Chw bestemmingsplan Groenewoud_Toelichting (maart 2024)
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Chw bestemmingsplan Groenewoud Vastgesteld, datum nog vast te stellen
Chw bestemmingsplan Groenewoud
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doelstelling
7
1.2
Eerdere besluitvorming
7
1.3
Ligging en begrenzing plangebied
7
1.4
Geldende plannen
8
1.5
Bestemmingsplanmethodiek
8
1.6
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
en samenhang
Relevante beleidskaders
11
2.1
Rijksbeleid
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
16
2.3
Gemeentelijk
23
2.4
Conclusie
Hoofdstuk 3
11 beleid
45
Bestaande situatie
47
3.1
Inleiding
3.2
Beschrijving
van het plangebied
47
3.3
Beschrijving
van de bestaande functies in het plangebied
49
3.4
Conclusie
Hoofdstuk 4
47
50
Planbeschrijving
51
4.1
Projectbeschrijving
51
4.2
Verkeer en openbare ruimte
60
Hoofdstuk 5
Onderzoek en randvoorwaarden
71
5.1
Inleiding
71
5.2
Milieueffectrapportage
71
5.3
Bedrijven en milieuzonering
72
5.4
Geur
74
5.5
Geluidhinder
74
5.6
Externe veiligheid
78
5.7
Conventionele
80
5.8
Luchtkwaliteit
81
5.9
Bodem
82
5.10
Natuurbescherming
84
5.11
Bomen
87
5.12
Water en klimaatadaptie
90
5.13
Archeologie
95
5.14
Kabels en leidingen
97
5.15
Gezondheid en kwaliteit van de leefomgeving
5.16
Klimaat en duurzaamheid
100
5.17
Toegankelijkheid
105
5.18
Windhinder
105
5.19
Bezonning
106
5.20
Conclusie
106
Hoofdstuk 6
Explosieven
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische
6.2
Maatschappelijke
uitvoerbaarheid uitvoerbaarheid
2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
98
107 107 107
Utrecht
Hoofdstuk 7
Juridische plantoelichting
113
7.1
Algemeen
7.2
Begrippen en meten (hoofdstuk 1 van de regels)
113 115
7.3
Functies (bestemmingen;
115
7.4
Bouwen en slopen (hoofdstuk 3 van de regels)
118
7.5
Gebouwen en locaties gebruiken (hoofdstuk 4 van de regels)
123
7.6
Grondwerk: activiteit in de bodem (hoofdstuk 5 van de regels)
130
7.7
Natuur, flora en fauna (hoofdstuk 6 van de regels)
131
7.8
Algemeen overgangsrecht
136
7.9
Bijlagen bij de regels
137
7.10
Handhaving
139
hoofdstuk 2 van de regels)
(hoofdstuk 7 van de regels)
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
3
4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
Toelichting
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
5
6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doelstelling
Utrecht is relatief gezien de snelst groeiende stad van Nederland. De stad groeit in de komende twintig jaar van ruim 350.000 naar ongeveer 455.000 inwoners. De vraag naar woningen in Utrecht blijft onverminderd hoog. Er komen meer mensen, werken en recreëren in Utrecht. Deze groei biedt de stad kansen, mits goed ingepast. De stad Utrecht moet gezond en aantrekkelijk blijven, zodat mensen hier met plezier kunnen wonen, werken en winkelen. In Utrecht wordt ruimte gemaakt voor groei door de in de stad beschikbare ruimte beter te benutten. Gezien de behoefte aan woningen nu en in de toekomst wil de gemeente de Utrechtse woningvoorraad in de periode tot 2040 met ongeveer 60.000 woningen laten toenemen. Utrecht telt momenteel ongeveer 157.000 woningen. Dat is ruim 70 procent van de gewenste woningvoorraad in 2040. Het plangebied Groenewoud is een geschikte locatie om een grote bijdrage te leveren aan het toenemen van de woningvoorraad. De hoofddoelstelling van dit bestemmingsplan is de nieuwe ontwikkeling Groenewoud met 1.500 woningen planologisch-juridisch mogelijk te maken.
1.2
Eerdere besluitvorming en samenhang
Het plan voor Groenewoud is in eerste instantie ontwikkeld tegen de achtergrond van de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2016, zoals op 8 december 2016 door de raad is vastgesteld. Daarin is aangegeven dat in 2030 meer dan 400.000 mensen in Utrecht zullen wonen. De grote uitdaging bij deze groei is om de leefbaarheid van Utrecht te behouden en als het even kan te versterken. In de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2016 (RSU 2016) wordt gekozen voor het faciliteren van de groei van de stad door inbreiding. In eerste instantie zijn de Merwedekanaalzone en het Beurskwartier aangewezen als de voornaamste prioritaire verdichtinglocaties. Ook Papendorp waarvan Groenewoud onderdeel uitmaakt, wordt in de RSU 2016 genoemd als potentiële verdichtingslocatie. De locatie Papendorp/Groenewoud is destijds niet als prioritair aangeduid vanwege de aanwezigheid van de asfaltcentrale. In 2017 tekenden de gemeente Utrecht, Loostad B.V. en KWS een intentieverklaring waarmee partijen een stap zetten tot het uitplaatsen van de Asfaltcentrale Utrecht. Om woningen in het gebied ten noorden van de Prins Clausbrug te realiseren is uitplaatsing van de asfaltcentrale een voorwaarde. Het Utrechts College stelde eerder de uitgebreide startnotitie “Groenewoud” (mei 2017) vast, deze is ter kennisneming verstuurd aan de Raad.
De uitwerking van het stedenbouwkundig plan Groenewoud is in eerste instantie gebaseerd op de uitgangspunten uit deze startnotitie. Inmiddels is op 15 juli 2021 door de Raad de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 “Utrecht dichtbij: de tienminutenstad” (RSU 2040) vastgesteld, waarin rekening mee wordt gehouden dat Utrecht ook na 2030 verder groeit door inbreiding. Belangrijke aanvulling op de RSU 2016 is dat, middels de introductie van de stedelijke barcode, beter wordt geduid welke functies in aanvulling op wonen en werken aan de stad worden toegevoegd om invulling te kunnen geven aan het begrip “gezonde verstedelijking”. Papendorp/Groenewoud wordt in de RSU aangemerkt als nieuw stadscentrum en is één van de knooppunten in het opgewaardeerde OV-netwerk. Bovendien is daarmee in samenhang op 15 juli 2021 door de Raad tevens een Mobiliteitsplan vastgesteld, waarin de in de RSU 2016 aangekondigde “Systeemsprong Mobiliteit” is uitgewerkt in meer concrete voorstellen. Het stedenbouwkundig plan Groenewoud, dat de basis vormt voor dit bestemmingsplan, is op 1 december 2022 door de gemeenteraad van Utrecht vastgesteld.
