Concept Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht (geactualiseerde versie).pdf
Tekst van het document
Concept Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht De raad van de gemeente Utrecht; -
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van <datum>; gelet op de artikelen 84, 149 en 154 van de Gemeentewet.
gezien het advies van de referendumcommissie van 23 maart 2023 ‘Vernieuwde referendumverordening en nadere regel’
-
gezien het advies van de commissie Veiligheid, Bestuur en Financiën van <datum>
Besluit de volgende verordening vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Definities - centraal stembureau: het stembureau dat voor de gemeenteraadsverkiezingen wordt ingesteld als bedoeld in artikel E 19 van de Kieswet;
-
kiesgerechtigde: diegene die stemrecht heeft voor de verkiezing van de leden van de raad;
-
raad: de gemeenteraad; raadsbeslissing: een schriftelijke beslissing van de raad, met uitzondering van moties en niet aangenomen voorstellen;
-
raadgevend referendum: volksraadpleging waarbij de kiesgerechtigden zich op initiatief van één of meer kiesgerechtigden kunnen uitspreken over een raadsbeslissing;
-
referendumcommissie: een commissie van advies en toezicht als bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet;
-
voorzitter centraal stembureau: de burgemeester van de gemeente Utrecht als bedoeld in artikel E 19 van de Kieswet.
1
Artikel 1:2 Het raadgevend referendum
1. Een raadgevend referendum wordt gehouden als het inleidend verzoek en het daaropvolgend definitief verzoek zijn toegelaten.
2. Onderwerp van een raadgevend referendum is een raadsbeslissing met uitzondering van beslissingen:
a. over individuele kwesties, zoals benoemingen, schorsingen, kwijtscheldingen of schenkingen;
b. tot vaststelling of wijziging van de rechtspositionele regeling van politieke ambtsdragers;
c. over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardelijke
regelingen en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie;
d. over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor politieke ambtsdragers, gewezen politieke ambtsdragers en hun nabestaanden;
e. over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en rekening, de f.
gemeentelijke tarieven of de beslissingen ten aanzien van belastingen; tot vaststelling, wijziging of intrekking van een bestemmingsplan,
voorbereidingsbesluiten, beheersverordening, verklaring van geen bedenkingen benodigd voor (wabo-)projectbesluiten en het exploitatieplan;
g. in het kader van deze verordening;
h. inzake bezwaar- of beroepsprocedures of rechtsgedingen; i.
j.
in het kader van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a van de Wet algemene regels herindeling;
k. ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever l.
waarbij de raad geen beleidsvrijheid heeft;
waarbij naar het oordeel van de raad geen raadgevend referendum kan worden gehouden in verband met dringende redenen;
m. in het kader van geheimhouding;
n. in het kader van de Wet open overheid;
o. over het interne functioneren en werkwijze van de raad, commissies, rekenkamer en ombudsloket, alsmede daarmee samenhangende reglementen en verordeningen;
p. die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een raadgevend referendum is of kon worden gehouden;
q. waarbij op grond van artikel 6, tweede lid, Huisvestingswet afstemming is vereist met de Woningmarktregio en de uitvoering op regionaal niveau gelijkluidend is.
2
Artikel 1:3 Inwerkingtreding
1. Een raadsbeslissing waarover een raadgevend referendum kan worden gehouden, treedt in werking vijf weken na de dag van publicatie van de raadsbeslissing.
2. De termijn, genoemd in het eerste lid, schort op met ingang van de dag nadat een
besluit bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, is genomen om een inleidend verzoek toe te laten. De opschorting wordt zo spoedig mogelijk kenbaar gemaakt op of bij de gepubliceerde raadsbeslissing en vermeldt de reden van opschorting.
3. De opschorting, genoemd in het tweede lid, eindigt op de dag nadat:
a. de termijn, genoemd in artikel 2:2, derde lid voor het indienen van een definitief verzoek is verstreken en binnen die termijn geen definitief verzoek is ingediend;
b. een besluit, bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, is genomen tot afwijzing van het definitieve verzoek;
c. het centraal stembureau heeft vastgesteld dat de uitslag van een raadgevend
referendum niet heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing van de raadsbeslissing en de raad hiervan in kennis heeft gesteld als bedoeld in artikel 3:4, derde lid.
4. Het beëindigen van de opschorting wordt zo spoedig mogelijk kenbaar gemaakt op of bij de gepubliceerde raadsbeslissing en vermeldt de reden van beëindiging.
Artikel 1:4 Directe inwerkingtreding van referendabele raadsbeslissingen
1. Indien de inwerkingtreding van een raadsbeslissing waarover een raadgevend
referendum kan worden gehouden, geen uitstel kan lijden, kan onder verwijzing naar dit artikel in de raadsbeslissing de inwerkingtreding in afwijking van artikel 1:3
worden geregeld, onverminderd de mogelijkheid om over de raadsbeslissing een raadgevend referendum te houden.
2. Indien over een raadsbeslissing als bedoeld in het eerste lid een raadgevend
referendum wordt gehouden en onherroepelijk is vastgesteld dat dit heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, wordt zo spoedig mogelijk beslist of een
raadsvoorstel wordt ingediend tot het al dan niet intrekken van de raadsbeslissing.
3
Hoofdstuk 2 Van verzoek tot besluit Artikel 2:1 Stap 1: het inleidend verzoek
1. Iedere kiesgerechtigde kan schriftelijk of elektronisch een inleidend verzoek indienen bij de voorzitter van het centraal stembureau.
2. Een inleidend verzoek tot het houden van een raadgevend referendum wordt ondersteund door ten minste 1.000 geldige ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden.
3. Het inleidend verzoek moet zijn ingediend uiterlijk drie weken na de dag waarop de raadsbeslissing is gepubliceerd.
4. Geldige ondersteuningsverklaringen behorend bij een inleidend verzoek gelden uitsluitend voor dat inleidend verzoek.
Artikel 2:2 Stap 2: het definitieve verzoek
1. Nadat het inleidend verzoek is toegelaten, kan iedere kiesgerechtigde schriftelijk of elektronisch een definitief verzoek indienen bij de voorzitter van het centraal stembureau.
