Datarapport Beleidsnota Warmte
Tekst van het document
In buurten met minder dan 100 panden is het voorkeursalternatief een individuele oplossingen omdat de veronderstelling is dat voor minder dan 100 panden geen collectieve oplossingen gerealiseerd kan worden. Vervolgens wordt gekeken of in de buurten al panden zijn aangesloten op een bestaand warmtenet. Analyses met het Vesta MAIS model tonen aan dat voor alle panden die binnen 12 meter liggen van dit bestaande warmtenet aansluiting op dit net de optie is met significant lagere nationale kosten (> 20% goedkoper dan tweede alternatief) en aansluiting op het bestaande MT Warmtenet is daarmee
Bijlage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma
60/66
de voorkeursoplossing. Dit betreft panden waarbij de warmteleiding al in de straat ligt. Daaraan worden toegevoegd de panden die volledig worden ingesloten door een bestaande warmtenet en waarbij het aantal panden in dit gebiedje te klein is (<200-300 panden) om een andere collectieve oplossing te realiseren. Deze gebiedjes zijn bepaald op basis van een geografische analyse (zie 2.5.3). Het voorkeursalternatief voor deze panden wordt dan ook aansluiting op het bestaande MT Warmtenet, omdat een andere collectieve oplossing niet realiseerbaar is omdat er al warmte-infrastructuur ligt.. Pandeigenaren hebben altijd de mogelijkheid te kiezen voor een individuele oplossing, en voor sommige woningen kan een individuele oplossing ook de betere keuze zijn. Als na deze stappen voor de buurt nog geen voorkeursvariant is vastgesteld (alle buurten zonder warmtenet en buurten waar na stap 2 nog 200-300 panden gebruik maken van aardgas) wordt gekeken of op basis van de technisch economische analyses met het Vesta MAIS model 1 van de 5 doorgerekende warmteoplossingen significant lagere nationale kosten heeft (> 20% goedkoper dan tweede alternatief). Zo ja, dan wordt dit het voorkeursalternatief voor deze buurt.
Als op basis van technisch economische analyses geen voorkeursalternatief naar voren komt wordt vervolgens gekeken naar de mogelijkheden/kansen voor ruimtelijke inpassing van warmteoplossingen en het isolatieniveau van gebouwen. Daarbij ligt de nadruk op collectieve warmteoplossingen, omdat collectieve oplossingen het beste aansluiten op de ambitie voor een integraal energiesysteem. Bij collectieve oplossingen is er minder gedoe voor mensen achter de voordeur, zijn er meer mogelijkheden om kosten te (her)verdelen, kunnen vraag- en aanbod slimmer gekoppeld worden en is de druk op het elektriciteitsnet minder groot. Deze keuze wordt verder toegelicht in de beleidsnota Warmte. -
-
-
-
Eerst wordt de inpassing van warmte-infrastructuur in de ondergrond beoordeeld. Als inpassing van warmte-infrastructuur “moeilijk” is, dat wil zeggen een warmtenet is moeilijk in te passen bij >30% van de gebouwen in een buurt, dan is na deze stap een individuele oplossing het voorkeursalternatief. Als inpassing van een warmtenet wel haalbaar is (“makkelijk” of “kostenverhogend”) voor >70% van de panden in de buurt, dan wordt de voorkeursoplossing een collectief warmtenet. Bij de laatste afweging wordt op basis van het isolatieniveau van een gebouwen nog bepaald of het voorkeursalternatief een collectief MT of ZLT wordt. Vervolgens wordt gekeken naar de mogelijkheden/kansen voor inpassing van warmteoplossingen binnen de woning. Hier wordt alleen naar woningen gekeken omdat de veronderstelling is dat inpassing in bedrijfsgebouwen een minder groot probleem zal zijn. De kans op inpassing van verschillende warmteoplossingen is gebaseerd op onderzoek van het Energiepaleis (Energiepaleis 2024b). Hierbij is de regel gehanteerd dat wanneer bij een ruime meerderheid ( >70%) van de woningen een individuele warmteoplossing goed inpasbaar is, de voorkeursoplossing voor deze buurt een individuele warmtepomp wordt. Als de inpasbaarheid van warmtepompen moeilijk is (bij >30% van de woningen), dan wordt het voorkeursalternatief een collectief warmtenet.