1.3
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de zuidwestkant van Utrecht, nabij het knooppunt Oudenrijn. Het plangebied maakt deel uit van de Utrechtse wijk Papendorp en heeft een oppervlakte van ongeveer 23,5 hectare. Het plangebied is een schakelpunt tussen Leidsche Rijn en tussen de bestaande stad (Kanaleneiland-Centrum). De wijk ligt tussen de A12, A2 en het Amsterdam-Rijnkanaal en stond tot nu toe vooral bekend als bedrijfs- en kantorenlocatie. Met de toevoeging van dit plan wordt het een multifunctioneel woon-, werk- en verblijfsgebied. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
7
Afbeelding 1.1: Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door het Amsterdam-Rijnkanaal (ARK). Aan de overzijde van het kanaal ligt de jaren 60-wijk Kanaleneiland. Ten zuiden van het plangebied ligt de Bevrijdingslaan met de aanlanding van de Prins Clausbrug. De Bevrijdingslaan en de brug maken deel uit van een betekenisvolle stadsas tussen Leidsche Rijn en Kanaleneiland. Ten zuiden van de Bevrijdingslaan ligt een tuinderscomplex. De Mercatorlaan vormt de westelijke begrenzing van Groenewoud. De noordelijk rand is de Taatsendijk.
1.4
Geldende plannen
Dit bestemmingsplan vervangt voor deze locatie van het plangebied de volgende bestemmingsplannen. Bestemmingsplan Nedal KWS Chw algemene regels over bouwen en gebruik Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht
Vastgesteld door Raad 7 juli 2016 30 november 2017
Onherroepelijk 8 september 2016 25 januari 2018
2 februari 2023
-
Op basis van deze juridische regelingen geldt er voor het gebied grotendeels een agrarische bestemming en een bestemming voor een bedrijventerrein. De bedoelde ontwikkelingen zoals deze staan in het stedenbouwkundig plan Groenewoud, kunnen op basis van de geldende regels niet worden gerealiseerd.
1.5
Bestemmingsplanmethodiek
De gemeente Utrecht is opgenomen in artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Besluit uChw). Daardoor mag de gemeente de experimenteerbepalingen uit artikel 7g van dat besluit gebruiken. Op grond van artikel 7c van het Besluit uChw kunnen onder andere regels in het bestemmingsplan worden opgenomen over het behouden of maken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. In de vakliteratuur spreekt men van 'een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte'. Met 'verbreed' wordt dan bedoeld: niet alleen 'een goede ruimtelijke ordening' (bestemmingsplan), maar ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving, waaronder bijvoorbeeld gezondheid en duurzaamheidsaspecten. In de aanloop naar de Omgevingswet verkent de gemeente de mogelijkheden van die wet met 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
projecten waarin een bepaald facet van de Omgevingswet nader wordt bestudeerd. Op beleidsniveau is de eerste omgevingsvisie voor de gemeente Utrecht samengesteld uit het al geldende beleid en waar nodig aangevuld met nieuw beleid. Het bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Groenewoud is een project waarin vooruitlopend ingespeeld wordt met het nieuwe instrument omgevingsplan. De regels worden in de geest van de Omgevingswet vormgegeven: minder regels, duidelijkere regels en de 'activiteiten' staan centraal. Waar nodig worden de teksten van het plan verbonden met geometrische data. In de jaren na inwerkingtreding van de Omgevingswet moeten de regels over de leefomgeving die in gemeentelijke verordeningen staan, zoals de Algemene Plaatselijke Verordening, overgeheveld worden naar het omgevingsplan. Hoewel de gemeenteraad bevoegd is om op grond van het Uitvoeringsbesluit Crisis- en herstelwet regels uit verordeningen in te voegen in het bestemmingsplan, bevat dit plan slechts enkele experimenteerbepalingen. De reden daarvoor is dat dit project zich vooral richt op de uniformering en vermindering van bestemmingsplanregels. Daarbij wordt ook de wens van het gemeentebestuur om 'flexibel te bestemmen' betrokken, met het oog op de veranderlijke en innoverende toekomst. Het uitbreiden van de opgave door het invoegen van verordeningen zou de opgave te gecompliceerd maken.
Bovendien is het niet wenselijk om twee versies van de verordeningen te creëren: een versie in dit bestemmingsplan en de gewone versie die voor de hele gemeente geldt.
1.6
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder andere de ruimtelijke structuur, de historische ontwikkeling van het gebied en de beschrijving van de aanwezige functies worden hier beschreven. In hoofdstuk 4, de planbeschrijving, worden de mogelijkheden die het plan biedt aan de toekomstige ontwikkelingen beschreven. De diverse noodzakelijke onderzoeken ten aanzien van bijvoorbeeld milieuaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
9
1 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 2 Relevante beleidskaders 2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Nationale Omgevingsvisie (2020)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. De gemeente Utrecht kan vooral aan de volgende nationale belangen een bijdrage leveren: 1.
bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 4. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 5. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 6. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 7. beperken van klimaatverandering; 8. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 9. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 10. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 11. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 12. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 13. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 2.1.1.1 De NOVI benoemt vier prioriteiten De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
2.1.1.2 Omgevingsinclusieve benadering Centraal in de te maken belangenafwegingen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting van het begrip fysieke leefomgeving uit de Omgevingswet en wordt de noodzaak van een integrale afweging benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is het spanningsveld tussen beschermen en ontwikkelen. Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in, dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. 2.1.1.3
Afwegingsprincipes
Beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal samen (en zijn soms onverenigbaar), maar ze kunnen elkaar ook versterken. Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Met de NOVI wordt gezocht naar
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
11
2.
3.
maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken & identiteit van een gebied staan centraal. De optimale balans tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
2.1.1.4 Mooi Nederland en NOVEX Nederland staat aan de vooravond van een grote verbouwing. Er moet veel op een klein oppervlak. Dat vraagt om keuzes, slimme combinaties en innovaties. En om nationale regie op de ruimtelijke ordening. Op een goede verdeling van de ruimte, maar ook op de kwaliteit van de leefomgeving. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX (Nationale Omgevingsvisie Extra) en het programma Mooi Nederland. Deze leiden met de aanscherping van de NOVI tot nieuw nationaal ruimtelijk beleid. De bedoeling van het Rijk is dat de 12 provincies aan de hand van de Rijksprogramma’s de ruimtelijke regie gaan voeren. Zij worden geacht ieder voor hun eigen grondgebied een ‘ruimtelijke puzzel’ te gaan leggen. Daarvoor krijgen zij tot 1 juli 2023 de tijd, waarbij het Rijk ernaar streeft uiterlijk 1 oktober 2022 input te leveren in de vorm van zijn Rijkprogramma’s met daarin de structurerende keuzes. 2.1.1.4.1 Programma Mooi Nederland Met het programma Mooi Nederland worden de belevingswaarde, gebruikswaarde én toekomstwaarde centraal gesteld bij het ordenen van de ruimte. Er worden concrete toekomst- en handelingsperspectieven ontwikkeld om Nederland mooi, functioneel, robuust en duurzaam te houden. Dat wordt gedaan langs twee actielijnen.
