Chw bestemmingsplan De Meern Noord (augustus 2024)
Tekst van het document
Leiding W-501-08. Deze leiding blijft net buiten het plangebied en loopt direct langs de Europaweg (aan de zuidwestelijke kant). De plangrens volgt eveneens de Europaweg maar dan direct langs de noordoostelijke kant vande Europaweg. De leiding eindigt bij het gasontvangststation aan de Europaweg 44. Het gaat om een leiding met een diameter van 219 mm met een aardgasdruk van 40 bar
Het risico bij aardgasleidingen wordt vooral veroorzaakt door de mogelijkheid van beschadiging bij graafwerkzaamheden etc. Het vrijkomende gas zal tot een ontploffing leiden gevolgd door brand. Vanwege de risico's is een toets uitgevoerd aan risiconormen volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Bevb beschrijft de afstanden tussen buisleidingen en (beperkt) kwetsbare objecten en bestemmingen. Dit zijn alle plaatsen waar zich regelmatig personen bevinden m.u.v. verkeersdeelnemers. De getoetste normen hebben betrekking op het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Langs de beschreven tracé bestaan geen er PR10-6-contouren. Er is daardoor geen strijdigheid met het Bevb. Volgens uitgevoerde berekeningen van de groepsrisico's bestaat er bij de aardgasleiding geen overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. De groepsrisico's zijn erg laag en verwaarloosbaar. Het groepsrisico wordt als aanvaardbaar beschouwd, mede rekening gehouden met de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Conclusie De risicosituatie binnen het gebied is aanvaardbaar. Er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico en er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot een toename van het groepsrisico. 3.6.4
Bodem
Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Plangebied en conclusie Het bestemmingsplan is consoliderend van aard en voorziet niet in ontwikkelingen en/of functieveranderingen, waardoor geen noodzaak bestaat om bodemonderzoek uit te voeren. Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan zodoende niet in de weg. Bij eventuele wijzigingen in functie en/of gebruik is een (her)beoordeling noodzakelijk en dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. 3.6.5
Bedrijven en milieuzonering
Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
79
rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies , wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Plangebied en conclusie Het voorliggend bestemmingsplan is consoliderend van aard en beoogt de planologische situatie vast te leggen zoals die nu reeds is vastgelegd in de beheersverordening en aanvullend vergund is.
Er zijn in bepaalde gevallen ook bedrijfsactiviteiten vergund (zoals een buurtcentrum). De planologische aanvaardbaarheid is bij vergunningverlening al getoetst. Op een enkele locatie binnen het plangebied komt een bedrijf voor. In beginsel betreft dit bedrijven in ten hoogste categorie 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten die passend zijn in een woonomgeving. Enkele bestaande bedrijven, zoals een bouwbedrijf, behoren tot een hogere categorie. Omdat het hier bestaande situaties betreft die ook reeds in de beheersverordening waren toegestaan, zijn deze specifiek aangeduid en toegestaan. Aangezien er sprake is van bestaande (reeds vergunde) situaties worden deze acceptabel geacht. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.6.6
Water
3.6.6.1 Waterwinning In het plangebied ligt het waterwingebied De Meern. In dit gebied bevinden zich grondwaterwinningsputten van Vitens die de bron van de drinkwatervoorziening voor onder andere de gemeente Utrecht vormen. Het gebied wordt begrensd door de locaties waar het grondwater tenminste 60 dagen nodig heeft om de filters van de winning te bereiken. In de Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013 staan regels om de kwaliteit van het grondwater voor de drinkwatervoorziening te beschermen. De artikelen 6 en 7 verbieden activiteiten die de waterwinning in gevaar kunnen brengen, zoals boor-, grond- en funderingswerkzaamheden, het toepassen van bodemenergiesystemen, het opslaan en vervoeren van stoffen die de grondwaterkwaliteit kunnen bedreigen, bijvoorbeeld olie en brandstoffen, afvalstoffen en IBC- bouwstoffen, het aanleggen of gebruiken van parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, leidingen, installaties en opslagreservoirs. In artikel 8 staan de voorwaarden voor vrijstellingen voor de verboden activiteiten. In artikel 9 staan voorschriften over het buiten gebruik stellen van een boorput. De boringsvrije zone van de drinkwaterproductielocatie De Meern ligt ook in het plangebied. De boringsvrije zone is een zone rondom de grondwaterwinning De Meern van Vitens.
