Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht.pdf
Tekst van het document
Toepassing van apparatuur voor het vermalen van voedselresten (voedselrestenvermalers), waarbij voedselresten via de «zwartwaterstroom» worden ingezameld en verwerkt, past binnen het Amsterdamse afvalbeleid en de circulaire ambities en duurzaamheidsambities van de gemeente. Toepassing hiervan is niet verplicht. Maar indien gekozen wordt voor aanleg, kan deze uitsluitend worden aangesloten op de vacuümleiding. Om nieuwe sanitatie mogelijk te maken is het nodig om af te wijken van het Bouwbesluit, het Besluit lozing afvalwater huishoudens (hierna: Blah) en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aanleg vacuümrioolsysteem Een bouwwerk moet op grond van artikel 6.15 van het Bouwbesluit zodanige voorzieningen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater hebben dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Voor nieuwbouw geldt dat iedere gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater moet hebben die voldoet aan de NEN 3215. NEN 3215 schrijft voor dat huishoudelijk afvalwater en regenwater gescheiden worden gehouden. Grijs en zwart afvalwater zijn samen huishoudelijk afvalwater.
Het aanleggen van gescheiden leidingen voor grijs en zwart water past wel binnen de NEN 3215, maar dan moeten beide leidingsystemen voldoen aan de eisen voor leidingen voor huishoudelijk afvalwater. Dit betekent een spoelvolume van ten minste 6 liter en een voorgeschreven minimale ontwerpmiddellijn van een toestelleiding en ontluchting. Voor het inzamelen van geconcentreerd zwart afvalwater is een vacuümriool nodig om het spoelvolume te beperken. Een vacuümtoilet gebruikt slechts 1 liter drinkwater per spoelbeurt in plaats van circa 7 liter zoals bij een conventioneel toilet. Het vacuümriool wordt op onderdruk gehouden. Hierdoor is sprake van een dunnere buis en kan deze niet ontlucht worden. Met dit experiment wordt het mogelijk om hiervan af te wijken. Het gescheiden rioolsysteem moet tijdens de bouw worden gerealiseerd. Bij de bouw kan het aanleggen van een gescheiden grijs- en zwartwatercircuit op grond van de bouwregelgeving wel worden toegestaan, maar het kan niet worden afgedwongen. Het toepassen van
Staatsblad 2021
600
27
gelijkwaardige oplossingen, zoals vacuümriolering, is een recht van degene die bouwt, maar geen verplichting. Ook de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen in artikel 4, derde lid, van het Blah biedt hiervoor geen oplossing, omdat tijdens de bouw nog geen sprake is van een lozing door een huishouding en dus geen maatwerkvoorschrift kan worden gesteld. De gemeente kan in de verordening voorschrijven dat de afvoervoorziening van het huishoudelijk afvalwater van het toilet en de voedselrestenvermaler aangesloten dient te worden op de vacuümleiding en deze wordt aangesloten op het vacuümriool, hiermee is de aanleg en het in stand houden van een gescheiden rioolsysteem geborgd. Lozing voedselresten Op dit moment is in artikel 6 van het Blah een verbod opgenomen voor het lozen van huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van het bereiden van voedingsmiddelen (en daarmee samenhangende activiteiten) dat door versnijdende of vermalende apparatuur is versneden of vermalen. Daarmee zijn voedselrestenvermalers zélf niet verboden, het lozen van de vermalen resten op de gemeentelijke riolering echter wel. Voor bedrijven geldt eenzelfde bepaling op grond van artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het experiment is het mogelijk gemaakt om voedselresten te lozen in het vacuümriool.
Dit experiment draagt bij aan een innovatieve duurzame ontwikkeling door het op innovatieve wijze gescheiden inzamelen van het geconcentreerd afvalwater via een vacuümriool. Hierdoor levert dit afvalwater na vergisting een hogere biogasproductie op. Dit wordt ingezet in de lokale warmte- en koudeopslag en voor elektriciteitsvoorzieningen van de vergister zelf. Hiermee ontstaat een cyclisch duurzaam proces. Toepassing van voedselrestenvermalers zorgt – naast een verhoogde biogasproductie – voor een verhoging van het comfort en een verbetering van de hygiëne in de keuken. Met één druk op de knop zijn immers de voedselresten uit de keuken verdwenen. Tevens worden op deze manier voedselresten uit het restafval gehouden, waardoor minder restafval wordt geproduceerd en minder vrachtwagenbewegingen in de wijk nodig zijn. Door de toepassing van het vacuümriool voor het toilet is tot slot sprake van een drinkwaterbesparing van circa 25% op het totale drinkwatergebruik. Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7ai onderstaand per lid besproken. Het eerste lid bevat een eigen begripsbepaling waarmee de begrippen «geconcentreerd afvalwater» en «voedselresten» worden geduid. Onder geconcentreerd afvalwater wordt afvalwater verstaan dat uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten of voedselresten als bedoeld onder b bevat.