In de laatste afweging wordt dan vervolgens nog bepaald of het voorkeursalternatief een collectief MT of ZLT wordt. Als in een buurt wel voldoende ruimte is in de woningen voor toepassing van een individuele warmteoplossing en niet voldoende ruimte in de ondergrond, is de voorkeursoplossing een individuele warmtepomp. Het heeft vanuit netbewustheid de voorkeur om bodemwarmtepompen toe te passen. Omdat bodemwarmtepompen efficiënter zijn en een minder grote piek veroorzaken in het elektriciteitsverbruik. Maar, uiteindelijk streven we in deze buurten naar een mix van lucht en bodemwarmtepompen, eventueel kan dit nog deels collectief (mini-warmtenetten). Voor buurten waar een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief is, wordt in de laatste stap gekeken of er buurten zijn waar een duidelijke keuze voor een ZLT net kan worden gemaakt boven een MT net. Om te kunnen koelen moet het afgiftesysteem in de woning geschikt zijn (vloerverwarming), dit gaat vaak samen met woningisolatie. Als indicator voor de geschiktheid van een buurt voor ZLT wordt de huidige mate van isolatie van de woningen in een buurt gebruikt. Als bij een ruime meerderheid (>70%) van de woningen nog maar maximaal 1 m³aeq/m² bespaard hoeft te worden om te kunnen verwarmen op LT niveau dan is de voorkeursoplossing een ZLT buurtwarmtenet.
Anders wordt de voorkeursoplossing voor de buurt aansluiting op MT-stadsbreed warmtenet of een MT
Bijlage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma
61/66
-
buurtwarmtenet, en wordt voor buurten met een hoog risico op hittestress in een latere fase (wijkuitvoeringsprogramma) nader invulling geven aan de koelbehoefte. Tenslotte wordt op basis van de resultaten van de planMER (Antea, 2025) voor de beleidsnota Warmte gekeken of er milieueffecten zijn die voor een buurt aanleiding geven om het voorlopig voorkeursalternatief aan te passen. Dit gaat dan bijvoorbeeld om bodem en ondergrond, drinkwater, natuur (inclusief waterkwaliteit), hittestress en ruimtelijke kwaliteit.
Figuur 20: Beslisboom om voor iedere buurt tot een voorkeursalternatief voor de toekomstige warmteoplossing te komen.
8.3
Resulterend voorkeursalternatief per buurt (WAT-kaart) en beschouwing
Bij het toepassen van de beslisboom op alle buurten resultaat in een kaart met een voorkeursalternatief per buurt (WAT-kaart), zoals getoond in Figuur 21, waarbij geldt: -
Blauw: Aansluiting op een stadswarmtenet (MT). Paars: Aansluiting op een stadswarmtenet (MT) of een buurtwarmtenet (MT). Geel: Individuele warmtepomp (LT).
Bijlage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma
62/66
-
Grijs: Bedrijventerreinen: individuele warmtepomp (eventueel met WKO) of een collectieve warmteoplossing met een gezamenlijke WKO. Groen: Buurten die zo goed als aardgasvrij zijn.
Figuur 21 Voorkeursalternatief voor de warmteoplossing per buurt (WAT-kaart) bij toepassen beslisboom.
8.3.1
Vergelijking met vorige versie WAT-kaart
In de resulterende WAT-kaart hebben alle buurten een voorkeursoplossing. In de Transitievisie Warmte deel 1 en deel 2 uit 2021 was de oplossing voor veel buurten nog onzeker. Verder is in deze WAT-kaart ook een categorie toegevoegd voor buurten die al aardgasvrij zijn en hebben enkele buurten nu een andere voorkeursoplossing. Dit geldt voor de buurten Vleuterweide-Noord/-Oost/-Centrum, VleuterweideWest, Vleuterweide-Zuid, Veldhuizen en de Meern-Noord. Voor Vleuterweide-West, Vleuterweide-Zuid, Veldhuizen en de Meern-Noord. Deze buurten hadden eerst een collectief warmtenet als oplossing, en komen nu op basis van berekening van de nationale kosten uit op een individuele oplossing. Dit komt door de aanpassingen in het Vesta MAIS model zoals die beschreven zijn in 3.4. Voor Vleuterweide-Noord/Oost/-Centrum is het voorkeursalternatief nu een individuele warmtepomp (geel) op basis van het criterium inpasbaarheid van warmtepompen (goed) versus warmtenet (moeilijk). 8.3.2
Gevoeligheidsanalyses
