CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas_Toelichting (oktober 2022).pdf

Gemeenteraad 13 oktober 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Bestemmingsplan Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas; verplaatsing grens bebouwde kom Maarssenseweg/Heldinnenlaan37.377 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In het geval dat de omgeving van de woningen niet als "rustige woonwijk" wordt beschouwd maar als een wat drukker "gemengd gebied", kan worden overwogen om de richtafstanden met één afstandstap te verlagen (50 meter wordt dan 30 meter). Deze beperkte richtafstand kan bijvoorbeeld worden toegepast als de woningen langs een drukke (snel)weg zijn gelegen of anderszins het omgevingsgeluid relatief hoog is. De bijbehorende richtwaarde voor geluid bedraagt dan 50 dB(A). Conform de Geluidnota Utrecht kan het woongebied Haarrijn worden aangeduid als gemengd gebied. Ook als er een geluidsscherm wordt opgericht, zal het geluid van de A2 nog steeds relevant zijn voor de hoogte van het omgevingsgeluid. Aan de hand van de bestemde bedrijfscategorieën op het bedrijventerrein zijn vervolgens de milieucontouren bepaald. In onderstaande figuur zijn deze contouren opgenomen.

Afbeelding 9: Milieucontouren Een vergelijk met de boogde woningbouwlocaties laat zien dat veruit de meeste woningen op een ruime afstand van de bedrijven worden gesitueerd. De kortste afstand bij de noordpunt bedraagt 10 meter. Dit is precies de aan te houden afstand ten opzichte van de daar bestemde milieucategorie 2. In het plangebied zijn alleen horecafuncties in de categorie B, C, D1 en D2 van de lijst van horeca-activiteiten toegelaten zodat hier de nadruk ligt op het wonen. Volgens de richtafstanden van de VNG-richtlijn is de minimale afstand voor restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. 10 meter. Zoals al is uiteengezet, is in Haarrijn sprake van het omgevingstype “gemengd gebied”. Dit betekent dat de richtafstanden in beginsel met één stap wordt verlaagd tot 0 meter. De horecafuncties (maximaal 1.000 m² in de bestemming Gemengd - 2) aan de oostzijde van de Haarrijnseplas zijn op ruime afstand van woningen gepland. Hiervoor is geen nader onderzoek nodig. Bij de overige horecafuncties (maximaal 250 m² in de bestemming 4 4 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

Gemengd - 1) bij het appartementencomplex zijn geen horecaterrassen gepland. Ook hier is dus geen nader onderzoek nodig. Conclusie Resumerend kan worden gesteld dat hiermee in voldoende mate invulling is gegeven aan het principe van goede ruimtelijke ordening

5.4

Geluidhinder

Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object - hiervoor kent de wet "geluidsgevoelige bestemmingen" zoals woningen en scholen. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan: bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen; bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij woonerven of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt); reconstructie van wegen; gezoneerde industrieterreinen. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidsgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidsgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels' (gevel zonder te openen delen), kan hierop een uitzondering worden gemaakt.

De grenswaarden zijn voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). Voor wegverkeer geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde voor binnenstedelijk wegverkeer is conform het Utrechts geluidbeleid 5 dB lager dan de wettelijke grenswaarde en bedraagt daarmee 58 dB. Voor het geluid van de rijksweg geldt een maximale waarde van 53 dB. Voor ligplaatsen t.b.v. drijvende woningen geldt een algehele grenswaarde van 53 dB. Bij een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde dient akoestisch onderzoek uitsluitsel te geven over de te verwachte geluidsbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. Onder bepaalde compenserende voorwaarden, die zijn vastgelegd in de gemeentelijke geluidnota, kan door burgemeester en wethouders een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld.

De voorwaarden uit de Geluidnota Utrecht 2014 op basis waarvan een hogere waarde kan worden vastgesteld, zijn: Iedere woning dient te beschikken over een geluidsluwe gevel; De woning bevat voldoende verblijfsruimten aan de geluidsluwe gevel, te weten 30% van het aantal verblijfsruimten of 30% van de oppervlakte van het verblijfsgebied; Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag er in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan op de geluidsluwe gevel. Plansituatie Het plangebied ligt binnen de wettelijke zones van de A2, de Maarssenseweg-Heldinnenlaan en de Verbindingsweg naar Maarssen. In het woongebied zelf hebben de wegen een 30 km/u regime. Deze kunnen echter ook akoestisch relevant zijn en zijn daarom ook beschouwd. Het plangebied ligt niet in een geluidszone van een spoorweg of industrieterrein. Het plan is getoetst aan de wettelijke eisen van de Wet geluidhinder en het lokale geluidsbeleid om te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening (zie Bijlage 6 Akoestisch onderzoek Haarrijn). Wegverkeerslawaai In het geluidsonderzoek is voor de berekeningen een 12 meter hoog geluidsscherm langs de A2 aangehouden zoals dit bestemmingsplan Bedrijventerrein Haarrijn is geprojecteerd. Voor de rijksweg bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

45

A2 geldt dat de voorkeursgrenswaarde in een groot deel van het plangebied wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde kan op bepaalde locaties vanaf zekere hoogte ook worden overschreden. Hier kunnen hoge geluidsgevoelige objecten in principe alleen met een dove gevel worden gerealiseerd. Uit het geluidsonderzoek volgt dat de geluidsbelasting vanwege de Maarssenseweg-Heldinnenlaan en de Verbindingsweg meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde maar niet boven de maximale ontheffingswaarde uitkomt. De 30 km/u wegen kunnen op sommige locaties ook nog zorgen voor een relevante geluidsbelasting van ca 55 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt nergens overschreden. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting voldoet aan de maximaal te ontheffen waarde en is daarmee acceptabel. Hogere waarde De onderzoeksresultaten maken het doorlopen van een hogere waarde procedure noodzakelijk. Voor woningen en onderwijs: Rijkswegen: 53 dB Maarssenseweg-Heldinnenlaan: 58 dB Verbindingsweg: 58 dB Voor ligplaatsen voor woonschepen: Rijkswegen: 53 dB Maarssenseweg-Heldinnenlaan: 53 dB Uit een studie van een mogelijke verkaveling is gebleken dat er voldoende mogelijkheden zijn om woningen te realiseren binnen de grens van de maximale ontheffingswaarden.

