CONCEPT Nadere regel artikel 5.13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010
Tekst van het document
Nadere regel artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, gemeente Utrecht, standplaatsen
Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht; -
gelet op artikel 156 lid 3 Gemeentewet en 5:13 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht
-
Overwegende dat: op grond van artikel 5:13 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht
2010;
2010 vergunningen kunnen worden verleend voor standplaatsen;
-
een beperkt aantal vergunningen voor dag- en seizoenstandplaatsen kan worden verleend; deze nadere regel procedureregels bevat om te bepalen wie in aanmerking komt voor een vergunning.
Besluiten de volgende nadere regel vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Deze nadere regel verstaat onder: a. aanwijzingsbesluit: het Aanwijzingsbesluit artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen. b. brancheringsregeling/branchering: het onderscheiden van verschillende branches en het uitsluiten van branches van vestiging of bij het verlenen van standplaatsvergunningen voor verkoop in de openbare ruimte. c. cluster: een cluster is een locatie waarbij meerdere standplaatsen op dezelfde dag(en) worden ingenomen binnen een straal van 50 meter. Een cluster omvat maximaal 5 standplaatsen. d. dagstandplaats: een standplaats op een vaste, door het college aangewezen, locatie die gedurende het gehele kalenderjaar één of meerdere sta-dag(en) per week kan worden ingenomen. e. hoofdproduct: het product dat door de ondernemer als primair product aangeboden wordt. f. incidentele standplaats binnenstad: een standplaats gelegen binnen de singels op een vaste door het college aangewezen locatie en gedurende een beperkte tijd (maximaal drie dagdelen) kan worden ingenomen. Het gebied binnen de singels bestaat uit het gebied dat wordt begrensd door de Catharijnesingel, Weerdsingel, Wittevrouwensingel, Maliesingel en Tolsteegsingel. g.
incidentele standplaats buiten binnenstad: een standplaats gelegen buiten de singels en gedurende een beperkte tijd (maximaal drie dagdelen) kan worden ingenomen.
h. kavel: combinatie van door het college aangewezen standplaatslocatie, sta-dag(en), positie, maat en oppervlak. i. mobiel verkooppunt: vitrines, toonbanken e.d. die vanuit winkels of horeca-inrichtingen een openbare plaats op worden gereden in de directe omgeving van de betreffende winkel of horecainrichting en van waaruit voor een korte periode verkoop plaatsvindt. j. seizoenstandplaats: een standplaats op een vaste door het college aangewezen locatie voor de verkoop van producten die aan het zomer- of winterseizoen gebonden zijn (zoals oliebollen en ijs) en gedurende een bepaalde aaneengesloten periode. Het zomerseizoen is maximaal 6 maanden en loopt van 1 april tot 1 oktober en het winterseizoen is maximaal 6 maanden en loopt van 1 oktober tot 1 april het jaar opvolgend. k. sta-dag(en): de dag(en) waarop de vergunninghouder de standplaats mag innemen. l. verordening: Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010. m. verspreide locaties: kavels gelegen bij parken en begraafplaatsen, en niet in de directe omgeving van een winkelgebied n. winkelgebied: openbare ruimte met bouwblokken waar de meeste panden uit winkels bestaan
Artikel 2 Doel en afbakening Het doel van deze nadere regel is om te bepalen voor welke categorieën standplaatsen een vergunning kan worden verleend op grond van artikel 5:13 van de verordening, hoeveel vergunningen beschikbaar worden gesteld, wat de maximale vergunningsduur is per categorie standplaats en aan wie vergunning wordt verleend in het geval er meerdere aanvragers in aanmerking willen komen voor een vergunning.
Artikel 3 Vergunningenplafond 1. Ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van overlast in de openbare ruimte is het aantal dag- en seizoenstandplaatsen en de incidentele standplaatsen binnenstad gelimiteerd. Een vergunning voor een dagstandplaats, seizoenstandplaats of incidentele standplaats binnenstad wordt alleen verleend voor de aangewezen locaties zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit. 2. Op grond van artikel 5:13 van de verordening wordt in deze tabel aangegeven de categorie standplaats waarvoor een vergunning kan worden verleend, het vergunningenplafond en de maximale vergunningsduur:
Categorie Mobiel verkooppunt Incidentele standplaats buiten binnenstad Incidentele standplaats binnenstad Dagstandplaats Seizoenstandplaats
Vergunningenplafond nee nee
Maximale vergunningsduur 2 maanden drie dagdelen
nee
drie dagdelen
ja ja
12 jaar 12 jaar
Hoofdstuk 2 Incidentele standplaatsen en mobiele verkooppunten Artikel 4 Aanvragen incidentele standplaats mobiel verkooppunt
1. Vergunningaanvragen voor incidentele standplaatsen en mobiele verkooppunten kunnen gedurende het lopende jaar worden ingediend.