Met de zinsnede «uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten» wordt de reikwijdte beperkt; in die zin dat uitwerpselen afkomstig van reguliere toiletten, die zijn aangesloten op conventioneel vrijverval riool, niet onder deze definitie vallen en daarmee ook niet onder dit experiment. Verder bepaalt onderdeel b van dit lid wat onder «voedselresten» moet worden verstaan. Dit zijn afvalstoffen afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. Het tweede lid bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels kan stellen over het brengen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Daarbij kan de gemeenteraad afwijken van het bepaalde in artikel 6 van het Blah en artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit
Staatsblad 2021
600
28
vormt een aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Op grond van dit lid kan de gemeenteraad bepalen dat geconcentreerd afvalwater, bestaande uit voedselresten, moet worden geloosd op een vacuümriool. Daarnaast wordt met deze mogelijkheid ook vooruitgelopen op de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet kan de gemeenteraad in het omgevingsplan regels stellen over het lozen van huishoudelijk afvalwater en ander afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen. Het derde lid maakt afwijking van het Bouwbesluit mogelijk wat betreft de eisen aan een afvoervoorziening voor bepaalde lozingstoestellen. Aan een afvoervoorziening voor een watercloset en voor een keukengootsteenbak voorzien van apparatuur voor het vermalen van voedselresten worden in dit lid andere eisen gesteld. Zo moet de afvoervoorziening worden aangesloten op een vacuümleiding (onder a) en moet die vacuümleiding zijn aangesloten op een vacuümriool. Dit heeft tot gevolg dat enkel vacuümtoiletten mogen worden geïnstalleerd. Verder is bepaald dat de vacuümleidingen in het gebouw een diameter hebben van ten minste 50 mm en niet worden voorzien van een ontluchtingsleiding (onder b). Ook is bepaald dat vacuümleidingen uitsluitend geconcentreerd afvalwater afvoeren (onder c).
Dit betekent dat overig huishoudelijk afvalwater (grijs water), bijvoorbeeld afkomstig van douche, bad of vaatwasser, niet mag worden afgevoerd via een vacuümleiding. Dergelijk huishoudelijk afvalwater moet worden afgevoerd via een conventioneel vrijverval riool. In het vierde lid is de tijdsduur en het toepassingsbereik van het experiment opgenomen. Het artikel is tot 1 januari 2040 van toepassing op de gebieden Buiksloterham, Strandeiland en Buiteneiland in de gemeente Amsterdam. Artikel 7aj (ondergronds afvaltransportsysteem, Amsterdam) Amsterdam werkt aan een schonere en duurzamere stad, waar afval meer als grondstof wordt beschouwd dan als afval. De nieuwe Sluisbuurt, waar in hoge dichtheden ongeveer 5.600 woningen voor ongeveer 10.700 inwoners zullen worden gebouwd, volgt deze doelstellingen. Vanwege de hoge dichtheid, de beperkte openbare ruimte en de prioriteit voor fietsers en voetgangers, is voor traditionele afvalinzameling met ondergrondse containers vrijwel geen ruimte beschikbaar en vormen de rijbewegingen voor het ophalen van het afval een grote belasting voor de buurt. Al langere tijd is Amsterdam voor de Sluisbuurt een alternatief afvalsysteem aan het onderzoeken. In 2017 is onderzocht (technisch en financieel) of een Ondergronds Afval Transportsysteem (OAT) gerealiseerd kon worden.
Daarbij is geconstateerd dat een OAT positieve maatschappelijke effecten heeft op ruimtegebruik, hogere afvalscheidingsresultaten, de kwaliteit van de buitenruimte en verminderde overlast meebrengt in de vorm van emissies, stank, geluid, onveiligheid en minder zwerfafval. Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam ingestemd met de komst van het OAT in de Sluisbuurt en heeft budget vrijgemaakt om het OAT te realiseren. Het OAT bestaat uit een stelsel van buizen onder de grond waardoor afval wordt getransporteerd vanuit een inwerpopening (in de gebouwen in de Sluisbuurt) naar de terminal (overslag station vanwaar het afval getransporteerd wordt naar de verwerker). Het gescheiden inzamelen van afval is mogelijk door op verschillende tijdstippen verschillende fracties door dezelfde buis te transporteren naar de terminal. Deze terminal wordt geplaatst aan de andere kant van Piet Hein-tunnel.
Staatsblad 2021
600
29
Met het OAT kunnen de volgende fracties worden ingezameld: – bioafval; – kunststof, metaal en drankenkartons, ook wel plastic, metaal en drankenkartons (PMD) genoemd; – papier; en – restafval. Voorts heeft de gemeente Amsterdam in aanvulling op het OAT besloten om voor andere fracties (onder meer glas, grof karton, textiel en afgedankte elektrische apparatuur) rolcontainers bij te plaatsen. Hiermee wordt verkeerd gebruik van het OAT tegengegaan, blijft de kwaliteit van de ingezamelde afvalstoffen op peil en worden bewoners zo goed mogelijk gefaciliteerd in het gescheiden kunnen aanbieden van de verschillende stromen. Het OAT en de rolcontainers zijn daarmee een complementair systeem van afvalinzameling voor de Sluisbuurt. Amsterdam wil zoveel mogelijk bedrijven gebruik laten maken van het OAT. Op grond van artikel 10.21 van de Wm is de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen een wettelijke taak van de gemeente. Alle huishoudens worden aangesloten om zo het afval via het OAT en de rolcontainers in te zamelen. De gemeente wil ook het afval van de toekomstige bedrijven in de Sluisbuurt waar deze fracties aan afvalstromen ontstaan, inzamelen via het OAT en de rolcontainers. Op grond van huidige wetgeving is de inzameling van bedrijfsafvalstoffen geen wettelijke taak van de gemeente, maar is dit de verantwoordelijkheid van de bedrijven.
