CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Chw bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel Toelichting

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 11 september 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel en Bebouwde Kom-besluit, parkeerzonebesluit en Beeldkwaliteitsplan46.009 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Dit zijn leefbare straten waar de bedrijven zich aan presenteren. Zo is er zicht op de activiteiten van het bedrijf en wordt er niet geparkeerd in de openbare ruimte. Verder bepalen groene gevels het beeld. Het moet ook voor voetgangers en fietsers een prettige ruimte zijn om doorheen te gaan en op de plaats van bestemming te komen. Binnen randvoorwaarden zijn er variatiemogelijkheden per kavelveld in opbouw, dichtheid, etc. Dit geeft levendigheid en optimale invulling per veld. En is er samenhang in ontwerp en ruimtelijke kwaliteit. De ontwerpen van de verschillende kavelvelden zijn op elkaar afgestemd, en reageren op de openbare ruimte. circulair Bedrijvenpark Strijkviertel is een toekomstgericht bedrijventerrein. Dat betekent dat de planvorming met de tijd mee gaat. Zo ontwikkelt het circulair bouwen volop in de komende jaren. Daarom kiezen we er voor de precieze uitwerking van ieder kavelveld nog niet vast te stellen. Voor elke specifieke ontwikkeling van een kavelveld wordt daarom een apart deelplan opgesteld: het 'kavelpaspoort'. In dit bestemmingsplan zijn 10 kavelvelden opgenomen. Ook zijn de bijbehorende voorzieningen in het plangebied opgenomen, zoals groen, water en verblijfsruimtes, die bijdragen aan de ontwikkeling van het plangebied tot een gebied waar het prettig werken en verblijven is.

De gronduitgifte vindt plaats in kavelvelden, die plek bieden aan meerdere gebouwen en meerdere bedrijven. Door deze manier van ontwikkelen is het mogelijk een aantal zaken binnen het kavelveld gemeenschappelijk te organiseren, zoals parkeren, laad- en losstraten en groen. Naast het delen van functies is het mogelijk om op de kavels ook de hoogte in te gaan, letterlijk door bedrijfsverzamelgebouwen van meerdere verdiepingen waarin een mix van bedrijven is gevestigd. Zo wordt het mogelijk om met bijvoorbeeld meerdere hoogtes op een kavelveld te werken. Functioneel (bij voorkeur meervoudig) gebruik van het dak is voorgeschreven. De verblijfskwaliteit stimuleren we door bedrijven dicht aan de straat te plaatsen en gebouwen deels groen én transparant te maken. Hierdoor ontstaat een mooie overgang van openbaar naar privé, die zorgt 5 8 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

voor een goede verblijfskwaliteit. Voor elk kavelveld wordt een samenhangend ontwerp gemaakt voor alle functies op basis van de uitgangspunten. Met dit geheel van uitgangspunten ontstaat per kavel eenheid in thema, functie, ruimtelijke kwaliteit en uitstraling. Deze kavelprincipes gelden voor elk kavelveld, voor elk programmaonderdeel en worden op hoofdlijnen geformuleerd, om variatie in de uitwerking mogelijk te maken en daarmee kwaliteit toe te voegen. In het Stedenbouwkundig Plan zijn diverse uitwerkingen voor de kavelvelden opgenomen.

4.4

Circulaire economie

Circulair bouwen Utrecht wil in 2050 een circulaire stad zijn. Het Actieprogramma Utrecht Circulair 2020-2023 en de visie Utrecht Circulair 2050 maken onderdeel uit van de Omgevingsvisie. De beleidsnota Utrecht Circulair 2030 is is in december 2024 vastgesteld door de raad. Een MPG van 0 voor alle soorten gebouwen, en een MKI van 0 bij de aanleg van openbare ruimte is het uiteindelijke doel bij circulaire nieuwbouw (2050). Om dit doel te bereiken willen we vooral experimenteren, innoveren en leren hoe tot gemiddeld een lagere MPG te komen. Belangrijk is dat er voor wordt gezorgd dat de bouwmaterialen van nu de grondstoffen van de toekomst zijn. Voorwaarde daarvoor is dat de oorsprong, kwaliteit en eigenschappen ervan goed worden vastgelegd in een 'materialenpaspoort'. Bij de gronduitgifte (in tenders) zal circulair bouwen (bijvoorbeeld blijkend uit een lage MPG-score, Paris proof CO2-effect, een hoog massapercentage biobased/hergebruikt bouwmateriaal en/of een hoge losmaakbaarheidsindex) worden meegenomen als een belangrijk selectiecriterium. Bij de aanbesteding van de aanleg van de openbare ruimte zal circulaire aanleg (bijvoorbeeld blijkend uit een lage MKI of een hoog massapercentage biobased/hergebruikt bouwmateriaal) worden meegenomen in het kader van ons beleid voor het maatschappelijk verantwoord opdracht geven en inkopen (MVOI).

Circulair vestigingsklimaat De visie Utrecht Circulair 2050 en de concept beleidsnota Utrecht circulair 2030 richt zich ook op het versterken van het vestigingsklimaat voor circulaire bedrijven. Circulair Bedrijvenpark Strijkviertel geeft hier invulling aan door ruimte te bieden aan circulaire bedrijven.

Wat is een circulair bedrijf? Circulaire bedrijven zijn bedrijven met een circulaire bedrijfsstrategie. Als voorbeeld een bedrijf waar je klusspullen kan kopen. Een niet-circulair bedrijf is een bouwmarkt waar klanten individueel een nieuwe boormachine kopen en het circulaire bedrijf is het softwarebedrijf dat een buurtapp heeft waarmee je een boormachine met de buurt kan delen. Een tweede voorbeeld is een autodealer. Het niet-circulaire bedrijf verkoopt auto's met als doel steeds nieuwe auto's te verkopen en het circulaire bedrijf verkoopt langdurige onderhoudscontracten met de verplichting dat de klant de auto van de fabrikant langjarig rijdt met als doel de levensduur van de auto te verlengen. Er zijn verschillende circulaire bedrijfsstrategieën. Deze strategieën kunnen worden uitgelegd aan de hand van het R-model van de Ellen MacArthur Foundation. De vuistregel voor het R-model is dat een strategie die hoog op de R-ladder staat minder grondstoffen of bewerkingsstappen vergen en daardoor minder milieudruk met zich meebrengen, zoals CO2 uitstoot. De R-strategieën hoog op de R-ladder zijn refuse, rethink en reduce. De R-strategieën in het midden van de R-ladder, re-use, repair, refurbisch, remanufacture en repurpose stellen de behoefte aan nieuwe grondstoffen uit. Tot slot zijn er bedrijven laag op de R-ladder.

