CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Passiebloemweg, Vleuterweide_vastgesteld_1 inclusief verwerking amendement 102.pdf

Gemeenteraad 16 september 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Passiebloemweg, Vleuterweide32.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen. In de RES staat hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt. Ook staat er in de RES welke duurzame warmtebronnen te gebruiken zijn zodat buurten van het aardgas af kunnen. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd. De landelijke wet- en regelgeving wordt hiervoor de komende tijd aangepast. Plangebied Alle partijen moeten een relevante bijlage leveren om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Voor bouwprojecten betekent dit energieneutraal of beter te bouwen. Gebruik van aardgas wordt niet 2 4 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

toegestaan. In hoofdstuk 5 wordt het aspect energie uitgebreider besproken. 2.3.2.3 Bouwenvelop Op 26 januari 2021 heeft het college de bouwenvelop Schoollocatie Passiebloemweg vastgesteld. De bouwenvelop beschrijft onder andere de uitgangspunten van de ontwikkeling, het beleidskader en de haalbaarheid van het plan en vormt de basis voor het bestemmingsplan.

2.4

Conclusie

Voor het plangebied kan de conclusie worden getrokken dat de ontwikkeling past binnen de beschreven beleidskaders.

bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

25

2 6 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 3 3.1

Bestaande situatie

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de huidige situatie in het plangebied en analyseert de wijk/gebied in ruimtelijk en functioneel opzicht.

Luchtf oto van plangebied en omgeving

3.2

Beschrijving van het plangebied

3.2.1

Historische ontwikkeling

Het plangebied ligt in Vleuterweide. Vleuterweide is als onderdeel van de Vinex-locatie Leidsche Rijn grotendeels in de periode van 2005 tot en met 2012 gerealiseerd. Het gebied van de wijk Vleuterweide was voorheen de polder Vleuterweide met in hoofdzaak een agrarisch gebruik. De structuur van het landschap en de bodemgesteldheid van heel Vleuterweide wordt bepaald door de oude loop van de rivier de Oude Rijn. Deze rivier heeft in het verleden zijn bedding herhaaldelijk verlegd. Daarbij is een min of meer vervlochten stelsel van stroomruggen en komgronden ontstaan. Op de hoger gelegen stroomruggen liggen, als gevolg van afzettingen van grovere delen (zand met enige leen), zavelgronden. De kernen Vleuten en De Meern zijn beide gelegen op een dergelijke stroomrug. In lagere delen verder weg van de rivier zijn de komgronden ontstaan. De komgronden bestaan uit zware klei, klei of klei op veen. Ze liggen lager dan de stroomruggronden, zijn natter en herkenbaar aan de naam 'weide', bijvoorbeeld Vleuterweide. De komgronden waren open gebieden, zonder bebouwing. De overgang van stroomrug naar komgronden was niet abrupt, maar geleidelijk. De bodem in het gebied dat nu de wijk Vleuterweide is kent daardoor gradiënten van meer zandig naar meer kleiig en van droger naar natter.

De stroomruggen en komgronden zijn in de ruimtelijke structuur van het huidige (verstedelijkte)landschap nog steeds duidelijk herkenbaar. Door de ligging van de stroomruggen, wegen en weteringen kent het gebied een opvallende oost-westoriëntatie. De Leidsche Rijn is een door een stroomrug heen gegraven waterloop. Vandaar dat aan beide zijden van de Leidsche Rijn de hoger gelegen stroomruggronden te vinden zijn. De Leidsche Rijn vormde de eerste ontginningswetering ten zuiden van de Oude Rijn. Vanaf de Leidsche Rijn werden eerst de gronden ten noorden (Vleuterweide) en later die ten zuiden van de Leidsche Rijn ontgonnen. Vleuterweide kende als polder een regelmatige, langgerekte verkaveling. Die verkaveling begon bij de Leidsche Rijn en liep, onder een hoek van circa 75 graden, door tot de spoorlijn en de Europaweg. De verkaveling is daarom noord-zuid. De Middelwetering speelde een belangrijke rol bij bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

27

de ontwatering van de polder en lag in het lagere, natte deel van de polder. Het grootste deel van de gronden in de polder Vleuterweide was in gebruik als grasland. In het gebied waren ook boomgaarden gelegen. De bebouwing bevond zich aan de noordzijde van de polder aan de Dorpeldijk en als lintbebouwing aan de zuidzijde langs de Leidsche Rijn. Het plangebied van dit bestemmingsplan bevond zich voor de ontwikkeling van de wijk Vleuterweide in het midden van de polder.