Op de drempelwaarden uit de beslisboom (Figuur 20) zijn gevoeligheidsanalyses uitgevoerd om te onderzoeken hoe gevoelig voorkeursalternatieven in de WAT-kaart zijn voor veranderingen in deze drempelwaarden: -
-
De basis veronderstelling is dat het aantal panden in een buurt dat nog minimaal over moet stappen van aardgas op een duurzaam warmtealternatief om een nieuwe collectieve warmteoplossing te kunnen realiseren ligt tussen de 200-300. Dit aantal is gevarieerd tussen de 100-400 panden. Het verlagen van het minimum aantal heeft geen effect, dus tussen de 100-300 panden levert dit geen andere resultaten op voor het voorkeursalternatief voor een buurt. Het verhogen naar een minimum aantal van 400 panden zorgt ervoor dat de Staatsliedenbuurt van paars naar blauw zou switchen. Dit betekent dat op basis van de berekening van de nationale kosten panden in deze buurt panden die nu nog op aardgas zitten op het al bestaande warmtenet worden aangesloten. Het voorkeursalternatief in deze buurt blijft dus een collectieve warmteoplossing. De basis veronderstelling is dat wanneer in een buurt de nationale kosten voor een warmteoplossing 20% lager ligt dan de warmteoplossing die daarna komt dit het voorkeursalternatief voor een buurt wordt. Bij verhoging van dit percentage naar 30%, is er geen effect op het voorkeursalternatief per
Bijlage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma
63/66
buurt, wat de huidige uitkomsten nog wat significanter maakt. Pas vanaf een percentage van 40% komt in Vleuterweide-Zuid, Veldhuizen en de Meern-Noord een collectieve warmteoplossing op MT niveau (paars) ook als mogelijk alternatief naar boven, en blijft Vleuterweide-Zuid op basis van inpasbaarheid op individueel (geel). Voor de buurten in het buitengebied (bijv. Poldergebied Overvecht, Haarrijn, Maarschalkerweerd en Mereveld), zou dit percentage tot 50% moeten stijgen voordat ook hier collectieve opties in beeld komen. - Voor de inpasbaarheid van het warmtenet is het criterium gehanteerd dat het warmtenet bij minimaal 30% van de woningen moeilijk inpasbaar moet zijn om een individuele optie te overwegen. Dit percentage is gevarieerd tussen de 20-40%. Als voor inpasbaarheid 20% in plaats van 30% wordt gehanteerd dan wordt de voorkeursoplossing voor de buurt Tuindorp/ Van Lieflandlaan-West individueel (geel) in plaats van collectief MT (paars). Andersom, als bij minimaal 40% van de woningen een warmtenet in de straat moeilijk inpasbaar is, dan zou Vleuterweide-Noord/-Oost/-Centrum van individueel (geel) naar paars (MT collectief) switchen. - De drempelwaarde voor inpasbaarheid van warmtepompen is standaard ingesteld op 70%.
Dit wil zeggen dat als het percentage in een buurt lager ligt de inpasbaarheid als moeilijk wordt gezien omdat meer dan 30% van de bewoners hun huis verregaand moet aanpassen. Deze 70% is gevarieerd tussen 60-80%. Bij 60% zou de buurt Tolsteegsingel op een individuele oplossing uitkomen (geel) in plaats van een collectieve MT oplossing (paars). Bij 80% zou de buurt Vleuterweide-Noord/-Oost/Centrum juist van geel (individueel) naar paars (collectief) veranderen. - De inpasbaarheidsdrempelwaardes zijn ook samenhang bekeken. Bij het gelijktijdig aanpassen van de waarden veranderen meer buurten van voorkeursalternatief. Als de inpasbaarheid van de warmtepomp naar 60% gaat en de moeilijke inpasbaarheid van het warmtenet naar maximaal 20% moeilijk gaat het voorkeursalternatief voor Tuindorp/ Van Lieflandlaan-West, Tolsteegsingel, Oud HoogravenNoord, Vleuten en De Meern-Zuid van paars (collectief) naar geel (individueel). Andersom, als de inpasbaarheid zwaarder wordt gewogen (moeilijke inpasbaarheid warmtenet naar 40%, warmtepomp naar 80%) dan gaat opnieuw de buurt Vleuterweide-Noord/-Oost/-Centrum van geel (individueel) naar paars (collectief). - Ten slotte is het standaard percentage van 70% van de woningen wat nog beperkt energie hoeft te besparen om op LT niveau te komen (gegeven in een aardgasbesparing van < 1m3/m2) op 50% gezet.