Deze bedrijven zijn gericht op recycling en recoverering en sluiten daarmee de kringloop van grondstoffen. Deze bedrijven hebben echter nog steeds relatief veel nieuwe grondstoffen nodig en stuiten veel CO2 uit. Het R-model is niet alleen inzetbaar als een vereenvoudiging voor milieu economische principes, maar heeft ook een ruimtelijke component. Wanneer je uiterste R-strategieën tegenover elkaar in een model zet valt het volgende op:

bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

59

Hoe hoogwaardiger de R-strategie, hoe milieuvriendelijker en hoe meer ruimtelijk efficiënt. Hoe laagwaardiger de R-strategie, hoe minder milieuvriendelijk en hoe minder ruimtelijk efficiënt. Op Strijkviertel legt de gemeente de focus op de volgende drie categorieën circulaire bedrijven: circulaire koplopers en pioniers, bedrijven in circulaire transitie uit de marktsegmenten bouw, zorg en voedsel én bedrijven die zorgen voor gesloten grondstoffenkringloop op circulair Bedrijvenpark Strijkviertel.

Circulaire koplopers en pioniers Circulair Bedrijvenpark Strijkviertel richt zich op bedrijven die koploper of pionier zijn binnen hun marktsegment op het gebied van een circulaire bedrijfsvoering. Circulaire bedrijven uit deze categorie zijn die bedrijven die een R-strategie hanteren hoog op de R-ladder, te weten de strategieën refuse, rethink en reduce, óf re-use, repair, refurbisch, remanufacture en repurpose. Deze bedrijven zijn de milieuvriendelijkste bedrijven binnen hun marktsegment, omdat ze de minste grondstoffen verbruiken en de minste milieudruk met zich meebrengen. Daarbij kennen deze bedrijven hoog op de R-ladder een hogere arbeidsdichtheid, dan bedrijven laag op de R-ladder. Hierbij hanteert dit bestemmingplan een volgordelijkheid: hoe hoger op de R-ladder hoe beter een circulair bedrijf past op Strijkviertel.

Bedrijvigheid in de circulaire transitie, vallend in de marktsegmentenbouw, voedsel en zorg: Op het circulair Bedrijvenpark Strijkviertel is er plaats voor bedrijven die in transitie zijn naar een volledige circulaire bedrijfsvoering, omdat alle bedrijven in Utrecht in 2050 volledig circulair moeten zijn. Het is dus belangrijk ruimte te bieden aan bedrijven die aan het experimenteren zijn met een circulaire bedrijfsstrategie. Op het Bedrijvenpark is binnen deze doelgroep specifiek ruimte voor bedrijven uit de marktsegmenten bouw, zorg en voedsel. Deze marktsegmenten scoren goed op de volgende zorgvuldig geselecteerde ruimtelijk-economische criteria, die aansluiten bij het profiel van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel: intensief ruimtegebruik, aansluiting bij economisch sterke sectoren van Utrecht, bestaande basis, (milieu)impact, lokale waarde toevoegen en vernieuwend.

Bedrijven die zorgen voor een gesloten kringloop van materiaalstromen op het circulair Bedrijvenpark Strijkviertel: Op circulair Bedrijvenpark Strijkviertel is er ruimte voor bedrijven die overbodige stromen (materialen, water en energie) van het ene bedrijf hergebruiken als secundair product voor hun eigen bedrijfsvoering. Een voorbeeld is het produceren van bedrijfsrestaurant stoelen van gebruikt plastic. Op deze manier sluiten we de kringloop van materiaalstromen op het bedrijvenpark.

Plangebied Circulair Bedrijvenpark Strijkviertel is een gebiedsontwikkeling waarin met voorrang wordt ingezet op circulair bouwen en aanleggen, en op het opbouwen van de kennisagenda circulair bouwen. Circulair bouwen en de kennis daarover vergroten is de belangrijkste circulaire doelstelling van dit project. Naast kennisopbouw rondom circulair bouwen kan de ontwikkeling van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel bijdragen aan een gunstig vestigingsklimaat voor circulaire bedrijven. Bijvoorbeeld door het opbouwen van een circulair ecosysteem, waarin bedrijven gezamenlijk meer bijdragen aan een meer circulaire economie dan individueel.

6 0 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1

Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied circulair Bedrijvenpark Strijkviertel en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2

Milieueffectrapportage

Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (bijlage, onderdeel D, categorie D11.2, de aanleg of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject en categorie D11.3, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein) is een (project)m.e.r.-beoordeling verplicht. Er is in dit geval sprake van een formele m.e.r.-beoordeling, omdat de drempelwaarden van de categorie D 11.2 voor het onderdeel bedrijfsvloeroppervlakte uit het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden.

Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten is het volgen van een m.e.r.-procedure verplicht. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een m.e.r.-beoordeling opgesteld voor het circulair Bedrijvenpark Strijkviertel. De conclusie van deze m.e.r.-beoordeling is dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er daarom geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. In de m.e.r.-beoordeling is getoetst aan criteria van bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor dit m.e.r.-beoordelingsbesluit (artikel 7.1 lid 4 Wet Milieubeheer). Het college moet dit besluit nemen voordat zij besluit tot de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (artikel 7.17 Wet milieubeheer). Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft op 5 december 2023 besloten om voor dit bestemmingsplan geen mer-procedure te doorlopen. Naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerpplan is een aantal onderzoeken geactualiseerd. Aangezien deze onderzoeken belangrijk zijn voor de motivering van het mer-beoordelingsbesluit is een oplegnotitie gemaakt waarin de uitkomsten zijn toegelicht en meegewogen in de mer-beoordeling.