2. Een definitief verzoek tot het houden van een raadgevend referendum wordt
ondersteund door ten minste 10.000 geldige ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden.
3. Het definitieve verzoek moet zijn ingediend uiterlijk zes weken na de dag waarop de voorzitter van het centraal stembureau het besluit tot het toelaten van het inleidend verzoek bekend heeft gemaakt.
Artikel 2:3 De ondersteuningsverklaringen
1. Een kiesgerechtigde mag maximaal één ondersteuningsverklaring per verzoek indienen.
2. Een ondersteuningsverklaring mag schriftelijk of elektronisch worden ingediend.
3. Een ondersteuningsverklaring bevat de voorletters, achternaam, adres, woonplaats en geboortedatum van de kiesgerechtigde. Naast deze gegevens bevat een ondersteuningsverklaring een handtekening van de kiesgerechtigde.
Artikel 2:4 Beoordeling van het inleidend verzoek en definitieve verzoek 1. Het verzoek wordt afgewezen als:
a. het een raadsbeslissing betreft dat is uitgezonderd als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid;
b. het aantal geldige ondersteuningsverklaringen minder bedraagt dan vereist is voor het betreffende verzoek;
c. het is ingediend buiten de voor het desbetreffende verzoek gestelde termijn; of: d. het is ingediend door een niet-kiesgerechtigde.
2. Ongeldig is een ondersteuningsverklaring die:
a. is ingediend buiten de voor het desbetreffende verzoek gestelde termijn; b. afkomstig is van een persoon die niet kiesgerechtigd is; of: c. niet volledig en correct is ingevuld.
4
Artikel 2:5 Steekproef ondersteuningsverklaringen definitieve verzoek
1. Ondersteuningsverklaringen die niet op grond van artikel 2:4, tweede lid, onderdeel a, ongeldig zijn verklaard, worden gecontroleerd via een steekproef. De steekproef wordt getrokken uit alle geldige ondersteuningsverklaringen op één lijst als één
groep, waarbij de kans voor elke geldige ondersteuningsverklaring om deel uit te maken van de steekproef even groot is.
2. De omvang van de steekproef wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: S = (4147,36 x Y) / (4146,36 + Y), waarbij:
S = het aantal ondersteuningsverklaringen dat voor een steekproef is geselecteerd; Y = het totaal aantal ondersteuningsverklaringen dat niet op grond van artikel 2:4, tweede lid, sub a ongeldig is verklaard.
3. De ondersteuningsverklaringen die worden gebruikt voor de steekproef worden op aselecte wijze geselecteerd.
4. Het aantal in de steekproef aangemerkte ondersteuningsverklaringen wordt uitgedrukt als een percentage van het totaal aantal geverifieerde ondersteuningsverklaringen.
5. Het totaal aantal geldige ondersteuningsverklaringen is het totaal aantal
ondersteuningsverklaringen die niet op grond van artikel 2:4, tweede lid, ongeldig zijn verklaard, vermenigvuldigd met het percentage, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 2:6 Het besluit op het inleidend verzoek en definitieve verzoek
1. De voorzitter van het centraal stembureau besluit of een verzoek wordt toegelaten of afgewezen binnen twee weken na de dag waarop het verzoek is ingediend.
2. De voorzitter van het centraal stembureau maakt het besluit zo spoedig mogelijk openbaar op de gemeentelijke website.
5
Hoofdstuk 3 Procedure voorbereiding, stemming en uitslag Artikel 3:1 De Kieswet is zoveel mogelijk van toepassing Op de procedure ter voorbereiding, stemming en uitslag van het raadgevend referendum
zijn bepalingen uit de hoofdstukken E, paragrafen 2, 3 en 5, J, L, N, paragrafen 1 en 4, Na en P, paragrafen 1 en 4 van de Kieswet zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing, voor zover bij of krachtens deze verordening niet anders is bepaald, met dien verstande dat ‘de
dag van de kandidaatstelling’ in de van de overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen uit de Kieswet gelezen wordt als ‘de vierenveertigste dag voor de dag van de stemming’.
Artikel 3:2 Datum stemming
1. Burgemeester en wethouders bepalen de dag waarop de stemming over het raadgevend referendum wordt gehouden.
2. Als dag van stemming wordt een woensdag aangewezen binnen een termijn die
aanvangt op de vijfentachtigste dag en eindigt zes maanden na de dag waarop de
voorzitter van het centraal stembureau het besluit heeft genomen tot toelating van
het definitieve verzoek. Als dag van stemming kan geen algemeen erkende feestdag of dag in juli of augustus worden aangewezen.
3. Als binnen de in het tweede lid bedoelde termijn een stemming plaatsvindt voor: a. een verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; b. een verkiezing voor de leden van provinciale staten van Utrecht; c. een verkiezing voor de leden van het algemene bestuur van
Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden of van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;
d. een verkiezing voor de leden van de raad;
e. een verkiezing voor de leden van het Europees Parlement, of; f.
een ander raadgevend referendum op basis van deze verordening,
wordt de dag van die stemming aangewezen als dag van de stemming voor het raadgevend referendum.
Artikel 3:3 Vraagstelling
1. De voorzitter van het centraal stembureau stelt zo spoedig mogelijk na het toelaten van het definitieve verzoek de vraagstelling vast. Dit doet de voorzitter van het
centraal stembureau nadat de referendumcommissie heeft geadviseerd over de vraagstelling.
2. Aan kiesgerechtigden wordt de vraag voorgelegd of zij voor of tegen de raadsbeslissing zijn.
3. De vraagstelling met de antwoordmogelijkheden wordt aan het adres van de kiesgerechtigden bezorgd.
6
Artikel 3:4 Vaststelling uitslag
1. Het centraal stembureau berekent de uitslag van het raadgevend referendum en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen de raadsbeslissing zijn uitgebracht alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht.
2. Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen de raadsbeslissing heeft gestemd waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
3. Het centraal stembureau stuurt het proces-verbaal met de uitslag onverwijld toe aan de raad waarna het proces-verbaal met de uitslag zo spoedig mogelijk wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website.
