Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn_Toelichting.pdf
Tekst van het document
23
Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:
•
er zijn geen alternatieve oplossingen;
•
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
•
er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:
•
argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
•
andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan. Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld. Soortenbescherming De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:
•
een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten; Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.
•
een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn; Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.
•
een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten.
Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen. Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:
•
er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
•
de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daaropvolgende gebruik van het betreffende gebied;
•
de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.
24 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Utrecht vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Provinciaal beleid (provinciale verordening) Hieronder vallen beschermde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en gebieden die behoren tot de Groene Contour in de provincie Utrecht.
De Groene Contour is een gebied van ongeveer 3.000 hectare dat tegen het NNN aan ligt. In het 'Akkoord van Utrecht' is afgesproken om in deze zone stap voor stap steeds meer natuur toe te voegen. Als een terrein eenmaal is omgevormd tot natuur, wordt dit toegevoegd aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland. ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd. De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking.
Plangebied en conclusie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke effecten voor beschermde plant- of diersoorten en beschermde gebieden, zie Bijlage 2 ‘Natuur rapport’. Gebiedsbescherming In figuur 7 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
25
Figuur 7: De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.
Natura 2000-gebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Uiterwaarden Lek op een afstand van respectievelijk 8.850 meter en 10.000 meter ten opzichte van het gebied. De aanleg van de nieuwe 10kV en 50k installatie leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000netwerk. Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-netwerk kunnen indirecte effecten (met uitzondering van stikfstofdepostitie, zie hoofdstuk 5.4) op Natura 2000-gebieden als gevolg van storingsfactoren zoals geluid en licht worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Op een afstand van 2.888 meter ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft bestaande natuur langs de Hollandse IJssel. De aanleg van een nieuwe 10kV en 50k installatie leidt niet tot ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.888 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Er is geen nadere NNNtoetsing benodigd.
26 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Groene contour Op een afstand van 2.860 meter ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van de Groene Contour. Het betreft bestaande natuur langs de Hollandse IJssel. De aanleg van een nieuwe 10kV en 50k installatie leidt niet tot ruimtebeslag op de Groene Contour. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.860 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. Effecten op de Groene Contour als gevolg van de werkzaamheden worden uitgesloten. Soortenbescherming Binnen het plangebied is wel biotoop aangetroffen die geschikt is voor de volgende beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt: algemene broedvogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Verder is rondom het plangebied biotoop aangetroffen wat geschikt is voor de beschermde heikikker en platte schijfhoren. Indien de watergang intact blijft en zowel de oevers van de watergang als de hogere begroeiing langs de randen van het agrarische perceel behouden blijven, is nader onderzoek naar de heikikker niet aan de orde. Doordat niet aan watergangen wordt gewerkt zijn geen vervolgstappen benodigd voor de platte schijfhoren. Er is geen nader onderzoek nodig naar beschermde soorten indien watergangen en randen met hoge vegetatie van het agrarisch perceel niet aangetast worden.
Maatregelen Om negatieve effecten op algemeen beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen worden in ieder geval de volgende maatregelen voorgesteld: •
Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden.
•
Voorafgaand aan het broedseizoen kan vegetatie kort worden gemaaid om het plangebied onaantrekkelijk te maken als broedplaats voor algemene broedvogels.
•
Om effecten op de heikikker te voorkomen dient de begroeiing op de oevers en de begroeiing aan de randen van het agrarische perceel behouden te worden. Ook voor de potentieel aanwezige steenmarter in de directe omgeving, is de aanbeveling om de hogere vegetatie langs de randen van het agrarisch perceel te behouden.
•
Werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden zodat potentieel leefgebied van de steenmarter niet in functionaliteit beperkt wordt.
•
Bij de inrichting van de verlichting van het noordelijke agrarische perceel dient uitstraling naar watergangen, de groenstrook ten noorden van het perceel en (indien behouden) de groene stroken rondom het perceel voorkomen te worden. De uitstraling mag maximaal 0,1 Lux zijn. Indien dit niet mogelijk is zal nader onderzoek naar de effecten van verlichting op het functioneel leefgebied van de steenmarter benodigd zijn.