Aangezien de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, zal elke woning conform het gemeentelijke beleid ter compensatie de beschikking moeten hebben over een luwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch gunstige woningindeling. Uit het onderzoek blijkt dat dit met name bij enkele appartementengebouwen niet het geval is. Er zullen in de uitwerking nadere maatregelen moeten worden getroffen teneinde hier een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat te realiseren. Bij de uitwerking van het plan zal dit nog nader gedetailleerd moeten worden uitgezocht. Conclusie Het plangebied van de onderzochte panden ligt binnen de vanuit de Wet geluidhinder relevante geluidszones van de A2, Maarssenseweg-Heldinnenlaan en Verbindingsweg. Uit het geluidsonderzoek volgt dat een hogere waarden procedure moet worden gevolgd. Daaraan zijn aanvullende randvoorwaarden gekoppeld om de woningen te realiseren. Bij een aantal appartementengebouwen zijn nadere maatregelen noodzakelijk om een geluidsluwe gevel te realiseren. Het vastgestelde hogere waardenbesluit is als bijlage opgenomen bij de toelichting.

5.5

Geur

Kader Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Voor specifieke bedrijven is in de Wet milieubeheer een richtwaarde aangegeven voor de hoeveelheid geur (uitgedrukt in geureenheden/m3) die acceptabel is in de omgeving van bedrijven. Deze geuruitstoot heeft ruimtelijke consequenties. In de directe omgeving van het bedrijf zijn vanuit de norm van de Wet milieubeheer beperkingen gesteld aan de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkeling van gevoelige bebouwing (met name wonen). Dit soort bedrijven bevindt zich niet binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan. Kleinere bedrijven zoals horecavestigingen, of een bakkerij kennen soms ook geurhinder maar daarvoor zijn geen richtlijnen opgesteld. Daarnaast kan de mestopslag bij agrarische bedrijven geurhinder veroorzaken. Door een geschikte locatie van de mestopslag te bepalen, is een deel van de hinder te voorkomen. Echter, bij grotere bedrijven is voldoende afstand ten opzichte van woningen van derden noodzakelijk. Dit wordt geregeld in de bestemmingsplanregels. Plansituatie In het plangebied of omgeving zijn geen inrichtingen die geurhinder veroorzaken. Ten noorden van het plangebied is het bedrijventerrein Haarrijn gesitueerd. In het bestemmingsplan bedrijventerrein Haarrijn is de richtafstand voor de categorie 2 bedrijven is 10 meter en voor de categorie 3.1 bedrijven 50 meter.

In het bestemmingsplan bedrijventerrein Haarrijn zijn met name bedrijven in de categorie 2 toegestaan. De categorie 3.1 bedrijven zijn op een grotere afstand van het plangebied van het bestemmingsplan woningbouw Haarrijn (circa 60 meter) gesitueerd. Agrarische bedrijvenen de RWZI (rioolwaterzuivering) Leidsche Rijn liggen op zo'n afstand van de woningen dat met 4 6 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

maatregelen goed voldaan kan worden aan de voorschriften (Wet milieubeheer, besluit landbouw). Conclusie Binnen het plangebied is geen sprake van industriële geurhinder.

5.6

Evenementen

Kader Utrecht heeft een zeer goede nationale positie als het gaat over evenementen en festivals. De stad staat al jaren in de top drie van evenementensteden. Het aanbod festivals en evenementen in Utrecht is divers en van hoge kwaliteit. Denk aan festivals als de Culturele zondagen, het Nederlands Film Festival, Festival Oude muziek en Spring. Op strand Haarrijn vinden reeds enkele jaren een aantal evenementen plaats zoals sportevenementen, Summum en festival Strand. In de komende jaren zetten we in op de spreiding van evenementen over de stad waarbij we aandacht hebben voor een goede balans van leefbaarheid en levendigheid. We doen samen met de partijen uit het veld, zoals het Festival Overleg Utrecht, Vereniging Evenementen Utrecht, Utrecht Marketing en met bewoners(-verenigingen), ondernemers en organisatoren. Spreiding van evenementen in tijd en plek Levendigheid in de stad is voor veel mensen juist een reden om in Utrecht te gaan wonen en/of te gaan werken. Evenementen en festivals dragen in belangrijke mate bij tot deze levendigheid. Aan de andere kant zorgen evenementen voor een deel van de bewoners zo nu en dan voor overlast. Doelstelling is spreiding van evenementen in zowel de tijd van het jaar als de plek in de stad te verbeteren. Een betere spreiding zorgt voor minder overlast voor bewoners.

Hoewel in het verleden is gebleken dat een spreiding naar andere locaties niet automatisch leidt tot minder klachten. Wat betreft spreiding in locaties moet overigens niet uit het oog worden verloren dat festivals en evenementen nauw verbonden zijn met de plek waar zij plaatsvinden. Ook hun effect is daar sterk van afhankelijk. "Evenementen zoeken locaties en locaties zoeken evenementen. Dat is maatwerk. Een evenement laat zich dan ook niet zomaar ergens heen verplaatsen". Het aantal evenementenlocaties aan de westkant van Utrecht is beperkt. Met de groei van de stad, de noodzaak tot spreiding is daarom extra ruimte voor evenementen nodig. Coalitieakkoord Utrecht, ruimte voor iedereen (2018-2022) Het coalitieakkoord stelt ten aanzien van evenementen en het evenementenbeleid: Het evenementenbeleid wordt structureel voortgezet, waarbij we overlast willen voorkomen en werken aan spreiding over locaties en wijken. Uitgangspunt bij grote evenementen is dat ze én economische en sociale waarde hebben voor de stad én mensen in buurten en wijken weten te verbinden.