Deze bedrijven moeten het afval scheiden en gescheiden afgeven. Een belangrijk deel van deze bedrijfsafvalstoffen is vergelijkbaar met huishoudelijke afvalstoffen. Met dit experiment worden in hoofdstuk 10 van de Wm, in aanvulling op artikel 1.1 van die wet, de specifieke bedrijfsafvalstoffen: afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bioafval, glas, papier, plastic, metaal en drankenkartons (PMD), restafval en textiel gelijkgeschakeld met huishoudelijke afvalstoffen. Hiermee wordt de gemeente verantwoordelijk voor de inzameling van deze fracties bedrijfsafvalstoffen. De gemeente gebruikt voor deze inzameling in de Sluisbuurt het OAT en de rolcontainers. Uitzondering op deze verplichting zijn retourvrachten. Grote ondernemingen hebben vaak een eigen inzamelsysteem van afval via de bevoorradingsketen. Na bevoorrading van de onderneming neemt de vrachtwagen afval mee terug. Dit eigen inzamelsysteem wordt uitgezonderd van dit experiment. Verder wordt in dit experiment aangesloten bij deze specifieke fracties, omdat de gemeente deze ook al gaat inzamelen voor huishoudens via het OAT en de rolcontainers. Door zowel huishoudelijk afval als de in de tweede lid genoemde fracties van bedrijfsafvalstoffen gezamenlijk in te zamelen, wordt de efficiency vergroot en tevens de druk op de openbare ruimte en het aantal verkeersbewegingen in de wijk beperkt.
Dit experiment voorziet niet in een volledige gelijkschakeling van bedrijfsafvalstoffen met huishoudelijke afvalstoffen. Voor de overige fracties die vrij kunnen komen, blijven de bedrijven zelf verantwoordelijk. Hierbij kan gedacht worden aan klein chemisch afval, grof afval, rubber, medicijn- en medisch afval, horeca-vet en -oliën. De verwachting is dat dit geen grote hoeveelheden zijn, die door (gespecialiseerde) afvalinzamelaars zullen moeten worden ingezameld. Ook de inzameling van dit type afvalstoffen vindt plaats door verschillende (gespecialiseerde) afvalinzamelaars. Het OAT en de rolcontainers zijn niet geschikt om deze afvalstromen in te zamelen. Ook gevaarlijke afvalstoffen vallen hier niet onder. Deze zijn en blijven op basis van artikel 1.1 van de Wm uitgezonderd van bedrijfsafvalstoffen en worden door het gelijkschakelen in het experiment dus ook
Staatsblad 2021
600
30
geen huishoudelijke afvalstoffen. De Wm, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de verplichtingen uit vergunningen blijven daarop onverkort van toepassing. Dit experiment draagt bij aan een duurzame ontwikkeling doordat specifieke fracties uit één gebied centraal worden ingezameld op een locatie. Dit is efficiënt en zorgt voor een hoger scheidingspercentage van afvalstoffen en een verbetering in kwaliteit, zodat meer grondstoffen kunnen worden teruggewonnen. Door de inzameling via het OAT en de rolcontainers geeft dit meer ruimte voor de inrichting van openbare ruimte en wordt het aantal verkeersbewegingen teruggebracht. Doordat de inzet van traditionele inzamelvoertuigen tot een minimum wordt gereduceerd, neemt ook de verkeersveiligheid toe. Omdat op basis van dit experiment de inzameling van de in het tweede lid genoemde fracties van bedrijfsafvalstoffen voortaan een wettelijke taak is van de gemeente, heeft dit gevolgen voor mogelijkheid van bedrijven om een contract te sluiten met commerciële afvalinzamelaars. Voor wat betreft de inzameling van die fracties van bedrijfsafvalstoffen is dit namelijk niet mogelijk. Gelet op de beoogde doelstelling van dit experiment, te weten het vergroten van de schaarse openbare ruimte en het beperken van het aantal verkeersbewegingen, wordt deze beperking echter gerechtvaardigd.
Het gelijkschakelen van bepaalde fracties van bedrijfsafval is immers een geschikte en noodzakelijke maatregel om de doelstelling van het experiment te bereiken. Voorts gaat de gemeente, in samenwerking met de branche van afvalinzamelaars en -verwerkers, zich inspannen om de marktwerking zoveel mogelijk in stand te houden. Het OAT zal worden ontworpen op een totale levensduur van 50 jaar. De gemeente wordt eigenaar van het OAT en de terminal, maar een door middel van een aanbesteding aangezochte OAT-exploitant voert de aanleg, de exploitatie, het beheer en het onderhoud uit. Deze aanbesteding is afgerond. De definitieve gunning en contractondertekening is naar verwachting begin mei 2020. Na de inzameling in de containers van de terminal zal het afval met vrachtwagens naar de verwerker moeten worden vervoerd (natransport). Gelet op de ontwikkelingen op het gebied van afval in Amsterdam is nog niet volledig uitgekristalliseerd op welke wijze het natransport en de verwerking zullen plaatsvinden. Amsterdam heeft ook een experiment in de negen straatjes voor het gezamenlijk inzamelen van huishoudelijk afval en vergelijkbaar bedrijfsafval (Stb. 2020, 75).
Voor (de uitvoering van) dit experiment is de gemeente in gesprek met marktpartijen over de verschillende aspecten van bedrijfsafval in Amsterdam en de inzet van de gemeente om een efficiënte en effectieve inzameling van bedrijfsafval te realiseren. Uit deze gesprekken is gebleken dat voor de marktpartijen het belangrijk is om regie te voeren over de contracten met de klant en de grondstoffen. De logistiek is van ondergeschikt belang. Zij staan, in beginsel, positief tegenover een regierol op het onderdeel logistiek voor de gemeente. Om het ontstane vertrouwen te behouden en draagvlak voor het experiment in de Sluisbuurt bij marktpartijen te creëren, zal in de verdere uitwerking van het experiment in overleg gekeken worden naar mogelijkheden om in de Sluisbuurt de regierol van de gemeente op het onderdeel van de logistiek vorm te geven en de marktwerking in stand te houden. De gemeente doet dit in samenwerking met de branche. De gemeente neemt hierbij, voor zover van toepassing, de aanbestedingsregels, de Wet Markt en Overheid en de Wet op de vennootschapsbelasting in acht. Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7aj onderstaand per lid besproken.