Wenkende toekomstperspectieven In deze actielijn wordt verbeeld hoe Nederland er straks uit kan komen te zien. Toekomstperspectieven worden geschetst van Nederland in 2050 en 2100. Welk toekomstbeeld ontstaat er als er rekening gehouden wordt met de zeespiegelstijging, de klimaatverandering en de nationale keuzes op het gebied van woningbouw, natuur, landbouw, wegen? Als deze ontwerpen over elkaar heen worden gelegd, zijn wij als Nederland dan blij met wat we zien? Daarover gaat men met elkaar in gesprek. Om te kijken of een aantal reële en aantrekkelijke perspectieven met elkaar geschetst kunnen worden voor de inrichting van Nederland. Zodat die input kunnen zijn voor de nationale keuzes. Concrete vertaling op gebiedsniveau In deze actielijn wordt het meer concreet en praktisch. Hier worden negen innovatieve en creatieve ruimtelijke oplossingen geboden. Bijvoorbeeld over het mooi in het landschap laten opgaan van grootschalige bedrijfsvestigingen en daarnaast te combineren met andere opgaven. Hierin trekt het Rijk samen op met planologen, architecten, stedenbouwkundigen en andere ontwerpers. Met een mooier Nederland voor ogen. Via ontwerp kan er meer bereikt worden en kan het ook concreet worden. Maar daar stopt het niet. Er wordt ook gekeken wat er nodig is om het mogelijk te maken. Of het financieel haalbaar is. Welke middelen ingezet moeten worden en waar regels knellen.
En of een (financiële) prikkel vanuit het Rijk nodig is of juist niet. 2.1.1.5 NOVEX Een specifiek onderdeel van de NOVEX is de aanwijzing van zogenaamde ‘NOVEX-gebieden’. Dit zijn gebieden die als gevolg van de nationale opgaven worden herbestemd en/of ingrijpend worden heringericht. In deze gebieden komen zoveel opgaven samen, dat er een apart plan (ontwikkelperspectief) opgesteld moet worden. Aan elk NOVEX-gebied wordt er een bewindspersoon gekoppeld. Eén van deze NOVEX gebieden is 'Verstedelijkingsgebied Utrecht-Amersfoort'. In deze regio komt een forse woon- en werkopgave samen met de landelijke functie van deze regio als ‘draaischijf’ van Nederland. De verstedelijkingsstrategie voor deze regio richt zich met nabijheid als leidend principe op de realisatie van 112.000 arbeidsplaatsen tot 2040, de bouw van 90.000 woningen tot 2030 en 165.000 woningen tot 2040. Dit vraagt in deze regio om aanzienlijke aanvullende bereikbaarheidsmaatregelen, maatregelen om het groen mee te laten groeien en het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies te borgen en te versterken.
1 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
2.1.1.6 Conclusie Het doel van de toekomstige Omgevingswet (deze wet treedt in werking per 1 januari 2023) is het bereiken van een balans tussen: '(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in de omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving. Hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het maken van beleidskeuzes. Het bestemmingsplan Groenewoud past binnen de kaders van de nationale visie en de genoemde nationale belangen. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012) en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) (2012) 2.1.2.1 Kader In de Wet ruimtelijke ordening zijn de besluitmogelijkheden van gemeenten begrensd om nationale belangen te borgen of te beschermen. Wanneer namelijk nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kan een algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels stellen over de inhoud van een bestemmingsplan.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, oftewel de AMvB Ruimte) zijn nationale belangen beschreven die om bescherming van het Rijk vragen, zoals bijvoorbeeld de 'erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Voor deze belangen is het Rijk namelijk verantwoordelijk. Verder zijn in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) nadere regels opgenomen voor onder andere militaire terreinen, radarverstoringsgebieden, reserveringen voor spoor en wegen en buisleidingen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden, zoals de gemeente Utrecht, beleidsruimte. 2.1.2.2 Plangebied Voor het plangebied is het Barro relevant vanuit het belang van het behoud van erfgoed (archeologie) en defensie. Het plangebied is gelegen ter plaatse van de Romeinse Limes. De bescherming hiervan is verder uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening. Het Rarro geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. In het Rarro zijn nadere regels opgenomen voor onder andere militaire terreinen, radarverstoringsgebieden, reserveringen voor spoor en wegen en buisleidingen. Het Rarro bevat instructies voor gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen. Het plangebied ligt voor een deel in het radarverstoringsgebied van radarstation Soesterberg, zoals aangegeven in het Barro.
In dit gebied gelden beperkingen voor bestemmingsplannen met het oog op een goede werking van de radar op het radarstation. Het gaat hier om hoogtebeperkingen voor bouwen, bouwwerken en windturbines. De maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf voornoemde radarantenne. De regels van het bestemmingsplan Groenewoud maken een maximale bouwhoogte van 45 meter mogelijk. Het plangebied ligt op ongeveer 14 kilometer van de radar. De hoogte van de antenne bij Soesterberg is 63 meter NAP; daar zit de punt van de kegel. Daarna loopt de lijn met 0,25 graden omhoog. Op 14 km afstand is de maximaal toelaatbare hoogte circa 123 meter NAP. 2.1.2.3 Conclusie De relevante belangen vanuit het Barro en de instructies vanuit het Rarro zijn in acht genomen en leiden tot de conclusie dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is. De archeologische waarden in het gebied zijn beschermd met gebiedsaanduidingen. De hoogte van de radarantenne van Soesterberg is 63 meter +NAP. Uit bovenstaande berekening blijkt dat bij een hoogte van 45 meter verstoring van de radar is uitgesloten. 2.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (2017)
2.1.3.1 Kader De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat overheden een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting van het bestemmingsplan moeten motiveren. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Het doel van de motivering op grond van de Ladder is een zorgvuldige afweging bij ruimtelijke besluiten die zorgt voor zuinig ruimtegebruik en tegengaan van overprogrammering en leegstand. Het besluit voldoet hiermee aan een goede ruimtelijke ordening. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
13
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet een motivering bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Wanneer het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet het bestemmingsplan een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Ladder is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke besluiten van de decentrale overheden, waaronder de bestemmingsplannen van de gemeente Utrecht. 2.1.3.1.1
Beschrijving behoefte
De behoefte is kort gezegd het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd. De Ladder bepaalt niet voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld. Naast een kwantitatieve beoordeling vindt ook een kwalitatieve beoordeling plaats. 2.1.3.1.2 Beschrijving behoefte buiten het bestaand stedelijk gebied Wanneer de beoogde ontwikkeling niet kan plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door bijvoorbeeld het toepassen van een andere bestemming van een gebied, herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden moet een motivering worden opgenomen waarom dit niet mogelijk is. Het bestaande stedelijk gebied kan worden gedefinieerd als het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De provincie Utrecht heeft in de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening de afbakening van het bestaand stedelijk gebied vastgelegd.