Artikel 3:5 Vervolg uitslag
1. Als de uitslag van het raadgevend referendum niet afwijzend is, treedt de
raadsbeslissing in werking zoals bepaald in artikel 1:3, derde lid, aanhef en onderdeel c.
2. Als de uitslag van het raadgevend referendum afwijzend is, vergadert de raad zo
spoedig mogelijk over het gevolg van de uitslag en het al dan niet inwerkingtreden van de raadsbeslissing.
Hoofdstuk 4 Referendumcommissie Artikel 4:1 Samenstelling
1. De raad stelt een referendumcommissie in en benoemt haar leden. De raad kan ook plaatsvervangende leden benoemen.
2. De referendumcommissie bestaat uit drie leden; deze drie leden kiezen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
3. De leden en plaatsvervangende leden kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen van de gemeente.
4. De leden en plaatsvervangende leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Herbenoeming is tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar mogelijk.
5. De leden van de referendumcommissie kunnen ieder moment ontslag nemen. Degenen die ontslag nemen, blijven tot maximaal zes maanden na datum
ontslagneming hun functie waarnemen totdat in opvolging is voorzien. Zij zijn nog dertig dagen nadat in hun opvolging is voorzien, bevoegd om aan de behandeling van ten tijde van hun aftreden of ontslag lopende zaken deel te nemen.
6. De leden van de referendumcommissie ontvangen een vergoeding op grond van het rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
7. Het secretariaat van de referendumcommissie wordt vervuld door een ambtelijk
secretaris. De secretaris wordt aangewezen door de burgemeester en wethouders en staat bij de vervulling van zijn taak onder leiding van de voorzitter van de referendumcommissie.
Artikel 4:2 Advies en toezicht
1. De referendumcommissie kan op eigen initiatief of op verzoek van de raad, voorzitter van het centraal stembureau of burgemeester en wethouders advies uitbrengen over
7
aanpassingen van deze verordening, over de bij de referenda en
referendumverzoeken te volgen procedure, de vraagstelling en alle overige zaken die het raadgevend referendum betreffen en die zij van belang acht.
2. De referendumcommissie brengt advies uit binnen een termijn van vier weken met inachtneming van een minimumtermijn van twee weken.
3. Burgemeester en wethouders stelt aan de referendumcommissie de voor de advisering benodigde stukken onverwijld ter beschikking.
4. De referendumcommissie houdt toezicht op de uitvoering van deze verordening en het neutrale karakter van de door burgemeester en wethouders te verstrekken voorlichting over het raadgevend referendum.
Artikel 4:3 Klachten
1. De referendumcommissie behandelt klachten in het kader van de toezichtstaak zoals genoemd in artikel 4:2, vierde lid.
2. De referendumcommissie brengt terstond advies uit als een ingediende klacht zo
ernstig is, dat de gedraging of de publicatie waarop de klacht betrekking heeft, moet worden gestaakt.
3. Voor het onderzoek in het kader van de klachtbehandeling kan de
referendumcommissie alle informatie die zij nodig acht, opvragen bij burgemeester en wethouders, voorzitter van het centraal stembureau en de raad. Zij verlenen de referendumcommissie terstond iedere medewerking.
4. De hoorzitting voor de behandeling van klachten is openbaar.
5. De klager of zijn gemachtigde wordt ten minste twee weken voordat de hoorzitting
van de referendumcommissie plaatsvindt, schriftelijk uitgenodigd om aldaar aanwezig te zijn.
6. De voorzitter van de referendumcommissie kan leden van het college van
burgemeester en wethouders dan wel ambtenaren of anderen uitnodigen aanwezig te zijn op de hoorzitting om informatie te verstrekken.
7. Aan een hoorzitting nemen ten minste twee leden van de referendumcommissie deel. 8. De referendumcommissie beraadslaagt achter gesloten deuren over de gegrondheid van de klacht.
9. De referendumcommissie neemt binnen vier weken na ontvangst van de klacht een schriftelijke beslissing en zendt dit onverwijld toe aan de klager of dienst gemachtigde alsmede aan de beklaagde.
10. De referendumcommissie maakt de beslissing op de klacht openbaar, tenzij het
openbaar belang zich verzet tegen openbaarmaking of openbaarmaking in het kader van artikel 5.1 van de Wet open overheid achterwege dient te blijven.
Artikel 4:4 Vergadering en openbaarmaking
1. De referendumcommissie vergadert in beslotenheid.
2. De adviezen van de referendumcommissie zijn openbaar tenzij het openbaar belang zich verzet tegen openbaarmaking of openbaarmaking in het kader van artikel 5.1 van de Wet open overheid achterwege dient te blijven.
3. Indien er sprake is van een advies op verzoek van de raad, voorzitter van het centraal stembureau of burgemeester en wethouders kunnen nadere afspraken worden
gemaakt met de referendumcommissie over het moment van openbaarmaking, tenzij
8
het openbaar belang zich daartegen verzet als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.
4. Het advies van de referendumcommissie als bedoeld in artikel 3:3 eerste lid wordt openbaar met de vaststelling van de vraagstelling.
Hoofdstuk 5 Straf- en slotbepalingen Artikel 5:1 Strafbepaling
Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die:
a. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het
oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; b. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of
vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken;
c. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
d. als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden;
e. door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem;
f. stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen
te bewegen het formulier op hun stempas, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven.
9
Artikel 5:2 Overgangsbepalingen
1. Op een reeds lopende referendumprocedure is de Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht 2017 van toepassing.
2. De leden van de referendumcommissie die op grond van de Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht 2017 door de raad zijn benoemd, worden geacht
tevens te zijn benoemd in de referendumcommissie op grond van deze verordening, zulks voor de zittingsperiode zoals in hun benoemingbesluit is aangegeven.
Artikel 5:3 Intrekking De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht 2017 wordt ingetrokken.
Artikel 5:4 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking in het gemeenteblad.