1990

2020

Ligging plangebied voor en na de ontwikkeling van dit deel van Vleuterweide 3.2.2

Monumenten, beeldbepalende elementen en cultuurhistorie

In het plangebied zijn geen elementen aanwezig die stammen uit de tijd van vóór de ontwikkeling van Leidsche Rijn. 3.2.3

Structuurbepalende elementen

De wijk Vleuterweide is ontworpen in de polder Vleuterweide. De drie in het landschap zichtbare ontginningseenheden: de stroomrug met Vleuten aan de Vleutense Wetering, de stroomrug met De Meern aan de Leidsche Rijn en de kom met de Middelwetering, vormden het uitgangspunt voor het ontwerp van Vleuterweide. Het centrum van Vleuterweide wordt opgevat als een nieuwe occupatiekern met een eigen identiteit in het lage gebied. Op de stroomruggen wordt aangesloten op de identiteiten van Vleuten en van De Meern. Zodoende zijn er vier gebieden te onderscheiden. Het eerste gebied is het centrumgebied, op een uitgelezen plek in het landschap: de overgang van de stroomrug naar de kom en aan het begin van de Middelwetering. Het tweede gebied is het woongebied op Stroomruggronden van de Vleutense Wetering. Dit gebied sluit aan op Vleuten. Het derde gebied is het komgebied ten westen van het centrumgebied. Dit gebied heeft net als het centrumgebied een eigen identiteit: met veel en brede watergangen in de richting van de oorspronkelijke poldersloten. Het vierde gebied ligt aan de zuidzijde van het komgebied. Dit is het woongebied op de stroomrug van de Leidsche Rijn dat aansluit op De Meern. Het plangebied ligt aan de noordzijde van dit zuidelijke deelgebied.

2 8 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

De vier gebieden (bron: Masterplan Vleuterweide) Voor de opbouw van het plan is gebruik gemaakt van de aanwezige natuurlijke en cultuurlijke elementen die de landschapsstructuur bepalen. Eén daarvan is de overgang tussen de hogere delen en de lagere delen die in de wijk zichtbaar zijn gemaakt als zones met een andere inrichting en (bebouwings)structuur. Aan de zuidzijde heeft dit de vorm gekregen van een 'Balkon' dat als een vloeiende lijn om de ontsluitingsweg, de Landschapsbaan, heen slingert. Aan de oostzijde, ter hoogte van het plangebied is het vormgegeven als een grondlichaam waardoor aan de ontsluitingsweg de hoogte wordt gemarkeerd, aan de westzijde ligt juist de bebouwing hoger en markeert de groenzone juist de laagte. In de oorspronkelijk stedenbouwkundige opzet was het Balkon als een onbebouwde zone bedacht. Later zijn woningen toegevoegd die zich manifesteren als compacte clusters in een doorgaande groene omgeving. Door de clusters uit te graven in het grondlichaam bleef het hoogteverschil ervaarbaar en de groene rand continu. De woningen werden aan de noordzijde ontsloten door middel van een eenvoudige smalle weg die langs het water loopt. In het groen liggen twee ruim opgezette speelplekken die min of meer organisch in de ruimte geplaatst zijn. De bomen volgen dit organische model. Aan de oostzijde van de Passiebloemweg bevinden zich drie woonclusters.

Aan de westzijde zijn achter een groene wal drie (tijdelijke) schoolgebouwen gesitueerd. Ondanks deze veranderingen ten opzichte van het oorspronkelijke plan levert de groene rand van het 'Balkon' een belangrijke bijdrage aan het leesbaar maken van de onderliggende landschappelijke structuur. De bomenstructuur benadrukt de groene randen van het plangebied: zij benadrukken het gekromde verloop van de watergang en de lange lijnen van de fietsroute (Passiebloemweg) en de Landschapsbaan. De ruimte tussen de gebouwen/plein en grondwal maakt onderdeel uit van de groene inrichting van het Balkon. bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

29

Het Balkon met aan de westzijde de scholenlocatie en aan de oostzijde de woningen

3.3

Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied

Op het meest westelijk deel van het Balkon, waar eerder twee woonclusters bedacht waren, zijn uiteindelijk drie tijdelijke schoolgebouwen geplaatst plus een parkeerterrein. Deze gebouwen staan min of meer in een groot cluster rond een gedeelde buitenruimte gegroepeerd. Twee van de drie gebouwen volgen de richting van het onderliggende slagenlandschap en bestaan uit twee lagen. Beide schoolgebouwen bieden elk ruimte aan 12 klaslokalen. Eén gebouw volgt de richting van het water (grens rivierkom en stroomrug) en bestaat uit één laag met 7 klaslokalen. Aan de Passiebloemweg is een parkeerterrein gekomen met een inrit aan de Passiebloemweg en een uitrit direct op de Landschapsbaan. Tussen het gebouwencluster en de Landschapsbaan ligt een grondwal als restant van het oorspronkelijke concept van het Balkon, die ter plekke van het parkeerterrein is ingekort waardoor het beeld minder sterk is. De grens tussen schoolterrein en openbaar gebied wordt vormgegeven door middel van een halfhoog donker hekwerk. Binnen dit hekwerk liggen aan de kant van het fietspad twee fietsparkeerterreinen.