Ruimtelijke strategie Utrecht 2040 Culturele voorzieningen op stadsniveau en culturele voorzieningen met regionale/(inter)nationale uitstraling Er is een onderscheid tussen voorzieningen die passen bij de maat van de stad en voorzieningen die passen bij de rol die Utrecht in de regio en op (inter)nationaal niveau wil vervullen. In de laatste categorie gaat het om stedelijke voorzieningen en evenementen met allure en uitstraling die een bredere aantrekkingskracht hebben op regionaal of bovenregionaal niveau. Ze dragen bij aan de identiteit en aantrekkelijkheid van de stad bij bewoners, bezoekers en bedrijven, zoals bijvoorbeeld het Centraal Museum, Spoorwegmuseum, TivoliVredenburg en de Stadsschouwburg. Deze plekken realiseert de gemeente rondom knooppunten. Op het niveau van de stad gaat het om voorzieningen en evenementen waar bewoners een stuk voor willen fietsen en waarvan er één of enkele in de stad aanwezig zijn / georganiseerd worden. Het gaat dan om podia zoals De Helling, Het Huis Utrecht, bioscopen, filmhuizen, expositieruimten en diverse culturele (of sport)evenementen. Haarrijn biedt gezien haar ligging zowel ruimte aan enkele regionale evenementen als aan evenementen uit de omliggende wijken. Algemeen Plaatselijke Verordening Evenementen zijn in bijna heel Nederland en ook in Utrecht geregeld via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Op basis van de APV is een vergunning nodig voor het houden van evenementen. bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

47

Bij het verlenen van zo'n vergunning wordt gekeken naar aspecten van openbare orde en veiligheid, mobiliteit, geluid en ecologie. Artikel 121 van de APV regelt dat een vergunning nodig is voor het houden van een evenement op of aan de openbare weg. Het strand Haarrijn is openbaar en voor publiek toegankelijk en valt daarom onder begrip openbare weg. Op basis van de APV is een evenement: 'het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke bijzondere gebeurtenis, al dan niet met een openbaar dan wel besloten karakter, op of aan de weg of het openbaar water, met uitzondering van een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties; bioscoopvoorstellingen waarop artikel 1 van de Wet op de Filmvoorstellingen van toepassing is; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet. Het bestemmingsplan is geen toetsingskader voor het verlenen van een vergunning op basis van de APV. In de APV is dus niet als eis opgenomen dat het gebruik ten behoeve van evenementen is geregeld in het bestemmingsplan. De gemeente kijkt bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een evenement ook naar andere evenementen die in de stad en regio plaatsvinden. De gemeente hanteert hiervoor de evenementenkalender.

Als een evenement niet op deze kalender past en/of als het evenement een te groot beroep op de gemeentelijke diensten of regionale hulpdiensten doet, kan de vergunning worden geweigerd. Naast de evenementen op de kalender kijkt de gemeente naar de wedstrijden van FC Utrecht, koopzondagen, grote evenementen in de Jaarbeurs, (weg)werkzaamheden en grote evenementen in de regio. Evenementen in bestemmingsplannen Het is niet nodig om kortstondige en incidentele evenementen te regelen in een bestemmingsplan. Evenementen die regelmatig terugkeren en die langere tijd duren zullen planologisch toegestaan moeten worden. Dit kan via het bestemmingsplan of via een omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een bestemmingsplan kan (en moet) regels stellen over het aantal en duur van evenementen en het soort evenementen (aantal bezoekers en hoeveelheid muziekgeluid). In het Besluit omgevingsrecht is het mogelijk om in afwijking (zogenoemde kruimelgevalleprocedure) van het bestemmingsplan evenementen toe te staan via een tijdelijke afwijking. Plansituatie Het strand Haarrijn leent zich door zijn ligging zeer goed voor het houden van evenementen. Het terrein is goed bereikbaar en in de omgeving is ruimte voor parkeren. Zowel kleinere evenementen voor de omliggende wijken en plaatsen als voor evenementen met een regionale uitstraling.

Gezien de omvang van de locatie en de nabijheid van woningen is de locatie niet geschikt voor grootschalige festivals met verschillende podia in tenten/ area's. Het bestemmingsplan bevat een regeling met betrekking tot het geluid dat is toegestaan tijdens evenementen, en het maximumaantal bezoekers. Op deze manier weten organisatoren van evenementen wat de grenzen zijn en is voor bewoners duidelijk wat de maximale geluidsbelasting is en hoe vaak een bepaald niveau zich kan voordoen. In de bijlage Ruimtelijke aspecten Evenementen Haarrijn is onderzoek gedaan naar de behoefte aan evenementen op deze locatie, de verkeers- en geluidsaspecten. Uit dit document volgt dat er behoefte is aan evenementen op deze locatie en dat met deze evenementenregeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voor de uitgebreide uiteenzetting wordt verwezen naar Bijlage 8 Ruimtelijke aspecten evenementen Haarrijn en de bijbehorende Bijlage 10 Mobiliteitsplan evenementen. Maximale geluidbelasting Om onevenredige geluidsbelasting van de omgeving te voorkomen zijn er regels gesteld aan de maximaal toegestane geluidgrenswaarden en de frequentie daarvan.

De gemiddelde waarden worden gemeten over een tijdsinterval van 3 minuten, veroorzaakt door het ten gehore brengen van muziek en/of het gebruik van geluidsapparatuur, gemeten ter plaatse van de buitenzijde van de gevel van omringende geluidsgevoelige objecten. De eenheid waarin de sterkte van het geluid wordt weergegeven is dB(A). De eenheid in dB(C) worden toegepast, omdat deze een betere begrenzing biedt van de bastonen bij muziek, dan normen in dB(A). Aanvullende voorwaarden kunnen worden vastgelegd in de evenementenvergunning. Kern van de regeling is dat maximaal 24 dagen per jaar gebruik mag worden gemaakt van versterkt 4 8 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