•
Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
Houtopstanden Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk. Conclusie bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
27
Uit het hiervoor genoemde blijkt dat er sprake is van geringe effecten op natuur (beschermde soorten). De oevers en begroeiing aan de randen van het perceel blijven onaangetast. Mocht hier evenwel toch gewerkt moeten worden, zal voldaan worden aan de zorgplicht, dan wel zal een ontheffing worden aangevraagd (die redelijkerwijs verkregen kan worden). Het Landschapsplan zoals dit wordt gerealiseerd (par. 4.1.3) vormt bovendien een extra kans voor de natuur. Door de keuze voor een groene en ecologische inpassing aan de randen van het perceel en de natuurvriendelijke oevers wordt de natuur versterkt. Gelet op het bovenstaande vormt ecologie dan ook geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
5.6 Stikstof Kader Een (wijziging van een) bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Dit is het geval indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen, is net als bij projecten meestal een passende beoordeling nodig en tenminste een voortoets. Als uit de passende beoordeling (of voortoets) blijkt dat significante gevolgen zijn uitgesloten, mag het bestemmingsplan vastgesteld worden. De Wet natuurbescherming staat dan niet in de weg voor de uitvoerbaarheid van het plan. Per 1 juli 2021 is de Wet Natuurbescherming en het Besluit Natuurbescherming aangepast. Een onderdeel van deze wijziging is de bouwvrijstelling. Dit betekent dat projecten in de aanlegfase vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht Wet Natuurbescherming. Voor deze fase is geen stikstofberekening noodzakelijk. De vrijstelling geldt enkel voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de aanlegfase en geldt niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase.
Volledigheidshalve is voor de aanlegfase van onderhavig project toch een stikstofberekening uitgevoerd. Plangebied en conclusie Er is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de realisatie en uitbreiding van het hoogspanningsstation, zie bijlage 3 ‘AERIUS-berekening’. Voor de berekeningen voor de aanleg zijn de in te zetten voertuigen, mobiele werktuigen en draaiuren als input gebruikt. In de gebruiksfase is sprake van transport van opgewekte energie. Hierbij is geen sprake van enige vorm van stikstofemissie. Wel zijn incidenteel onderhoud en reparaties benodigd, waarbij sprake is van incidentele voertuigbewegingen. Dit is echter dusdanig weinig dat dit met zekerheid niet leidt tot negatieve effecten. De gebruiksfase is daarom niet beschouwd.
28 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Figuur 8: Het plangebied en de ontsluitingsroute t.o.v. Natura-2000 gebieden
De realisatiefase van het project (beide fases) leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en/of habitatsoorten in Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat er voor de realisatiefase van het project, in het kader van stikstofdepositie, geen vergunning voor de Wet natuurbescherming hoeft te worden aangevraagd. In bijlage 3 is de AERIUS-uitvoer van de berekening voor zowel fase 1 als fase 2 weergegeven.
5.7 Water Kader Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. De bodem bestaat uit een kleiige ondergrond. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
29
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden (zie artikel 3.10 Keur 2019). Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de wateropgave en de benodigde watercompensatie afhankelijk van de aard en omvang van de toename aan verhard, afvoerend oppervlak en van de omgang met het hemelwater. Om de waterhuishouding op orde te houden en wateroverlast te voorkomen, zijn op grond van de Keur bij een verhardingstoename van meer dan 500 m2 maatregelen vereist (dit is de ondergrens voor watercompensatie binnen de bebouwde kom). Visie Water en Riolering en Visie klimaatadaptatie Voor de openbare ruimte ligt het ambitieniveau van de Gemeente Utrecht voor klimaatadaptatie, water en duurzaamheid hoog. In de Visie Water en Riolering en de Visie Klimaatadaptatie, worden de ambities voorgesteld. Een van de belangrijke principes is de opgave voor klimaatadaptatie samen te laten gaan met de groenopgave.
Denk aan blauwgroene daken, gevelgroen, schaduw door bomen tegen hittestress, natuurvriendelijke oevers die ruimte geven voor waterberging en biodiversiteit. De gemeente streeft conform het beleid van de Europese Kaderrichtlijn Water samen met de waterbeheerder naar een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit betekent dat de waterkwaliteit veerkrachtig is, ook bij extreem weer en lange termijn klimaateffecten. De waterkwaliteit en ecologie van het oppervlaktewater mag niet achteruit gaan ten gevolge van ruimtelijke ingrepen. Dit sluit aan bij de ambitie vastgesteld door de Gemeente Utrecht in regionaal verband (Netwerk Water en Klimaat) en in de visie Water en Riolering van de Gemeente Utrecht. Plangebied en conclusie Waterkwantiteit Toename verhard oppervlak Voor het plangebied is een watertoets uitgevoerd, zie Bijlage 4 ‘Watertoets’. In het plan is sprake van een toename verhard oppervlak. Door deze toename aan verharding komt overtollig hemelwater versneld tot afvoer naar het riool en/of naar het watersysteem. Daar zijn het bestaande riool en watersysteem niet op ingericht, waardoor in het plangebied of in het peilgebied het waterpeil stijgt en wellicht wateroverlast kan ontstaan bij (hevige) regenbuien.