Staatsblad 2021
600
31
In het eerste lid is de tijdsduur van het experiment opgenomen. Dit artikel is tot 1 januari 2036 van toepassing. Ook is in dit lid bepaald dat het experiment van toepassing is op het gebied de Sluisbuurt in de gemeente Amsterdam. Het tweede lid schakelt voor de toepassing van hoofdstuk 10 van de Wm bepaalde fracties van bedrijfsafval gelijk aan huishoudelijke afvalstoffen. Het gaat om de fracties afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bioafval, glas, papier, plastic, metaal en drankenkartons (PMD), restafval en textiel. Wat betreft de terminologie van deze fracties is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande en toekomstige wet- en regelgeving. Door het gelijkschakelen van deze fracties aan huishoudelijke afvalstoffen, is het inzamelen daarvan voortaan op grond van artikel 10.21 van de Wm een wettelijke taak van de gemeente. Wat betreft verplichtingen uit andere hoofdstukken van de Wm worden deze fracties van bedrijfsafvalstoffen niet gelijkgeschakeld aan huishoudelijke afvalstoffen. Fracties die niet worden genoemd in het tweede lid vallen niet onder dit experiment, zoals klein chemisch afval, grof afval, rubber, medicijn- en medisch afval, horeca-vet en -oliën. Dit betekent dat die fracties dan ook hebben te gelden als bedrijfsafvalstoffen en bedrijven derhalve zelf verantwoordelijk zijn voor de inzameling daarvan.
Op de niet-genoemde fracties blijven de Wm, het Activiteitenbesluit milieubeheer en verplichtingen uit vergunningen onverkort van toepassing. Grote voorzieningen, zoals scholen, supermarkten en ketens, hebben vaak al geregeld dat vrachtwagens die de bevoorrading doen, ook vol terugrijden. Het afval van deze grote voorzieningen wordt dus vaak mee teruggenomen door dezelfde vrachtwagen die ook de bevoorrading doet. Met dit experiment is niet beoogd om dit retoursysteem te verstoren. Daarom is in het derde lid bepaald dat als de fracties, bedoeld in het tweede lid, door de leverancier kunnen worden meegenomen als retourvracht, het tweede lid niet van toepassing is. Dit betekent dat in die gevallen de fracties niet worden beschouwd als huishoudelijke afvalstoffen en de gemeente op grond van artikel 10.21 van de Wm niet verantwoordelijk is voor de inzameling daarvan. Artikel 7ak (collectieve zuivering, Westland) Vanaf 1 januari 2018 zijn glastuinbouwbedrijven op grond van de artikelen 3.64a en 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om gewasbeschermingsmiddelen die bestaan uit organische verbindingen, uit hun afvalwater te zuiveren. Zuiveringsinstallaties moeten de gewasbeschermingsmiddelen voor minimaal 95% verwijderen uit het te lozen water.
Het gaat om drainwater bij substraatteelt, drainagewater bij grondgebonden teelt en filterspoelwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat. Voor tuinders die aan deze verplichting willen voldoen via een gezamenlijke (collectieve) voorziening is er in artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer een mogelijkheid om via maatwerk, te verlenen door bevoegd gezag, een realisatietermijn te krijgen tot uiterlijk 1 januari 2021. Die mogelijkheid ziet op twee situaties: – het collectief zuiveren in een zuiveringsvoorziening, bijvoorbeeld door een aantal tuinders gezamenlijk; of – het collectief zuiveren op een zuiveringtechnisch werk geëxploiteerd door een waterschap. In dat geval is er nog een keuze tussen het zuiveren van alleen het bedrijfsafvalwater van de tuinders, of het zuiveren van de totale afvalwaterstroom die op de zuivering aankomt. In het Westland is het initiatief genomen tot een experiment waarbij het Hoogheemraadschap van Delfland als dienst voor telers de zuivering uitvoert. Het afvalwater zal in de Afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI)
Staatsblad 2021
600
32
Nieuwe Waterweg in Hoek van Holland gezuiverd worden. Daarvoor is een businessplan opgesteld waarbij een collectieve aanpak van de zuiveringsplicht leidt tot enigszins lagere kosten en een hogere robuustheid qua zuivering. Een collectieve aanpak biedt ook een kans om stappen te zetten in het versneld verminderen van de emissie van nutriënten en het circulair maken van de waterketen, welke past bij de ambitie van de sector zelf, de provincie, het Rijk en de Europese Commissie. De op te richten zuiveringscoöperatie vertegenwoordigt zo’n 1.100 ha glastuinbouw, circa 12% van de Nederlandse glastuinbouw en 25% van de Westlandse glastuinbouw. Er is daarbij gekozen voor niet alleen het zuiveren van het afvalwater van de tuinder, maar ook gezamenlijke zuivering met ander afvalwater uit de dorpskernen. Dit heeft milieu-hygiënisch potentieel drie voordelen: 1. Er kan deels gebruik worden gemaakt van het al bestaande rioolstelsel. 2. Door de ingezette technologie wordt ook een deel van de stoffen uit het afvalwater van de dorpskernen gezuiverd, waaronder verschillende schadelijke stoffen uit huishoudelijke producten en medicijnresten uit huishoudens en medische instellingen, die met het huishoudelijk afvalwater op de zuivering worden aangevoerd. 3. De gehele gezuiverde waterstroom wordt beter geschikt om als voedingswater voor landbouw of als proceswater voor de industrie te fungeren.