Plan-mer-beoordeling Op 18 december 2024 heeft de Raad van State in haar uitspraken over Rendac en de Amercentrale geoordeeld dat intern salderen niet betrokken mag worden in de voortoets voor stikstofdepositie. Dit betekent dat significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en er bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

61

een passende beoordeling gemaakt moet worden voor het bestemmingsplan. Een passende beoordeling betekent ook dat er in de basis een plan-mer-plicht geldt. Voor kleine gebieden kan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling. Dat is bij bestemmingsplan Strijkviertel het geval. Een plan-mer-beoordelingsplicht betekent dat er getoetst moet worden aan de criteria van bijlage II van de smb-richtlijn. De inhoudelijke toetsingscriteria van de plan-mer-beoordeling en projectmer-beoordeling zijn nagenoeg gelijk. Wel is het verplicht om de plan-mer-beoordeling voor vooroverleg toe te sturen naar de bestuursorganen en instanties die op grond van een wetttelijk adviseren over de besluiten waarvoor het plan een kader vormt. In dit geval zijn dit de provincie en het Waterschap. Ook moet de plan-mer-beoordeling voor vooroverleg gestuurd worden naar de Minister van IenW, de minister van Natuur en Stikstof en de minister van OCW. Dit is gebeurd op 25 februari 2025. Mer-beoordelingsbesluit Op 3 juni 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders op basis van de geactualiseerde notitie een nieuw mer-beoordelingsbesluit genomen.

De m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 5 M.e.r.-beoordeling Strijkviertel incl. oplegnotitie bij de toelichting. Het mer-beoordelingsbesluit is opgenomen in bijlage 6. Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen door de beoogde ontwikkeling van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet nodig.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

In het plangebied komen voornamelijke circulaire maakbedrijven met ondersteunende functies en voorzieningen met weinig overlast voor de omgeving. Bedrijven met een maximale milieucategorie van 3.1 op basis van de VNG bedrijvenlijst zijn toegestaan. De bedrijven op dit bedrijvenpark hebben hierdoor geen tot weinig last van elkaar. Ook zal er geen verwachte overlast zijn voor de omgeving als gevolg van dit bedrijventerrein mede door de bestaande afstanden van de nieuwe bedrijfskavels tot bestaande woningen en andere gevoelige functies.

5.4

Geluidhinder

Er wordt een maximale bedrijfscategorie toegestaan van 3.1 op basis van de VNG bedrijvenlijst. In het plangebied worden geen geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt. Vanwege de te realiseren bedrijvigheid in het plangebied en de daarbij bijkomende extra verkeersgeneratie kunnen knelpunten ontstaan vanuit het aspect geluid. Om deze reden is een akoestisch onderzoek opgesteld (Bijlage 7 Geluidsonderzoek Bedrijvenpark Strijkviertel)

Wettelijk kader De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een publicatie opgesteld: “Bedrijven en Milieuzonering 2009”. Daarbij wordt gekeken naar de wederzijdse invloed van bedrijven en woningen in en rond een plangebied en beveelt het een aan te houden afstand aan die afhankelijk is van de zwaarte van het bedrijf en het type omgeving. Toepassing van deze systematiek zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. Ieder bedrijf heeft een bepaalde milieucategorie. Hoe hoger deze milieucategorie, hoe groter de afstand dient te zijn op woningen (zowel bestaand als nieuw te realiseren). De VNG-publicatie geeft voor elk type bedrijfscategorie een richtafstand. Onderstaande tabel geeft voor de betreffende milieucategorieën de daarbij behorende aan te houden afstand.

6 2 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

Als een bedrijfsperceel bijvoorbeeld maximaal categorie 3.1 bedrijven toestaat, geeft de VNG-publicatie een richtafstand van 50 meter tussen de grens van het bedrijfsterrein en de gevels van woningen in een “rustige woonwijk”. Een geluidgevoelige bestemming kan buiten die afstand worden toegelaten. Voor het aspect geluid kan dan worden aangenomen dat bij woningen e.d. geen hoger langtijdgemiddeld geluidsniveau zal optreden dan 45 dB(A) etmaalwaarde3. In het geval dat de omgeving van de woningen niet als “rustige woonwijk” wordt beschouwd, kan worden overwogen om de richtafstanden met één afstandstap te verlagen (50 meter wordt dan 30 meter). Dat is bijvoorbeeld het geval als de woningen langs een drukke weg zijn gelegen of anderszins het omgevingsgeluid relatief hoog is. Dit wordt aangeduid met “gemengd gebied”. De bijbehorende richtwaarde voor geluid bedraagt dan 50 dB(A). Ruimtelijke situatie circulair Bedrijvenpark Strijkviertel De ligging van circulair bedrijvenpark Strijkviertel is in de oksel van de A12 en A2 (zie onderstaande figuur).In het westen grenst het Bedrijvenpark aan de recreatieplas Strijkviertel. In het noorden aan sportpark Rijnvliet en daarboven aan de woonwijk Rijnvliet. Ten zuiden van de A12 bevinden zich nog woningen aan de Heijcopperkade.

Toets geluid Op basis van ons eigen geoviewer is het plangebied ingetekend waarin vanuit worstcase benadering het hele gebied als bedrijfscategorie 3.1 is aangemerkt met de daarbij behorende richtafstanden van 30 meter (gemengd gebied) en 50 meter (rustige woonwijk). De afbeelding hiervan staat hieronder weergegeven:

In de bovenstaande figuur is het plangebied aangegeven met een 30m en een 50m contour bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

63

Aan de westzijde zijn drie objecten gelegen die binnen de oranje contour (richtafstand van 50 meter, milieucategorie 3.1 rustige woonwijk) vallen. Dit betreffen: • Rijnzathe 2, De Meern (kantoorfunctie); • Strijkviertel 67 en 67a, De Meern (industrie en kantoorfunctie); • Strijkviertel 65, De Meern (industriefunctie).

Daarnaast bevindt zich nog een klein aantal bestaande panden in het plangebied. Dit betreffen: • Sportpark Rijnvliet 7 Utrecht (bijeenkomst, kantoor- en sportfunctie); • Strijkviertel 100, Utrecht (logiesfunctie); • Strijkviertel 74, Utrecht (woon, industrie- en kantoorfunctie). De woning aan de Strijkviertel 74 betreft het pand gelegen in kavel 14 van het Stedenbouwkundige Plan. Opgemerkt wordt dat in het Stedenbouwkundige Plan alleen wordt gesproken over bedrijfsgebouwen en niet over een woning. Feitelijk is echter alleen sprake van bedrijvigheid op kavels 1 t/m 12. De afstand tussen kavel 9 en de woning aan Strijkviertel 74 bedraagt meer dan 50 meter. De overige functies zijn niet geluidgevoelig. Op basis van bovenstaande wordt het betreffende plan dan ook aanvaardbaar geacht op basis van de toetsing bedrijven en milieuzonering voor omliggende woningen.