In fase 1 is er sprake van een toename van 518 m2 voor de nieuw te realiseren gebouwen, 104 m2 voor de terreinverharding en 10 m2 voor de uitbreiding van de parkeerplaatsen. Van de bestaande terreinverharding verdwijnt zo’n 900 m2 waar nu de schakeltuin staat. Dit wordt later ingezaaid met gras. In totaal betekent dit een afname van 268 m2 verhard oppervlak. 30 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
In fase 2 is voor nu uitgegaan van 40% verhard oppervlak (worst case) van het gehele terrein. Dit komt neer op een nieuw verhard oppervlak van 2150 m2. In tabel 3 staat de toelichting. Het uitgangspunt hierbij is dat de verharding wordt gezien als verhard. Wel dient opgemerkt te worden dat het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden halfverharding of open verharding als onverhard zien, mits er 45 mm neerslag kan worden vastgehouden / geïnfiltreerd in de onderlaag. Hiervoor dient dan wel een laag van zand van minimaal een halve meter dikte worden gerealiseerd onder deze halfverharding. Vooralsnog is dit niet opgenomen in het ontwerp.
In november 2021 heeft HDSR een notitie opgesteld met daarin de relevante wateraspecten voor de ruimtelijke ontwikkeling van dit plangebied. Deze notitie ‘Notitie waterhuishouding uitbreiding hoogspanningsstation Stedin locatie Oudenrijn Utrecht’ is toegevoegd als bijlage bij de Watertoets. Het plangebied ligt in landelijk gebied en is kleiner dan 5000 m 2. Dit betekent dat er op basis van de uitvoeringsregels van de Keur van het Waterschap Stichtse Rijnlanden geen verplichting is tot compensatie. Toch is bij een toename kleiner dan 5000 m2 in het landelijk gebied het advies van gemeente en het waterschap om in het kader van klimaatadaptatie watercompensatie te realiseren. Om de toename van het verhard oppervlak te compenseren zijn er twee manieren om de versnelde afvoer te voorkomen: A. Compensatie door graven extra waterberging Bij het compenseren in open water wordt de richtlijn gebruikt om 15% van de toename van het verhard oppervlak te compenseren. Op basis van 2.013 m2 betekent dit dat 302 m2 aan nieuw open water moet worden aangelegd. B. Voorkomen versnelde afvoer door infiltratievoorzieningen Bij het berekenen van de bergingscapaciteit voor infiltratievoorzieningen is de minimale ontwerp voorwaarde 45 mm per m2 afgekoppeld verhard oppervlak. Dit komt neer op het realiseren van een bergingscapaciteit van 2.013 x 0,045 = (minimaal) 91 m3.
In het inpassingsplan is verder toegelicht op welke wijze watercompensatie wordt toegepast. C. Combinatie van extra waterberging en infiltratievoorzieningen Een combinatie van bijvoorbeeld 50%/ 50% zou het volgende betekenen: 151 m2 nieuw oppervlaktewater en 46 m3 infiltratievoorzieningen. Andere verdelingen zijn ook mogelijk. In paragraaf 3.7 van de Watertoets (Bijlage 4) zijn diverse schetsen opgenomen waarin de waterberging staat weergegeven. Het betreft vier scenario’s waarin de toekomstige inrichting staat afgebeeld. In de volgende fase, voorafgaand aan het aanvragen van de watervergunning, wordt de keuze gemaakt voor de invulling van de watercompensatie. Waterveiligheid Er bevindt zich geen regionale waterkering in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Dit onderwerp zal daarom in deze watertoets niet verder worden uitgewerkt. Enkel wateroverlast door extreme neerslag kan de waterveiligheid in gevaar brengen.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
31
Waterkwaliteit Op de locatie vindt een uitbreiding plaats van de activiteiten, gezien het gebruik van (duurzame) materialen en inzet van bodembeschermende maatregelen is de verwachting dat deze uitbreiding niet leidt tot een verslechtering van de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit. Riolering In de nieuwe gebouwen zijn geen sanitaire voorzieningen aanwezig. Daarnaast wordt het hemelwater afvoer niet gekoppeld aan de riolering. Maatregelen voor gevolgenbeperking In de toekomst kan eventueel wateroverlast en schade aan vitale functies ontstaan als ́ zijn denkbaar: gevolg van klimaatsverandering. De volgende scenario s 1. Een T=10 bui. Hierbij treedt een peilstijging op van circa 30 cm. Dat komt neer op een waterstand van circa NAP -0,80 m. 2. Een weersysteem zoals in Zuid-Limburg (totale neerslagsom van 175 mm). Er kan tot 50 cm water op het maaiveld komen te staan. 3. Het gebied krijgt een status van een waterbergingsgebied. Een waterbergingsgebied zal worden ontworpen op een peilstijging van circa 0,5 tot maximaal 1 meter. E.a. is afhankelijk van de aan te sluiten peilgebieden en maaiveldhoogtes. In de toekomst krijgen we mogelijk te maken met een zogenaamde maalstop bij IJmuiden, waardoor poldergemalen het teveel aan water niet kunnen lozen op het Amsterdam Rijnkanaal. Daarom is het nodig om water uit de stad tijdelijk te bergen.