In artikel 19 tot en met 22 van de Provinciale Milieuverordeningen Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013 staan regels die vergelijkbaar zijn met de hierboven besproken artikelen 6 tot en met 9. Daarnaast geldt op grond van artikel 4 van de Provinciale Milieuverordening voor iedereen de bijzondere zorgplicht. Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. Op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordeningen moet de gemeente toelichten hoe de gemeente omgaat met locaties die bij de waterwinning betrokken zijn (artikel 11, lid 3). Daarnaast moet de gemeente ervoor zorgen dat er bij het toekennen van nieuwe functies worden toegekend geen verontreinigingsrisico ontstaat (artikel 11, lid 2). De handreiking die de provincie voor de toepassing van deze regels heeft gemaakt wijst bovendien op de signaleringsfunctie van de bestemmingsplankaart.
80
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
Utrecht
De gemeente Utrecht wil bijdragen aan het voorkomen van verontreiniging van grondwater en natuurlijk ook van verontreiniging op locaties die van belang zijn voor het drinkwater. Op de locaties die bij de drinkwaterwinning betrokken zijn, zijn alleen de bestaande functies toegekend. Strikt genomen is er op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening geen verplichting om deze locaties in het bestemmingsplan op te nemen. Maar de waterwinning is op die locaties wel een belangrijke functie. Daarom volgt de gemeente de suggestie van de provinciale handreiking: aan de locaties die bij waterwinning betrokken zijn is de functie Waterstaat - waterwinning toegekend. Dat is een beschermde functie. De regels zijn vooral beperkt tot het beschrijven van het doel van de functie, omdat de Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013 al zorgt voor het reguleren van activiteiten. 3.6.6.2 Waterbeheer Dit bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding. De regeling leidt niet tot vergroting van het verharde en bebouwde oppervlak. De waterlopen en waterkeringen die van belang zijn voor het watersysteem hebben een beschermende regeling gekregen. De waterparagraaf is waar nodig geactualiseerd in het vooroverleg.
3.6.6.3 Uitkomsten van het overleg met de waterbeheerder Bij het opstellen van het advies ‘toetst’ het Hoogheemraadschap of het plan aan de criteria voor de waterhuishouding voldoet. Als algemeen criterium voor ruimtelijke plannen geldt dat minimaal het stand-still-uitgangspunt moet worden gehanteerd, wat betekent dat de waterhuishouding niet mag verslechteren. In dit geval gaat het om een conserverend bestemmingsplan, waarbij aan dat uitgangspunt wordt voldaan. Het Hoogheemraadschap heeft voorts in het wateradvies d.d. 13 januari 2023 verzocht om alle primaire watergangen als Water te bestemmen. Dit is verwerkt in het bestemmingsplan. 3.6.7
Archeologie
Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen te worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In het Chw bestemmingsplan Maximapark nemen we de regeling voor archeologie op uit het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht (gebiedsaanduiding archeologische verwachting 2-6, zie artikel 33). In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het bestemmingsplan.
Met de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
81
Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de plankaart in het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Deze archeologische waardenkaart is gebaseerd op de bodemkaart, cultuurhistorische en archeologische waarden en verwachtingen en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van zeer hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting, gebieden van middelhoge archeologische verwachting, gebieden van lage archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan.
Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Op de archeologische waardenkaart zijn deze archeologische rijksmonumenten weergegeven als WA1a. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de gemeente bij meervoudige vergunningsaanvragen wel als bevoegd gezag aangewezen en heeft het Rijk advies- en instemmingsrecht. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijksof gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historisch-topografische bronnen en landschappelijke ondergrond.
Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m 2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m 2 en dieper dan 50 cm. Gebieden zonder archeologische waarde (WA7) zijn gebieden waar geen archeologische waarden (meer) worden verwacht. Hier geldt geen vergunningsplicht. Conclusie Voor verschillende delen van het plangebied geldt een gebiedsaanduiding. Als in het plangebied verstoringen plaatsvinden, wordt bij de plantoetsing en besluitvorming de hoogste waarde gehanteerd. Als de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied de vrijstellingsgrenzen overschrijdt (oppervlakte en diepte) is deze vergunningsplichtig. Aan de vergunning zullen voorwaarden worden verbonden ten aanzien van de bescherming van de archeologische waarden die in het plangebied aanwezig zijn. 3.6.8
Natuurbescherming
Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de Interim Omgevingsverordening.
82
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
Utrecht
Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht:
of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.
Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt.
Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (artikel 7.2a Wm). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Algemene zorgplicht Ten slotte geldt de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming: een ieder neemt voldoende zorg in acht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Als het toch noodzakelijk is om handelingen uit te voeren, dan moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk geprobeerd worden om negatieve effecten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Daarom moet iemand die een bepaalde handeling wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. De zorgplicht dient mede als vangnet voor de bescherming van soorten, waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. Plangebied Binnen het plangebied is geen Natura 2000-gebied gelegen. Het plangebied is eveneens niet in een deel van het Nationaal Natuur Netwerk gelegen. Met dit bestemmingsplan wordt het huidige gebruik (en reeds toegestane gebruik mogelijk gemaakt). Daarnaast worden opnieuw de bouwmogelijkheden mogelijk bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
83
gemaakt die op grond van de beheersverordening De Meern Noord, Maximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen ook waren toegestaan. Om deze redenen hoeft er voor dit bestemmingsplan geen ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Conclusie Vanuit natuurbescherming zijn er geen belemmeringen om dit bestemmingsplan vast te stellen.
3.7
Economische uitvoerbaarheid
3.8
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
3.8.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening
Het plan maakt geen bouwplannen mogelijk die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De functies (bestemmingen) zijn al gerealiseerd of waren reeds mogelijk. Het plan heeft geen uitvoeringsaspecten die financieel onderbouwd hoeven te worden.
Het plan is aan een aantal instanties toegezonden voor reactie als bedoeld in art 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. In deze paragraaf zijn de reacties weergegeven met daarbij, per onderdeel en cursief, de beantwoording ervan. Van de vooroverleginstanties hebben we enkel destijds van de provincie en het waterschap een reactie gehad. De provincie gaf in haar reactie aan geen opmerkingen te hebben. De reactie van het waterschap wordt hieronder behandeld. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Verzocht wordt om de verbeelding van het plan aan te passen omdat een deel van de primaire watergangen niet als water zijn opgenomen in de verbeelding. Naast deze aanpassing hebben we geen opmerkingen. Alle primaire watergangen worden in het plan bestemd als Water conform het verzoek van het Hoogheemraadschap.