Analyse goede ruimtelijke ordening Er zijn ten aanzien van het plan verkeersgegevens aangeleverd conform het VRU 3.5 model, welke op dit moment binnen de gemeente Utrecht wordt gehanteerd. Er zijn verkeersgegevens conform autonome situatie in 2035, en verkeersgegevens conform planbijdrage in 2035 aangeleverd. Wanneer het verschil tussen beiden intensiteiten wordt vergeleken kan een indicatie worden gegeven van het aantal toe te nemen dB's van de wegen als gevolg van de verkeerstoename. In onderstaande figuur is de toename van het aantal dB's per weg te zien wanneer de autonome situatie wordt vergeleken met de plansituatie op basis van peiljaar 2035:

Figuu 6 4 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

r X. Toename in dB's per weg als gevolg van verkeerstoename bedrijventerrein Strijkviertel. Groen betekent geen toename, geel betekent tussen de 0 en 1,5 dB toename. Vanaf oranje wordt de grens van 1,5 dB overschreden (niet aanwezig). Paars betekent een toename van meer dan 5 dB. Uit bovenstaande figuur is te zien dat voor een aantal wegsegmenten in het centrum van de afbeelding de geluidemissie met meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van het bedrijventerrein. Dit is eenvoudig te verklaren in het feit dat voor de autonome situatie er geen verkeersbewegingen zijn. De dichtstbijzijnde woningen zijn enerzijds de woningen in woonwijk Rijnvliet op circa 240 meter. Anderzijds betreft het wederom de woning aan de Strijkviertel 74 op een afstand van circa 200 meter. Op basis van deze afstand wordt de kans nihil geacht dat een geluidbelasting optreedt van 50 dB(A) etmaalwaarde conform de circulaire geluidhinder 1996. Tevens is het zeer onwaarschijnlijk dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder zal worden overschreden. Er is daarmee zondermeer sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie De richtafstand tussen het te realiseren circulair Bedrijvenpark Strijkviertel (vanuit worstcasebenadering zijn dit alle kavels 1 t/m 14) zoals aangegeven in het “Stedenbouwkundig Plan Bedrijvenpark Strijkviertel” en omliggende woningen wordt niet overschreden. Er is daarmee dan ook geen sprake van strijdigheid vanuit de toetsing bedrijven en milieuzonering. Tevens is sprake van een goede ruimtelijke ordening wanneer getoetst wordt aan de extra geluidsbijdrage van wegverkeer wat ontstaat uit de verhoogde verkeersbijdrage als gevolg van het plan. Er zijn vanuit akoestiek geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel.

5.5

Trillingen

In het plangebied komen geen woningen of andere functies die gevoelig zijn voor trillingen. Omliggende gevoelige functies voor trillingen liggen op ruime afstand van het plangebied waardoor hinder en verstoring door trillingen op voorhand zijn uitgesloten. Dit aspect is dan ook niet nader onderzocht en vormt geen belemmering voor de realisatie van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel.

5.6

Geur

Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Voor specifieke bedrijven is in de Wet milieubeheer een richtwaarde aangegeven voor de hoeveelheid geur (uitgedrukt in geureenheden/m3) die acceptabel is in de omgeving van bedrijven. Deze geuruitstoot heeft ruimtelijke consequenties. In de directe omgeving van het bedrijf zijn vanuit de norm van de Wet milieubeheer beperkingen gesteld aan de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkeling van gevoelige bebouwing (met name wonen). Dit soort bedrijven bevindt zich niet binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan. Kleinere bedrijven zoals horecavestigingen, of een bakkerij kennen soms ook geurhinder maar daarvoor zijn geen richtlijnen opgesteld. Daarnaast kan de mestopslag bij agrarische bedrijven geurhinder veroorzaken. Door een geschikte locatie van de mestopslag te bepalen, is een deel van de hinder te voorkomen. Echter bij grotere bedrijven is voldoende afstand ten opzichte van woningen van derden noodzakelijk. Dit wordt geregeld in de bestemmingsplanregels. In het plangebied komen geen bedrijven met industriele geurhinder doordat er bedrijven met een maximale milieucategorie van 3.1 op basis van de VNG-bedrijvenlijst zijn toegestaan. Binnen het plangebied is geen sprake van industriële geurhinder. Dit aspect vormt geen belemmering voor de realisatie van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel.

bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

65

5.7

Externe veiligheid

Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor de omgeving. Om deze risico's te beheersen worden in ruimtelijke besluiten, zoals in dit geval een bestemmingsplan, de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving.

Inventarisatie plangebied In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Dit heeft het volgende overzicht opgeleverd: Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en water die vallen onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het plangebied ligt op circa 150 meter de A12 en op circa 220 meter van de A2. Deze rijkswegen zijn daarmee relevant voor het plangebied. Andere Basisnet-transportassen liggen allen op zeer grote afstand (meer dan 1 kilometer) van het plangebied. Nadere beschouwing daarvan is niet nodig. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Nabij het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Nabij het plangebied bevinden zich twee Bevi bedrijven, deze zijn BASF Nederland B.V. en Videojet Technologies Europe BV. Het invloedsgebied van deze bedrijven vallen niet over het plangebied. Dit betekent dat de bedrijven BASF Nederland B.V. en Videojet Technologies Europe BV. niet relevant zijn voor het plangebied. Wettelijk kader De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water).

Het Bevt geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes. In het Bevt staan twee risicomaten beschreven waaraan getoetst moet worden. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Naast risiconormeringen kent het Bevt tevens twee extra afstandsbepalingen, de zogenaamde vrijwaringszone en het plasbrandaandachtsgebied. Voor zowel de vrijwaringszone als het plasbrandaandachtsgebied geldt een motivatieplicht indien bebouwing gewenst is. Indien nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd moet deze aan extra brandveiligheidseisen volgens het Bouwbesluit voldoen. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een overlijdenskans van eens in de miljoen jaar (aangeduid met 10-6) voor nieuwe situaties als acceptabel. In de wetgeving is dit risico vertaald naar een afstandsnormering. Voor de afstand tussen de risicoveroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen als gevolg van een calamiteit.

Het Bevt verplicht ertoe dat bij omgevingsvergunningen, waarbij wordt afgeweken van de bestemming, het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen.