Als dat slaagt, zou daarmee worden bereikt dat in het gebied schaars zoet water wordt vastgehouden en niet naar de zee wordt afgevoerd, wat het geval is bij blijvende lozing op de Nieuwe Waterweg. Door deze uit het oogpunt van het milieu gunstige keuze is het zuiveringsproces echter complexer en heeft dit een meer experimenteel karakter vergeleken met het alleen zuiveren van de afvalwaterstroom van de tuinders. De realisatie van dit experiment vraagt daarom meer tijd dan waar artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer van uitgaat. In dit experiment zal gebruik worden gemaakt van een qua grootte innovatieve zuiveringstechniek. Inmiddels is een nieuwe installatie op hoofdlijnen ontworpen en kan deze in 2023 zijn gerealiseerd. Dat betekent dat er uitstel nodig is van de maximale termijn van 1 januari 2021 die in het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen voor het maatwerk voor collectieve zuiveringsinstallaties. De vanuit milieuoogpunt gunstige keuze voor de lange termijn op basis van een collectieve zuivering van afvalwater van de bedrijven samen met afvalwater uit de dorpskernen door middel van een innovatieve techniek betekent voor de korte termijn dat emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar de rioolwaterzuivering en daarmee naar de Nieuwe Waterweg blijven optreden die er zonder het uitstel niet zouden zijn.
Daarom is deze keuze alleen mogelijk onder de voorwaarde dat voor de korte termijn al zoveel mogelijk compenserende en mitigerende maatregelen worden genomen. Het gaat om: – Inspanning van het waterschap om de overbruggingstermijn te verkorten. – Extra zuiveringsstap voor nutriënten op de AWZI bovenop de geldende eisen. De start van de extra zuivering van nutriënten hoeft niet te wachten op gereedkoming van de zuiveringsinstallatie voor gewasbeschermingsmiddelen. – Bestaande zuiveringsinstallaties bij individuele glastuinbouwbedrijven blijven in gebruik tot de collectieve zuiveringsinstallatie gereed is. – In beginsel zoveel mogelijk afvalwater mobiel zuiveren bij bedrijven met het grootste verbruik. – Geen lozing op het oppervlaktewater om het regionale watersysteem
Staatsblad 2021
600
33
te ontzien. – Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk beperken, dit gebeurt onder andere conform een plantgezondheidsprotocol. Daarnaast wordt tijdig natrium gemeten om zicht te houden op de mogelijkheden voor recirculatie. Indien een gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast, wordt een zolang mogelijke wachttijd aangehouden tussen het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel en het moment van lozen. – Extra inzet regionale monitoring en handhaving van de waterkwaliteit. Met deze inspanningen wordt de milieubelasting op korte termijn zoveel als mogelijk gecompenseerd. Nadat de zuivering in bedrijf is genomen, is de verwachting dat het totale milieurendement hoger is dan als de zuivering niet zou worden aangepast en de tuinders zelf zouden zuiveren. Dit omdat hergebruik mogelijk is, maar ook omdat het afvalwater uit de dorpskernen een extra zuiveringsstap ondergaat, en lozing van al het gezuiverde afvalwater op een groot watersysteem plaatsvindt dat minder kwetsbaar is dan de kleinere wateren in de glastuinbouwgebieden. Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7ak onderstaand per lid besproken.
Het eerste lid bepaalt dat in aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, onder a, van de Wm de gemeenteraad bij verordening regels kan stellen voor bij die verordening aangegeven gevallen bij het brengen van drainwater, drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond, het spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie of ander afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld een verlenging van de termijn waarbinnen deelnemende bedrijven niet individueel hoeven te zuiveren. Hierop wordt in de toelichting op het tweede lid nader ingegaan. Met het bij verordening stellen van deze regels wordt voorkomen dat de verlenging individueel bij maatwerkvoorschrift moet plaatsvinden. Voor verlenging bij maatwerkvoorschrift is niet gekozen, omdat dat onnodige administratieve lasten met zich mee zou brengen. De bedrijven zijn reeds individueel beoordeeld, omdat voor de deelnemende bedrijven al een maatwerkvoorschrift vereist was op grond van artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer, om te voorkomen dat bedrijven voorafgaand aan de collectieve zuivering nog individueel zouden moeten zuiveren.
Het tweede lid regelt dat in de verordening kan worden afgeweken van artikel 3.64a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dat artikel regelt dat drainwater, drainagewater of het spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert. Deze mogelijkheid tot afwijken is nodig omdat door de vertraging in de realisatie van de zuivering op het zuiveringtechnisch werk van het waterschap, de uitzondering van het tweede lid van artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer onvoldoende is. Vanwege de in dat lid genoemde uiterste termijn, zouden vanaf 1 januari 2021 tot het realiseren van de zuivering op het zuiveringtechnisch werk alle onder het experiment vallende glastuinbouwbedrijven in overtreding zijn.