2. Aanvragen voor incidentele standplaatsen en mobiele verkooppunten worden op volgorde van binnenkomst behandeld.
3. Aanvragen voor incidentele standplaatsen in de binnenstad en mobiele verkooppunten kunnen alleen voor de aangewezen locaties zoals opgenomen op het aanwijzingsbesluit worden ingediend.
Artikel 5 Indieningsvereisten voor aanvragen voor vergunning Bij een aanvraag voor een incidentele vergunning of mobiel verkooppunt wordt gebruikt gemaakt van het (digitale) aanvraagformulier.
Artikel 6 Weigeringsgronden voor vergunning Een aanvraag voor een incidentele vergunning of mobiel verkooppunt wordt onverminderd het bepaalde in artikel 5:13 van de verordening geweigerd indien een incidentele vergunning in de binnenstad of een vergunning voor een mobiel verkooppunt wordt aangevraagd voor een locatie waar voor het aangevraagde tijdvak geen vergunning beschikbaar is.
Hoofdstuk 3 Dag- en seizoenstandplaatsen Artikel 7 Bekendmaking mogelijkheid aanvragen vergunning dag- en seizoenstandplaats
1. Het college stelt de periode vast waarbinnen aanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen kunnen worden ingediend. Hiervan wordt minimaal mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Hierin wordt in ieder geval aangegeven: a. een omschrijving van het vrijgekomen kavel en alle kenmerken van het kavel zoals in het aanwijzingsbesluit is opgenomen. Hierbij wordt een kaart van de locatie bijgevoegd; b. binnen welk tijdvak geïnteresseerden een aanvraag kunnen indienen; c. binnen welk tijdvak een aanvrager eventuele gebreken op het aanvraagformulier kan herstellen; d. op welke datum de uitslag van de procedure wordt bekendgemaakt; e. op welke wijze met gebruikmaking van een (digitaal) aanvraagformulier, een aanvraag kan worden ingediend; f. welke gegevens bij de aanvraag moeten worden gevoegd om als volledig te worden aangemerkt en; g. op welke wijze de selectie plaats zal vinden. 2. Het college stelt een (digitaal) aanvraagformulier vast dat moet worden gebruikt voor de vergunningaanvraag. 3. Vergunningaanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen moeten worden ingediend in het tijdvak als bedoeld onder lid 1 van dit artikel. 4. Per kavel kan maximaal één vergunning afgegeven worden.
Artikel 8 Procedure vergunningverlening dag- en seizoenstandplaatsen 1. De verlening van de vergunning(en) vindt plaats via het doorlopen van twee fasen: a. Fase 1: toetsing aan indieningsvereisten in artikel 9. b. Fase 2: een vergelijkende inhoudelijke toets indien nodig. 2. Fase 1 a. Het college beoordeelt alle ingediende complete aanvragen die voldoen aan hetgeen is bepaald in en krachtens artikel 9 en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn. b. Als binnen de termijn bedoeld in artikel 7 lid 1 meer dan één aanvraag voor hetzelfde kavel is ingediend wordt een vergelijkende toets uitgevoerd. c. Als binnen de termijn als bedoeld in artikel 7 lid 1, voor een kavel één aanvraag is ingediend, blijft de fase-2 toets achterwege en wordt de kavel vergund aan de desbetreffende aanvrager. 3. Fase 2 a. De volgorde van kavels zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit is leidend voor het moment van beoordelen van de aanvragen. b. De ingediende aanvragen worden in de inhoudelijke toets beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria uit artikel 12. c. De aanvraag met de hoogste score op basis van deze selectiecriteria krijgt de vergunning. d. Als er na beoordeling een exact gelijke score is bij meerdere aanvragen, dan tellen de punten voor binding met de wijk dubbel. Is de score dan nog steeds gelijk, dan wordt er geloot onder toezicht van notaris of de toetsingscommissie. 4. a.