Artikel 5:5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van <datum>. De burgemeester,
Sharon A.M. Dijksma De griffier,
Merel van Hall
10
11
Informatieve toelichting bij Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht Algemeen Wettelijk kader
Op grond van de bepalingen in de Grondwet en de Gemeentewet hebben gemeenten de
mogelijkheid tot het houden van een referendum over een genomen besluit. Gemeenten zijn
vrij in hoe ze dit regelen zolang dit niet tegen de wet, zoals de Grondwet en de Gemeentewet ingaat.
Correctief referendum: referendum na een raadsbeslissing
De termen ‘correctief’ en ‘niet correctief’ geven aan op welk moment in het
besluitvormingsproces het referendum plaatsvindt. Het raadgevend referendum in deze
verordening is een referendum dat na besluitvorming in de raad plaatsvindt. De gemeente
Utrecht kiest daarmee voor een correctief referendum. Dat wil zeggen dat een referendum kan worden gehouden over een genomen raadbeslissing. Geen bindende werking
Een referendum is een advies van kiesgerechtigden aan de raad over een genomen besluit. Bindende referenda zijn niet toegestaan. De raad kan zich niet van tevoren binden aan de uitspraak van het referendum. Bevoegdheid
De bevoegdheid van de raad om een referendumverordening vast te stellen, vloeit voort uit
de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet. Deze bepalingen geven de raad een algemene verordenende bevoegdheid. Samenloop met inspraak
Onderwerpen waarover referenda kunnen worden gehouden, zijn vaak reeds via wettelijk
bepaalde inspraakmogelijkheden aan de inwoners voorgelegd. Een referendum kan niet in de plaats treden van voorgeschreven inspraakmogelijkheden. Het wel of niet houden van een referendum heeft geen invloed op de voorgeschreven inspraakprocedures. Initiatief tot het houden van een raadgevend referendum
Kiesgerechtigden kunnen het initiatief nemen tot het indienen van een verzoek tot houden van een raadgevend referendum.
12
ARTIKELSGEWIJZE toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities
Kiesgerechtigde
Degenen die kiesgerechtigd zijn voor de gemeenteraadsverkiezing zijn ook gerechtigd om een inleidend en definitief verzoek in te dienen. Daarnaast mogen kiesgerechtigden een
ondersteuningsverklaring indienen ter ondersteuning van een verzoek. De artikelen B3 tot en met B6 en D1, D6, eerste lid, onderdeel a, D7, D8, D9 aanhef en onderdeel b en D10, Kieswet zijn hierbij van toepassing.
Raadgevend referendum
Deze verordening gaat uit van een raadgevend referendum op initiatief van een
kiesgerechtigde over een genomen raadsbeslissing. Dit geeft aan dat het moet gaan om
beslissingen die behoren tot de bevoegdheid van de raad. Een raadgevend referendum kan dus niet worden gehouden over beslissingen die behoren tot de bevoegdheid van de burgemeester of van het college van burgemeester en wethouders. Een raadgevend
referendum kan evenmin worden gehouden indien daarmee een eventuele opgelegde geheimhouding wordt geschonden.
Raadsbeslissing
Alleen schriftelijke beslissingen van de raad kunnen onderwerp van een raadgevend
referendum zijn. Dit is een bredere definitie dan het besluitbegrip als vastgelegd in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit brengt onder andere met zich mee dat
beslissingen die niet gericht zijn op rechtsgevolg, zoals visiedocumenten ook referendabel zijn. Moties zijn dat gelet op de definitie niet alsmede niet aangenomen (verworpen)
(initiatief)voorstellen. Dergelijke beslissingen veranderen op zich niets in een bestaande situatie.
Zie ook de toelichting bij artikel 3:3.
Voorzitter centraal stembureau
De voorzitter van het centraal stembureau is krachtens publiekrecht ingesteld en heeft
middels attributie ook bevoegdheden gekregen. De voorzitter van het centraal stembureau is daarmee een bestuursorgaan. De voorzitter van het centraal stembureau kan over enkele technisch-juridische zaken beslissingen nemen. Artikel 1:2 Onderwerp
Een raadgevend referendum kan zich niet uitstrekken tot buiten het grondgebied van de gemeente waarin een raadgevend referendum wordt gehouden.
13
Een aantal raadsbeslissingen is uitgezonderd. Hierover kan dus geen raadgevend
referendum worden gehouden. Deze uitzonderingen staan in het tweede lid van dit artikel. Een aantal van de uitzonderingen behoeft een nadere toelichting.
Onderdeel a
Aanwijzingsbesluiten waarin een concrete functionaris wordt aangewezen wordt eveneens gezien als een individuele kwestie en valt daarmee onder deze uitzonderingsgrond.
Onderdeel e
In verband met het budgetrecht van de raad zijn raadsbeslissingen in het kader van de gemeentelijke begroting en de gemeentelijke rekening uitgezonderd. Daarnaast is de
vaststelling van gemeentelijke tarieven opgenomen als uitzonderingsgrond. Alle beslissingen ten aanzien van belastingen zijn eveneens uitgezonderd. Het gaat hierbij onder andere over de introductie en vaststelling van belastingen.
Onderdeel f
Onder bestemmingsplan wordt mede verstaan een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor zover het de ruimtelijke ordening betreft. Vooruitlopend op de komst van het omgevingsplan en de Omgevingswet kunnen gemeenten experimenteren met het
bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is een experiment onder de werking van de Crisis- en herstelwet.
Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte betreft één integraal plan, waarin niet alleen regels over 'goede ruimtelijke ordening' zijn opgenomen, maar waar net als onder de
Omgevingswet de fysieke leefomgeving centraal staat. Dit betekent dat in het plan regels
kunnen worden opgenomen over o.a. het waarborgen van de veiligheid, gezondheid, milieu,
welstand, natuurbescherming en duurzaamheid. Zo kan de overheid zich voorbereiden op de integrale aanpak die met het omgevingsplan zal zijn vereist.