geluid van meer dan 45 dB(A), 60 dB(C). Ook is geregeld dat na 23.00 uur geen versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht. Door adviesbureau Peutz (bijlage 9 van de toelichting) is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting door evenementen, en is de in het bestemmingsplan opgenomen regeling getoetst (Akoestisch onderzoek evenementenregeling bestemmingsplan Woningbouw Haarrijn en Haarrijnsesplas, Peutz 20 december 2021). Bij de berekeningen is uitgegaan van de 'Handleiding meten en rekenen Industrielawaai' uit 1999 (Handleiding) en is voor de berekeningen gebruik gemaakt van methode II.8 (Berekening van de overdracht) zoals in de Handleiding vermeld Uit het onderzoek blijkt dat, uitgaande van de beschouwde typen evenementen en bijbehorende geluidemissies de optredende geluidniveaus binnen de gestelde geluidgrenswaarden uit het evenementenbeleid zullen blijven. Rekening houdend met de specifieke onderzochte locaties zijn alle typen gewenste muziekpresentaties mogelijk. Geconcludeerd wordt dat het plangebied geschikt is voor het beoogde doel. Maximum aantal evenementen en evenementendagen Bij het bepalen van het aantal evenementen en evenementendagen is gekeken naar het aantal evenementen en evenementendagen dat is georganiseerd in de voorgaande jaren, de groei van (dit deel) van de stad en de gewenste spreiding van evenementen over de stad.

Het uitgangspunt is een goede balans tussen leefbaarheid en levendigheid te bewerkstelligen in Utrecht. Door deze methodiek wijkt het aantal toegestane evenementen en evenementendagen af van het aantal dat in voorgaande jaren heeft plaatsgevonden. Het aantal evenementendagen heeft betrekking op het aantal dagen waarop het evenement voor publiek toegankelijk is, dus zonder de op- en afbouwdagen. Een evenement dat ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag. Bij evenementen waarbij het totaal aantal bezoekers van strand Haarrijn het aantal van 1.000 overschrijdt moet de organisator een omgevingsvergunning aan te vragen waar in een mobiliteitsplan wordt aangetoond dat er sprake is van een goede verkeer- en parkeersituatie. Hierin dient de organisator o.a. aan te geven: om welk type evenement het gaat, hoeveel bezoekers zij verwachten, waar deze bezoekers vandaan komen en hoe deze bezoekers gaan reizen; welke maatregelen zij treffen om overlast in de omgeving te voorkomen; welke maatregelen zij treffen om gebruik van openbaar vervoer en fiets te stimuleren. Ten slotte volgt uit de ecologische beoordeling van het evenementenprofiel Haarrijn dat op het recreatiestand onder voorwaarden grootschalige evenementen mogelijk zijn (zie Bijlage 11).

Conclusie Het aspect evenementen vormt geen belemmering.

5.7

Externe veiligheid

Kader Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in bestemmingsplannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving. Plansituatie In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Dit heeft het volgende overzicht opgeleverd: 1.

2.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en water. De A2 is een basisnetroute en bevindt zich ten oosten van het plangebied op ca. 70 (noordelijke deel) tot ca. 270 meter (zuidelijke deel) afstand. De A2 is daarmee relevant voor het plangebied. Andere basisnet-transportassen liggen allen op zeer grote afstand (meer dan een kilometer) van het plangebied. Nadere beschouwing is niet nodig. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Ten oosten van de A2 bevindt zich een hogedruk aardgastransportleiding. De kortste afstand tussen de buisleiding en het plangebied

bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

49

3.

4.

bedraagt ca. 150 meter (noordelijk deel van het plangebied). Deze afstand is dermate groot dat er slechts een minimale invloed is op het plangebied. Andere buisleidingen liggen allen op te grote afstand van het plangebied om van invloed te zijn. Nadere beschouwing is niet nodig. Bedrijven die vallen onder het Bevi. In het plangebied bevinden zich geen Bevi bedrijven. Buiten het plangebied, ter hoogte van het zuidelijke deel, bevinden zich twee Bevi bedrijven die van invloed zijn op het plangebied. Aan de Proostwetering bevindt zich op ca. 120 meter een LPG tankstation, en aan de Heldinnenlaan bevindt zich op ca. 80 meter een LNG tankstation. Gemeentelijke routes voor gevaarlijke stoffen. Buiten het plangebied bevindt zich een door de gemeente Utrecht aangewezen route voor gevaarlijke stoffen; de kortste afstand tot het plangebied bedraagt ca. 40 meter. De route dient voor de bevoorrading van de twee Bevi bedrijven.

Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in bestemmingsplannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport over weg, spoor en water), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; voor transport door buisleidingen) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; voor bedrijven). Voor uitgebreidere achtergrondinformatie wordt verwezen naar de bijlage met de rapportage van de RUD Utrecht: Bijlage 12 Toetsing plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording groepsrisico (GR). Vervoer gevaarlijke stoffen over transportroutes Het risico bij transportassen wordt veroorzaakt door de mogelijkheid van beschadiging van een transportmiddel (b.v. tankwagen) als gevolg van een ongeval, bijvoorbeeld een aanrijding en/of door brand. Hierdoor kan een deel of de gehele lading vrijkomen. De meest relevante stoffen zijn vloeibare gassen (b.v. LPG), brandbare vloeistoffen (b.v. benzine) en giftige stoffen. Bij een ongeval met vloeibaar gas kan dat gas vrijkomen en ontbranden met het mogelijk ontploffen van een tankwagen tot gevolg.

Een ongeval met brandbare vloeistof zal leiden tot een grote brand met veel hittestraling. Een ongeval met giftige stoffen zal vaak leiden tot de vorming van een giftige gaswolk. Vanwege de risico's is een toets uitgevoerd aan risiconormen volgens de uitgangspunten van het basisnet. Dit basisnet is per 1 april 2015 wettelijk verankerd door middel van aanpassing van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het nieuwe Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Bevt beschrijft de afstanden tussen transportroutes en (beperkt) kwetsbare objecten en bestemmingen. Dit zijn alle plaatsen waar zich regelmatig personen bevinden m.u.v. verkeersdeelnemers. De getoetste normen hebben betrekking op het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Transport van gevaarlijke stoffen over de A2 Voor de A2, ter hoogte van het plangebied, bestaat volgens het Basisnet geen PR 10-6 contour. Toetsing is niet aan de orde. Wel bestaat er voor het genoemde wegdeel een zogenaamd plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit PAG heeft geen overlap met het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan het Besluit externe veiligheid transportroutes. Het groepsrisico neemt toe door de realisatie van het bestemmingsplan maar is niet zichtbaar in de uitgevoerde berekeningen. Dit komt omdat de hoogte van het groepsrisico wordt bepaald door de bebouwing in Lage Weide.