2.1.3.2 Plangebied Er kan gesteld worden dat voorgenomen ontwikkeling passend is binnen het provinciaal en gemeentelijk beleid. Het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangewezen als stedelijk gebied, echter dient een gedeelte van het plangebied vanwege het agrarisch gebruik op grond van de Bro formeel als buitenstedelijk gebied betiteld te worden. Zoals uit navolgende paragrafen blijkt, kent Utrecht een aanzienlijke behoefte aan extra woningen. De gebiedsontwikkeling ter plaatse van het plangebied is noodzakelijk om te kunnen voorzien in voldoende woningen. Het plangebied is sinds de jaren '90 al aangewezen al potentiële woningbouwlocatie en maakt tevens op grond van het provinciaal beleid onderdeel uit van het stedelijk gebied. Woningbouw op deze locatie is dan ook niet alleen passend, maar ook noodzakelijk om te voorzien in een concrete behoefte. 2.1.3.2.1 Kwantitatief
Woningbouw
Utrecht is relatief gezien de snelst groeiende stad van Nederland. De stad groeit in de komende twintig jaar van ruim 350.000 naar ongeveer 455.000 inwoners. De vraag naar woningen in Utrecht blijft onverminderd hoog. Er komen meer mensen, werken en recreëren in Utrecht. Deze groei biedt de stad kansen, mits goed ingepast. De stad Utrecht moet gezond en aantrekkelijk blijven, zodat mensen hier met plezier kunnen wonen, werken en winkelen. In Utrecht wordt ruimte gemaakt voor groei door de in de stad beschikbare ruimte beter te benutten. Gezien de behoefte aan woningen nu en in de toekomst wil de gemeente de Utrechtse woningvoorraad in de periode tot 2040 met ongeveer 60.000 woningen laten toenemen. Utrecht telt momenteel ongeveer 157.000 woningen. Dat is ruim 70 procent van de gewenste woningvoorraad in 2040. Het plangebied Groenewoud is een geschikte locatie om een grote bijdrage te leveren aan het toenemen van de woningvoorraad. Kwalitatief Vanaf 1995 zijn er al meerdere gebiedsspecifieke beleidsstukken opgesteld, waarbij dit plangebied aangegeven staat al woningbouwlocatie. Met de verplaatsing van de asfaltcentrale is het mogelijk om de woningbouwlocatie tot ontwikkeling te brengen. Met voorgenomen ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan een gebiedsontwikkeling in alle wooncategorieën.
De woningen variëren van grondgebonden, appartementen, boven- en benedenwoningen, patio's en waterwoningen. In het Kader voor regionale programmering wonen en werken hebben provinciale staten aangegeven dat er voor wat betreft wonen in de regionale programma's algemene afspraken 1 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
zouden moeten worden gemaakt over de stedelijke kwaliteit, de ambitie om 50% van het woningbouwprogramma te realiseren in het sociale en middeldure segment, de evenwichtige ontwikkeling van rood en groen, energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie, circulariteit, leefbaarheid en inclusiviteit. Op basis van de basiverkaveling met 1.500 woningen is er nu sprake van circa 30% aan sociale huur en 17% middeldure huur. In de startnotitie was 40% aan huurwoningen voorgeschreven. In het SP is hier vanaf geweken door het te verhogen naar 47%. Dit om tegemoet te komen aan de blijvende vraag naar huurwoningen in Utrecht. Deze onderverdeling is afgestemd met de geplande woningbouwontwikkeling in Papendorp-Noord. Het woningbouwprogramma van Groenewoud en Papendorp Noord samen is daarmee in lijn met de woonvisie Utrecht in Balans. Vanuit de verschillende overheden is de ambitie om te komen tot een klimaatneutraal Utrecht. Bij het bouwen van nieuwe woningen staan gezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid voorop. De ambitie bij Groenewoud is het realiseren van een energieneutrale en zeer duurzame wijk. Daarbij spelen met name de volgende kernkwaliteiten een belangrijke rol: welzijn, ontmoeting en gezondheid; mobiliteit; natuur, biodiversiteit en gezonde leefomgeving, klimaatadaptie, energie en circulariteit. In paragraaf 5.14 en 5.15 wordt ingegaan op deze kernkwaliteiten.
2.1.3.2.2 Maatschappelijke en commerciële voorzieningen Groenewoud vormt een gemengd hoogstedelijke stadsdeel waar wonen en de bedrijvigheid in de directe omgeving elkaar kunnen versterken. Om tot een aantrekkelijk stedelijk milieu te komen, waar bewoners op korte afstand van hun woning boodschappen kunnen doen, is een basis voorzieningenniveau essentieel. Een mix van publieks- en maatschappelijke functies draagt daarbij bij aan levendigheid, reuring en een aantrekkelijk woon- en werkmilieu. Ten noorden en westen van Groenewoud vindt de ontwikkeling Papendorp Noord plaats. Hier worden circa 2.000 woningen gerealiseerd en daarnaast ook diverse commerciële voorzieningen. Naar de marktpotentie voor Papendorp (Groenewoud en Papendorp Noord) is onderzoek verricht door Bureau Stedelijke Planning (bijlagen 2 en 3). Met deze onderzoeken is onderzocht hoeveel, welke, waar en in welke vorm commerciële voorzieningen in Papendorp mogelijk zijn. De diverse functies welke nodig zijn voor een levendig en aantrekkelijk woon- en werkmilieu zijn een supermarkt, overige dagelijkse detailhandel, horeca, diensten en sportvoorzieningen. Binnen Groenewoud worden er maatschappelijke en commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt. Het gaat hier om een basisschool met 16-24 klassen, een gymzaal, een kinderopvang en mogelijk een gezondheidscentrum.
Grotendeels zijn de woningen binnen Groenewoud bedoeld voor gezinnen en hier zijn ook de maatschappelijke voorzieningen op afgestemd. Een aantal oude loodsen op het KWS-terrein blijft behouden (indien bouwkundig haalbaar) en wordt getransformeerd naar een locatie waar de bewoners van Groenewoud elkaar kunnen ontmoeten. Mogelijke invullingen hiervoor zijn een restaurant rondom een centrale ruimte, een café, een plaats waar co-working plaats kan vinden of een andere sociaal verbindende functie. Binnen Papendorp Noord wordt een supermarkt, horeca, diensten en gebouwde sportvoorzieningen en overige detailhandel (mix van dagelijks, niet dagelijks frequent en niet dagelijks specifiek) gerealiseerd. De voorzieningen welke binnen Groenewoud gerealiseerd worden betreffen geen wijkoverstijgende functies. Groenewoud profiteert daarnaast van de nabijheid van winkelcentrum Kanaleneiland en de uitstekende bereikbaarheid van Leidsche Rijn Centrum. 2.1.3.3 Conclusie Voor de woonfunctie, alle commerciële en maatschappelijke voorzieningen in het programma geldt dat er meer dan voldoende behoefte naar is. De regels van het bestemmingsplan sluiten aan bij de behoefte en geven ook het te realiseren programma weer om de bedoelde functiemenging te borgen met het oog op het realiseren van een leefbare buurt. 2.1.4
Structuurvisie Ondergrond
In 2018 hebben de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en van Economische Zaken en Klimaat de Structuurvisie Ondergrond opgesteld. De Structuurvisie Ondergrond gaat over de nationale belangen van de drinkwatervoorziening en de energievoorziening, en de weging van beide belangen ten opzichte van elkaar. Het gaat bijvoorbeeld over grondwaterwinning, gaswinning, geothermie en het opslaan van CO2. Deze bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
15
Structuurvisie beoogt duidelijkheid te verschaffen over de mogelijke combinatie van grondwaterwinning en mijnbouwactiviteiten en tegelijkertijd beide belangen in voldoende mate te dienen. Dat betekent dat er steeds gezocht is naar de balans tussen enerzijds het beschermen van het grondwater voor de toekomstige drinkwatervoorziening en anderzijds het benutten van de ondergrond voor de - transitie naar een duurzame - energievoorziening. In de structuurvisie wordt aangegeven waar activiteiten in de ondergrond ruimtelijk uitgesloten of gecombineerd kunnen worden, nog voorafgaand aan een concreet initiatief. 2.1.4.1 Conclusie In paragraaf 5.16 wordt ingegaan op de uitdaging rondom energietransitie en de duurzame energieopwekking bij voorgenomen ontwikkeling.