Staatsblad 2021
600
34
Het derde lid bepaalt dat, indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, het verboden is spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond en drainwater vanuit de aan het experiment deelnemende bedrijven rechtstreeks te lozen op oppervlaktewater. In plaats daarvan dienen tuinders hun afvalwater via de riolering aan de AWZI aan te bieden of een andere zuiveringsmethode te gebruiken. Door lozing op de riolering te verplichten wordt het regionale oppervlaktewater ontzien. Indien de zuivering van het waterschap wel op tijd gereed zou zijn, zouden alle onder het experiment vallende bedrijven, tenzij ze gedeeltelijk zelf zuiveren, al dit afvalwater via het openbaar vuilwaterriool naar de collectieve zuivering moeten brengen. Het lozen van ongezuiverd afvalwater op het oppervlaktewater door individuele bedrijven is volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer in geval van collectief zuiveren vanaf 1 januari 2021 immers niet toegestaan. Verder is ook in het vierde lid en vijfde lid een aantal waarborgen opgenomen.
Zo moet de gemeente op grond van het vierde lid in de verordening, bedoeld in het eerste lid, regels opnemen die ertoe strekken dat de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, die met het bedrijfsafvalwater in het openbaar vuilwaterriool wordt gebracht, zoveel mogelijk wordt beperkt. De gemeente kan bijvoorbeeld in de verordening ook eisen stellen aan waar en hoeveel afvalwater mobiel moet worden gezuiverd, bijvoorbeeld bij bedrijven met het grootste verbruik. Ook kan de gemeente in de verordening bepalen dat een zo lang mogelijke wachttijd wordt aangehouden tussen het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel en het moment van lozen van het afvalwater op het vuilwaterriool. Daarnaast is in het vijfde lid een aantal verplichtingen opgenomen voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert. Op grond van onderdeel a dient een aanvullende zuiveringsstap voor het verwijderen van nutriënten uit het afvalwater te worden ingevoerd. Ook moet iedere zes maanden aan burgemeester en wethouders worden gerapporteerd over de voortgang van het hergebruiken van gezuiverd water (onderdeel b). Verder moet degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert ieder kwartaal burgemeester en wethouders op de hoogte brengen van de planning voor de oplevering van de zuiveringstechnologie en over de inspanningen die worden gepleegd om de opleverdatum te verkorten (onderdeel c).
Dit met het doel om de overbruggingstijd zoveel mogelijk in te korten en de voortgang richting hergebruik van effluent te verantwoorden. Bovenstaande waarborgen zijn niet limitatief. In het zesde lid is de tijdsduur van het experiment opgenomen. Deze loopt, gelet op de aanleg van de installatie, tot uiterlijk 1 januari 2024. Daarnaast is bepaald dat het experiment van toepassing is op glastuinbouwbedrijven in de gemeente Westland die kunnen aantonen dat zij hun afvalwater via de nog te realiseren collectieve zuiveringsvoorziening bij de Nieuwe Waterweg zullen laten zuiveren. Regeldruk voor burgers en bedrijven Deze tranche van het Bu Chw past een experiment aan en maakt vijf nieuwe experimenten mogelijk. De experimenten hebben als doel een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling en economische structuurversterking of een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling en innovatie. De kwalitatieve doelstelling van de experimenten is daarmee bepaald. Aanvullende kwantitatieve doelstellingen worden bewust niet
Staatsblad 2021
600
35
vastgesteld, maar wel wordt een lastenluwe werkwijze gestimuleerd. Een kwantitatieve doelstelling past niet bij het karakter van experimenten, waarbij op voorhand moeilijk is in te schatten wat de effecten zullen zijn. Het Rijk vervult hier namelijk slechts een kaderscheppende en geen uitvoerende rol. De te verwachten regeldrukeffecten van de experimenten zijn dan ook vooral afhankelijk van de keuzes die decentrale overheden maken bij de toepassing ervan. Het is aan de decentrale overheid die het experiment uitvoert om de regeldrukeffecten te berekenen en af te wegen. Dit uitgangspunt staat er echter niet aan in de weg dat achteraf geëvalueerd zal worden wat de (regeldruk)effecten van de experimenten zijn geweest. Dit wordt gedaan in de Voortgangsrapportage die jaarlijks naar de Staten-Generaal wordt gestuurd. Gelet hierop zullen hieronder slechts de te verwachten regeldrukeffecten kwalitatief en globaal worden beschreven. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft advies uitgebracht met betrekking tot de tweeëntwintigste tranche. Het advies van het ATR was positief, er werd wel verzocht om met de daarin opgenomen adviespunten rekening te houden. Verder concludeerde het ATR dat de experimenten in deze tranche een lastenluwe manier vormen om te bezien of de gekozen instrumenten bepaalde knelpunten in de praktijk kunnen oplossen.
Wat betreft het experiment aardgasvrije wijken in Utrecht heeft het ATR advies uitgebracht in het kader van de eenentwintigste tranche van het Bu Chw. Ook dit was een positief advies, er werd eveneens verzocht om met de daarin opgenomen adviespunten rekening te houden. Het experiment met de Leegstandwet in artikel 6u maakt het mogelijk dat in de desbetreffende gebieden een woonruimte tijdelijk wordt verhuurd voor een periode van uiterlijk veertien in plaats van zeven jaar. Op grond van de Leegstandwet wordt een vergunning voor tijdelijke verhuur in beginsel verleend voor ten hoogste twee jaren, waarna deze jaarlijks kan worden verlengd. Volgens de procedure in de Leegstandwet zou een vergunning voor tijdelijke verhuur op grond van dit experiment een groot aantal keren verlengd moeten worden om de maximale verhuurperiode te kunnen benutten. Om de administratieve belasting van het college van burgemeester en wethouders en de eigenaar niet toe te laten nemen, is in het experiment de verlengingsduur van een vergunning verlengd naar drie jaar. Met de vijf verlengingen die op grond van de Leegstandwet nodig zijn om zeven jaar tijdelijke verhuur mogelijk te maken, kan nu veertien jaar tijdelijke verhuur plaatsvinden. Voor de gemeente Utrecht wordt het mogelijk gemaakt in een wijk woningen die al gasloos verwarmd worden ook voor het koken van het gas af te halen.