Vervoer gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en water Het risico bij transportassen wordt veroorzaakt door de mogelijkheid van beschadiging van een transportmiddel als gevolg van een ongeval, bijvoorbeeld een aanvaring. Hierdoor kan een deel of de gehele lading vrijkomen. De meest relevante stoffen zijn vloeibare gassen (b.v. LPG), brandbare vloeistoffen (b.v. benzine) en giftige stoffen. Bij een ongeval met vloeibaar gas kan dat gas vrijkomen en ontbranden met mogelijk brand of ontploffing tot gevolg. Een ongeval met brandbare vloeistof zal leiden tot een grote brand met veel hittestraling. Een ongeval met giftige stoffen zal vaak leiden tot de vorming van een giftige gaswolk.

6 6 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

Basisnet Landelijk is een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en vaarwegen ontwikkeld. Het Basisnet geeft zekerheid over de te verwachten transportfrequenties en de daarbij behorende zonering. De uitgangspunten van het Basisnet, waaronder de transportfrequenties waarmee gemeenten bij risicoanalyses dienen te rekenen, zijn wettelijk verankerd door middel van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Het Bevt beschrijft de afstanden tussen transportroutes en (beperkt) kwetsbare objecten en bestemmingen. Dit zijn alle plaatsen waar zich regelmatig personen bevinden m.u.v. verkeersdeelnemers. De transportfrequenties, opgenomen in de Regeling basisnet, corresponderen met de maximale gebruiksruimte voor het vervoer. Voor de bepaling van de risico's ten behoeve van dit plan is gerekend met de Basisnet uitgangspunten uit de Regeling basisnet. De getoetste normen hebben betrekking op het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 en A12 Toetsing plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied Voor basisnetroutes, zoals de A2 en de A12, gelden vaste afstanden voor de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar (PR 10-6/jaar) . Deze zijn opgenomen in de Regeling basisnet. Hieruit volgt dat de PR 10-6 van de A12 ter hoogte van het plangebied 28 meter bedraagt (gemeten vanuit het hart van de weg). Voor de A2 is de PR 10-6/jaar 0 meter. Het plangebied ligt buiten deze contouren. Dit betekent dat het plangebied voldoet aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico. De Regeling basisnet geeft tevens aan of een basisnetroute een plasbrandaandachtsgebied heeft. De A12 en de A2 ter hoogte van het plangebied zijn aangewezen als plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt op meer dan 30 meter van gemeten vanaf de buitenste kantlijn van de wegen. Dit betekent dat het plasbrandaandachtsgebied van deze wegen niet relevant is voor het plangebied.

Toetsing groepsrisico Voor het groepsrisico is een indicatieve berekening uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het groepsrisico A2/A12 onder de oriëntatiewaarde ligt (0,158 keer de oriëntatiewaarde) en het groepsrisico door de ontwikkeling niet toeneemt. Op basis van het Bevi betekent dit dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico De beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op een transportroute. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. Maatregelen m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang zwaar ongeval De volgende locatiespecifieke voorwaarden bepalen of een (dreigend) zwaar ongeval goed bestreden kan worden of zelfs voorkomen: Bluswatercapaciteit. Het plan wordt uitgevoerd op basis van de eisen die het Bouwbesluit 2012 stelt aan de bluswaterwatervoorzieningen. Inzettijd. Inzettijd van de brandweer is goed. Het plangebied wordt bediend door de brandweerposten De Meern en Leidsche Rijn. Bereikbaarheid. Het plangebied is goed bereikbaar vanwege bestaande infrastructuur. Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen bij een "dreigend" zwaar ongeval Naast het beschouwen van de mogelijkheden m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval, verplicht de regelgeving om de zelfredzaamheid van personen in de omgeving van de transportas te verantwoorden.

bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

67

Vluchtmogelijkheden. Bij een dreigende calamiteit moeten personen in staat zijn om snel van de bedreigde plek weg te kunnen komen. Hiervoor is het nodig dat er in voldoende richtingen straten en wegen zijn waarlangs men kan vluchten.

Zelfredzaamheid. Gelet op het karakter van de planlocatie kan ervan worden uitgegaan dat de meeste mensen een goede gezondheid hebben en mobiel zijn. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Het plangebied laat geen objecten toe die specifiek gericht zijn op verminderd zelfredzame personen (zoals zorginstellingen of scholen).

Advies van de Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Utrecht heeft kennisgenomen van de bovenstaande paragraaf over externe veiligheid en heeft een aantal concrete adviezen gegeven over de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Deze adviezen zijn hieronder opgenomen.

Bestrijdbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het te realiseren bedrijventerrein is hierbij van essentieel belang. Gelet op de voorgestelde wegenstructuur, is een tweezijdige bereikbaarheid reeds voorzien. Verder adviseer ik u bij de detaillering van de wegen rekening te houden met de randvoorwaarden voor hulpverleningsvoertuigen (conform art. 6.37 van het Bouwbesluit 2012): een breedte van ten minste 4,5 meter; een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 16.200 kilogram. Hoewel in het Bouwbesluit 2012 (6.37 lid 3b) wordt gesproken over 14.600 kg, wordt een geschiktheid voor een voertuigmassa van 16.200 kg geëist. Dit omdat de huidige voertuigen van de Veiligheidsregio Utrecht zwaarder zijn dan in het Bouwbesluit 2012 wordt aangegeven; een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter; een doeltreffende afwatering, en; de bochten moeten een minimale binnenradius >R5,5 meter en een buitenradius >R10 meter hebben. Daarnaast dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater. In het gebied zijn nog geen bluswatervoorzieningen aanwezig.

Bij de realisatie van het bedrijventerrein dienen nieuwe bluswatervoorzieningen worden aangelegd zodat er op maximaal 40 m van ieder bedrijfspand bluswater kan worden onttrokken (conform art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012). De exacte uitvoering van het wegennet en de locatie van de bluswatervoorziening kan de gemeente in een later stadium af te stemmen met de afdeling Operationele Voorbereiding van de VRU (opv@vru.nl)

Zelfredzaamheid Aangezien het om een bedrijventerrein gaat, wordt aangenomen dat er overwegend zelfredzame personen aanwezig zullen zijn in het gebied. Om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen worden een aantal maatregelen geadviseerd. In geval van een dreigende explosie is het van belang van het gevaar af te kunnen vluchten. Daarom wordt geadviseerd de gebouwen zoveel mogelijk te ontsluiten via de, van de snelwegen, afgekeerde zijden door in aan die zijden voldoende vluchtdeuren te creëren. In geval van een gifwolk is het van belang ramen en deuren te sluiten en binnen te schuilen. Hiervoor wordt geadviseerd om in de bedrijfsgebouwen een afschakelvoorziening te installeren waarmee de mechanische ventilatie kan worden afgeschakeld. Tot slot wordt geadviseerd om in de bedrijfsnoodplannen van de te vestigen 6 8 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

bedrijven aandacht te besteden aan 'hoe te handelen' in geval van bovengenoemde explosie- en gifwolkscenario's en BHV-organisaties en personeel hierop te laten trainen. De bovenstaande adviezen van de Veiligheidsregio worden meegenomen bij de verdere uitwerking en concretisering van de plannen voor circulair Bedrijvenpark Strijkviertel.