Het noorden van Rijnenburg is vanwege de hoogteligging een geschikte locatie voor een dergelijke waterberging. 4. Een overstroming vanuit de Lek (door een dijkdoorbraak). Hieronder wordt per scenario beschreven welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele wateroverlast en schade te beperken. De keuzes voor het nemen van de maatregelen volgen in een later stadium. Tevens geldt dat de maatregelen genoemd bij de verschillende punten met elkaar gecombineerd kunnen worden. 1. Bij inrichting van een gebouw de kwetsbare voorzieningen voldoende hoog plaatsen in plaats van op de begane grond. Ramen (indien gewenst) op de begane grond kunnen een eventuele waterdruk weerstaan. In het bouwkundig ontwerp van het Schakelstation is alle “gevoelige apparatuur” op de eerste verdieping gesitueerd. Dit is circa 3,0 meter boven maaiveld. 2. De verwachting is dat het water op het maaiveld binnen één of twee dagen is weggepompt uit het plangebied. In het gebied die mogelijk kan overstromen kunnen bouwmaterialen gebruikt worden die waterbestendig zijn of snel hersteld worden. Bijvoorbeeld een waterdichte betonvloerconstructie, waterbestendige vloerafwerking en wandconstructies. Ook kan worden gedacht aan waterbestendige keerschotten bij een gebouw. 3.
Als het peilgebied hiervoor ingericht wordt, dient een aantal voorzieningen getroffen te worden, zodat het water niet het terrein van Stedin bereikt. Het aanleggen van een dijk rondom het terrein met verhoogde keerschotten die op een aantal plekken geplaatst worden is dan een mogelijkheid. Andere optie is het deels ophogen van het terrein t.o.v. de directe omgeving. Belangrijk is dat wordt voorkomen dat water het terrein bereikt. 4. Op basis van het klimaatportaal is er een zeer kleine tot extreem kleine kans op overstromingen met een waterdiepte van respectievelijk 20 cm tot 2 meter. Wanneer de dijk vanuit de Lek doorbreekt is de verwachting dat een waterdiepte van circa 0,5 tot 1 meter optreedt. Indien er overstromingen plaatsvinden in het gebied, zullen de elektriciteitsnetten automatisch of handmatige afgeschakeld worden, voornamelijk uit veiligheid en ter voorkoming van elektrocutie. Door wetproof te bouwen kan ontstane schade snel worden hersteld. Het gebouw is dan tot een waterdiepte van 2,5 meter beschermd tegen het water. Onderdeel van het maatregelenpakket kunnen naast technische maatregelen ook niet-technische maatregelen zijn zoals een evacuatieplan. Nadat het water is gezakt en het veilig is om de onderliggende elektriciteitsnetten weer van spanning te voorzien kan het station relatief snel weer elektrische energie leveren.
Apparatuur welke in aanraking is geweest met water, heeft een lange reparatie tijd, ook vervangen zal zeker een lange tijd in beslag nemen.
32 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
5.8 Bodem Kader Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming:
•
Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat moet de bodem direct worden gesaneerd.
•
Gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten worden gesaneerd als er tevens sprake is van milieuhygiënische risico's. Dit gebeurt functiegericht en kosteneffectief. Tevens is nieuwbouw op een geval van ernstige bodemverontreiniging niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen.
•
Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaats vinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.
Plangebied en conclusie Voor de realisatie van het station vinden grondroerende activiteiten plaats welke mogelijk een effect hebben op de bodemkwaliteit. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek, zie bijlage 5 ‘Verkennend en aanvullend bodem onderzoek (Tauw)’, wordt het volgende geconcludeerd: In een deel van de kleiige ondergrond is op één plaats (boring 44 traject 0,5-0,8 m -mv) een sterk verhoogde gehalte aan zink aangetoond. De sterke verontreiniging met zink is hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de bijmenging met baksteen en metselpuin gerelateerd aan de slootdemping. En op één plaats (boring 20 traject 0,5-1,0 m -mv) is een matig verontreiniging met nikkel aangetroffen. Op basis van aanvullend/afperkend onderzoek wordt aangenomen dat binnen de voorgenomen ontgraving geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen (meer dan 25 m3 grond waarin de interventiewaarde wordt overschreden). De overige parameters zijn maximaal licht verhoogd aangetoond. Waarschijnlijk is sprake van een incidenteel sterk en matig verhoogd gehalte aan respectievelijk zink en nikkel en er is geen aanwijzing voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit wordt bevestigd middels het aanvullend uitgevoerde bodemonderzoek. Een deel van het terrein waar het bestemmingsplan betrekking op heeft, is nog niet milieukundig onderzocht.
Op grond van het voormalig landbouwkundig gebruik is de verwachting dat de bodemkwaliteit overeenkomt met het reeds uitgevoerde bodemonderzoek zoals bovenstaand beschreven. Hierbij moet worden opgemerkt dat er nog wel een niet onderzochte verdachte locatie op het terreindeel aanwezig is. Het gaat hierbij om slootdempingen. Voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden wordt het volgende aanbevolen: • Vrijkomende grond kan in dezelfde gelaagdheid worden terug geplaatst in de ontgraving binnen de voorwaarden die gelden voor een tijdelijke uitname; • Aanbevolen wordt om onderhavig onderzoek te verstrekken aan de aannemer zodra graafwerk plaats gaat vinden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het vaststellen van het Bestemmingsplan.