3.4

Conclusie

Op dit moment staan op de locatie drie tijdelijke schoolgebouwen. Deze tijdelijke gebouwen worden gesloopt en vervangen door twee nieuwbouw scholen.

3 0 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 4.1

Projectbeschrijving

4.1.1

Programma

Planbeschrijving

Met dit plan worden twee scholen mogelijk gemaakt. De westelijke school mag maximaal 12 meter hoog worden (3 bouwlagen) en de oostelijke school deels 12 meter en deels 8 meter hoog. Het westelijk gelegen bouwvlak heeft een oppervlakte van 1.313 m2 en het oostelijk gelegen bouwvlak een oppervlakte van 1.201 m2.

Impre ssie van de nieuwbouw scholen 4.1.2

Stedenbouwkundig plan

Op de locatie komen twee schoolgebouwen, met bijbehorende pleinruimte, fietsparkeren en autoparkeren (voor leerkrachten en het halen en brengen van kinderen). Het programma is ingepast in het stedenbouwkundig concept van het Balkon, waarbij het programma wordt omringd door een continue groene wal. Beide scholen worden op afstand van de Landschapslaan gesitueerd. Daarnaast liggen de scholen uit elkaar. Zo zijn zij goed als zelfstandige scholen herkenbaar en zichtbaar gelegen aan de omliggende wegen Landschapsbaan, Passiebloemweg en Rivierkom. Beide gebouwen zijn bouwmassa's van maximaal 12 meter en 3 bouwlagen hoog, waarbij er sprake is van een hoogte accent of architectonisch accent aan de zijde van de Landschapsbaan, wat bijdraagt aan de herkenbaarheid en zichtbaarheid van beide scholen. De scholen zijn qua bouwmassa familie van elkaar, met platte daken en een strakke opzet en hebben een alzijdige oriëntatie en vriendelijke uitstraling zowel aan de zijde van het plein als aan de zijde van de singel. De bebouwing is afwijkend van de bebouwing in omliggende woongebieden om het bijzondere karakter van bouwen op het Balkon te benadrukken. In het middengebied liggen de schoolpleinen van beide scholen en de parkeervoorziening. Beide scholen hebben hun entree aan dit middengebied, goed bereikbaar vanaf zowel het parkeerterrein als de hoofd langzaamverkeersroute.

De scholen hebben via het plein en de inrichting daarvan een relatie met de groene wal die de locatie aan de Landschapsbaan zijde omsluit. Dit kan letterlijk zijn doordat het plein deels op de wal ligt of door een groene inrichting van het plein, aansluitend aan de wal. Rondom het cluster van scholen, pleinen en parkeren is ruimte voor groen. bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

31

4.2

Verkeer en openbare ruimte

4.2.1

Verkeer

Kader Het is van belang dat de bestaande wegen de extra verkeersgeneratie die de nieuwe ontwikkeling met zich meebrengt zonder problemen kunnen afwikkelen. Plangebied Op basis van de CROW-rekentool is voor de locatie Passiebloemweg theoretisch de huidige en toekomstige verkeersgeneratie bij nieuwbouw berekend. In maart 2020 genereerden de (les)lokalen op de locatie Passiebloemweg van peutercentrum Speelleertuin, De Twaalfruiter en OBS Vleuterweide samen circa 520 motorvoertuigen per etmaal (260 motorvoertuigen (mvt) in en 260 mvt uit) aan verkeersbewegingen. In de nieuwe situatie (hiervoor is gerekend met de leerlingenaantallen van 1 oktober 2022) genereren Jenaplanschool Zonnewereld en OBS Vleuterweide samen op deze locatie circa 562 motorvoertuigen per etmaal aan verkeersbewegingen. Een toename van 46 mvt/etmaal kan goed opgevangen worden op de Landschapsbaan en aansluitende wegen. Verkeersgeneratie, kortparkeren Zie hieronder de tabel van de verkeersgeneratie voor kortparkeren. Dit zullen voornamelijk ouders zijn. Die geven per dag dan 4 (2x heen en terug) verkeersbewegingen.