Het groepsrisico blijft ruim onder de oriëntatiewaarde. Bij de nadere uitwerkingen van de bebouwing, in een later fase, moet nadrukkelijk aandacht worden besteed aan beschermende maatregelen voor het geval zich een ongeval met gevaarlijke stoffen voordoet. Dit geldt in het bijzonder voor de basisschool. Dit moet in nauw overleg met de Veiligheidsregio Utrecht plaatsvinden. De maatregelen zullen zo veel mogelijk worden voorgeschreven in de omgevingsvergunning. Gelet op het voorgaande wordt het groepsrisico als aanvaardbaar beschouwd, mede rekening gehouden met de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Het wegvervoer van gevaarlijke stoffen legt geen beperkingen op aan het bestemmingsplan. Gemeentelijke route voor gevaarlijke stoffen In de nabijheid van het plangebied bevindt zich een aangewezen lokale route die dient voor transport ter bevoorrading van twee nabijgelegen bedrijven, een LPG tankstation aan de 5 0 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

Proostwetering en een LNG tankstation aan de Heldinnenlaan. Voor deze route (Annie Romeinhaghe) bestaat volgens de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) geen PR 10-6 contour. Op basis van de vergunningen van beide bedrijven kan het aantal transporten over de route worden bepaald. Met behulp van vuistregels uit de HART is vastgesteld dat het groepsrisico beneden 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijft. Het groepsrisico als gevolg van deze route wordt als acceptabel beschouwd. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het bestemmingsplangebied is mogelijk één buisleiding relevant. Het betreft een buisleiding voor het transport van aardgas (ten noordoosten van het plangebied, langs de A2). Het risico bij aardgasleidingen wordt vooral veroorzaakt door de mogelijkheid van beschadiging bij graafwerkzaamheden etc. Het vrijkomende gas zal tot een ontploffing leiden gevolgd door brand. Vanwege de risico's is een toets uitgevoerd aan risiconormen volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Bevb beschrijft de afstanden tussen buisleidingen en (beperkt) kwetsbare objecten en bestemmingen. Dit zijn alle plaatsen waar zich regelmatig personen bevinden m.u.v. verkeersdeelnemers. De getoetste normen hebben betrekking op het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hogedruk aardgastransportleiding (parallel en ten noordoosten van de A2) Op geen enkele plek langs het beschreven tracé bestaat er een PR=10-6 contour. Daarmee wordt voldaan aan het Bevb. De belemmeringenstrook bevindt zich op ruime afstand van het plangebied en is daarmee niet relevant voor het plangebied. Het invloedsgebied van de aardgasleiding heeft geen overlap met het plangebied. Berekening en verantwoording van het groepsrisico is daardoor niet nodig. De hogedruk aardgasleiding legt geen beperkingen op aan het plangebied. Bedrijven die vallen onder het Bevi In de nabijheid bevinden zich twee bedrijven die van invloed zijn op het plangebied. Het gaat om een LPG tankstation aan de Proostwetering en een LNG tankstation aan de Heldinnenlaan. Bij een calamiteit kan het gas vrijkomen en ontbranden met het mogelijk ontploffen van een tankwagen tot gevolg. Het risico ontstaat vooral op de momenten dat de tankstations worden bevoorraad door tankauto's. LPG tankstation (Proostwetering) De PR 10-6 contour van het tankstation heeft geen overlap met het plangebied, toetsing is niet aan de orde. Het invloedsgebied heeft een beperkte overlap met het plangebied. De overlap bestaat uitsluitend uit de bestemming Groen waarin geen bebouwing mogelijk is gemaakt. Hieruit volgt dat het plangebied geen enkele bijdrage levert aan het groepsrisico van het tankstation.

Om die reden is afgezien van een nadere verantwoording van het groepsrisico. LNG tankstation (Heldinnenlaan) De PR 10-6 contour van het tankstation heeft geen overlap met het plangebied, toetsing is niet aan de orde. Het invloedsgebied heeft een ruime overlap met het plangebied, i.c. met de bestemming Recreatie. Bij de oprichting van het tankstation in 2015 is zeer uitgebreid aandacht besteed aan de verantwoording van het groepsrisico. Aangezien het recreatiestrand toen ook al is meegenomen in de overwegingen, en sindsdien geen andere planologische wijzigingen hebben plaatsgevonden, wordt voor dit station verwezen naar de omgevingsvergunning van 2015 (zie Bijlage 14). Op basis van de afwegingen in de vergunning van 29 juni 2015 wordt het risico voor het plangebied als acceptabel beschouwd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.

bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

51

5.8

Luchtkwaliteit

Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met stof, door met name verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. Betekenis voor het project De ontwikkeling van Leidsche Rijn als In Betekenende Mate (IBM) project nr. 1310 is opgenomen in het NSL. De ontwikkeling van Haarrijn (realisatie van woningen, overige voorzieningen en bedrijfsterrein) maakt deel uit van de totale ontwikkeling van Leidsche Rijn, zodat primair wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder d Wm. Een luchtkwaliteitsbeoordeling is in dit kader dan ook niet noodzakelijk. Een luchtkwaliteitsbeoordeling is echter toch onverplicht uitgevoerd door de gemeente Utrecht, teneinde de toekomstige luchtkwaliteit inzichtelijk te maken (zie voor de volledige onderbouwing Bijlage 15 Luchtbeoordeling Haarrijn).

Uit het uitgevoerde luchtonderzoek volgt dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer en daarmee aan artikel 5.16, lid 1, onder a Wet milieubeheer. 6.4 Conclusie Omdat het bestemmingsplan Haarrijn onderdeel is van het NSL en op basis van de uitgevoerde luchtberekeningen kan worden geconcludeerd dat in de toekomstige bestemmingsplansituatie aan het gestelde in artikel 5.16, lid 1, onder a en d Wm wordt voldaan. Gelet op het vorenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit de Wet milieubeheer om het bestemmingsplan Haarrijn vast te stellen.