5.9 Luchtkwaliteit Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
33
een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHOadvieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU. De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5.
Stof
Grenswaarde EU
WHO-advieswaarde-2005
Toetsingsperiode
NO2 (stikstofdioxide)
40 µg/m³
40 µg/m³
Jaargemiddelde
PM10 (fijnstof)
40 µg/m³
20 µg/m³
Jaargemiddelde
PM2,5 (fijnstof)
25 µg/m³
10 µg/m³
Jaargemiddelde
WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m3) en voor PM2,5 (10 µg/m3). Deze motie is uitgewerkt in het raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plangebied De capaciteitsuitbreiding van het hoogspanningsstation functioneert als voedingspunt van het elektriciteitsnet in de regio Utrecht. De luchtkwaliteit in het plangebied is volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2022) op dit moment beoordeeld met ‘matig’.
Het hoogspanningsstation zelf heeft geen effect op de luchtkwaliteit aangezien er geen uitstoot plaatsvindt door het gebouw zelf. Enkel voor onderhoud vinden in zeer geringe mate vervoersbewegingen plaats richting het te bouwen hoogspanningsstation. Deze ontwikkelingen zijn dusdanig klein dat deze geen effect hebben op de ‘luchtkwaliteit’ in de omgeving. Het project draagt dus ‘niet in betekende mate’ bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het vaststellen van het Bestemmingsplan.
5.10 Externe veiligheid Kader De regelgeving omtrent externe veiligheid heeft tot doel om ongelukken met gevaarlijke stoffen te beperken. Om de veiligheid te vergroten wordt bij bestemmingsplannen aandacht besteed aan veiligheidsrisico's als gevolg van ongelukken bij bedrijven en veiligheidsrisico's als gevolg van ongelukken door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij zowel bedrijven als het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee soorten 'risico' van belang: het "Plaatsgebonden risico" en het "Groepsrisico". Deze worden uitgedrukt in de kans op dodelijke letsel per jaar.
34 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Risiconormen De risiconormen voor ongelukken met bedrijven en ongelukken als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen zijn gelijk. De normhoogte voor Plaatsgebonden risico voor gevoelige bebouwing bedraagt 10- 6/ jaar. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeluk veroorzaakt door een bedrijf of het vervoer van gevaarlijke stoffen, slechts eens in de miljoen jaar (10-6) een kans mag bestaan dat een persoon, die zich permanent binnen het plangebied bevindt, overlijdt als gevolg van dat ongeluk. Voor het Groepsrisico is een zogenaamde 'oriënterende waarde' vastgesteld. Deze waarde bedraagt 104/jaar bij 10 doden, 10-6/jaar bij 100 doden enz. Gesproken wordt van een oriënterende waarde, omdat onder voorwaarden van deze waarde mag worden afgeweken. Dit geldt voor transport. Voor bedrijven is dit 10-5 bij 10 doden, en 10 -7 bij 100 doden enz. Plangebied en conclusie Voor de bouw van het hoogspanningsstation is het aspect externe veiligheid niet van toepassing. Er worden geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Ook worden er geen gevaarlijke stoffen opgeslagen. Op ongeveer 300 meter van het plangebied ligt de A12. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Echter is de afstand tussen de A12 en het plangebied groot genoeg voor gevaar.
Er is onderzocht of er zich in het plangebied, of in de omgeving daarvan, nu reeds BEVIbedrijven bevinden die van invloed zijn op de ruimtelijke ordening binnen het plangebied. Vastgesteld is dat dit niet het geval is. Verder zijn er geen relevante bedrijven en/ of verkeersaders die van invloed zijn op de ruimtelijke ordening binnen het plangebied. Daarnaast is een hoogspanningsstation geen inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Echter valt een transformatorstation van 200-1000 MVA wel onder categorie 4.2 van de bedrijfscategorieën volgens de VNG brochure (met een richtafstand van 50 meter voor gevaar). Er lopen meerdere kabels door het plangebied. Dit zijn met name kabels van Stedin en Tennet (hoogspanning). Verder liggen er in de buurt van het plangebied geen transportleiding met gevaarlijke stoffen (dichtstbijzijnde leiding met gevaarlijke stoffen ligt op circa 800 meter). Er vindt afstemming plaats met de beheerders van de betreffende kabels en leidingen. De aanwezige kabels en leidingen vormen geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat het aspect Externe Veiligheid geen belemmering vormt voor het vaststellen van het Bestemmingsplan.