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
2.2.1
Provinciale Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening
Op 10 maart 2021 stelden Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening vast. Beiden zijn in werking getreden op 1 april 2021. De Interim Omgevingsverordening is nodig omdat de Omgevingsverordening alleen onder de Omgevingswet in werking kan treden. Met de Interim Omgevingsverordening kunnen plannen en ambities eerder vormgegeven worden. De Omgevingsverordening is op 30 maart 2022 vastgesteld. De Omgevingsverordening treedt op 1 januari 2023 tegelijk met de Omgevingswet in werking. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomstige en fysieke leefomgeving. Dit is alles op, boven en onder de grond en inclusief de sociale aspecten zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de Interim Omgevingsverordening staan de regels en instructieregels die daarvoor nodig zijn. Provincie Utrecht geeft bij de onderstaande 7 thema's de provinciale belangen aan die verplichtingen met zich meebrengen. Dat geeft al een doorkijk naar deze instructieregels. Om voor te sorteren op de toekomst richt de Omgevingsvisie zich op een aantal ontwikkelingen: extra woningen die gebouwd moeten worden; toename van werkgelegenheid; toename van verkeer; energietransitie; klimaatverandering; verandering in de landbouw; versterking van natuur en recreatief groen.
Provincie Utrecht vindt het daarbij belangrijk om de bestaande kwaliteiten te behouden, te versterken en in balans te laten zijn met deze ontwikkelingen. De ruimte voor ontwikkelingen is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is. 2.2.1.1 Uitwerking beleid in 7 thema's De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en voor het mogelijk maken van lokale afwegingen als een veilige en gezonde leefomgeving daarbij gebaat is. Het beleid voor de gezonde en veilige leefomgeving is beschreven in 7 thema's. 1.
2.
3.
4.
Stad en land gezond Dit thema gaat over milieu, gezondheid, recreatie en toerisme. Provincie Utrecht wil graag voor de woon-, werk-, en leefgebieden bereiken dat deze gezond zijn en uitnodigen tot bewegen. In en rondom steden en dorpen moeten voldoende groene gebieden zijn om te recreëren. Klimaatbestendig en waterrobuust Dit thema gaat over een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat er bescherming is tegen overstromingen, een tekort aan zoetwater of de gevolgen van extreem weer (wateroverlast en hitte). Duurzame energie Dit thema gaat over het stimuleren van energiebesparing en het opwekken van duurzame energie uit wind, zon, bodem en water. Vitale steden en dorpen Dit thema gaat over ruimte voor wonen en leven en ruimte voor werken en winkelen. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat nieuwe woningen en bedrijven vooral komen op plekken binnen de bebouwde kom. Ook is het belangrijk dat deze plekken goed bereikbaar zijn met trein, bus, tram en fiets. Prioritaire locaties voor grootschalige integrale ontwikkeling zijn onder meer
1 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
5.
6.
7.
Leidsche Rijn, Utrecht Centraal Station (Beurskwartier/Lombokplein en Merwedekanaalzone), Lunetten-Koningsweg en Utrecht Science Park/Rijnsweerd. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar Dit thema gaat over een goed bereikbare provincie, ontwikkeling bij knooppunten en optimalisatie van netwerken, wegen, OV en fiets. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat er nieuwe verbindingen voor openbaar vervoer en (snel)fietspaden komen tussen de woon-, werk-, en leefgebieden. Daarbij moet er beter gebruik gemaakt worden van bestaande wegen. Levend landschap, erfgoed en cultuur Dit thema gaat over aantrekkelijke landschappen en een toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat veel mensen kunnen genieten van de landschappen, waterlinies, forten, kastelen en buitenplaatsen. Ook is belangrijk dat het cultuuraanbod (zoals festivals en musea) meegroeit met het aantal inwoners. Toekomstbestendige natuur en landbouw Dit thema gaat over een robuuste natuur met hoge biodiversiteit en een duurzame landbouw. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat de natuur wordt beschermd en nieuwe natuurgebieden worden aangelegd die elkaar verbinden. Verder worden boeren geholpen om een omslag te maken naar kringlooplandbouw.
Alle thema's moeten in samenhang bekeken worden. Dat betekent dat niet alles overal kan. Met het uitgangspunt slim combineren en concentreren kan de groei van inwoners en bedrijven en een gezonde leefomgeving in balans blijven. Het concentreren richt zich bijvoorbeeld op het bouwen van nieuwe woningen dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Op die manier blijft er op andere plekken voldoende ruimte voor bewegen, groen, water en natuur. 2.2.1.2
Uitvoering
In drie regio's werkt Provincie Utrecht het beleid verder uit. De samenhang tussen de thematische ambities krijgt hier aandacht. Voor Utrecht is de regio U16 van belang. In deze uitwerking gaat het over de verstedelijkingsstrategie. De verwachting is dat er tot 2040 in de regio ongeveer 99.000 tot 125.000 extra woningen nodig zijn. Na 2040 tot 2050 is er verdere ruimte voor woningbouw onder meer over ontwikkelingen langs de A12 tussen knooppunten Lunetten en Oudenrijn en het benutten van bestaande OV-knooppunten in de regio. 2.2.1.3 Plangebied Hoofdstuk 2 en verder van de verordening bevatten instructieregels voor onder andere bestemmingsplannen. Deze instructieregels hebben betrekking op verschillende thema's zoals water, ondergrond en bodem, bereikbaarheid en mobiliteit, energie, wonen en recreëren. Deze instructieregels dienen in acht genomen te worden bij het opstellen van bestemmingsplannen. Hieronder worden de instructieregels weergegeven welke voor de voorgenomen ontwikkeling van belang zijn. Stedelijke functies in stedelijk gebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking en woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; Daarnaast dient het bestemmingsplan een motivering te bevatten waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Daarnaast dient conform het Besluit ruimtelijke ordening moet de “duurzame verstedelijkingsladder” worden toegepast. Bereikbaarheid Een bestemmingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen. De motivering op het bestemmingsplan bevat: a. b. c. d.