5.9

Bodem

Kader 5.9.1

Bodemkwaliteit

Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht.

Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabij gelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plansituatie Op 22 augustus 2016 is een vooronderzoek (historisch onderzoek) uitgevoerd op het noordwestelijk 5 2 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

deel van het plangebied (zie Bijlage 16 Vooronderzoek Haarrijn Noord NEN 5725). Vanaf 2003 is begonnen met de zandwinning uit de Haarrijnseplas, en uit certificaten blijkt dat dit zand gemiddeld voldoet aan de achtergrondwaarde voor grond (Besluit bodemkwaliteit). Er zijn in het plangebied enkele sloten gedempt met gebiedseigen grond en er heeft vanaf 2008 opslag van grond plaatsgevonden. Vanaf 2014 vindt er geen grondverzet meer plaats. In het plangebied zijn enkele sloten aanwezig, die vóór 2003 zijn gedempt. Het is niet bekend met welk materiaal dit is gebeurd. Medio 2008 is de Maarssenseweg omgelegd, een deel van de oude weg is nog aanwezig. Het funderingsmateriaal onder het asfalt van deze weg is puinhoudend en verdacht op aanwezigheid van asbest. Langs de weg was en bermsloot aanwezig en er is een wetering aanwezig langs de voormalige Oudenaarskade. Ook zijn er reeds puincontouren van toekomstige wegen aanwezig. Ter plaatse van het werkterrein van een zandscheidingsinstallatie is in 2009 een nulsituatie-onderzoek uitgevoerd. Een eindsituatieonderzoek is niet uitgevoerd. In het algemeen zijn er geen tot hooguit matige verontreinigingen aanwezig in dit delen van het plangebied. In verband met de aanwezigheid van veen is de bodem ook verdacht op aantreffen van arseen.

In het zuidelijk deel zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd, waarbij licht tot matige verontreinigingen zijn aangetroffen. Er zijn verder geen bedrijfsmatige activiteiten of ondergrondse tanks bekend. Er vindt in de toekomst nog grondverzet plaats in het plangebied. Na het bouwrijp maken worden uitkeuringsonderzoeken verricht. In het gebied zijn geen (omvangrijke) grondwaterverontreinigingen bekend. Het plangebied ligt in de schone zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer. Dit betekent dat bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en voor de aanpak of verplaatsing van grondwaterverontreiniging de gevalsaanpak van de Wet bodembescherming geldt en dat er geen sprake is van een gebiedsgerichte aanpak. De zuidpunt van het plangebied bevindt zich in de boringsvrije zone van drinkwaterwingebied Leidsche Rijn. Er mogen hier geen boringen worden verricht of WKO systemen worden aangelegd door de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket. Er is geen sprake van archeologische verwachting in het plangebied. Het plangebied is gevoelig voor zetting. Vooral in lage delen van het plangebied (bijvoorbeeld zuidelijke strandzone) zal rekening gehouden moeten worden met ophoging om wateroverlast te voorkomen.

De ondergrond biedt kansen voor de duurzame energie (bodemenergie, oppervlaktewater), waterberging (klimaatadaptatie), ruimte voor groen (boomwortels) en regie op ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen, riolering, funderingen, bodemenergiesystemen). Bij plannen voor benutting van de ondergrond wordt geadviseerd te bepalen in hoeverre ondergronds gebruik van invloed kan zijn op ander gebruik van de ondergrond. Zo heeft een gezonde bodem voor groen een andere kwaliteit dan de stevige grond onder wegen of het zandbed voor kabels en leidingen. En de leidingen van individuele, gesloten bodemenergiesystemen nemen meer ruimte in dan leidingen van collectieve, open bodemenergiesystemen. Door ondergrondse ruimteclaims inzichtelijk te maken in een 2D én 3D planontwerp, waarbij ook aandacht is voor de koppeling met de bovengrond, en deze claims vervolgens te ordenen en rangschikken zijn er meer mogelijkheden voor meervoudig ondergronds gebruik. En kunnen beperkingen of belemmeringen in het gewenste gebruik van de ondergrond meer voorkomen worden. Op basis van de Nota bodembeheer 2017-2027 moet bij grondverzet rekening gehouden worden met de toepassingseis landbouw/natuur (zowel generiek als gebiedsspecifiek). Conclusie Op dit moment zijn er ten aanzien van de bodemkwaliteit geen belemmeringen aanwezig. Er is bodemonderzoek nodig op verdachte locaties.

Voor het vastleggen van de bodemkwaliteit worden na het bouwrijp maken en grondverzet uitkeuringsonderzoeken verricht. Bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning kunnen deze uitkeuringsonderzoeken gebruikt worden. Met in achtneming van deze voorwaarden voor onderzoek en indien nodig voor sanering vormt de bodem geen belemmering voor het plan.

5.10 Natuurbescherming Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

53

natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.

of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (art. 7.2a Wm). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m.

EHS) en Groene Contour In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (artikelen 4.11 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Daarnaast moet er worden voldaan aan de Verordening Natuur en Landschap Provincie Utrecht 2017 (m.n. landschapselementen, art. 5.1.4 VNL). Plansituatie Beschermde dier- en plantensoorten In opdracht van de Gemeente Utrecht heeft Ecoresult B.V. ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksgebied is gelegen aan de wijk Haarrijn, gelegen tussen de A2 in het noorden en de Haarrijnse plassen in het zuiden. Aanleiding zijn functieveranderingen binnen het gebied ter plaatse van de Tijdelijke Natuur in het Noordwestelijke gebied en de plaatsing van zonnecellen op de Haarrijnseplas. Om tot uitvoering te kunnen overgaan wordt in een bestemmingsplan vastgelegd wat de plannen zijn. In het kader van dit bestemmingsplan is in het hele gebied ecologisch onderzoek uitgevoerd. (zie Bijlage 17 Quickscan Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening en Bijlage 19 Ecologisch onderzoek plaatsing eiland met zonnepanelen irt Natuurwaarden). Hierbij zijn zwaarder beschermde soorten vastgesteld: 64 soorten broedvogels, 5 soorten vleermuizen, rugstreeppad, bever en voormalig beschermde soort rietorchis.