Kavels die niet vergund zijn in de eerste ronde worden voor de nieuwe ronde weer opengezet. b. Als een seizoenstandplaats niet voor gehele tijd wordt ingenomen dan worden de resterende maanden voor de nieuwe ronde weer opengezet.
Artikel 9 Indieningsvereisten voor aanvragen voor vergunning 1. Een aanvraag wordt ingediend via het (digitale) aanvraagformulier waarin in ieder geval wordt aangegeven: a. hoe invulling wordt gegeven aan de criteria duurzaamheid en binding met de wijk; b. welk hoofdproduct de aanvrager gaat verkopen, en c. voor een seizoensstandplaats: welk product de aanvrager gaat verkopen en wat het een seizoensproduct maakt. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan een dag- of seizoenstandplaats enkel binnen het in artikel 7 lid 1 vastgestelde tijdvak worden ingediend. 3. Het aanvraagformulier maakt onderdeel uit van de te verlenen vergunning.
Artikel 10 Branchering 1. Voor locaties met dagstandplaatsen als onderdeel van een winkelgebied geldt de volgende branchering: a. Hoofdbranche food, inclusief de verzamelbranches gericht op versbereide producten; b. Branche bloemen en planten. 2. Voor verspreide locaties met dagstandplaatsen geldt de volgende branchering:
a. Branches gericht op versbereide producten; b. Branche bloemen en planten. 3. Voor seizoenstandplaatsen geldt de volgende branchering a. Branches gericht op seizoensgebonden producten. 4. Voor zover op een locatie sprake is van een cluster van standplaatsen,dan moet het hoofdproduct van de standplaats verschillen van het hoofdproduct van de andere standplaatsen als er overlappende sta-dagen zijn. 5. Op geen van de locaties is de branche non-food overig toegestaan.
Artikel 11 Weigeringsgronden voor vergunning 1. Een aanvraag voor een dag- of seizoenstandplaatsvergunning wordt onverminderd het bepaalde in artikel 5:13 van de verordening geweigerd indien: a. een vergunning wordt aangevraagd voor een kavel waar op dat moment geen vergunning beschikbaar is; b. de aanvraag niet voldoet aan de kenmerken zoals genoemd in het aanwijzingsbesluit; c. de aanvraag ziet op een kavel binnen een cluster en het hoofdproduct overeenkomt met het hoofdproduct van een ander kavel binnen dit cluster dat al is vergund; d. een aanvrager een aanvraag indient voor kavels met overlappende sta-dagen; e. een aanvrager een aanvraag indient voor een kavel dat in sta-dagen overlap heeft met een ander kavel waar hij al vergunning voor heeft. Behalve als hij aangeeft deze eerdere vergunning op te zeggen. f. een seizoensproduct niet voldoende wordt onderbouwd bij een aanvraag voor een seizoenstandplaats.
Artikel 12 De vergelijkende inhoudelijke toetsing (fase 2) 1. De vergelijkende inhoudelijke toetsing ziet op de beoordeling van de volgende criteria met bijbehorende wegingsfactor: Criteria Duurzaamheid
Binding met de wijk
Omschrijving - Afval en transport - Producten (keurmerken, duurzaamheid en herkomst) - Verduurzaming bedrijfsvoering - Leren en werken - Verbinding met de wijk - Voorbereiding op een wijk (klantenbinding en marktverkenning)
Punten Per criterium 5 punten
Per criterium 5 punten
2. Bij de vergelijkende toets worden aan de aanvragen punten toegekend op basis van de criteria en overeenkomstig de puntentelling uit lid 1 van dit artikel. 3. De in dit artikel bedoelde beoordeling geschiedt door een beoordelingscommissie die wordt aangewezen door het college.
Hoofdstuk 4 Slotbepalingen Artikel 13 Overdragen vergunning 1. Overdracht van een standplaatsvergunning is alleen toegestaan aan familie in de eerste graad, mits mede-eigenaar van het bedrijf. 2. Een aanvraag tot overschrijven wordt ingediend binnen twee maanden na: a. Overlijden, b. Terugtreden uit het bedrijf, c. Echtscheiding, of d. Blijvende arbeidsongeschiktheid. 3. Het overdragen van de standplaatsvergunning heeft geen invloed op de inhoud van de vergunning anders dan het wijzigen van de vergunninghouder. De vergunning wordt overgedragen voor maximaal de resterende termijn waarvoor deze is verleend.