Conclusie Voor het plangebied zijn de A2 en de A12 vanuit externe veiligheid relevant voor het plangebied. Het plan voldoet aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plasbrandaandachtsgebied is niet relevant voor de ontwikkeling. Voor het groepsrisico is de conclusie dat deze onder de oriëntatiewaarde ligt en niet significant toeneemt door de voorgestelde ontwikkeling van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel. Het groepsrisico wordt gezien de hoogte aanvaardbaar beschouwd, hierbij mede rekening gehouden met de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Er zijn vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel.

5.8

Ontplofbare Oorlogsresten

Kader In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) worden uitgevoerd. Plangebied en conclusie Het plangebied is in de afgelopen jaren veelvuldig onderzocht voor de aspecten bodemkwaliteit en archeologie. Er zijn ook diverse proefsleuven gegraven en archeologische opgravingen gedaan. Op basis van deze onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat ontplofbare oorlogsresten niet worden verwacht in het plangebied.

5.9

Luchtkwaliteit

Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU.

De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Stof Grenswaarde EU NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m³ PM10 (fijnstof) 40 µg/m³ PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m³ WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5

WHO-advieswaarde-2005 40 µg/m³ 20 µg/m³ 10 µg/m³

Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde

In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m3) en voor PM2,5 (10 µg/m3). Deze motie is uitgewerkt in het raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

69

expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plangebied Voor de ontwikkeling van het circulaire Bedrijvenpark Strijkviertel is onderzoek uitgevoerd naar het aspect luchtkwaliteit. Dit onderzoek is als Bijlage 8 Beoordeling Luchtkwaliteit Bedrijvenpark Strijkviertel bij de toelichting opgenomen. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek opgenomen. Conclusie De ontwikkeling van het bedrijventerrein, locatie Strijkviertel leidt tot een toename van lokale concentraties NO2 en PM10. Deze toenames zorgen echter niet voor een overschrijding van de wettelijke grenswaarden of een overschrijding van de WHO advieswaarden uit 2005. De WHO advieswaarden van 2021 worden wel overschreden. Zonder het plan, zouden deze waarden ook worden overschreden. De gemeente neemt stadsbrede maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren en toe te werken naar de WHO advieswaarden uit 2021. De huidige ontwikkeling zit het streven van de gemeente om in de toekomst te voldoen aan de WHO advieswaarden 2021 niet in de weg.

Concluderend zijn er vanuit luchtkwaliteit geen wettelijke beperkingen om het bedrijventerrein bij Strijkviertel te realiseren. De realisatie van het bedrijventerrein belemmert ook niet het beleid van de gemeente om de luchtkwaliteit te verbeteren.

5.10 Bodem en ondergrond Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels ná 1987 is ontstaan, is een "nieuw geval". Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen. De focus ligt hierbij op de contactzone van de bodem. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek en/of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet rekening gehouden worden met nabij gelegen grondwaterverontreinigingen.

Plansituatie Bodemkwaliteit De locatie ligt gedeeltelijk braak en is gedeeltelijk in gebruik als weiland voor koeien en paarden. In het verleden is er op een klein gedeelte van het terrein een slibdepot gesitueerd geweest. Na beëindiging van het slibdepot is een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. (Amos Milieutechniek B.V., 144.121.BV.12.ROS_revisie, d.d. 11-11-2014) Hierbij is alleen de bovengrond onderzocht. Dit onderzoek is vergeleken met het nulsituatie bodemonderzoek (Ingenieursbureau Land, BO1-75950RVE, d.d. 14-4-2009). Hierbij is geen verslechtering van de bodemkwaliteit 7 0 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

vastgesteld.

Bij het meest recente onderzoek uit 2019 (Tauw, R001-1271362ESK-V02-agv-NL, 13-12-2019) zijn lichte verontreinigingen aangetroffen in de grond met zware metalen en PAK. Analytisch is geen asbest aangetoond. PFAS is aangetoond in gehaltes boven de detectielimiet. Op basis van PFAS is de grond toepasbaar buiten grondwaterbeschermingsgebieden en boven de grondwaterstand. Het grondwater bevat licht verhoogde gehaltes aan barium, xylenen (som) en naftaleen. Het slib in de aanwezige watergangen is niet noemenswaardig verontreinigd en verspreidbaar binnen het gebied. Op de locatie zullen lichte industrie, ondergeschikte horeca en een sportpark gerealiseerd worden. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Het plangebied bevindt zich binnen de zogenaamde bufferzone van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Deze zone is een buffer rondom de dynamische zone. Het diepere grondwater binnen de dynamische zone, in het eerste watervoerend pakket, is diffuus licht tot sterk verontreinigd met vluchtige organische chloorkoolwaterstoffen. Bij bouwbemalingen, onttrekken en infiltreren van grondwater kan deze verontreiniging verspreiden.

Om het grondwater uit het tweede watervoerend pakket te beschermen, is er sprake van een dieptebeperking voor boorwerkzaamheden in de bufferzone, bijvoorbeeld voor de aanleg van bodemenergiesystemen tot de scheidende laag. De diepte van de scheidende laag varieert, maar ligt rond de 50 m-mv. Op basis van de Nota Bodembeheer 2017-2027 is de ontgravingskwaliteit voor grond “landbouw/natuur” en de toepassingseis voor grond eveneens kwaliteit “landbouw/natuur”. Ondergrond Geadviseerd wordt om bij de herontwikkeling inzicht te krijgen in zowel bestaande als gewenste ondergrondse ruimteclaims, die nodig zijn om het gewenste bovengrondse gebruik te realiseren. Om de ondergrond duurzaam te gebruiken en beheren moet er een balans zijn tussen bescherming (gezonde, schone, levende en veilige bodem, archeologie) en benutting (parkeerkelder, bodemenergie, groen, waterberging, infrastructuur, afval). Het kan noodzakelijk zijn om ondergrondse functies te ordenen, clusteren en waar mogelijk te minimaliseren of optimaliseren. En om effecten van ondergronds gebruik mee te nemen in de beschouwing om (toekomstige) conflicten te voorkomen. Zo gaan bijvoorbeeld ondergrondse bouw met waterglas en verticale hemelwaterinfiltratie niet goed samen met de aanwezigheid van open warmte/koude opslagsystemen in de bodem (verstopping).