De woningen in Overvecht-Noord zijn vrijwel uitsluitend corporatiewoningen. De gemeente, de netbeheerder en de woningcorporaties werken al geruime tijd samen aan de uitfasering van de gasinfrastructuur in Overvecht-Noord. De basis voor de uitfasering van de kookgasaansluitingen is een traject van ontzorgen en faciliteren. In dat kader wordt nu door de gemeente Utrecht, Stedin en de woningcorporaties bekeken op welke wijze hier invulling aan gegeven kan worden en wie welke taken en werkzaamheden oppakt. Ook zijn zij voor dit experiment in overleg om de totale kosten en besparingen in beeld te brengen en te bepalen welk aandeel elk van hen hierin heeft. Randvoorwaarde is dat de overstap op elektrisch koken daadwerkelijk leidt tot het niet hoeven vervangen van een gasleiding en de bewoner geen kosten als gevolg van deze overstap heeft en, indien gewenst, volledig ontzorgd wordt bij de overstap. Een traject van volledig vrijwillige uitfasering van kookgasaansluitingen brengt het risico met zich mee dat enkele bewoners niet mee willen gaan of zonder duidelijke reden in het geheel niet reageren op voorstellen tot uitfasering van de kookgasafsluitingen. Het
Staatsblad 2021
600
36
gasnet zou dan alsnog vernieuwd moeten worden. Daarom heeft de gemeente Utrecht aanvullende instrumenten nodig zodat het plan succesvol kan worden uitgevoerd. De regeling in artikel 7ag is een van die instrumenten. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte zal inzicht gegeven moeten worden in de financiële, technische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit experiment. In het experiment nieuwe sanitatie dat is openomen in artikel 7ai wordt het huishoudelijk afvalwater gesplitst in twee afvalwaterstromen. Hierdoor vindt scheiding van geconcentreerd afvalwater en overig afvalwater aan de bron plaats, hetgeen resulteert in twee afvalwaterstromen met verschillende samenstelling en eigenschappen, waardoor terugwinning van energie en grondstoffen efficiënter kan worden gerealiseerd dan bij een gemengde inzameling. Ook de zuivering van het afvalwater is efficiënter. Het geconcentreerd afvalwater wordt ingezameld via een vacuümriool. De overige huishoudelijke afvalwaterstromen worden via een conventioneel vrijverval riool ingezameld. De aanleg van de lokale zuivering en het rioleringsstelsel worden gefinancierd uit de middelen van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de gemeente Amsterdam. De kosten voor het vacuümtoilet en eventuele apparatuur om voedsel te vermalen worden betaald uit de gebiedsontwikkeling.
Hierover moeten nadere afspraken met de opdrachtgevers in de gebiedsontwikkeling worden gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat het niet leidt tot extra regeldruk voor huishoudens en bedrijven, zowel in financiële zin als juridisch (vergunningen). Wel zal het gebruik van het vacuümtoilet een besparing geven op het drinkwatergebruik. Er worden derhalve geen negatieve regeldrukeffecten verwacht. Het experiment met het OAT, zoals opgenomen in artikel 7aj, bestaat uit een stelsel van buizen onder de grond waardoor afval wordt getransporteerd vanuit een inwerpopening naar een inzamellocatie: de terminal. In aanvulling hierop worden rolcontainers geplaatst voor de overige afvalstromen die door de gemeente worden ingezameld. Dit systeem zal zowel voor huishoudens en bedrijven worden gebruikt. In de voorbereiding is technisch onderzoek gedaan, zijn de financiële kosten en baten berekend en is een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) gemaakt waarin de indirecte maatschappelijke effecten zijn beschreven. De gemeente Amsterdam heeft budget vrijgemaakt voor realisatie en de aanbesteding voor de exploitant is in een afrondende fase. Uitgangspunt van de gemeente is om de kosten voor bedrijven op een vergelijkbaar niveau te houden met traditionele inzameling. Hier is ook bij de onderzoeken van uitgegaan. De kosten voor huishoudens worden op de reguliere manier berekend.
Er worden derhalve geen negatieve regeldrukeffecten verwacht voor dit experiment. Het experiment collectieve zuivering is door de gemeente Westland aangevraagd, in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en Glastuinbouw Nederland. Met dit experiment krijgen circa 350 deelnemende glastuinbouwbedrijven in het Westland de mogelijkheid om hun afvalwater collectief te zuiveren. Het afvalwater zal in de Afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Nieuwe Waterweg in Hoek van Holland gezuiverd worden. Daarbij wordt een innovatieve techniek toegepast op basis van ozon. Naast het afvalwater van de tuinders wordt ook het overige afvalwater uit de dorpskernen op deze wijze gezuiverd, waardoor ook verschillende schadelijke stoffen uit huishoudelijke producten en medicijnresten uit huishoudens en medische instellingen uit het afvalwater worden gezuiverd. De AWZI kan in 2023 gerealiseerd worden. Dat betekent dat er drie jaar uitstel nodig is van de maximale termijn van 1 januari 2021 die in artikel 3.64b, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen voor het maatwerk voor
Staatsblad 2021
600
37
collectieve zuiveringsinstallaties. Van dit experiment worden positieve regeldrukeffecten verwacht voor de deelnemende glastuinbouwbedrijven, omdat grote investeringen voor het tijdelijk op andere wijze zuiveren van afvalwater (bijvoorbeeld tijdelijk mobiele zuivering) worden voorkomen. Voor burgers en professionals worden geen negatieve regeldrukeffecten verwacht. Artikel II In artikel II wordt de inwerkingtreding geregeld. Er wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden omdat door onmiddellijke inwerkingtreding voor de doelgroep (verschillende overheden) aanmerkelijk publieke nadelen worden voorkomen. De in het besluit betrokken overheden hebben zelf verzocht om de aanwijzing in het besluit. Enkele zijn ook al begonnen met de procedures die moeten leiden tot de besluiten waarin uitvoering wordt gegeven aan de in deze tweeëntwintigste tranche van het Bu Chw opgenomen experimenten. Zij zullen worden benadeeld als de besluitvormingsprocedure voor deze experimenten wordt vertraagd als toepassing wordt gegeven aan de regeling inzake vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden. Dit besluit bevat verder geen direct werkende regels waaraan administratieve lasten verbonden zijn voor burgers en bedrijven of andere nadelen als gevolg van de afwijking.