5.11 Ontplofbare oorlogsresten Kader Als gevolg van de oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog zijn er in ons land niet tot ontploffing gekomen ontplofbare oorlogsresten en munitie achtergebleven. Om diverse redenen, onder andere veiligheid en gebiedsontwikkeling, kan de noodzaak ontstaan om deze ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) op te sporen en op te ruimen. Plangebied en conclusie Uit de quickscan blijkt dat de projectlocatie is gelegen in een gebied waar oorlog gerelateerde handelingen plaats hebben gevonden. Bovendien is er oorlogsinfrastructuur aanwezig geweest in de nabije omgeving. Er is geen aanwijzing dat er op de projectlocatie oorlog gerelateerde handelingen hebben plaats gevonden waardoor er rekening gehouden moet worden met een verhoogd risico op het treffen van NGCE (niet gesprongen conventionele explosieven). Voor de uitvoering van het project is aan te bevelen om een vooronderzoek uit te voeren. Dit resulteert waarschijnlijk in het inzicht dat op de locatie geen NGCE gerelateerd risico aanwezig is. De uitvoering van het vooronderzoek wordt meegegeven richting de aannemer. Voor het vaststellen van het bestemmingsplan vormt dit geen belemmering. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
35
5.12 Archeologie Kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation Oudenrijn nemen we de regeling voor archeologie op uit het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Het Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation Oudenrijn wordt later vastgesteld dan het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Daarom wordt hier ook de nieuwe regeling opgenomen, omdat anders de oude regeling vastgesteld zou worden nadat het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht al in werking is getreden. In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen.
Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het bestemmingsplan. Met de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verbeelding in het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Deze archeologische waardenkaart is gebaseerd op de bodemkaart, cultuurhistorische en archeologische waarden en verwachtingen en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van zeer hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting, gebieden van middelhoge archeologische verwachting, gebieden van lage archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt.
In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Op de archeologische waardenkaart zijn deze archeologische rijksmonumenten weergegeven als WA1a. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de gemeente bij meervoudige vergunningsaanvragen wel als bevoegd gezag aangewezen en heeft het Rijk advies- en instemmingsrecht. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijksof gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm.
36 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historischtopografische bronnen en landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m 2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 50 cm.
Gebieden zonder archeologische waarde (WA7) zijn gebieden waar geen archeologische waarden (meer) worden verwacht. Hier geldt geen vergunningsplicht. Plangebied en conclusie Volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting. Het plangebied is gelegen in een komvlakte op veen, wat betekent dat in het plangebied gedurende lange tijd sprake was van een nat milieu. Een dergelijk landschap was in het verleden minder geschikt voor menselijke bewoning. Vanaf de Late Middeleeuwen is het gebied ontgonnen en in gebruik genomen als akker- en weiland. Hierdoor geldt een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten van nederzettingen. De archeologische waarden zijn beschermd via een bepaling in Artikel 15 van de regels behorende bij dit Chw Bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
37
Figuur 9: het plangebied i.r.t. de archeologische verwachting
Conclusie Gezien de lage archeologische verwachting in het plangebied vormt het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het vaststellen van het Bestemmingsplan.
5.13 Conclusie De diverse milieuaspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Onderhavig bestemmingsplan past binnen de gestelde kaders.
38 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Inleiding Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de integrale gebiedsontwikkeling van het plangebied Oudenrijn, Utrecht. Met betrekking tot dit plangebied faciliteert dit bestemmingsplan de ontwikkeling van de uitbreiding van het hoogspanningsstation Oudenrijn. Stedin is initiatiefnemer voor het nieuwe bestemmingsplan. Stedin is een netbeheerder en heeft de maatschappelijke taak om de publieke gas- en elektriciteitsnetwerken aan te leggen, beheren en te onderhouden. Het is een gereguleerd bedrijf dat onder toezicht staat van de Autoriteit Consument en Markt. Stedin heeft dit project in haar investeringsplan opgenomen om uit te voeren. Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk Hoogspanningsstation Oudenrijn uit te breiden. Enkel aan het opstellen van het bestemmingsplan zijn kosten en leges verschuldigd. Deze worden door de initiatiefnemer bekostigd. De economische haalbaarheid van het plan kan hierdoor als aangetoond worden beschouwd. Planschade Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan met een planologische wijziging kan in beginsel aanleiding geven tot planschade.
