebied. De donkerrode kleuren geven een totaalverbruik dat hoger ligt dan gemiddelde in de stad (gemiddeld is 26.300 m3 aeq per PC6-gebied). De donkergroene kleuren geven een lager dan gemiddeld verbruik.

De kaarten van type 1 laten zien waar in de wijk het meeste of minste energieverbruik is. Hiermee zijn analyses uit te voeren. Bijvoorbeeld: - De woningen met een hoog verbruik per m2 (donker oranje kleur in de linker kaart 1.1) hebben een verbruik van meer dan 20 m3 aardgas per m2 gebruiksoppervlakte. Dit is een goede indicatie dat de woning nog een zeer lage energiekwaliteit heeft en nog niet of nauwelijks geisoleerd is. In sommige gevallen zou het ook te maken kunnen hebben met een bijzonder verbruik (bijvoorbeeld voor een winkel of bedrijf aan huis), maar dat zijn de uitzonderingen die daarmee ook direct in beeld zijn. - De woningen met een laag verbruik per woning (helder groene kleuren in middelste kaart 1.2) hebben een verbruik dat minder is dan 1000 m3 per jaar. Dit kan als oorzaak hebben dat het woningblok gemiddeld energiezuinig is. Maar het kan ook als oorzaak hebben dat de woningen relatief klein zijn (en niet-energiezuinig). In de wijk LombokWest komt het met name voor dat de woningen nog een lage energiekwaliteit hebben (oranje op kaart 1.1) maar ook klein zijn (daarom meer groen op kaart 1.2). - De postcodegebieden in Lombok-West zijn relatief kleine gebiedjes vergeleken met het gemiddelde in de stad Utrecht. Daardoor kleurt de rechterkaart 1.3 meer groen/wit dan de kaarten met verbruik per m2 (kaart 1.1) of verbruik per woning (kaart 1.2).

2) Verhouding tussen gemeten en gemiddelde verbruik Kaarttype 2 geeft bijvoorbeeld aan waar de postcodegebieden zijn met een hoger gemeten verbruik dan het verwachte gemiddelde (gewogen naar woningcategorie).

85

De bruine kleuren geven een hoger dan gemiddeld verbruik (tot +60% verschil) en de blauwe kleuren geven een lager dan gemiddeld verbruik (tot -40% verschil). De witte kleur geeft aan dat het gemeten verbruik exact overeenkomt met het gemiddelde (0% verschil). De kaart kan alleen informatie geven in de postcodegebieden waar (bijna) alle woningen een aardgasaansluiting hebben, bijvoorbeeld: - Aan de zuidzijde van de Kanaalstraat (hoofdroute van west naar oost midden door de wijk) zien we enkele blokken woningen met veel hoger dan gemiddeld verbruik. - Ook aan de zuidzijde van de Vleutenseweg (de weg die grenst aan de bovenzijde van de wijk) zien we enkele blokken met hoger dan gemiddeld verbruik. - Bij de JP Coenstraat (de hoofdroute van noord naar zuid midden door de wijk) zien we aan de oostzijde enkele blokken met veel minder dan gemiddel gebruik. Dit kaarttype laat dus zien waar de blokken woningen zijn met een gemeten energieverbruik dat veel hoger of een veel lager is dan verwacht. Een lager dan verwacht verbruik kan komen doordat de bewoners relatief weinig stoken of doordat de woning toch beter geisoleerd is dan het gemiddelde in de betreffende leeftijdsklasse.

Een hoger dan gemiddeld verbruik kan vergelijkbare oorzaken hebben (hogere binnentemperatuur, minder isolatie), maar het kan ook betekenen dat er een bijzonder ander verbruik is (bijvoorbeeld winkel of bedrijf aan huis).

3) Spijtvrije niveau Kaarttype 3 geeft informatie over het energieverbruik voor verwarming, warmwater en koken zodra de woningen alle het ‘Spijtvrije’ niveau bereikt hebben. Voor de oudere woningen kan dit bereikt worden door te gaan investeren in een verbeteringen. Sommige jongere woningen zijn al voldoende geisoleerd en hoeven geen veranderingen. Voor alle postcodegebieden betreft het een gesimuleerd verbruik (zie bijlage 1.2 voor uitleg over berekening Spijtvrij’ niveau). Er zjn 3 kaarten:

86

-

-

Linkerkaart 3.1: Toekomstig energieverbruik per m2 gebruiksoppervlakte. De helder groene kleuren geven erg lage waarden aan tot onder 6m3 aeq per m2. Middenkaart 3.2: Toekomstig verbruik per woning in dat gebied. De groene kleuren laten zien dat het verbruik per woning dan voor de hele wijk onder het huidige gemiddelde ligt. Dit kan zelfs dalen tot een paar 100 m3 aeq per woning (donkerste gebieden), of tot net onder huidige gemiddelde in de stad (lichtgroene gebieden). Rechterkaart 3.3: Totaalverbruik per postcodegebied. De donkergroene kleuren geven een totaalverbruik dat met minder dan 5000 m3 aeq veel lager ligt dan het huidige gemiddelde in de stad.