Aantal leerlingen per 1 oktober 2022 De Zonnewereld groep 1 t/m 3: 184 x 30% (laagste % leerlingen met de auto) x 4 OBS Vleuterweide groep 1 t/m 3: 183 x 30% (laagste % leerlingen met de auto) x 4 Totaal groep 1 t/m 3 De Zonnewereld groep 4 t/m 8: 275 x 5% (laagste % leerlingen met de auto) x 4 OBS Vleuterweide groep 4 t/m 8: 158 x 5% (laagste % leerlingen met de auto) x 4 Totaal groep 4 t/m 8 Totaal verkeersgeneratie van ouders van beide scholen groep 1 t/m 8 (afgerond) Tabel verkeersgeneratie kortparkeren

Verkeersgeneratie 221 motorvoertuigen per etmaal 220 motorvoertuigen per etmaal 441 motorvoertuigen per etmaal 55 motorvoertuigen per etmaal 32 motorvoertuigen per etmaal 87 motorvoertuigen per etmaal 528 motorvoertuigen per etmaal

Verkeersgeneratie, langparkeren Wanneer er wordt gerekend met de minimale parkeernorm is de parkeernorm voor langparkeren voor beide scholen 17 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden voornamelijk gebruikt door leraren en overige medewerkers. Voor deze groep is de verkeersgeneratie dan 2x de parkeernorm (17 x 2 = 34 motorvoertuigen). De totale verkeersgeneratie (kortparkeren en langparkeren) van beide scholen groep 1 t/m 8 (afgerond) is 34 + 528 = 562 motorvoertuigen per etmaal. Ontsluiting De huidige schoollocatie wordt voor fietsers en voetgangers ontsloten via een route parallel aan de Middelwetering. Zowel de fietsers als de voetgangers hebben een vrijliggend fiets- of voetpad. Dit verandert niet in de nieuwe situatie. Daarnaast ligt er nog een fiets- en voetpad langs de Passiebloemweg naar de Landschapsbaan. Doordat de huidige inrit naar het parkeerterrein ter hoogte van de Passiebloemweg verdwijnt, hoeven de auto's niet meer het fiets- en voetpad evenwijdig aan de Passiebloemweg over te steken. Er komt een nieuwe in- en uitrit vanuit de Landschapsbaan. Vanuit verkeerskundig oogpunt is het gewenst om de in- en uitgang van de parkeerplaats op de Landschapsbaan te situeren. Hierdoor worden conflicten tussen gemotoriseerden langzaam verkeer en opstoppingen op de Passiebloemweg voorkomen.

In de huidige situatie is al sprake van een uitrit van het parkeerterrein op de Landschapsbaan. Het combineren met een inrit vanaf de Landschapsbaan gaat niet of slechts beperkt ten koste van de doorstroming op de Landschapsbaan, uitgaande van het principe 'rechtsaf in / rechtsaf uit'. Immers het rechtsafslaande verkeer vanaf de Landschapsbaan kan vrij inrijden zonder conflicten met overige verkeersstromen of -deelnemers. In de ochtendspits voegt het uitgaand verkeer rechtsaf in op de minst drukke rijrichting op de Landschapsbaan. In de middagperiode gaan de scholen uit vóór de avondspits en is sprake van een minder druk verkeersbeeld op de Landschapsbaan. Autoverkeer op de Landschapsbaan komend vanaf de rotonde Rivierkom moet bij een volledige ontsluiting via de Landschapsbaan een u-beweging maken op het kruispunt met de Passiebloemweg 3 2 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

om het parkeerterrein van de scholencluster te bereiken. Hierdoor wordt op dit kruispunt de fiets-/voetgangersoversteek over de Landschapsbaan twee keer gekruist door dit verkeer en is het ook geen logische verkeersbeweging voor het overige verkeer op dit kruispunt. Daarom is het gewenst om ten westen van het kruispunt met de Passiebloemweg een doorsteek in de middenberm van de Landschapsbaan te maken voor autoverkeer uit westelijke richting naar het parkeerterrein van de scholencluster (zie hiervoor ook bijlage 2).

Voors tel ontsluiting scholen Passiebloemweg (Bron: rapport SWECO van 18 maart 2020) Conclusie Vanuit verkeersoogpunt bestaan er voor de ontwikkeling geen belemmeringen. 4.2.2

Openbare ruimte en groen

Aan de noordzijde loopt het plangebied tot aan de Middelwetering. De Middelwetering wordt begeleid door een bomenrij met daarnaast een vrij liggend voetpad en een vrij liggend fietspad. Het voetpad en het fietspad worden van elkaar gescheiden door een grasberm. Deze situatie blijft zo behouden. Aan de oostzijde loopt het plangebied tot aan de Passiebloemweg. Aan de zuidzijde loopt het plangebied tot aan de Landschapsbaan en aan de westzijde tot aan de Rivierkom. Het groen van het grondlichaam dat samen met het groen aan de oostzijde van de Passiebloemweg het Balkon vormt, is een belangrijk landschappelijk element dat behouden wordt en deels versterkt. Het parkeerterrein wordt vanaf de Landschapsbaan ontsloten door een opening in de wal, die zo smal mogelijk gehouden wordt. Aan de zijde van de Passiebloemweg wordt de wal zo ver mogelijk tot aan het fietspad doorgezet en liever nog de hoek omgezet. De binnenkant van de wal loopt door tot op of over het plein. Het groen in de directe omgeving van het plangebied bestaat uit stadsbomen als onderdeel van de verschillende hoofd (fiets-) routes. Met de inrichting van de openbare omgeving wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het groene karakter van de omgeving.

bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

33

Het plangebied inclusief de openbare ruimte 4.2.3

Parkeren

Kader Elke bouwontwikkeling kent een bepaalde parkeerbehoefte die berekend moet worden. Daarbij is de Nota Stallen en Parkeren, vastgesteld op 22 maart 2013 door de gemeenteraad, inclusief het addendum Nota parkeernota fiets en auto dat door de gemeenteraad op 28 maart 2019 is vastgesteld leidend. In de nota staan normen om het aantal auto- en fietsparkeerplaatsen te bepalen per gebruiksfunctie in een bepaalde zone. De locatie ligt in zone C1 (suburbaan). Binnen dit gebied gelden voor de functie basisonderwijs de volgende parkeernormen voor auto's: minimale parkeernorm: 0,5 parkeerplek per leslokaal; maximale parkeernorm: 1,0 parkeerplek per leslokaal. Het aandeel van bezoek is 0%, exclusief Kiss & Ride. Voor fietsparkeren geldt op basis van de Nota Stallen en Parkeren voor basisschool medewerkers een fietsparkeernorm van 0,6 per 10 leerlingen. Voor bezoekers van de basisschool geldt een fietsparkeernorm van 6,5 fietsparkeerplekken per 10 leerlingen. De gemeente Utrecht hanteert een beleid om het lopen en gebruik van de fiets te stimuleren en de automobiliteit terug te dringen. Eén van de instrumenten hiervoor is het hanteren van minimale parkeernormen. In lijn met het gemeentelijk beleid past voor het lang parkeren het hanteren van de minimale parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen per leslokaal.

Hierbij wordt opgemerkt dat op basis van de parkeertellingen op de huidige schoollocatie Passiebloemweg de parkeernorm voor langparkeerders (schoolpersoneel) dichterbij de maximumnorm van 1,0 parkeerplaats per leslokaal ligt dan bij de minimumnorm van 0,5 parkeerplaats per leslokaal. Met behulp van de CROW-publicatie 182 is voor beide scholen de parkeerbehoefte van het kort parkeren berekend. Plangebied Autoparkeren, lang parkeren De Nota Stallen en Parkeren gaat voor het langparkeren uit van een parkeernorm per leslokaal. Uitgangspunt van het berekenen van het langparkeren is de prognose van het leerlingenaantal van wanneer de nieuwbouwscholen open gaan (dit is waarschijnlijk 2022/2023). Op basis hiervan heeft OBS Vleuterweide recht op 14 groepen/leslokalen en Jenaplanschool De Zonnewereld recht op 19 groepen/leslokalen. Wanneer er wordt gerekend met de minimale parkeernorm is de parkeernorm voor langparkeren voor beide scholen 17 parkeerplaatsen. Aantal leslokalen De Zonnewereld: 19 OBS Vleuterweide: 14 Totaal (afgerond): Overzicht langparkeren

Parkeernorm 9,5 7 17

Autoparkeren, kort parkeren De theoretische parkeerbehoefte (zie ook bijlage 1) van de beide scholen voor het kort parkeren (brengen/ halen kinderen) is berekend met behulp van de methodiek van CROW-publicatie 182 op 3 4 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

basis van de prognoses van de leerlingaantallen in het uitgangsjaar 2022. Omdat bij basisscholen ouders/verzorgers de kinderen meestal naar binnen brengen, wordt er geen Kiss & Ride strook gemaakt, maar worden dit parkeerplaatsen voor kort parkeren. Aantal leerlingen per 1 oktober 2022 Parkeerboefte CROW-publicatie 182 De Zonnewereld groep 1 t/m 3: 184 x 30% 20,70 (laagste % leerlingen met de auto) x 0,5 x 0,75 OBS Vleuterweide groep 1 t/m 3: 183 x 30% 20,59 (laagste % leerlingen met de auto) x 0,5 x 0,75 Totaal groep 1 t/m 3 41,29 De Zonnewereld groep 4 t/m 8: 275 x 5% 2,92 (laagste % leerlingen met de auto) x 0,25 x 0,85 OBS Vleuterweide groep 4 t/m 8: 158 x 5% 1,67 (laagste % leerlingen met de auto) x 0,25 x 0,85 Totaal groep 4 t/m 8 4,59 Totaal kort parkeren beide scholen groep 1 t/m 46 parkeerplaatsen 8 (afgerond) Overzicht kortparkeren Op basis van bovenstaande wordt er voor kort parkeren uitgegaan van een totaal van 46 parkeerplaatsen (uitgaande van de minimale parkeernorm). Als we rekening houden met de verschillende aanvangstijden van de scholen komen we op een andere parkeerbehoefte uit. Jenaplanschool De Zonnewereld kent een aanvangstijd van 8.15 uur en O.B.S. Vleuterweide een aanvangstijd van 8.30 uur. Er vanuit gaande dat ouders maximaal 15 minuten de school bezoeken is de parkeerbehoefte van de school met de hoogste parkeerbehoefte maatgevend.