Artikel III In artikel III wordt een citeertitel gegeven. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren
Staatsblad 2021
600
38
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
Bestaand
1. Bestaand gebruik: het feitelijke of vergunde gebruik van de gronden en bouwwerken op moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan; daaronder valt niet het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. 2. Bestaande bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan: a. bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Woningwet zijn gebouwd; b. nog kunnen worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een bouwvergunning op grond van de Woningwet. a. bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Woningwet zijn gebouwd; b. nog kunnen worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een bouwvergunning op grond van de Woningwet. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen. 1.3
Bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.4
Functie
Een onderscheidend kenmerk van een locatie waaruit blijkt voor welke activiteiten de locatie bedoeld of geschikt is; functie in de zin van artikel 4.2 van de Omgevingswet; bestemming als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. 1.5
Gastransportnet
Transportnet als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Gaswet, niet tot een gasproductienet behorende, met elkaar verbonden leidingen of hulpmiddelen bestemd of gebruikt voor het transport van gas, met inbegrip van hulpmiddelen en installaties waarmee ondersteunende diensten voor dat transport worden verricht, behoudens voor zover deze leidingen en hulpmiddelen onderdeel uitmaken van een directe lijn of gelegen zijn binnen de installatie van de afnemer. 1.6
Kookgasaansluiting
Aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet waarbij de onroerende zaak ook een aansluiting heeft op een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte. 1.7
Netbeheerder
Beheerder als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Gaswet, een vennootschap die op grond van artikel 2 van de Gaswet is aangewezen voor het beheer van een of meer gastransportnetten.
7 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
1.8
Onroerende zaak
Voor de toepassing van dit bestemmingsplan is op basis van artikel 16, onder a t/m e, van de Wet waardering onroerende zaken, als één onroerende zaak aangemerkt: 1. een gebouwd eigendom; 2. een ongebouwd eigendom; 3. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; 4. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel 1 of onderdeel 2 bedoelde eigendommen of in onderdeel 3 bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; 5. een geheel van twee of meer van de in onderdeel 1 of onderdeel 2 bedoelde eigendommen, of in onderdeel 3 bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel 4 bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd; 6. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel 1 of onderdeel 2 bedoeld eigendom, van een in onderdeel 3 bedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel 4 bedoeld samenstel of van een in onderdeel 5 bedoeld geheel. 1.9
Plan
Het Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht met identificatienummer NL.IMRO.0344.BPKOOKGASVRIJOVERV-VA01 van de gemeente Utrecht. 1.10
Verbeelding
De digitale weergave van het grondgebied van de gemeente dat bij een bestemmingsplan hoort, waarop de locaties en aanduidingen die in de regels worden genoemd zijn ingetekend op een topografische ondergrond, met uitzondering van locaties of aanduidingen die voor het hele grondgebied van dat bestemmingsplan gelden. 1.11
Warmtenet
Net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van warmte, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een inpandig leidingstelsel, een binneninstallatie of een gebouw of werk van een producent en strekken tot toe- of afvoer van warmte ten behoeve van dat inpandig leidingstelsel, die binneninstallatie of dat gebouw of werk van een producent.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht" (vastgesteld)
79
Hoofdstuk 2 Artikel 2 2.1
Gebiedsaanduiding
Specifieke gebiedsaanduiding
Bestemmingsomschrijving
Ter plaatse van de gebiedaanduiding 'Overige zone - Kookgasvrij' zijn deze aangewezen gronden bestemd voor elektrisch koken. 2.2
Specifieke gebruiksregels
Ter plaatse van de gebiedaanduiding 'Overige zone - Kookgasvrij' is het voor een onroerende zaak vanaf 1 januari 2024 verboden om te beschikken over een kookgasaansluiting.
8 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 3 Artikel 3
Algemene regels
Werking van dit bestemmingsplan
Met in achtneming van de regels in artikel 2 blijven de onderliggende geldende bestemmingsplannen van toepassing.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht" (vastgesteld)
81
Hoofdstuk 4 Artikel 4
Slotregels
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: regels van het Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht.
8 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Kookgasvrij Overvecht" (vastgesteld)
Gemeente Utrecht
Uitgave Gemeente Utrecht Bezoekadres Stadskantoor, Stadsplateau 1 Postadres Postbus 8406, 3505 RK Utrecht Telefoon 030 - 286 00 00 Mail gebiedsontwikkelingjz@utrecht.nl