een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben; een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerwijzen; een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan; e n een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen wordt verslechterd en of de reistijd significant toeneemt.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
17
Indien uit de analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een mobiliteitstoets uitgevoerd. Binnen deze mobiliteitstoets worden mogelijke oplossingen voor de geconstateerde knelpunten uitgewerkt, waarbij ook realisatie en financiering van deze maatregelen aan bod. In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op de bereikbaarheid van Groenewoud. Uitgangspunt voor de opzet van de verkeersstructuur voor auto's is een gezonde verstedelijking waarbij binnen de wijk het lopen en fietsen gestimuleerd wordt. Beschermingszone oppervlakte waterwinning Winningen van oppervlaktewater zijn kwetsbaar voor verontreinigingen die via het water of de lucht bij de winning kunnen komen omdat er geen bescherming via bodempassage is. Om deze winningen te beschermen heeft Rijkswaterstaat een beschermingszone rondom de directe innamepunten van oppervlaktewater opgenomen. De beschermingszone is bedoeld voor beheersing van calamiteiten, beoordeling van lozingen en beoordeling van ruimtelijke plannen. Zo kan de waterwinning veilig worden gesteld. Omdat de beschermingszone van Rijkswaterstaat geen rechtsgevolgen heeft voor derden, heeft de provincie Utrecht de beschermingszone ook opgenomen in de verordening en zo de bescherming verankerd.
De beschermingszone is in de provinciale verordening opgenomen zodat bij ruimtelijke plannen de effecten van ontwikkelingen op de kwaliteit van het oppervlaktewater beschouwd worden. In de situatie van Groenewoud kan gesteld worden dat met de voorgenomen ontwikkeling geen verslechtering van de kwaliteit van het oppervlaktewater aan de orde is. Er vinden geen bedrijfsmatige functies plaats waarbij sprake is van opslag van gevaarlijke en/of verontreinigende stoffen. Daarnaast zal de kwaliteit van de bodem en het grondwater binnen het plangebied, vanwege de benodigde bodemsanering, enkel verbeteren. Dit zal naar verwachting uiteindelijk ook een positieve uitwerking hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Overstroombaar gebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen 'Overstroombaar gebied' bevat bestemmingen en regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. De motivering op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. In paragraaf 5.12 wordt ingegaan op het overstromingsrisico en hoe hier in het plan mee om wordt gegaan.
2.2.1.4 Conclusie In navolgende paragraaf wordt ingegaan op het programma wonen en werken, hieruit kan geconcludeerd worden dat het voornemen past binnen dit programma. Het provinciaal programma wonen en werken bevat de hoofdlijnen van de gezamenlijke regionale programmeringsafspraken van gemeenten en provincie. In deze regionale programmering worden: de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, te weten: 1. zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; 2. daarnaast in overig stedelijk gebied; 3. eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors); worden afspraken vastgelegd om te borgen dat binnen het programma tenminste 50% van de te bouwen woningen in het sociale en middensegment plaatsvindt; e n worden afspraken gemaakt over energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenredige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik. In paragraaf 2.1.3 is de duurzame verstedelijkingsladder doorlopen. De ontwikkeling van Groenewoud is een ontwikkeling welke binnen stedelijk gebied gerealiseerd wordt. Op basis van de basisverkaveling met 1.500 woningen is er nu sprake van circa 30% aan sociale huur en 17% middeldure huur. In de startnotitie was 40% aan huurwoningen voorgeschreven.
In het SP is hier van afgeweken door het te verhogen naar 47%. Dit om tegemoet te komen aan de blijvende vraag naar huurwoningen in Utrecht. Deze onderverdeling is afgestemd met de geplande woningbouwontwikkeling in Papendorp-Noord. Het woningbouwprogramma van Groenewoud en Papendorp Noord samen is daarmee in lijn met de woonvisie Utrecht in Balans. 1 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
In paragraaf 5.16 wordt nader ingegaan op het toepassen van energieneutrale, circulaire en klimaatadaptieve woningbouw binnen de voorgenomen ontwikkeling. Van bodemdaling is geen sprake. Groenewoud levert een bijdrage aan de woningbouwopgave en de ruimtelijke kwaliteit en is daarom in overeenstemming met de provinciale verordening. 2.2.2
Programma wonen en werken
Het aantal inwoners van de provincie Utrecht blijft groeien. Er is meer ruimte nodig voor woningen en voor bedrijventerreinen. Daarom maakt de provincie samen met de gemeenten en regio’s plannen voor de woningbouw en voor bedrijventerreinen. Dat doen ze met 'regionale programmering'. Dat betekent dat ze elk jaar een Provinciaal programma wonen en werken maken. Het eerste Provinciaal programma wonen en werken is op 5 oktober 2021 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Met dit programma Wonen en werken wordt uitvoering gegeven aan de in de Omgevingsvisie omschreven woningbouwopgave en de opgave op het gebied van bedrijventerreinen. Dit gaat zowel over het kwantitatieve programma, als over kwalitatieve aspecten. 2.2.2.1 Het kwantitatieve woningbouwprogramma Voor het opstellen van de regionale programma’s is de Planmonitor Wonen als basis gebruikt. Deze Planmonitor wordt continu gevoed en geactualiseerd door de gemeenten; gevraagd wordt of zij voor een aangegeven datum per jaar de monitor willen updaten. Voor dit eerste programma is gebruikt gemaakt van de stand december 2020. Voor de provincie als geheel zijn er, in realisatie- en pijplijndeel, voldoende plannen. Dit geldt echter alleen voor de regio’s U16: voor de Regio’s Foodvalley en Amersfoort is het totaal van ‘realisatie’ en ‘pijplijn’ niet voldoende om te voldoen aan de regionale woningbehoefte.
Voor alle regio’s geldt dat in het realisatiedeel van het huidige programma met name reeds bekende concrete locaties voor de korte tot middellange termijn zijn opgenomen. Om de continuïteit van de woningbouw te bewerkstelligen en de huidige tekorten zoveel mogelijk weg te werken, is het belangrijk dat ‘pijplijnplannen’ zodanig verder worden ontwikkeld, dat zij bij volgende actualisaties kunnen worden opgenomen in het realisatiedeel van het programma.