Daarmee is de parkeerbehoefte van de Zonnewereld maatgevend. Dat betekent dat voor kort parkeren 20,70 + 2,92 = 24 parkeerplaatsen nodig zijn. Op basis van bovenstaande wordt er uitgegaan (uitgangsjaar 2022) van een totaal van 41 parkeerplaatsen (dit is lang- en kort parkeren, gebaseerd op de minimale normen). Het aantal benodigde parkeerplaatsen van 41 is hiermee lager dan het aantal parkeerplaatsen in de huidige situatie (102 parkeerplaatsen) op het parkeerterrein van de locatie Passiebloemweg. De 41 parkeerplaatsen zijn niet voldoende om in de huidige getelde gezamenlijke parkeerbehoefte van de beide scholen te voorzien. Het is daarom noodzakelijk dat de scholen verschillende aanvangstijden blijven hanteren en scholen inzetten op het verminderen van het autogebruik voor het brengen en halen van de schoolkinderen. De scholen zullen bij de verhuizing naar deze locatie dan ook actief beleid moeten gaan voeren om ouders/verzorgers en eigen personeel te verleiden om lopend of met de fiets naar school te komen om zo het aantal parkeerders te beperken. Hierbij helpt ook dat sprake is van een dalende trend van de leerlingaantallen op beide scholen. Omdat er in de directe omgeving van de locatie geen uitwijkmogelijkheid is (bijvoorbeeld naar een omliggende wijk) om te parkeren is het belangrijk om wel voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied te hebben.

Fietsparkeren Voor het uitgangsjaar 2022 heeft OBS Vleuterweide 341 leerlingen. Dit betekent dat er voor de medewerkers van de basisschool 20 fietsparkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn en voor de bezoekers (leerlingen en ouders/verzorgers) van de basisschool 222 fietsparkeerplaatsen. Jenaplanschool De Zonnewereld heeft in 2022 459 leerlingen. Er moeten voor medewerkers van de basisschool 28 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd en voor de bezoekers 298 fietsparkeerplaatsen. De fietsparkeerplaatsen moeten op eigen terrein worden neergezet en 5% van de benodigde fietsparkeerplekken moet gebruikt kunnen worden voor grotere en zwaardere tweewielers die niet in een normaal rek passen. Daarnaast worden voorzieningen voor elektrische fietsen aangebracht.

Aantal leerlingen OBS Vleuterweide: 341 De Zonnewereld: 459 Totaal (afgerond)

Aantal fietsparkeerplaatsen medewerkers (341/10) x 0,6 = 20,46 (459/10) x 0,6 = 27,54 48

Aantal fietsparkeerplaatsen leerlingen (341/10) x 6,5 = 221,65 (459/10) x 6,5 = 298,35 520

Conclusie De parkeerbehoefte van de ontwikkeling voor zowel auto's als fietsen kan binnen het plangebied worden opgelost.

bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

35

3 6 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1

Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2

Milieueffectrapportage

Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in lijst D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een m.e.r. moet worden opgesteld. Plangebied De in het plan opgenomen activiteiten vallen onder categorie D11.2 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject) zoals deze is opgenomen in onderdeel D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit is in het Besluit m.e.r. een drempelwaarde opgenomen van een projectgebied van 100 hectare. Het plan blijft onder deze drempelwaarde en overschrijdt deze niet. Op grond van artikel 2, lid 5, sub b, van het Besluit m.e.r.

moet echter ook in 'overige gevallen' bekeken worden of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (de vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling neemt de gemeente een besluit om voor het project wel of geen mer-procedure te volgen voor het project voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) opgesteld. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is de conclusie dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er daarom geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. De gemeente heeft dan ook op 6 oktober 2020 besloten om voor dit plan geen m.e.r.-procedure toe te passen. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 3. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 4. Conclusie De ontwikkeling veroorzaakt geen belangrijke nadelige milieugevolgen. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Kader Vanwege een goede ruimtelijke ordening wordt gekeken naar de milieu-invloed van bedrijven en andere functies op het plangebied. Daarbij gaat het om geur, geluid, stofhinder of gevaar. Daarnaast wordt bekeken welke invloed scholen op de omgeving hebben. Of een beoordeling nodig is hangt af van de afstand tot gevoelige functies zoals woningen. Voor deze 'richtafstanden' wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Plansituatie Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' wordt voor dit plangebied uitgegaan van de typering 'rustige woonomgeving'. Het plangebied ligt niet in de nabijheid of invloedssfeer van een bedrijf met hinder in de vorm van geur, geluid, stofhinder of geluid. bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