Onderdeel i
Deze uitzondering regelt onder andere dat besluiten tot toetreding, uittreding, wijziging en zienswijzen van een gemeenschappelijke regeling niet referendabel zijn. Aangezien de
gemeentelijke begroting en rekening uitgesloten zijn van een raadgevend referendum (sub
e) is het logisch ook de (financiële) stukken van gemeenschappelijke regelingen uit te sluiten van een raadgevend referendum. Onderdeel i moet zodanig worden geïnterpreteerd dat alle
stukken van gemeenschappelijke regelingen waarvoor een raadsbeslissing nodig is, onder de uitzondering valt. Er heerst namelijk bij het bestuurlijk besluitvormingsproces van dergelijke stukken een zeer grote tijdsdruk die ook bij herhaling vraagt om maatwerk en medewerking van bestuurders.
Onderdeel k
De raad neemt soms besluiten omdat hogere regelgeving dat vereist of mogelijk maakt. Als de raad daarbij geen beleidsvrijheid heeft, dan is er ook geen ruimte om een raadgevend referendum over dergelijke besluiten te houden.
14
Onderdeel l
Een beroep op deze uitzonderingsgrond vergt een expliciete belangenafweging van de raad met een zware motiveringsplicht. Het belang van de raadsbeslissing moet zwaarder wegen dan het belang van de mogelijkheid om een raadgevend referendum te houden. De referendumcommissie heeft overigens een belangrijke rol bij de advisering over de
toepassing van met name deze uitzonderingsgrond. Omdat de raad beoordelingsvrijheid heeft, toetst de rechter terughoudend (ECLI:NL:RVS:2014:1402). Zie verder voor de
toepassing van een vergelijkbare maar ruimere uitzonderingsgrond ECLI:NL:RVS:2017:2878: de raad kon in redelijkheid tot het oordeel komen dat het inleidend verzoek moest worden afgewezen. In ECLI:NL:RBNHO:2017:11154 oordeelde de rechter dat de raad niet afdoende
had gemotiveerd dat er dringende redenen waren. Ook in ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8972, had de raad niet afdoende gemotiveerd waarom er zwaarwegende redenen waren om geen
referendum te houden. De rechter overwoog bovendien dat het simpele ontbreken van
politieke bereidheid om een referendum te houden zich niet verhoudt met de aard van het referendum.
Een dringende reden zou kunnen zijn dat het belang van het raadgevend referendum naar
oordeel van de raad niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving. Raadsbeslissingen waarbij deze
verantwoordelijkheid speelt, vloeien vaak voort uit wet- en regelgeving waarin kwetsbare groepen de doelgroep zijn of waarin de raad een verantwoordelijkheid heeft voor de
uitvoering van zorg, opvang en huisvesting en een stelselverantwoordelijkheid heeft voor voorzieningen Bij kwetsbare groepen kan gedacht worden aan: -
Iedereen die zorg, opvang of groepshuisvesting nodig heeft op basis van de
genoemde gemeentelijke regelgeving (en hogere wet- en regelgeving), waartoe te rekenen (niet limitatief): o o o
Vluchtelingen; Daklozen;
Kwetsbare personen waarbij sprake is van een combinatie van verslaving, licht verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek;
o
Uitstromers uit instituties (psychiatrie, verslavingsklinieken, detentie).
15
Een andere reden zou kunnen zijn dat de besluitvorming het uitstel van een raadgevend referendum niet kan lijden, bijvoorbeeld omdat anders fatale termijnen zouden worden overschreden, besluitvorming nodig is om het hoofd te kunnen bieden aan plotselinge
(onwenselijke) ontwikkelingen of omdat besluitvorming noodzakelijkerwijs volgt uit eerdere besluitvorming.
Onder een dringende redenen wordt mede verstaan de situatie waarbij de uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege spoedeisende gemeentelijke belang. Spoedeisendheid kan
bijvoorbeeld aan de orde zijn in het kader van openbare orde en veiligheid. Denk hierbij aan de bekrachtiging van een noodverordening.
Het te laat beginnen met (de voorbereiding van) het besluitvormingsproces valt niet onder deze uitzonderingsgrond, tenzij sprake is van overmacht.
Onderdeel m
De uitzonderingsgrond ziet toe op besluiten vanwege geheimhouding. Besluiten alleen
vanwege opleggen/opheffen/voortzetten van geheimhouding zijn hiermee niet referendabel. Een referendum over een beslispunt dat geheim is kan evenmin.
Onderdeel o
De uitzonderingsgrond ziet toe op bijvoorbeeld het reglement van orde, gedragscodes en
werkwijzen van raadscommissies. Deze uitzonderingsgrond omvat tenminste beslissingen
van de raad op grond van de volgende artikelen uit de Gemeentewet: 15, derde lid, 16, 33,
derde lid, 41c, tweede lid, 60, eerste lid, 69, tweede lid, 81, eerste lid, 82, 83, 84, 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 97, 107, eerste lid, 107a, tweede lid, 155a.
Onderdeel q
Het gaat hierbij om raadsbeslissingen waarbij op grond van artikel 6, tweede lid van de Huisvestingswet is vereist dat deze in regionaal verband zijn afgestemd. Denk hierbij
bijvoorbeeld aan de huisvestingsverordening. De Huisvestingswet vereist namelijk regionale afstemming bij de totstandkoming van de huisvestingsverordening. De woningmarktregio Utrecht bestaat uit 17 gemeenten, die werken met een gelijkluidende tekst van de
Huisvestingsverordening, waardoor afwijkingen per gemeente onwenselijk zijn, met name
voor de uitvoeringsorganisaties. Bijvoorbeeld voor de woonruimteverdeling is het van belang
dat een verordening of een wijziging daarvan in alle regiogemeenten gelijk in werking treedt. Er is namelijk sprake van een samenhangend regionaal stelsel.
Artikel 1:3 Inwerkingtreding
Eerste lid
Deze bepaling stelt de inwerkingtreding van een genomen raadsbeslissing waarover een
raadgevend referendum gehouden kan worden, uit. De raadsbeslissing wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website in het openbare gedeelte van het raadsinformatiesysteem.