Deze kaarten laten zien waar in de wijk lage of minder lage toekomstige energieverbruiken gerealiseerd kunnen worden. Bijvoorbeeld laat het zien: - De wijk Lombok-West geeft op kaart 3.1 (verbruik per m2) veel helder groene kleuren. Dit betekent dat de woningen na renovatie een laag verbruik kunnen krijgen. In deze wijk is dat een gevolg van het feit dat het veelal om rijwoningen gaat. In andere wijken, met name met veel vrijstaande woningen, kunnen de kaarten minder groene kleuren hebben, of soms komen er zelfs lichtrode kleuren voor. - De verbeterde woningen hebben bijna alle nog maar weinig energie nodig, zie de donkergroen gekleurde kaart 3.2. Slechts enkele blokken zijn licht groen en hebben een relatief wat hoger verbruik per woning. - Op wijkniveau komen er zelfs nog witte gebieden voor, zie kaart 3.3. Dit geeft aan dat ook na verbeteringen het verbruik nog steeds relatief hoog is en overeen komt met het huidige gemiddelde in de stad. Soms is dit een gevolg van de (relatief grote) omvang van het postcodegebied en soms een gevolg van de woningen die nog een relatief hoog verbruik hebben. Door te vergelijken met de kaart 3.2 kunnen deze conclusies getrokken worden.

4) Besparingspotentieel Kaarttype 4 geeft misschien wel de meest belangrijke informatie door het besparingspotentieel in de wijk in kaart te brengen. Het besparingspotentieel definieren we hier als de besparing die gerealiseerd kan worden door de woning te verbeteren van werkelijk verbruik (kaarttype 2) naar het ‘spijtvrije’ niveau (kaarttype 3). Het resultaat staat in de drie deelkaarten.

-

-

Linkerkaart 4.1: Besparingspotentieel per m2 gebruiksoppervlakte. De donker paarse kleuren geven erg hoge potentielen van boven 20 m3 aeq per m2. Middenkaart 4.2: Besparingspotentieel per woning in dat gebied. De helder blauwe kleuren laten zien dat het potentieel per woning hoog is tot meer dan 2000 m3. De lichtblauwe gebieden geven aan dat er slechts weinig of geen besparingspotentieel bij die woningen is. Rechterkaart 4.3: Totale besparingspotentieel per postcodegebied. De donkerblauwe kleuren geven aan dat er een totaal besparingspotentieel per postcodegebied is dat op kan lopen tot meer dan 25.000 m3. De witte gebieden hebben geen besparingspotentieel.

87

De kaarten laten goed zien of, en zo ja waar in de wijk de grootste besparingspotentielen aanwezig zijn. Bijvoorbeeld laat het zien: - De wijk Lombok-West geeft op kaart 4.1 (verbruik per m2) aan dat er enkele woningen een besparingspotentieel hebben dat gekarakteriseerd wordt met een lichtpaarse kleur, oftewel een potentieel van 5 tot 10 m3 per m2. De eerste besparingen zijn dan al gerealiseerd met als gevolg dat het nog aanwezige besparingspotentieel mogelijk lastig te realiseren is. De meest efficiente maatregelen zijn daarmee al uitgevoerd en bovendien is de ruimte om kosten te besapren daarmee gering. Meer kans is er bij de donkerpaarse gebieden waar het potentieel meer dan 20 m2/m2 is. Daar lijkt dus meer kans aanwezig op een financieel haalbare renovatie. - Veel van de woningen met hoog besapringspotentieel per m2 geven ook een hoog potentieel per woning. De donkerblauwe kleuren in figuur 4.2 geven een potentieel per woning van meer dan 2000 m3. Ook hier wordt verwacht dat met relatief eenvoudige ingrepen grote verbeterslagen gemaakt kunnen worden. Dit zijn de woningen waar financiele ruimte gecreerd kan worden van 20-25.000 euro uit de besparing op de energierekening. - Ook geven de kaarten met besparingspotentielen goed aan waar in de stad de grootste kansen voor opschaling liggen. Dat zijn de gebieden die op kaarttype 4.3 het meest donkerblauw kleuren.

In de voorbeeldwijk Lombok-West zijn hier de nodige van aanwezig.

88

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=28965a7e-2657-40bb-a02c-21e4d9a10f58