Zetting Het plangebied is op basis van de indicatieve zettingsgevoeligheid gevoelig (oranje) tot minder gevoelig (groen) voor zetting. bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

71

Bodemenergie Een van de mogelijkheden om te voorzien in duurzame energie is bodemenergie. Vanwege de dieptebeperking voor boringen moet bekeken worden of gesloten bodemenergiesystemen rendabel zijn, of dat er beter kan worden ingezet op (collectieve) open opslagsystemen. Conclusie De grond op de locatie is licht verontreinigd met zware metalen en PAK. Asbest is niet aangetoond. Vanwege de aanwezigheid van PFAS boven de detectielimiet gelden gebruiksbeperkingen voor het toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden en/of onder de grondwaterstand. Het slib in de aanwezige watergangen is niet noemenswaardig verontreinigd en verspreidbaar binnen het gebied. Er geldt een dieptebeperking voor boringen en bodemenergiesystemen. Inzicht en ordening in de bestaande en gewenste ondergrondse ruimteclaims en de onderlinge beïnvloeding daarbij, kan toekomstig conflicterend ruimtegebruik beperken. Het grondwater bevat licht verhoogde gehaltes aan barium, xylenen (som) en naftaleen. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is voldoende voor het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel.

5.11 Natuurbescherming Kader Op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de provinciale Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. 7 2 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

Bij een wijziging van het omgevingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling effecten heeft op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Als een activiteit leidt tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en er niet kan worden uitgesloten dat dit leidt tot significante effecten op deze gebieden, wordt de activiteit aangemerkt als een Natura 2000-activiteit volgens de Omgevingswet en is deze vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour In de provinciale Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Nota Utrechtse soortenlijst Bij gemeentelijke plannen dient inzichtelijk gemaakt te worden of er soorten van de Utrechtse soortenlijst voorkomen in het plangebied. Dit geldt eveneens bij plannen van derden wanneer hier afspraken over zijn met de gemeente. Het toevoegen van de Utrechtse soorten vormt geen verhoging van deze onderzoeksinspanning, maar dient met behulp van de natuurwaardenkaart en een biotoopbeoordeling in de bureaustudie te worden opgenomen. Als er beschermde of Utrechtse soorten in het projectgebied aanwezig zijn zal worden beoordeeld of de soorten nadelige gevolgen van de ontwikkeling ondervinden.

Bij mogelijke nadelige gevolgen, wordt gekeken of de ontwikkeling op een andere manier kan worden uitgevoerd zodat nadelige gevolgen worden voorkomen of geminimaliseerd. Als deze nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn dient het leefgebied gecompenseerd te worden zo dicht mogelijk bij het projectgebied, of wanneer dit niet mogelijk is op een alternatieve locatie binnen de gemeente. Als het leefgebied van een Utrechtse soort niet op korte termijn te compenseren valt zal dit expliciet aan het college worden voorgelegd. De verwachting is dat dit alleen het geval is in enkele oude bomenlanen waarin voor Nederland zeldzame paddenstoelen groeien. Met de stappen 1. Onderzoek, 2. Alternatieven, 3. Mitigeren, 4. Compenseren, 5. Expliciete keuze, wordt voorkomen dat Utrechtse soorten uit onze stad verdwijnen, terwijl gebiedsontwikkelingen mogelijk blijven. Plansituatie Beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel ligt op ongeveer 8 kilometer van het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Het gecultiveerde plangebied heeft geen enkele relatie met dit Natura 2000-gebied. De beoogde werkzaamheden bestaan onder andere uit het bouwrijp maken van het gebied, het realiseren van nieuwbouw en het aanleggen van lokale infrastructuur.

De stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase (toenemende verkeersgeneratie) en realisatiefase / bouwfase is in beeld gebracht middels een stikstofdepositie onderzoek. Het stikstofdepositie onderzoek voor het circulair Bedrijvenpark Strijkviertel is als Bijlage 9 Beoordeling Stikstofdepositie Bedrijvenpark Strijkviertel bij de toelichting van dit plan opgenomen. Hieronder is de belangrijkste conclusie van dit rapport opgenomen. De verkeerstoenames in en rond het gebied Strijkviertel leiden in de gebruiksfase tot een toename van depositie van 0,05 mol/ha/jr in 2025 en 2035. In de aanlegfase is er geen sprake van een planbijdrage. Als gevolg van de ontwikkeling van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel wordt grasland aan het gebruik onttrokken. Na interne saldering met de uit gebruik genomen weilanden blijft er geen toename van de depositie over. De positieve effecten van het beëindigen van deze activiteit (verminderde stikstofdepositie) worden als (mitigerende) maatregelen ingezet om het stikstofeffect van Strijkviertel te salderen. Met deze interne saldering is verzekerd dat er geen stikstofdepositietoename ontstaat op de relevante hexagonen in enig Natura 2000-gebieden. In twee gebieden is zelfs sprake leidt het interne saldo zelfs tot een afname aan stikstofdepositie.