37

Van belang voor dit plan zijn de situering van de speelpleinen bij de basisscholen ten opzichte van de omliggende woningen. Vanuit de VNG-systematiek van Bedrijven en Milieuzonering geldt een aan te houden afstand van een school(plein) tot aan woningen van 30 meter. Hieraan wordt in dit plan voldaan. Dit betekent dat hier sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Vanuit bedrijven en milieuzonering zijn er geen beperkingen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Geluidhinder

Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die van belang zijn voor de ruimtelijke ordening zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object – hiervoor kent de Wet geluidhinder "geluidsgevoelige bestemmingen" zoals woningen en scholen. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan: bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen; bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij woonerven of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt); reconstructie van wegen; gezoneerde industrieterreinen. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidsgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidsgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt wanneer er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A).

In de geluidnota Utrecht is echter aangegeven dat voor de uitleggebieden, zoals Leidsche Rijn, voor wegverkeer een maximale waarde geldt van 58 dB. De gemeente Utrecht zet zich in voor een leefbare woonsituatie, juist op locaties met een hogere geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bewerkstelligd door voorwaarden te verbinden aan het verlenen van hogere waarden. De voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. Dit wordt planologisch verankerd via de hogere waarde beschikking en de planregels in het bestemmingsplan. In de Geluidnota Utrecht zijn enkel randvoorwaarden opgenomen voor het bestemmen van nieuwe woningen. De Geluidnota Utrecht stelt geen voorwaarden aan scholen. Hierdoor is er bij deze specifieke situatie, nu het gaat om scholen, geen gemeentelijk geluidsbeleid van toepassing. Wegen met een snelheid van 30 km/uur worden in het kader van de Wet geluidhinder niet meegenomen. Maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden akoestisch relevante wegen wel onderzocht. Dit geldt in dit geval voor de Passiebloemweg. Bij de afweging of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening wordt aangesloten bij de kader- en normstelling uit de Wet geluidhinder.

Plangebied Het plangebied ligt alleen binnen de invloedssfeer (wettelijke zones) van de Landschapsbaan-Rivierkom en de Veldhuizerweg. De geluidbelasting door de Landschapsbaan-Rivierkom overschrijdt de voorkeursgrenswaarde en bedraagt maximaal 54 dB (zie bijlage 5 voor het akoestisch onderzoek). Een hogere waardenbesluit is nodig. Door de Veldhuizerweg wordt de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschreden. Dit komt mede door de aanwezigheid van stil wegdek op deze weg, afscherming door een grondlichaam en de afstand. Dit past binnen de afwegingskaders van de Wet geluidhinder (Wgh). Ook de geluidbelasting door de Passiebloemweg is met 55 dB (zonder aftrek artikel 110g Wgh) betrekkelijk laag. De gecumuleerde geluidbelasting is daarbij maximaal 59 dB welke lager is dan de maximale ontheffingswaarde voor binnenstedelijk wegverkeer in uitleggebieden van 63 dB (komt overeen met 58 zonder aftrek artikel 110g Wgh) en kan vanuit gezondheidsperspectief als acceptabel worden beschouwd. Omdat dit een 30 km/u weg is hoeft hiervoor geen hogere waarden besluit te worden verleend. 3 8 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Conclusie Het plangebied van het onderzochte project ligt binnen de vanuit de Wet geluidhinder relevante geluidszones van de Landschapsbaan – Rivierkom en de Veldhuizerweg. Uit het geluidsonderzoek volgt dat de geluidsbelasting door de Landschapsbaan – Rivierkom de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 54 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting blijft binnen de maximaal te ontheffen waarde voor binnenstedelijk wegverkeer. Ook vanuit gezondheidsperspectief is deze geluidsbelasting acceptabel. Voor dit plan moet, parallel aan de ruimtelijke procedure, een hogere waarde procedure voor de Landschapsbaan – Rivierkom worden doorlopen.

5.5

Externe veiligheid

Kader Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in bestemmingsplannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving. De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport over wegen, spoorwegen en vaarwegen). Het Bevt geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes. In het Bevt staan twee soorten risico's beschreven waarop normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Naast risiconormeringen kent het Bevt tevens een extra afstandsbepaling, het zogenaamde plasbrandaandachtsgebied. Voor bebouwing binnen deze zone gelden extra bouwkundige eisen. Plangebied In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Het plangebied ligt op circa 330 meter afstand van enkele hogedruk aardgastransportleidingen (zie rode onderbroken strepen in onderstaand kaartje, ontleend aan de Nederlandse Risicokaart.

Vanwege de grote afstand zijn de leidingen niet van invloed op de planlocatie. Ook overige risicobronnen (zoals de A12 en risicobedrijven) liggen allen op te grote afstand (circa 1 km of meer) om van invloed te zijn op het plangebied.