Met de initiatiefnemer is overeengekomen dat planschade door de initiatiefnemer wordt bekostigd. Anterieure overeenkomst Het bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van maatschappelijk belang. Namelijk het uitbreiden van het elektriciteitsnet. Het bestemmingplan doorloopt het Utrechtsplan Proces (UPP0) waarvoor een intentie en plankosten overeenkomst is opgesteld en ondertekend is door Stedin en het College van de gemeente Utrecht. Een exploitatieplan is daarbij niet noodzakelijk.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bestuurlijk vooroverleg In het kader van het wettelijke verplichte overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan de gebruikelijke partners, waaronder de provincie Utrecht, het Waterschap en overige organisaties. De resultaten van het vooroverleg worden toegelicht in hoofdstuk 6.2.1. Vooroverleg belanghebbenden In de afgelopen periode is door Stedin in het kader van participatie en communicatie met belanghebbende bewoners in de nabijheid van het plangebied veelvuldig contact geweest. Concreet is er met onderstaande partijen afgestemd. Bewoners Ringkade / Heijcopperkade Alle bewoners aan de Ringkade en de Heijcopperkade zijn middels een persoonlijk bezoek en/of brief geïnformeerd over de voorbereiding van het bestemmingsplan Hoogspanningsstation Oudenrijn. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
39
Deze bewoners waren niet specifiek tegen de ontwikkeling van het Hoogspanningsstation. De zorgen van bewoners richten zich vooral tegen de voorgenomen ontwikkeling van windenergie in het energielandschap. Bewoners worden voor de ter inzage van het bestemmingsplan per brief geïnformeerd over de start van de bestemmingsplanprocedure. Leger des Heils Het Leger des Heils is gelegen naast Hoogspanningsstation Oudenrijn en heeft een tijdelijke vergunning tot 5 juni 2025. Daarnaast maakt Het leger des heils van de toegangsweg van Stedin. Stedin en het leger des heils hebben regelmatig contact over de voorgang met betrekking tot het project. Deze besprekingen gaan over de toegangsweg, landschappelijke inpassing en de procedure m.b.t. het bestemmingsplan.
Heijcopperkade 1 Het huis aan de Heijcopperkade 1 heeft een agrarische bestemming. Het huis zelf is al een tijd niet bewoond. De eigenaren worden per brief geïnformeerd.
Heijcopperkade 2 De woning aan de Heijcopperkade 2 grenst aan de toegangsweg van het Hoogspanningsstation Oudenrijn. De bewoners hebben altijd voor het onderhoud van het grasland ten noorden (Eigendom Stedin) van het Hoogspanningsstation gezorgd. De afstemming betreft het gebruik van zwaar bouwverkeer over de toegangsweg, trillingen en mogelijk schade aan de woning en landschappelijke inpassing van het Hoogspanningsstation. De bestemmingsplanprocedure zelf, eventuele planschade en de afstemming van bouwactiviteiten op het in gebruik zijnde perceel waar nu schapen grazen. De bewoners zullen verder persoonlijk worden bijgepraat over de bestemmingsplanprocedure en de voortgang van het project.
Heijcopperkade 2.1 Het huis aan de Heijcopperkade 2.1 heeft een agrarische bestemming en was niet bewoond. Sinds korte tijd is er echter wel sprake van bewoning en wordt er een afstemmingoverleg ingepland. Bewoners zijn reeds eerder per brief geïnformeerd over de voorgenomen werkzaamheden en procedure. De bewoners zullen verder persoonlijk worden bijgepraat over de bestemmingsplanprocedure en de voortgang van het project.
Consortium grondeigenaren rondom Hoogspanningsstation Oudenrijn Met de grondeigenaren is intensieve afstemming geweest over de procedure met betrekking tot de locatie van de uitbreiding van Station Oudenrijn. Grondeigenaren zagen het liefst dat het station verplaatst werd vanwege de toekomstige gewenste woningbouwlocatie. Verplaatsing betekende echter meer ondergronds ruimtegebruik waar niet gebouwd zou kunnen worden. Extra ruimtegebruik en de wens om dit Station tijdig uit te breiden hebben geresulteerd in de uitbreiding op de huidige locatie. Mede om de grondeigenaren tegemoet te komen heeft Stedin besloten de transformatoren in een gesloten gebouw onder te brengen. . Daarnaast neemt ondanks het toegenomen vermogen de geluidsemissie in de nieuw situatie verder af zodat toekomstige geluidsgevoelige functies minder belemmerd wordt. Het consortium zal persoonlijke worden bijgepraat over de bestemmingsplanprocedure, en de voortgang van het project.
40 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Bestemmingsplan ter inzage Het bestemmingsplan wordt ter inzage gelegen op het gemeentehuis te Utrecht. De bewoners krijgen een brief toegestuurd en met de direct aanwonenden zal een gesprek plaatsvinden om het bestemmingsplan toe te lichten.
6.2.1 Vooroverleg In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is aan de besturen en diensten van de betrokken bevoegde gezagen gevraagd om een reactie te geven op het concept ontwerp Chw Bestemmingsplan. Dit proces heeft in oktober 2022 plaatsgevonden. Tijdens deze periode zijn de documenten behorende bij het “Chw Bestemmingsplan hoogspanningsstation Oudenrijn” opgestuurd naar de volgende partijen: -
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR); zie tabel hieronder voor de reactie.
-
Gasunie; zie tabel hieronder voor de reactie.
-
Provincie Utrecht; zie tabel hieronder voor de reactie.
-
RWS Midden Nederland; geen reactie.
-
Stedin; geen reactie.
-
Tennet; geen reactie.
-
Veiligheidsregio Utrecht (VRU); geen reactie.