Iedereen kan er dan kennis van nemen en kiesgerechtigden krijgen de tijd om een eventueel
16
inleidend verzoek tot het houden van een raadgevend referendum in te dienen. Komt er
geen inleidend verzoek of wordt dat verzoek afgewezen, dan treedt de beslissing alsnog in werking 5 weken na de dag waarop het is gepubliceerd.
Tweede lid
Dit lid regelt dat de inwerkingtreding van een raadsbeslissing verder wordt uitgesteld
(opgeschort) als een inleidend verzoek tot het houden van een raadgevend referendum is toegelaten.
Derde lid
Op een aantal momenten waarop duidelijk is dat het referendumproces geen verder vervolg krijgt, kan een raadsbeslissing alsnog in werking treden. De onderdelen a en b van dit lid
voorzien hierin. Op het moment dat de opschorting van de inwerkingtredingstermijn eindigt, treedt de betreffende raadsbeslissing alsnog in werking. Onderdeel c voorziet in
inwerkingtreding als duidelijk is dat de uitslag van het raadgevend referendum niet heeft
geleid tot een afwijzende uitspraak (ofwel er is ‘voor’ de raadsbeslissing gestemd). In dat geval eindigt de opschorting niet onmiddellijk nadat het centraal stembureau die uitslag heeft vastgesteld, maar pas nadat de raad van die uitslag in kennis is gesteld en de beëindiging van de opschorting bekend is gemaakt.
Indien een raadgevend referendum is gehouden en de uitspraak is afwijzend (oftewel er is
‘tegen’ de raadsbeslissing gestemd), dient gekeken te worden naar artikel 3:5, tweede lid. In deze situatie is het namelijk aan de raad om te bepalen welk gevolg wordt gegeven aan de raadgevende uitspraak.
Artikel 1:4 Directe inwerkingtreding van een referendabele raadsbeslissingen
Dit artikel regelt de directe inwerkingtreding van een raadsbeslissing, maar waarbij het recht op het initiatief voor een raadgevend referendum blijft behouden. Een beroep op dit artikel kan worden gedaan indien er sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid waardoor de uitvoering van een beslissing niet kan worden uitgesteld met vijf weken.
17
Hoofdstuk 2 Van verzoek tot besluit Artikel 2:1 Het inleidend verzoek
Om een raadgevend referendum te kunnen houden is de eerste stap om een inleidend verzoek in te dienen dat wordt ondersteund door minimaal 1.000 ondersteuningsverklaringen.
Iedere kiesgerechtigde kan een inleidend verzoek indienen. Zowel het inleidend verzoek als
de daarbij behorende ondersteuningsverklaringen kunnen schriftelijk of elektronisch worden ingediend. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen ‘natte’ handtekeningen en
digitale handtekeningen via bijvoorbeeld petities.nl. Er wordt in de referendumverordening geen keuze gemaakt voor een specifieke methode.
Een inleidend verzoek inclusief de daarbij behorende ondersteuningsverklaringen moeten
uiterlijk drie weken na de dag dat de formele raadsbeslissing is gepubliceerd, zijn ingediend. Hiermee wordt de raadsbeslissing bedoeld die voorzien is van de handtekeningen van de griffier en de voorzitter van de raad. De raadsbeslissing wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website in het openbare gedeelte van het raadsinformatiesysteem. Rekenvoorbeeld:
1 maart: raad stelt de raadsbeslissing vast tijdens de raadsvergadering.
3 maart: publicatie van de formele raadsbeslissing zichtbaar via utrecht.nl (zie raadsbeslissing met een datum in de titel).
4 maart: start indieningstermijn inleidend verzoek. Dit is ook het moment dat de ondersteuningsverklaringen kunnen worden verzameld.
25 maart: laatste mogelijk om het inleidend verzoek in te dienen. De ondersteuningsverklaringen zijn onderdeel van het inleidend verzoek en zijn alleen geldig ter ondersteuning van dit verzoek. Artikel 2:2 Het definitieve verzoek
Indien het inleidend verzoek is toegelaten, kan een definitief verzoek worden ingediend. Het definitieve verzoek hoeft niet te worden ingediend door dezelfde indiener die het inleidend
verzoek heeft ingediend. Het definitieve verzoek dient te worden ondersteund door minimaal
10.000 ondersteuningsverklaringen. Het gaat hierbij om nieuwe ondersteuningsverklaringen. Dat betekent dat de ondersteuningsverklaringen behorende bij het inleidend verzoek niet meetellen voor de ondersteuning van het definitief verzoek. Kiesgerechtigden die het
inleidend verzoek hebben gesteund en ook het definitieve verzoek wensen te steunen, moeten een nieuwe ondersteuningsverklaring indienen. Dit omdat de indiener of
kiesgerechtigde inmiddels verhuisd kan zijn, dan wel vanwege het definitieve verzoek anders denkt over de kwestie.
Een definitief verzoek, inclusief de daarbij behorende ondersteuningsverklaringen, moet uiterlijk zes weken nadat het besluit tot het toelaten van het inleidend verzoek is
bekendgemaakt, worden ingediend. De datum van bekendmaking is de dag nadat het besluit is verzonden naar de indiener(s) van het definitieve verzoek.
18
Rekenvoorbeeld:
1 april: besluit is verzonden naar de indiener(s) van het inleidend verzoek. 2 april: start indieningstermijn definitief verzoek.
14 mei: laatste mogelijkheid om het definitieve verzoek in te dienen. Verder gelden dezelfde opmerkingen zoals genoemd in de toelichting bij artikel 2:1. Artikel 2:3 De ondersteuningsverklaringen
Iedere kiesgerechtigde mag één ondersteuningsverklaring indienen ter ondersteuning van een inleidend en een definitief verzoek. De ingevulde persoonsgegevens moeten
overeenkomen met de persoonsgegevens zoals in het paspoort of een daaraan gelijkgesteld document zijn vermeld.
Als een kiesgerechtigde een ondersteuningsverklaring heeft ingediend ten behoeve van het inleidend verzoek en vervolgens ook het definitieve verzoek wenst te steunen, moet de kiesgerechtigde een nieuwe ondersteuningsverklaring indienen.