Afbeelding 2.1: Overzicht kwantitatief programma wonen provincie Utrecht (regio U16) Versnelling woningbouw Teneinde de noodzakelijke versnelling van de woningbouw te bewerkstelligen, ambieert het college de woningbouwproductie te verhogen naar 10.000 woningen per jaar. Dit programma biedt daarvoor de mogelijkheid. Zo bedraagt het realisatiedeel van het programma voor de eerste vier jaar in totaal bijna 47.000 woningen, dat betekent gemiddeld 11.700 woningen/jaar. 2.2.2.2 Kwalitatieve afspraken Naast voldoende woningen is het zaak dat er ook woningen van goede kwaliteit worden gebouwd. Bij kwaliteit gaat het om de woning en de woonomgeving, en over zowel belevingswaarde, gebruikswaarde als toekomstwaarde. In het Kader voor regionale programmering wonen en werken hebben provinciale staten aangegeven dat er voor wat betreft wonen in de regionale programma’s algemene afspraken zouden moeten worden gemaakt over de stedelijke kwaliteit, de ambitie om 50 % van het woningbouwprogramma te realiseren in het sociale en middeldure segment, de evenwichtige ontwikkeling van rood en groen, energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie, circulariteit, leefbaarheid en inclusiviteit. In het Kader is aangegeven dat begrijpelijkerwijs niet in alle projecten alle ambities voor 100 % kunnen worden gerealiseerd.
Wel wordt maximale inzet van alle partijen gevraagd om bij te dragen aan een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de afspraken per regio. De in het kader genoemde aspecten zijn daarin vertaald naar vier thema’s. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
19
integrale stedelijke kwaliteit: we streven naar een goede stedelijke kwaliteit: vitale en levendige kernen en wijken betaalbaarheid en beschikbaarheid: gemeenten en provincie spreken de intentie uit dat op regionaal niveau 50 % van de toe te voegen woningen behoort tot het goedkope of middeldure segment. Gezien de opgave streven we ernaar dat zoveel mogelijk woningen gebouwd worden die een eind onder de bovengrens van middelduur zitten, zodat een grotere doelgroep bereikt wordt. (We bezien de 50 % op programmaniveau en naar periode, niet op planniveau of per jaar. Daarbij streven gemeenten zoveel mogelijk naar verevening binnen eigen grenzen (voor lopende en nieuwe plannen)). evenwichtige ontwikkeling van rood en groen: we streven naar een evenwichtige groenontwikkeling om een gezonde leefomgeving te (blijven) bieden aan onze inwoners. Dit betekent onder andere dat er voldoende (recreatief) groen in onze regio beschikbaar en toegankelijk moet zijn, zowel in omvang als kwaliteit. Dit is randvoorwaardelijk en vraagt investeringen. De opgave verschilt per locatie en gemeente. energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie en circulariteit: we stimuleren energieneutrale nieuwbouw en klimaatadaptief en circulair bouwen, en gaan hierover in gesprek met initiatiefnemers en partijen in de bouwketen. 2.2.2.3 Regio U16 In drie regio's werkt Provincie Utrecht het beleid verder uit.
De samenhang tussen de thematische ambities krijgt hier aandacht. Voor Utrecht is de regio U16 van belang. In deze uitwerking gaat het over de verstedelijkingsstrategie. De verwachting is dat er tot 2040 in de regio ongeveer 99.000 tot 125.000 extra woningen nodig zijn. Na 2040 tot 2050 is er verdere ruimte voor woningbouw onder meer over ontwikkelingen langs de A12 tussen knooppunten Lunetten en Oudenrijn en het benutten van bestaande OV-knooppunten in de regio. 2.2.2.4 Conclusie Met voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een grote binnenstedelijke opgave in de regio Utrecht in de nabijheid van de A12-zone. Groen en water staan centraal. Bij voorgenomen ontwikkeling is het percentage voor groen en water 27%. Bij circa 23 hectare komt dit uit op 6,2 hectare. Op basis van de basisverkaveling met 1.500 woningen is er nu sprake van circa 30% aan sociale huur en 17% middeldure huur. In de startnotitie was 40% aan huurwoningen voorgeschreven. In het SP is hier van afgeweken door het te verhogen naar 47%. Dit om tegemoet te komen aan de blijvende vraag naar huurwoningen in Utrecht. Deze onderverdeling is afgestemd met de geplande woningbouwontwikkeling in Papendorp-Noord. Het woningbouwprogramma van Groenewoud en Papendorp Noord samen is daarmee in lijn met de woonvisie Utrecht in Balans.
In paragraaf 5.16 wordt nader ingegaan op het toepassen van energieneutrale, circulaire en klimaatadaptieve woningbouw binnen de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen op de kaart met openbare woningbouwplannen welke zijn ingevoerd in de planregistratie applicatie van de Provincie Utrecht. 2.2.3
Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling (2016)
Het Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling is in 2016 vastgesteld. Vanuit de centrale missie 'Utrecht Topregio' is het hoofddoel voor binnenstedelijke ontwikkeling: 'Blijvend aantrekkelijke steden en dorpen waar het goed wonen, werken en ontmoeten is'. De drie hoofdambities voor binnenstedelijke ontwikkeling zijn: Een aanbod van stedelijke milieus passend bij de vraag. Waaronder het realiseren van een passend woningaanbod, het transformeren, revitaliseren of creëren van werklocaties en het in stand houden en creëren van aantrekkelijke centrumgebieden. Een toekomstbestendige binnenstedelijke kwaliteit. Waaronder het realiseren en versterken van een goede woonomgeving, het creëren van een aantrekkelijk vestigingsmilieu, energieneutrale nieuwbouw en een gezonde binnenstedelijke leefkwaliteit. Optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. Waaronder het realiseren van binnenstedelijke woningbouw, transformatie van bestaande bedrijventerreinen en kantorenlocaties en beleefbaar water en groen in het stedelijk gebied. De focus bij binnenstedelijke ontwikkeling ligt op vastgoed en openbare ruimte. Van provinciale betrokkenheid bij binnenstedelijke ontwikkeling kan pas sprake zijn als een of meer van de stedelijke functies wonen, werken, winkelen aan de orde is. Bij wonen gaat het vooral om 2 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
Utrecht
toevoeging van woningen teneinde bij te dragen aan het wegwerken van het woningtekort, terwijl het bij werken en winkelen vooral gaat om transformeren, revitaliseren en herstructureren. Uitvoering vindt enerzijds plaats door 'verbinding in gebieden' en anderzijds door 'verbinding op thema'. 2.2.3.1 Conclusie Groenewoud vormt tezamen met de ontwikkeling Papendorp-Noord bovenal een schakelpunt tussen de rest van Leidsche Rijn en Utrecht Centrum. Het gebied Papendorp-Noord en de KWS-buurt binnen Groenewoud kennen een hoogstedelijk woonmilieu met verschillende stedelijke functies. Daarnaast zullen de overige deelgebieden in Groenewoud meer ruimte en rust uitstralen waarbij meer ruimte is voor ontspanning, recreëren en spelen in het groen. De ambitie met voorgenomen ontwikkeling is het realiseren van een energieneutrale en zeer duurzame wijk. In paragraaf 5.15 en 5.16 wordt onderbouwd hoe er binnen Groenewoud gebouwd wordt aan een betere levenskwaliteit. Daarbij wordt ingegaan op de volgende onderwerpen: welzijn, ontmoeting & gezondheid; mobiliteit; natuur, biodiversiteit & gezonde leefomgeving; klimaatadaptatie; energie en circulariteit. 2.2.4
Economische Visie 2020 - 2027 Focus op een vitale en duurzame economie
De provincie Utrecht wil het economische beleid de komende jaren focussen op een duurzame en vitale economie. Met het beleid wil de provincie de economie robuuster maken voor economische schokken en klaar maken voor toekomstige veranderingen. De economische visie is gericht op alle partijen in het economisch systeem: ondernemers, werknemers, kennisinstellingen, gemeenten, belangenorganisaties etc. De missie van de economische visie is: "Economische ontwikkeling moet bijdragen aan het bereiken van maatschappelijke doelen en daarmee aan de brede welvaart. Specifiek gericht op economie werkt de provincie Utrecht aan een sterke competitieve duurzame economische structuur met aantrekkelijke en toekomstbestendige voorzieningen voor bedrijven en werknemers en maakt innovatieve ontwikkelingen op het gebied van gezond stedelijk leven en circulaire economie mogelijk". Om deze missie te kunnen realiseren werkt de provincie aan de volgende beleidsdoelen: het bedrijfsleven en werknemers zijn toegerust op de toekomst; het economisch profiel (gezond stedelijk leven) is sterk, competitief en zichtbaar; bedrijven en (kennis)instellingen zijn innovatief sterk; er zijn voldoende vestigingsmogelijkheden in aantal en kwaliteit. In de economische visie zijn aan bovengenoemde beleidsdoelen meerjarendoelen en hoofdactiviteiten gekoppeld.