84
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
Utrecht
3.9
Handhaving
Doel handhavend optreden Door handhaving controleert de overheid of burgers, bedrijven en bijvoorbeeld overheidsorganen zich aan de wet- en regelgeving houden. Onder handhaving wordt verstaan het door controle (toezicht en opsporing) en het toepassen (of dreigen daarmee) van bestuursrechtelijke sancties, bereiken dat het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift wordt nageleefd. De handhaving van de van toepassing zijnde regeling binnen de gemeente Utrecht, wordt uitgevoerd door diverse diensten en afdelingen. Zo wordt namens het college onder andere gehandhaafd op de regels van voorliggend bestemmingsplan. Dit betekent dat de regels voor wat betreft het gebruik en de bebouwingsregels worden gehandhaafd. Dit gebeurt veelal door toetsing tijdens het behandelen van de aanvragen om omgevingsvergunning, maar kan ook gebeuren als gevolg van toezicht tijdens de uitvoering van de bouw of op grond van een eigen constatering indien een bouwwerk of een perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Indien er bijvoorbeeld sprake is van illegale ingebruikname van gemeentelijke grond, dan zal hiertegen worden opgetreden. Het doel van het handhavend optreden van de gemeente is niet direct gekoppeld aan de noodzaak van een actueel bestemmingplan.
Voor de bewoners van het plangebied is duidelijk waar zij aan toe zijn (qua bouwen, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van de woning, en qua gebruik), maar het niet handhaven haalt de effectiviteit van een actueel bestemmingsplan onderuit. De toegevoegde waarde van het verlenen van een omgevingsvergunning voor een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is niet groot, indien er op andere plaatsen - zonder vergunning vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn geplaatst. Dit wordt nog eens problematischer zodra een omgevingsvergunning wordt geweigerd, terwijl diverse vergelijkbare bouwwerken reeds illegaal zijn geplaatst. In dit laatste geval is de roep om handhavend op te treden dan ook het grootst. Wijze van handhaven Op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft het college een tweetal instrumenten bij handhaving van bestemmingsplannen tot haar beschikking: bestuursdwang en dwangsom. Bij het toepassen van bestuursdwang wordt de overtreding (het geconstateerde illegale bouwwerk c.q. gebruik) ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder. Dit kan betekenen dat een bouwwerk door de gemeente wordt afgebroken en de kosten van bijvoorbeeld de aannemer en de gemeentelijke kosten op de overtreder worden verhaald.
Het is tevens mogelijk om, indien er zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd en de bouw wordt stilgelegd door middel van een bouwstop, de bouwmaterialen weg te slepen en elders op te slaan. Het opleggen van een last onder dwangsom betekent bijvoorbeeld dat het illegale gebruik moet worden gestaakt binnen een door het college gestelde termijn. Overschrijdt men de termijn, dan zal de dwangsom in rekening worden gebracht bij de overtreder. Doel van de dwangsom is het onaantrekkelijk maken van het voortzetten van de geconstateerde overtreding. De dwangsom zal dan ook in relatie moeten staan aan (en zal derhalve altijd hoger zijn dan) het voordeel dat de overtreder heeft bij het voortzetten van de illegaliteit. In het plangebied zal handhavend worden opgetreden tegen het illegale gebruik van bouwwerken en percelen. Bijvoorbeeld het verhuren van opslagruimte ten behoeve van de stalling van caravans, maar ook het gebruik van een winkel als café. Verder zal er bij de bouw worden gecontroleerd op de uitvoering van verleende omgevingsvergunningen. Uiteraard zal er ook gecontroleerd worden of, in het geval van een geweigerde omgevingsvergunning voor een woning, de betreffende woning niet alsnog wordt gebouwd. Voorts zal de gemeente toezien op - onder de Wet milieubeheer vallende - bedrijven. Dit vloeit voort uit de regels van het bestemmingsplan.
Indien er immers ter plaatse een bedrijfsactiviteit plaats mag vinden, zal dit qua gebruik (intensiteit en hinder) gehandhaafd worden.
3.10 Conclusie
Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
85
Bijlagen toelichting
86
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
Utrecht
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
87
Bijlage 1 Archeologische waardenkaart
88
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
Utrecht
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
89
Bijlage 2 Ontwikkelingskader-Horeca-Utrech t-2018.
90
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
Utrecht
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
91
Bijlage 3 Belangrijkste wettelijke bepalingen
92
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
Utrecht
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)
93
Bijlage 4 Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording - RUD Utrecht
94
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Meern Noord" (vastgesteld)