Ondanks onderzoek zijn de volgende zwaarder beschermde soorten niet vastgesteld: waterspitsmuis, ringslang, kamsalamander, heikikker. Daarnaast zijn onder de Utrechtse soortenlijst beschermde dieren aanwezig. Voor deze soorten worden meerdere maatregelen genomen in de plannen van Haarrijn. Het betreft de gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander, huisspitsmuis, bosspitsmuis, dwergspitsmuis, veldmuis, bosmuis, dwergmuis, rosse woelmuis, vos, ree, haas, konijn en wezel. Tot slot zijn tal van onbeschermde soorten aanwezig. Voor de geplande werkzaamheden kan gewerkt worden onder de Ontheffing Tijdelijke Natuur en het ecologisch werkprotocol. Aanvullende ontheffing is niet nodig. Voor de geplande werkzaamheden en toekomstige situatie zijn maatregelen van toepassing om effecten op beschermde soorten te voorkomen of te minimaliseren. Natura 2000 Het plangebied ligt in de nabijheid van de volgende Natura 2000 gebieden: • Oostelijke Vechtplassen (circa 5 km noordoostelijk); • Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (circa 11 km noordwestelijk); • Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (circa 17 km zuidwestelijk); 5 4 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

• Uiterwaarden Lek (circa 14 km zuidelijk). Woningbouw en gemengde voorzieningen Uit onderzoek (zie Bijlage 20 Aeriusberekening Haarrijn) waarbij in de gebruiksfase is beoordeeld, blijkt dat de activiteit leidt tot een toename van stikstof op het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied de Oostelijke Vechtplassen onder de 0,00 mol/ha/j blijft. Uit de berekeningen voor de bouwfase/aanlegfase (die vijf jaar zal duren) blijkt dat er een stikstofdepositie zal plaatsvinden van 0,02 mol N/ha/jaar gedurende 5 jaar. Het project voldoet aan de vuistregel van de provincie Utrecht (het bevoegd gezag over de Wet natuurbescherming) dat de tijdelijke effecten ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar, gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan [bijv. 5 jaar 0,02 mol/ha/jr. mag zijn. Dit kan worden beschreven in de voortoets. Daarnaast zijn in de gewijzigde Wet natuurbescherming en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering de stikstofdepositie in de bouw en aanlegfase vrijgesteld. Zekerheidshalve is voor het project Haarrijn een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming aangevraagd (kenmerk 81462984). Op 17 maart 2022 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht de positieve weigering afgegeven (zie Bijlage 22 Positieve weigering Wnb stikstof).

Daarbij is rekening gehouden met het gegeven dat op 13 januari 2022 de Regeling natuurbescherming is gepubliceerd waarbij een nieuwe Aerius-versie verplicht is gesteld. De consequentie hiervan is dat de lopende aanvraag (waarvoor nog geen definitieve beschikking is verleend), opnieuw is doorgerekend (zie Bijlage 23 Bijlage postieve weigering Wnb Aerius). Op basis van hiervan is de conclusie dat het aspect stikstof geen belemmering kan zijn voor de woningbouwontwikkeling van Haarrijn. Energie-eilanden Uit onderzoek (zie Bijlage 21 Aeriusberekening drijvend zonnepark) waarbij ook de bouw- en gebruiksfase is beoordeeld volgt dat: tijdens de gebruiksfase geen installaties of activiteiten planologisch mogelijk worden gemaakt die stikstof uitstoten; het verkeer van en naar het drijvende zonnepark verwaarloosbaar is; de aanleg van het zonnepark niet tot een toename van stikstofdepositie, hoger dan 0,00 mol/ha/j, op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Oostelijke Vechtplassen, leidt. Groen natuur en bomen Haarrijn wordt een woonwijk met veel natuur in de openbare ruimte, hagen rond de tuinen en woningen die onderdak bieden aan vleermuizen, gierzwaluwen en meer. Het ligt aan een plas met natuurbestemming en naast het landgoed Haarzuilens dat in bezit is van Natuurmonumenten.

In het stedenbouwkundig plan wordt nu geheel in lijn met het natuurrijke wijkconcept, zoveel mogelijk opslag als boom opgenomen in het ontwerp. Daarnaast worden straks in het openbaar groen andersoortige nieuwe bomen aangeplant voor een verhoging van de diversiteit. Verder gaan we op zoek naar innovatieve manieren van gronduitgifte met behoud van zoveel mogelijk bomen (we leveren de bouwgrond dus niet helemaal 'schoon van bomen' op). Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. De ontwikkeling biedt kansen voor natuurinclusief bouwen.

5.11 Water Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. Belangrijkste conclusies uit waterparagraaf t.a.v. uitwerken hoeveelheid oppervlaktewater. De voorgenomen ontwikkeling zal een negatief effect hebben op de waterhuishouding. Het plangebied is nu onverhard en zal in de toekomst deels verhard gaan worden. De toename van verhard oppervlak moet met 45 mm berging gecompenseerd worden. De toename van verhard oppervlak betreft 88.147 m2. Bij de bergingsopgave van 12 mm geldt een bergingsopgave van 1058 m3 voor het plangebied. In het plan moet 12 mm berging per vierkante meter verhard oppervlak worden gecreëerd. In de Haarrijnse plas is al 33 mm berging aanwezig. Deze berging van 12 mm wordt gerealiseerd door aanleg van nieuw oppervlaktewater. De wadi's zijn een extra voorziening en niet nodig voor waterberging, maar wel om het water te infiltreren op de locatie waar het gevallen is. De hoeveelheid waterbergingscapaciteit van de wadi's binnen het plangebied is beschreven in de actualisatie watertoets Haarrijn.