Artikel 14 Intrekken vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 van de verordening kan het college de vergunning intrekken: 1. Indien als gevolg van herinrichting- of reconstructiewerkzaamheden aan de openbare weg of toenemende verkeersdrukte geen gebruik meer kan worden gemaakt van de vergunning. Indien noodzakelijk kan het college de vergunninghouder een andere locatie toewijzen in de nabijheid van de huidige locatie of, 2. Indien de wijze waarop de vergunninghouder zijn activiteiten uitvoert of de wijze waarop het mobiel verkooppunt wordt geëxploiteerd de openbare orde, veiligheid of het woon- leefklimaat in de omgeving op ontoelaatbare wijze verstoort.
Artikel 15 Intrekking De Regels standplaatsen Utrecht 2013, en Regels venten Utrecht 2013 en Regels Mobiele verkooppunten Utrecht 2013 worden ingetrokken.
Artikel 16 Inwerkingtreding Deze nadere regel treedt in werking de dag na bekendmaking in het gemeenteblad.
Artikel 17 Citeertitel Deze nadere regel wordt aangehaald als Nadere regel artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, gemeente Utrecht, standplaatsen.
Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, in de vergadering van <datum>
De burgemeester, Sharon A.M. Dijksma
De secretaris, Michiel Ruis
Toelichting nadere regel artikel 5:13 Algemene plaatselijke
verordening Utrecht 2010, gemeente Utrecht, standplaatsen Artikel 1 Begripsbepalingen
Toelichting hoofdproduct standplaatsen Hoofdproduct
Het hoofdproduct is het product dat door de ondernemer als primair product aangeboden wordt. Iedere
ondernemer wordt gevraagd zijn of haar hoofdproduct op te geven. Dit is een van de indieningsvereisten
voor het aanvragen van de standplaatsvergunning. Het is nodig voor de branchering en daarmee onderdeel van de procedure van vergunningsverlening.
Hiermee wordt voorkomen dat er op een locatie met meerdere standplaatsen (=cluster) op dezelfde dagen dezelfde hoofdproducten worden aangeboden. De aantrekkingskracht op de consument wordt daardoor vergroot omdat de diversiteit van branches binnen clusters gewaarborgd kan worden.
Uitgangspunt is dus dat ondernemers primair het opgegeven hoofdproduct op de standplaats aanbieden. Ondernemers zijn wel toegestaan om naast het hoofdproduct een bijproduct aan te bieden. Hierbij geldt
dat het aanbod op de standplaats voor minimaal 90% uit het hoofdproduct bestaat, en maximaal 10% uit bijproduct. Na vergunningsverlening kan er bij eventueel handhaving gekeken worden naar de
samenstelling van het aanbod op de standplaats. Mocht deze substantieel afwijken van genoemde
percentages en/of opgegeven hoofdproduct, dan kan dit gevolgen hebben voor de verleende vergunning. Voorbeeld: Ondernemer verkoopt vis als hoofdproduct, en broodjes haring als bijproduct. Artikel 3 Vergunningenplafond
Onderbouwing maximumstelsel dag- en seizoenstandplaatsen De gemeente Utrecht gaat de standplaatsvergunningen voor dag- en seizoenstandplaatsen op gemeentegrond opnieuw uitgeven. Dit gebeurt in een keer voor de hele gemeente. Er is beleidsmatig een beperkt aantal plaatsen in de openbare ruimte aangewezen ter gebruik voor commerciële verkoop. Voor deze plaatsen worden vergunningen uitgegeven. Omdat het hier om zogenaamde ‘schaarse vergunningen’ gaat moet worden voldaan aan de Europese Dienstenrichtlijn, zoals door Nederland is vastgelegd in de Dienstenwet. Hierbij is het uitgangspunt: iedere geïnteresseerde moet in aanmerking kunnen komen voor een standplaatsvergunning.