De verzamelde ondersteuningsverklaringen maken onderdeel uit van het verzoek en worden als één geheel ingediend bij de voorzitter van het centraal stembureau. Als een verzoek is
ingediend, maar binnen de gestelde termijn er toch nog ondersteuningsverklaringen volgen, mogen deze apart worden nagestuurd.
Artikel 2:4 Beoordeling van het inleidend verzoek en definitieve verzoek
Zowel het verzoek als de ondersteuningsverklaringen worden beoordeeld. Indien sprake is van één van de situaties genoemd in het eerste lid, wordt het verzoek afgewezen en is de beoordeling van de ondersteuningsverklaringen niet aan de orde.
De ondersteuningsverklaring moet volledig en correct zijn ingevuld. Een volledig en correct ingevulde ondersteuningsverklaring is niet automatisch een geldige ondersteuningsverklaring.
19
Artikel 2:5 Steekproef ondersteuningsverklaringen definitieve verzoek
Voor de beoordeling van de ondersteuningsverklaringen behorende bij het definitieve verzoek, wordt een steekproef onder de ondersteuningsverklaringen gehouden. De
verschillende mogelijkheden voor een ondersteuningsverklaring, elektronisch of op papier, moet dezelfde kans hebben deel uit te maken van de steekproef. De grootte van de
steekproef wordt zodanig bepaald zodat met 99% zekerheid bij een foutmarge van 2% met de steekproef een uitspraak kan worden gedaan over het totaal van de ondersteuningsverklaringen.
De ondersteuningsverklaringen die niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend zijn
ongeldig en worden niet meegenomen in de steekproef. Stel er zijn dan nog 12.000 op tijd ingediende ondersteuningsverklaringen over, dan ziet de berekening er als volgt uit.
(4147,36 x 12.000) / (4146.36 + 12.000) = 3083. Een steekproef wordt dus gehouden onder minimaal 3083 ondersteuningsverklaringen.
Stel, van de 3083 ondersteuningsverklaringen zijn er 2700 geldig verklaard. Met 99%
zekerheid kan er worden geconcludeerd dat er 10.509 geldige ondersteuningsverklaringen zijn, bij een fout van 210 (2% van 10.509). Dit is berekend aan de hand van de volgende formule: 2700 / 3083 x 12.000 = 10.509. Dus het aantal geldige
ondersteuningsverklaringen na de beoordeling gedeeld door het aantal
ondersteuningsverklaringen geselecteerd voor de steekproef vermenigvuldigd met het totaal aantal tijdig ingediende ondersteuningsverklaringen.
In de fase van het inleidend verzoek is er niet gekozen voor een steekproef. Het gaat daarbij immers om een beperkt aantal van 1000 geldige ondersteuningsverklaringen. In de situatie waarbij bijvoorbeeld 2000 ondersteuningsverklaringen worden ingediend, kan de controle
worden gestopt zodra is geconstateerd dat er 1000 geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend.
Artikel 2:6 Het besluit op het inleidend verzoek en definitieve verzoek
De voorzitter van het centraal stembureau kan een verzoek alleen toelaten of afwijzen op grond van de regels zoals vastgesteld in deze verordening. Er is dus geen inhoudelijke
afwegingsruimte. Het besluit is dus alleen gebaseerd op de geldigheid van het verzoek en het aantal geldige ondersteuningsverklaringen.
Het besluit wordt bekendgemaakt aan de indiener(s) van het verzoek. Nadat het besluit is
bekendgemaakt, wordt op de gemeentelijke website gecommuniceerd over het besluit zodat eenieder kennis kan nemen van het besluit.
Het besluit van de voorzitter van het centraal stembureau is een besluit in de zin van 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat bezwaar en/of beroep tegen het besluit kan worden ingediend. De reguliere procedure uit de Awb wordt hierbij gevolgd.
Als een definitief verzoek is toegelaten, wordt een raadgevend referendum gehouden. Zie ook artikel 1:2, eerste lid.
20
Hoofdstuk 3 Procedure voorbereiding, stemming en uitslag
Artikel 3:1 Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking
Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de voorbereiding, stemming en uitslag
van een raadgevend referendum aan te sluiten bij de Kieswet, waar dat mogelijk is. Vandaar dat een aantal onderdelen uit de Kieswet zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard, voor zover de verordening niet anders regelt. Het gaat onder andere om relevante bepalingen over: -
de instelling en bemensing van stembureaus (hoofdstuk E);
de stemming, waaronder de inrichting van het stemlokaal en het uitbrengen van de stem (hoofdstuk J);
-
de mogelijkheid om te stemmen bij volmacht (hoofdstuk L); de telling van de stemmen (hoofdstuk N);
de taken van het gemeentelijk stembureau (hoofdstuk Na);
de werkzaamheden van het centraal stembureau ten behoeve van de vaststelling en bekendmaking van de uitslag (hoofdstuk P).
Het van overeenkomstige toepassing zijn van onderdelen van de Kieswet, betekent dat de
relevante bepalingen gelezen moeten worden in het kader van deze verordening. Vaak ligt dat voor de hand. Zo wordt in het kader van deze verordening ‘raadgevend referendum’
bedoeld waar de Kieswet verwijst naar ‘verkiezing’. Alleen ligt dit minder voor de hand daar waar ‘de dag van de kandidaatstelling’ gelezen moet worden als ‘de vierenveertigste dag voor de dag van stemming’, vandaar dat die leeswijze expliciet is vermeld in het artikel. Artikel 3:2 Datum stemming
Het college bepaalt de dag van de stemming. Dit artikel bepaalt waar het college rekening
mee moet houden bij het bepalen van die datum. Het gaat daarbij vooral om praktische en
financiële redenen, bijvoorbeeld omdat het organiseren van een raadgevend referendum tijd kost, maar ook omdat het verstandig is om rekening te houden met de zomervakantie. Dit
artikel maakt het ook mogelijk om een raadgevend referendum te houden op dezelfde dag
als die waarop een andere verkiezing of referendum wordt gehouden. Op die manier kunnen de kosten van het organiseren van een raadgevend referendum zo laag mogelijk worden gehouden.