Tijdens deze periode is enkel een vooroverlegreactie ingediend door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). De binnengekomen vooroverlegreactie en de daarbij behorende antwoorden zijn in het overzicht hieronder samengevat weergegeven. Indiener
Overlegreactie (samengevat)
Antwoord
HDSR
Het is voor ons onduidelijk welke maatregelen die worden genomen om eventuele wateroverlast en schade aan vitale functies te voorkomen. Het klimaat verandert en hevige buien zullen vaker en heviger voorkomen. Dit kan een groot risico vormen voor het functioneren van vitale infrastructuur. Wij vragen u om een aantal worst-case scenario’s te beschrijven en hiermee rekening te houden bij de inrichting van hoogspanningsstation. Graag het verzoek om in par. 5.7 van de toelichting deze scenario’s te beschrijven en aan te geven welke maatregelen worden genomen om eventuele wateroverlast en schade te beperken.
De Watertoets is geactualiseerd op basis van de opmerkingen van HDSR. De worst-case scenario’s zijn uitgewerkt in paragraaf 3.6 van de Watertoets. Hierin is per scenario beschreven welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele wateroverlast en schade te beperken. Deze maatregelen zijn vervolgens verwerkt in paragraaf 5.7 van het Chw BP.
In de waterparagraaf wordt geconcludeerd: De voorkeur voor de watercompensatie gaat op basis van
In de Watertoets zijn 4 verschillende figuren toegevoegd waarin de waterberging staat afgebeeld. In de tekst van de toelichting (par.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
41
de (lokale) gebiedsomstandigheden uit naar het graven van extra oppervlaktewater (waterberging). Wij zien graag dat de invulling van de benodigde waterberging nader wordt geconcretiseerd in par 5.7 van de toelichting.
5.7 is een verwijzing naar deze paragraaf in de Watertoets opgenomen. Het toevoegen van de 4 schetsen aan de toelichting zou tot te veel onduidelijkheid leiden. Daarom is gekozen voor enkel een verwijzing.
Gasunie
Op grond van deze toetsing komen wij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.
Ter kennisgeving aangenomen.
Provincie Utrecht
Het voorliggende bestemmingsplan geeft ons geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en geborgd in de bijbehorende Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht.
Ter kennisgeving aangenomen.
42 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
Utrecht
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische plantoelichting
Inleiding
Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening.
7.2
Opbouw regels
De opzet van de bestemmingsregels is steeds gelijk:
bestemmingsomschrijving (met ondergeschikte en nevengeschikte doeleinden); bouwregels; nadere eisen waar de bestemmingsregeling dat nodig maakt; afwijkingsregels van de bouwregels; waar nodig: een bijzondere gebruiksregel, bijvoorbeeld bij wonen een aan-huis-verbonden bedrijf. afwijkingsregels van de gebruiksregels; eventueel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter bescherming van aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden; waar nodig: een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht.
7.2.1 Het gebruik van het woord of Wanneer in de regels van dit bestemmingsplan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten.
7.3
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen uitgelegd. Artikel 2 Wijze van meten De regels in dit artikel maken duidelijk hoe de gemeente gaat meten, als er in een regel een bepaalde maat, zoals een bouwhoogte, staat. De verplichte "Anti-dubbeltelregel" uit het Besluit ruimtelijke ordening is in artikel 2, lid 2.5, opgenomen. Deze regel voorkomt dat steeds vanuit de feitelijke situatie van het heden wordt gemeten. Als een bewoner bijvoorbeeld 60% van zijn tuin mag volbouwen en dat ook heeft gedaan, ontstaat een nieuwe tuin. Deze regel verhindert dat de bewoner nu ook weer 60% van de nieuwe, kleinere tuin mag volbouwen. Hoofdstuk 2 Functies Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening Voor de realisatie en uitbreiding van het hoogspanningsstation is de functie ‘Bedrijf-nutsvoorziening’ noodzakelijk. Op dit moment heeft ongeveer de helft van het plangebied al de functie ‘bedrijfnutsvoorziening’. De voor ‘bedrijf-nutsvoorziening’ aangewezen gronden hebben de functie voor zowel het hoogspanningsstation zelf als de bij de functie behorende voorzieningen, zoals erven, paden, water en groen. Er is een bebouwingspercentage van 40% opgenomen, waarbij rekening is gehouden met flexibiliteit in mogelijke toekomstige ontwikkelingen. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn"
43
Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied Deze functie is van toepassing op de wegen waar de nadruk ligt op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Dit betreft de toegangsweg vanaf de Heycopperslaan Utrecht richting het plangebied. Activiteiten die niet voldoen aan de eisen van de Algemene Plaatselijke Verordening en activiteiten die bomen aantasten zijn verboden. Artikel 5 Leiding - Hoogspanningsverbinding Deze functie is van toepassing op de gronden waar een bovengrondse hoogspanningsverbinding ligt. Het beheer en onderhoud van de verbinding valt ook onder deze functie.