In de Oostelijke Vechtplassen treedt na interne saldering een afname op van max 0,03 mol/ha/jr en in het Naardermeer een afname van 0,01 mol/ha/jr. Aangezien er sprake is van interne saldering voor stikstof is er een passende beoordeling uitgevoerd (zie Bijlage 10 Passende beoordeling). Op basis van deze passende beoordeling kan de zekerheid bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

73

worden verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. In de toets van het additionaliteitsvereiste is beschreven dat er landelijke en provinciale plannen zijn met maatregelen die een reductie aan stikstofdepositie en natuurherstel realiseren in de beïnvloede Natura 2000-gebieden. Voor bronmaatregelen ten behoeve van stikstofreductie zijn zeer lokale bronnen (binnen 1 km) of regionale bronnen (binnen bijvoorbeeld 3 km) het meest doelmatig. De bronmaatregel voor Strijkviertel ligt op veel grotere afstand. De agrarische activiteit in het plangebied betreft een het salderingsmaatregel die (gelet op de aard) weliswaar geschikt is om in te zetten als mitigerende maatregel. Maar, gelet op de locatie van de salderingsmaatregel, de kosten in relatie tot de zeer geringe stikstofwinst is evenwel duidelijk dat deze agrarische activiteit nimmer als instandhoudings- of passende maatregel zou worden beëindigd. Bovendien is – gelet op de zeer geringe effecten – de maatregel niet nodig om de blijvende en noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden te realiseren, ook gelet op de andere maatregelen die reeds in uitvoering zijn. Het additionaliteitsvereiste staat dan ook in dit geval niet in de weg aan de vaststelling van het bestemmingsplan.

Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour. Conclusie Gezien de aard en het lokale karakter van de ingreep worden effecten op Natura 2000-gebieden, NNN en de Groene Contour niet verwacht. Negatieve effecten op beschermde gebieden zijn uitgesloten.

Beschermde dier- en plantensoorten In 2019 is er onderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. In het onderzoek zijn ook de soorten van de Utrechtse soortenlijst meegenomen. Het onderzoek is in 2021 en in het voorjaar van 2024 geactualiseerd. De rapportage van het Ecologisch onderzoek Bedrijvenpark Strijkviertel is opgenomen als Bijlage 11. De actualisatie van het ecologisch onderzoek is opgenomen als bijlage 13. Flora Er worden geen negatieve effecten verwacht op wettelijk beschermde flora. Wel is de Utrechtse soort Zwanenbloem aangetroffen. De huidige groeiplaats blijft waarschijnlijk niet behouden. Doordat er in de nieuwe situatie veel nieuw geschikt leefgebied voor deze soort wordt gecreëerd, worden effecten op de lokale verspreiding van de soort voorkomen. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied is een omvangrijke populatie hazen aanwezig. De haas is beschermd onder de Omgevingswet en is sinds september 2024 niet meer vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het veroorzaken van negatieve effecten zijn niet toegestaan. Om deze reden is het nodig om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aan te vragen voor haas.

Voor de ontwikkeling van circulair bedrijvenpark Strijkviertel en de nabijgelegen woningbouwlocaties Groenewoud en Papendorp is een aanvraag omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit ingediend bij de provincie. Wanneer het bedrijvenpark volledig is ontwikkeld. Om een vergunning te verkrijgen dienen een aantal mitigerende en compenseren maatregelen getroffen te worden. Compensatie binnen het project is beperkt mogelijk, vanwege het beperkte niet bebouwd terrein dat na de uitvoering resteert binnen het plangebied. De interne compensatie is er op gericht om het huidig leefgebied zo lang als redelijkerwijs mogelijk is geschikt te maken voor hazen, zodat er voldoende tijd over blijft om buiten het plangebied compensatie uit te voeren. Hiervoor worden de volgende maatregelen genomen: Het toevoegen van ruigtestroken die maximaal 1x per jaar worden gemaaid en (deels) ook in de wintermaanden beschikbaar zijn voor hazen. Ruigtestroken hebben net zoals graslanden als doel om te voorzien in schuilmogelijkheden voor haas. Het jaarlijks maaien zorgt er ook voor dat de vegetatie niet te dicht wordt voor haas. Het maaien dient buiten januari tot en met oktober 7 4 bestemmingsplan "circulair Bedrijvenpark Strijkviertel" (vastgesteld)

Utrecht

plaats te vinden, omdat dan veelal jonge hazen geboren worden Het reduceren van sterfte door het plaatsen van rasters (langs de A12/A2) of andere verkeersmaatregelen (in het plangebied) Als de maximumsnelheid op de N198 omlaag wordt gebracht, kan een deel van de hazen op het terrein met grasland en bos tussen de N198 en de A12/A2 terecht. Deze strook dient ook als corridor naar de polder Rijnenburg te kunnen maken. Om aanwezigheid van (jonge) hazen tijdens werkzaamheden te voorkomen zijn maatregelen nodig. Alle maatregelen om het leefgebied ongeschikt te maken worden onder ecologische begeleiding uitgevoerd Het monitoren van de populaties haas in Strijkviertel, Papendorp en Groenewoud is noodzakelijk om het voortbestaan van de aanwezige populaties te beoordelen. Indien uit de monitoring blijkt dat de aanwezige populaties drastisch afnemen kan in een worst-case situatie overwogen worden dieren actief te gaan vangen en te verplaatsen naar een (nader te bepalen) extern compensatiegebied Het is noodzakelijk om compensatiemaatregelen te treffen buiten het projectgebied. Het nemen van (externe) maatregelen dient in beginsel te gebeuren zodra er ontwikkelingen gaan plaatsvinden in de plangebieden. Die maken immers dat het leefgebied van haas in het plangebied afneemt.

In de eerste fases ondervangen de maatregelen die binnen het plangebied genomen worden voor het verlies aan leefgebied. Daar zit echter een limiet aan. Uiteindelijk zal een groot gedeelte van het leefgebied van haas verloren gaan in Strijkviertel (en Papendorp en Groenewoud). Om deze reden wordt op termijn een aanvullend plan ingediend bij het bevoegd gezag, waarin de externe compensatie beschreven staat. Externe compensatie bestaat in hoofdlijnen uit het geschikter maken van agrarische percelen door een aantal aanpassingen in de bedrijfsvoering. Daarbij moet men denken aan onder andere aan aanpassingen van maaibeheer, grondbewerking en aangepast beheer van kruidenstroken. Externe compensatie is niet mogelijk binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Utrecht, daarvoor is het areaal agrarisch gebied te beperkt in de provincie Utrecht. Om deze reden is voorgesteld dat de provincie in samenspraak met agrariërs en agrarische natuurcollectieven een compensatiefonds opricht en specifieke beheerpakketten opstelt voor haas. Initiatiefnemers storten dan een financiële bijdrage in dit fonds waarmee de externe compensatie van aantasting van populaties van haas kan worden uitgevoerd. Het activiteitenplan en monitoringsplan voor de haas zijn toegevoegd in Bijlage 14 Activiteitenplan Haas en Bijlage 15 Monitoringsplan Haas.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=87a38ce3-ffef-49ab-b0af-e8a9ea5d9235