Indien de 85ste dag nadat het besluit is bekendgemaakt, valt in juli of augustus dan
verschuift de eerste mogelijkheid naar de eerste woensdag in september. Indien zes
maanden nadat het besluit is bekendgemaakt, valt in juli of augustus dan verschuift de laatste mogelijkheid eveneens naar de eerste woensdag van september. Een rekenvoorbeeld:
28 februari: besluit tot het toelaten is verzonden naar de indieners van het definitief verzoek.
1 maart: start termijn.
25 juni: 85ste dag nadat het besluit is bekendgemaakt. Dit is de eerste mogelijkheid als dag
van stemming mits dit op een woensdag valt. Indien de eerste mogelijkheid in de maand juli of augustus valt, verschuift de eerste mogelijkheid naar de eerste woensdag van september.
21
1 oktober: zes maanden nadat het besluit is genomen. Dit is de laatste mogelijkheid als dag
van stemming mits dit op een woensdag valt. Indien de laatste mogelijkheid in de maand juli of augustus valt, verschuift de laatste mogelijkheid naar de eerste woensdag van september. Over de datum van de stemming wordt gecommuniceerd op de gemeentelijke website. Artikel 3:3 Vraagstelling
De vraagstelling volgt uit de verordening, namelijk bent u ‘voor’ of ‘tegen’ gevolgd door de titel van de raadsbeslissing. Hiermee is uitgesloten dat de vraagstelling betrekking kan
hebben op een gedeelte van de raadsbeslissing. De antwoorden staan ook vast, namelijk ‘voor’ of ‘tegen’.
Het komt voor dat een raadsvoorstel uit meerdere beslispunten bestaat. Deze beslispunten zijn afzonderlijke raadsbeslissingen en kunnen dus afzonderlijk referendabel zijn. Per
beslispunt moet daarom aan de hand van de criteria uit de verordening beoordeeld en
aangegeven worden of de beslissing al dan niet referendabel is. Waar dat nodig is, zal bij het aanbieden aan de raad een raadsvoorstel opgesplitst worden in referendabele en niet-
referendabele beslissingen. Als alle beslispunten in een raadsvoorstel referendabel zijn, wat in de meeste gevallen zo zal zijn, is het niet nodig een raadsvoorstel op te splitsen. In de
praktijk komt het voor dat er meerdere raadsbeslissingen in één document staan. Als dit om ‘losse’ raadsbeslissingen gaat, kan het raadgevend referendum toezien op één van deze raadsbeslissingen.
Voordat de voorzitter van het centraal stembureau de vraagstelling vaststelt, verzoekt de
voorzitter van het centraal stembureau de referendumcommissie om hierover te adviseren. Zie over de adviestaak van de referendumcommissie ook artikel 4:2.
22
De vraagstelling wordt gecommuniceerd via de gemeentelijke communicatiekanalen zoals utrecht.nl. Ook worden de indiener(s) op de hoogte gebracht van de vraagstelling. De vraagstelling en antwoordmogelijkheden worden ook aan het adres van de kiesgerechtigden gestuurd.
Artikel 3:4 Vaststelling uitslag
Het centraal stembureau berekent de uitslag en brengt het proces-verbaal met de uitslag over aan de raad.
De uitslag en het proces-verbaal worden zo spoedig mogelijk, indien mogelijk dezelfde dag, gepubliceerd op de gemeentelijke website. Artikel 3:5 Vervolg uitslag
Eerste lid
Zie de toelichting bij artikel 1:3, derde lid, onderdeel c.
Tweede lid
Is de uitslag van het raadgevend referendum wel afwijzend (ofwel er is ‘tegen’ de
raadsbeslissing gestemd) dan zal de raad hierover zo spoedig mogelijk vergaderen en willen bepalen of en zo ja welk vervolg dit zou moeten krijgen. Het is dan aan de raad om een
besluit te nemen over de al dan niet inwerkingtreding van de betreffende raadsbeslissing. De raad kan het college opdracht geven tot het voorbereiden van een nieuw te nemen raadsbeslissing.
23
Hoofdstuk 4 De referendumcommissie Artikelen 4:1 tot en met 4:4
De referendumcommissie is een commissie van advies en toezicht die bestaat uit externen en fungeert als onafhankelijke instantie. De referendumcommissie ontvangt op grond van het rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers een vergoeding.
De referendumcommissie kan zowel gevraagd als ongevraagd de raad, burgemeester en wethouders en de voorzitter van het centraal stembureau adviseren. De adviezen van de
referendumcommissie zijn niet bindend, maar wel zwaarwegend. In ieder geval adviseert de referendumcommissie de raad met betrekking tot de vraagstelling (artikel 3:3, eerste lid). Ook houdt de referendumcommissie toezicht op het referendumproces.
De referendumcommissie legt zich, conform artikel 4.3 toe op behandeling van klachten die
gaan over 1) de uitvoering van de referendumverordening en 2) het neutrale karakter van de door burgemeester en wethouders te verstrekken voorlichting over het raadgevend
referendum. Bij de behandeling van de klacht toetst de referendumcommissie aan de eisen van fair-play (bijvoorbeeld ten aanzien van de campagne) en objectiviteit (bijvoorbeeld ten aanzien van de gemeentelijke voorlichting). De behandeling van een klacht door de
referendumcommissie zou ertoe kunnen leiden dat ‘de gedraging of de publicatie waarop de klacht betrekking heeft, moet worden gestaakt’. Het gaat hier om een gedraging of
publicatie van de gemeente in het kader van het referendumproces. Indien de klacht moet
worden aangemerkt als een bezwaarschrift als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht,
zendt de referendumcommissie de klacht door naar de commissie belast met de behandeling van bezwaarschriften. Indien de klacht geen betrekking heeft op zaken die tot de
bovengenoemde competentie en taak van de referendumcommissie behoren, zendt de
secretaris van de referendumcommissie de klacht door naar de centrale klachtcoördinator van de gemeente en dient de klacht verder behandeld te worden als klacht in de zin van hoofdstuk 9 Awb en de gemeentelijke klachtenregeling.
24