2.2.4.1 Conclusie Groenewoud vormt een gemengd hoogstedelijke stadsdeel waar wonen en de bedrijvigheid in de directe omgeving elkaar kunnen versterken. Een aantal oude loodsen op het KWS-terrein biedt daarnaast een interessante vestigingsplaats voor bedrijvigheid. Mogelijke invullingen hiervoor zijn een restaurant rondom een centrale ruimte, een café, een plaats waar co-working plaats kan vinden of een andere sociaal verbindende functie. 2.2.5
Mobiliteitsplan 2015-2028
Het Mobiliteitsplan bestaat uit een Mobiliteitsvisie en een Mobiliteitsprogramma en is vastgesteld door Provinciale Staten op 7 juli 2014. De Mobiliteitsvisie bevat de langetermijndoelen om de unieke verbindende knooppuntpositie van de provincie goed te laten functioneren. Daarnaast beschrijft de visie welke rol de provincie op zich neemt om deze doelen te realiseren, zonder dit af te wentelen op toekomstige generaties en andere gebieden. Dit wordt iedere vier jaar geconcretiseerd in een Mobiliteitsprogramma waarin is verwoord welke acties (op kortere termijn) nodig zijn en welke samenhang deze hebben met de langetermijndoelen. Een goede bereikbaarheid is van groot belang voor de kracht, aantrekkelijkheid en de concurrentiepositie van de provincie. Er wordt ingezet op een mobiliteitsnetwerk dat mensen en goederen snel op hun bestemming brengt, maar dat ook dienstbaar is aan de maatschappelijke behoeftes als duurzame welvaart, leefbaarheid en welzijn. Van belang hierbij is: het versterken van bestaande netwerken; het verbinden van netwerken; het verbinden van vraag en aanbod aan infrastructuur en mobiliteitsdiensten. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Groenewoud" (vastgesteld)
21
2.2.5.1 Conclusie De ligging van Papendorp in de stad bepaalt in sterkte mate de kwaliteit van Groenewoud. Zowel de binnenstad, Leidsche Rijn Centrum en de winkels op Kanaleneiland liggen op korte afstand en zijn vooral met OV en langzaam verkeer goed bereikbaar. Door de situering aan de HOV-verbinding en aan de A2/A12 biedt het plangebied een uitgelezen mogelijkheid om bij te dragen aan het beperken van de niet-noodzakelijke automobiliteit in het zuidwestelijk deel van Utrecht. Met het beoogde realiseren van de Mobiliteitshub XL in het aangrenzende Papendorp-Noord kan gebruik worden gemaakt van parkeren op afstand. In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op het mobiliteitsnetwerk in en om het plangebied. 2.2.6
Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021
De provincie Utrecht legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021 in het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan). Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven, ook wel prioriteiten genoemd. De prioriteiten zijn: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Deze prioriteiten dragen rechtstreeks bij aan de kerntaken van de provincie (economische ontwikkeling, ruimtelijke ontwikkeling, natuur en landschap, bereikbaarheid en cultuurhistorisch erfgoed). Naast prioriteiten heeft de provincie basiskwaliteiten benoemd voor het bodem-, water- en milieubeleid. Deze zijn bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid (inclusief geur en licht) en externe veiligheid. Deze zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van de provinciale kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. Aan de basiskwaliteiten liggen wettelijke normen ten grondslag waarmee de minimumkwaliteit bepaald is.
Waar de basiskwaliteiten in bestaande situaties niet voldoen aan de eisen en wensen van het gebruik, biedt het bodem-, water- en milieubeleid handvatten die het oplossen of verminderen van de problemen ondersteunen. 2.2.6.1 Conclusie In hoofdstuk 5 worden de zes basiskwaliteiten behandeld. Daaruit blijkt dat met voorgenomen ontwikkeling voldaan wordt aan de wettelijke normen welke te grondslag liggen aan de basiskwaliteiten. 2.2.7
Voor jong & altijd, Cultuur- en Erfgoedprogramma 2020-2023
In het cultuur- en erfgoedprogramma geeft de provincie haar rol op het gebied van cultuur vorm en inhoud. Het cultuur- en erfgoedprogramma is op 3 juni 2020 vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht. Het hoofddoel van het cultuur- en erfgoedbeleid van de provincie Utrecht is: bijdragen aan de toegankelijkheid van cultuur en de instandhouding van waardevol erfgoed, zodat bewoners en bezoekers van de provincie Utrecht hiervan kunnen leren en genieten. Het cultuur- en erfgoedprogramma bevat twee beleidsdoelen: A: Versterken van de culturele infrastructuur Cultuureducatie aanbieden Bibliothekennetwerk faciliteren Festivals laten floreren Het cultuurprofiel van Utrecht verstevigen B: Behouden, benutten en beleven van cultureel erfgoed De kwaliteit van de leefomgeving versterken Monumenten duurzaam restaureren en gebruiken Utrechts erfgoed beheren en bekend maken 2.2.7.1 Conclusie De hoofdopzet van Groenewoud is gebaseerd op de onderliggende structuur van het oorspronkelijke slagenlandschap. De historische lijnen vormen de basis voor de richting van de bouwblokken en openbare ruimtes van het plan. Het KWS-terrein heeft veel typerende elementen, zoals een markante kraan, de schoorsteen van de centrale en elke karakteristieke jaren 50-hallen.