Dit heeft geen effect op de uitkomst van de analyse. Buurten met een relatief lage besparingsopgave zijn in eerdere stappen al op individueel uitgekomen, of zijn aI (bijna) aardgasvrij zoals in Leidsche Rijn. Een verhoging van het percentage boven de 70% heeft geen effect omdat geen enkele buurt op ZLT uitkomt bij het doorlopen van de beslisboom. Over het algemeen zijn de gekozen drempelwaarden relatief robuust, en veranderen bij een gevoeligheidsanalyse slechts enkele buurten van voorkeursalternatief. Voor deze buurten is het wel relevant om in het wijkuitvoeringsplan extra aandacht te geven aan mogelijke uitzonderingen op het voorkeursalternatief.
Bijlage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma
64/66
BIJLAGE 1: VERGELIJKING MET STARTANALYSE 2025 Na het gereedkomen van de data-analyses voor de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma is door PBL een actualisatie van de Startanalyse gepubliceerd (PBL, februari 2025). Door gevoeligheidsanalyses uit te voeren met de versie van Vesta MAIS die gebruikt is voor onze data analyses zijn de grootste wijzigingen (zoals andere kosten voor warmtepompen) al meegenomen. Per buurt is een check uitgevoerd waarbij de onze uitkomsten per buurt zijn vergeleken met de uitkomsten de nieuwe startanalyse. Hieruit volgen een aantal observaties: - De nieuwe nationale kosten kaart voor Utrecht uit de Startanalyse laat zien dat de meeste buurten op basis van nationale kosten niet onderscheidend zijn (<20% verschil in nationale kosten tussen het goedkoopste en daaropvolgende alternatief). Deze conclusie komt overeen met de analyses in dit datarapport. Wij hebben daarom andere factoren, zoals ruimtebeslag in de woning of netbewustheid mee laten wegen in de keuze voor een voorkeursalternatief (zie beslisboom in HS8). - Enkele buurten (4) komen in de Startanalyse op een collectieve oplossing, dit volgt ook uit de analyses in dit datarapport. - Enkele buurten komen in de Startanalyse op een hybride warmtepomp met groen gas/waterstof. Deze strategie hebben wij niet meegenomen in onze analyses.
Deze buurten liggen in de Startanalyse zo verspreid door de stad dat het niet logisch zou zijn om alleen naar deze buurten in de toekomst nog gas te transporteren omdat daarvoor in vrijwel de hele stad het gasnetwerk zou moeten blijven liggen. Als duurzaam gas uit de vergelijking wordt gehaald, liggen in de Startanalyse ook in deze buurten de oplossingen dichtbij elkaar (<20% verschil in nationale kosten) of is de keuze voor een collectief warmtenet (S2 variant in de termen van PBL) de goedkoopste oplossing. Dit komt overeen met onze analyses. - Veel bedrijventerreinen komen in de Startanalyse uit op een variant van een LT oplossing (S3 variant in de termen van PBL), dat komt ook overeen met onze analyses en keuzes. - De buurten waar in onze analyse een all-electric oplossing naar voren komt, zijn in de geactualiseerde startanalyse niet onderscheidend in kosten. In deze buurten zitten echter de kosten voor all-electric (S1 variant in termen van PBL) en een ZLT-net (S3 in de termen van PBL) dicht bij elkaar, maar valt een MT warmtenet op basis van kosten nog steeds af (>20% duurder). Verder geldt dat de in de S3 varianten een groot percentage van de panden (70-95%) alsnog een individuele elektrische warmtepomp heeft.
De uitkomsten ondersteunen ook hier het voorkeursalternatief op basis van onze analyses voor deze buurten: een individuele oplossing waarbij de mogelijkheid voor kleine collectieve oplossingen (gedeelde bodemlus of klein ZLT-net) nog kan worden bekeken.
Bijlage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma
65/66
BIJLAGE 2: UITGEVOERDE ONDERZOEKEN -
BIJLAGE A: Het Energiepaleis (2024a) Energiedata Utrecht BIJLAGE B: KWR (2024) Bodemenergie voor warmtelevering in de Gemeente Utrecht: De huidige en toekomstige potentie in kaart BIJLAGE C: Het Energiepaleis (2024b) Ruimtelijke inpasbaarheid warmtevoorziening in gebouwen (december 2024)
Bijlage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma
66/66