De gemeenteraad heeft het college als opdracht gegeven om te onderzoeken of de toewijzing van de vergunningen aan standplaatshouders onder meer op basis van een brancheringsmaatregel kan plaatsvinden. Een brancheringsregeling ten aanzien van detailhandel houdt in dat binnen detailhandel verschillende branches worden onderscheiden en enkele branches worden uitgesloten van vestiging of bij het uitgeven van vergunningen. Ten aanzien van een brancheringsregeling van het vergunningstelsel voor standplaatsen is het adviesrapport ‘Utrecht, branchering standplaatsen i.r.t. Dienstenrichtlijn’ (Rho adviseurs; 6 oktober 2023) gepresenteerd. In Utrecht wordt uitgegaan van een maximumstelsel voor de vergunninguitgifte. Het gaat daarbij om een maximum van 88 standplaatsen op gemeentegrond in de gemeente Utrecht, voortvloeiend uit het continueren van de vergunde standplaatsen. Het toepassen van een maximumstelsel levert een vestigingsbeperking op voor ondernemers. Er wordt immers voorgeschreven tot welk maximumaantal vergunningen kunnen worden uitgegeven. Dit is een vestigingsbeperking, die in beginsel niet is toegestaan onder de Dienstenrichtlijn en de Nederlandse Dienstenwet, maar onder voorwaarden wel mogelijk is.
DIENSTENRICHTLIJN EN DIENSTENWET De Dienstenrichtlijn en Dienstenwet bepalen – kort gezegd – dat de beoogde uitgifteprocedure voor standplaatsen alleen vestigingsbeperkingen mag bevatten als deze (a) niet-discriminerend, (b) noodzakelijk én (c) evenredig zijn. Dit betekent het volgende voor de toewijzing van de vergunningen aan standplaatshouders. •
a. Discriminatieverbod Het advies voor het maximumstelsel maakt ten aanzien van de opgenomen vestigingsbeperking, geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel van de te vestigen standplaatsen. Hiermee wordt derhalve voldaan aan het discriminatieverbod in artikel 15, derde lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn.
•
b. Noodzakelijkheid Het maximumstelsel moet noodzakelijk zijn. Dat is het geval als er ‘dwingende redenen van algemeen belang’ kunnen worden genoemd als basis voor het maximumstelsel. Dwingende redenen van algemeen belang moeten zijn gericht op de bescherming van het milieu en meer specifiek van het stedelijk milieu. Het gaat dan om de vraag of en hoe de doelstellingen van het ruimtelijk beleid, het beleid ten aanzien van detailhandel en horeca en de doelstellingen/criteria uit artikel 1:8 van de APV met de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid in het bijzonder in het bijzonder, kunnen worden bereikt met het vaststellen van een maximumstelsel. In overweging 40 van de Dienstenrichtlijn is opgenomen dat onder ‘dwingende reden van algemeen belang’ ook worden verstaan bescherming van afnemers van diensten; consumentenbescherming en voorkoming van oneerlijke concurrentie.
•
c. Evenredigheid1 Een maximumstelsel bestaat uit maatregelen ofwel vestigingsbeperkingen die aan de dienstverlening worden gesteld. Een maatregel in het maximumstelsel moet aan de volgende vereisten voldoen: o
De maatregel is geschikt en effectief voor het beoogde doel, zoals getoetst bij het criterium noodzakelijkheid.
Uit jurisprudentie blijkt dat een maximumstelsel als geschikt en effectief wordt aangemerkt voor het bereiken van het beoogde doel. o
De maatregel wordt op coherente en systematische wijze toegepast.
Dit vereiste zorgt ervoor dat een maximumstelsel coherent en systematisch wordt toegepast en dus voor alle type locaties van toepassing is met behoud van de huidige aantallen standplaatsen op de huidige locaties.
o
De maatregel gaat niet verder dan nodig; vestigingsbeperkingen moeten een zinvolle bijdrage leveren aan het bereiken van de nagestreefde doelen. Op zichzelf kan een maximumstelsel noodzakelijk zijn. Dan is altijd nog een beoordeling nodig het doel ook met een minder verstrekkende maatregel kan worden bereikt.
Een maximumstelsel voor de standplaatsen in Utrecht is mogelijk, noodzakelijk en evenredig (zie Adviesrapport Maximumstelsel Standplaatsen Utrecht, RHO Adviseurs, 18 januari 2024).