In andere delen van het plangebied wordt schoon hemelwater lokaal geïnfiltreerd in de grond en op bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

55

het oppervlaktewater afgewaterd. De beplantingsstroken vangen hemelwater van wegen en daken op, en houden het bij zware buien lokaal even vast. Regenwater wordt zo vertraagd en gezuiverd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op andere plekken stroomt het direct naar het oppervlaktewater. Belangrijkste conclusies uit actualisatie watertoets Haarrijn. In deze notitie is ingegaan op de voorziene waterberging van wadi's en de hoeveelheid benodigde waterberging om inzicht te krijgen in het effect op de voorziene waterberging. Voor de afwatering, watert het noordelijk gedeelte ondergronds af via het hemelwaterafvoer stelsel (HWA) naar wadi's. Het zuidelijk gedeelte watert oppervlakkig af op wadi's, waar het water kan infiltreren. De drijvende woningen lozen het hemelwater rechtstreeks op het oppervlaktewater net als woningen die rechtstreeks aan watergangen liggen. Het stedenbouwkundig plan is opgedeeld in bergingsgebieden. Per bergingsgebied is bekeken hoeveel verhard oppervlak er aanwezig is en hoeveel waterbergingscapaciteit hiervoor in wadi's aanwezig is en zou moeten zijn binnen het plan. De conclusie uit deze berekening is dat de benodigde bergingscapaciteit binnen het totale plangebied 4387 m3 is en dat de beschikbare bergingscapaciteit is 4404 m3 is om de toename verhard oppervlak te kunnen bergen.

Er is dus voldoende waterbergingscapaciteit binnen alle bergingsgebieden in het totale plangebied. Enkele losse bergingsgebieden hebben een grotere verhardingstoename, dan bergingscapaciteit. In het advies worden een aantal oplossingsrichtingen beschreven, die in een later planstadium nader uitgewerkt moeten worden. De resultaten van de watertoets worden weergegeven in Bijlage 25 Waterparagraaf Haarrijn is de waterparagraaf opgenomen. Deze waterparagraaf is gebaseerd op de Notitie actualisatie watertoets Haarrijn (zie Bijlage 24 Notitie actualisatie watertoets Haarrijn) en het is opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). 5.11.1 Verslaglegging van gevoerd overleg gemeente - waterbeheerder Bij het opstellen van het advies ‘toetst’ het waterschap of het plan aan de criteria voor de waterhuis-houding voldoet. Als algemeen criterium voor ruimtelijke plannen geldt dat minimaal het stand-still moet worden gehanteerd, hetgeen inhoudt dat de waterhuishouding niet mag verslechteren. Het waterschap heeft opmerkingen gemaakt op de waterparagraaf. Deze opmerkingen zijn verwerkt (zie paragraaf 6.2.1 van deze toelichting). 5.11.2 Boringsvrije zone De contouren van boringsvrije zone Leidsche Rijn vallen net binnen het plangebied. De boringsvrije zone is een zone rondom de grondwaterwinning Leidsche Rijn.

Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Utrecht. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse kleilaag de onderliggende waterwinning.

5 6 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

Afbeelding 10: Boringsvrije Zone Provinciale Milieu Verordening

bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

57

Afbeelding 11: Grondwaterbeschermingszone (ontwerp) Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Om te voorkomen dat een kleilaag die de onderliggende waterwinning beschermt, wordt doorboord en ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening stelt de provincie Utrecht in haar Provinciale Milieu Verordening 2013 (PMV) in art 19 t/m 22 dat een aantal activiteiten aan voorschriften is gebonden. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 40 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Daarnaast geldt voor iedereen de bijzondere zorgplicht (artikel 4 van de PMV 2013). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. In de ontwerp Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht (artikel 3.40) is een vergelijkbare regeling opgenomen. De contouren van de boringsvrijzone overlappen het plangebied slechts voor een gering deel. Op deze locatie gelden de bestemmingen Recreatie en Groen. Hoewel ingrijpende ontwikkelingen op deze locatie niet plaats zullen vinden, is in artikel 20.1 een regeling opgenomen om de kleilaag te beschermen.

Conclusie Het aspect Water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5 8 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

5.12 Archeologie Kader Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.

Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

59

monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. Plansituatie Het plangebied Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas bevindt zich op de gemeentelijke archeologische waardenkaart in een gebied waar geen sprake is van archeologische verwachtingen.

Afbeelding 12: Archeologische waardenkaart

Afbeelding 13: Legenda Archeologische waardenkaart 6 0 bestemmingsplan "Woningbouw Haarrijn en Haarrijnseplas" (vastgesteld)

Utrecht

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen dient hiervan, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding te worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. archeologen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, 030-2860023, 030-2860016, 030-2860011 of 030-2862765 en via archeologie@utrecht.nl. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering.

5.13 Kabels en leidingen Kader Voor de nieuw aan te leggen bebouwing en openbare ruimte wordt uitgegaan van een "all electric" wijk (geen stadswarmte). Dat betekent dat er geen gasleiding wordt aangelegd, dus ook geen tracé voor een gasleiding. Bij de uitgifte van de grondgebonden woningen wordt uitgegaan van duurzame technieken zoals gesloten bodembronnen (op eigen kavel) in combinatie met brine/water warmtepompen of lucht-water warmtepompen. Naar verwachting krijgen de meeste woningen zonnepanelen om de ambitie NOM (Nul op de meter) te behalen. Hierdoor zullen naar verwachting de aansluiting per wooneenheid minimaal 3x25 A (6 kW) en in sommige gevallen worden verzwaard naar 3x35 A. Bij de gestapelde bouw wordt de "all electric" warmte/ koude voorziening naar verwachting centraal geregeld in een technische ruimte met gezamenlijke bodembronnen. De aansluiting zal dan zwaarder worden uitgevoerd. In de wijk wordt zowel energie verbruikt als lokaal duurzaam opgewekt, hierom is het wenselijk om een robuust elektriciteitsnet aan te leggen. Hiervoor is in het voortraject overlegd met Stedin hoe om te gaan met de all electric wijk. Hieruit is naar voren gekomen dat er meer 10 KV trafo's worden aangelegd dan gebruikelijk. Voor de opwekking van duurzame energie in de openbare ruimte (bijv. een zonnebassin) wordt een separate netaansluiting aangevraagd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=2804d7a7-6837-42de-b145-62bb710c2225