In rood hogedruk aardgastransportleidingen (Bron: Risicokaart)

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plangebied, waarmee voor dit aspect voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

39

5.6

Luchtkwaliteit

Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met stof, door met name verkeer. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer is samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate van invloed op de luchtkwaliteit. In november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer met betrekking tot luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wetswijziging staat bekend als de "Wet luchtkwaliteit". Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Op basis van deze wet, opgenomen in artikel 5.16 lid 1 Wet milieubeheer, moet bij de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening houden met de effecten op de luchtkwaliteit. Plangebied Dit bestemmingsplan maakt het bouwen van twee scholen voor primair onderwijs mogelijk. In de afweging voor het kiezen van deze locatie spelen verschillende belangen, zoals de verkeersveiligheid, faseerbaarheid en gezondheid. Om tot een integrale afweging te komen is o.a. onderzoek gedaan vanuit die diverse belangen. Het onderzoek naar de luchtkwaliteit is volgens de voorschriften die hiervoor gelden in wet- en regelgeving uitgevoerd. Dat komt neer op onderzoek naar het al dan niet overschrijden van de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Deze grenswaarden worden niet overschreden. Vanuit de nota Volksgezondheid 'Gezondheid voor iedereen' wordt o.a. als uitgangspunt voor een goede luchtkwaliteit de afstand tot drukke wegen gehanteerd (in dit geval 50 meter). Aanvankelijk bleek de ontwikkeling voor een deel te dicht op de Landschapsbaan te liggen en daarmee was de locatie, vanuit de nota Volksgezondheid in principe niet geschikt voor primair basisonderwijs. Aangezien de nota Volksgezondheid een uitzondering maakt voor bestaande functies en er geen alternatieve locatie beschikbaar is, is gezocht naar een optimalere invulling van het plangebied met een aantal aanvullende maatregelen. In dit plan wordt één school buiten de 50 meter grens en één school gedeeltelijk binnen de 50 meter mogelijk gemaakt. De volgende maatregelen moeten worden getroffen: Zoveel mogelijk de niet primaire functies zoals docentenkamer, bergingen en speellokaal binnen de 50 meter zone van de Landschapsbaan situeren. Filters toepassen en de inlaat van de lucht aanzuiging aan de schone zijde van het gebouw positioneren. Het schoolbestuur moet er op toezien dat de filters goed worden onderhouden en tijdig vervangen. Het beperken van te openen ramen binnen de 50 meter zone van de Landschapsbaan. Conclusie Daarmee zijn er geen belemmeringen meer vanuit luchtkwaliteit en volksgezondheid om het bestemmingsplan vast te stellen.

5.7

Bodem

5.7.1

Bodemkwaliteit

Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en als er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er ook sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, via een melding of een 4 0 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

vergunning. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabij gelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plangebied In het verleden heeft het gebied een agrarische bestemming gehad, waarbij in de omgeving kassen aanwezig waren. Verdachte activiteiten die geleid kunnen hebben tot bodemverontreiniging zijn niet bekend. In en rond het plangebied zijn geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging bekend. Ter plaatse van het plangebied is, na het bouwrijp maken van de VINEX locatie, in 2007 een verkennend bodemonderzoek verricht (Grontmij, 13/99076336, 29-3-2007, zie bijlage 7). De resultaten van dat onderzoek vormden indertijd geen belemmering voor de bouw van (tijdelijke) scholen.

Waarschijnlijk is de kwaliteit van de bodem niet veranderd. Toch moet er voorafgaand aan de bouw en na de sloop, een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Het uitvoeren van een bodemonderzoek zal een randvoorwaarde zijn voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het terrein bevindt zich in de schone zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer en buiten de boringsvrije zones van drinkwaterwinningen De Meern en Leidsche Rijn. Dit betekent dat er, voor zover bekend, geen sprake is van omvangrijke grondwaterverontreinigingen, die eventuele grondwateronttrekkingen of bemalingen beïnvloeden. Voor bodemenergie of boringen geldt geen dieptebeperking. Bij hergebruik van grond gelden de (toepassings)eisen uit de Nota bodembeheer 2017-2027 en voor het plangebied is dit kwaliteit landbouw/natuur. Voor het gebied geldt geen archeologische verwachting (wit). Het gebied is grotendeels zeer gevoelig voor zettingen (rood). Alleen de zuidoostelijk hoek is minder gevoelig (groen). Conclusie De bodemkwaliteit levert geen belemmeringen om dit bestemmingsplan vast te stellen. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning zal nog wel een bodemonderzoek worden geëist. Dit onderzoek kan na de sloop van de gebouwen worden uitgevoerd.

5.8

Natuurbescherming

Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.

of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Nota Utrechtse soortenlijst In de voormalige Flora- en faunawet werden soorten beschermd die niet meer beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Hieronder vallen diverse kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn. Deze soorten zijn in de Utrechtse soortenlijst genoemd. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

41

Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. De Utrechtse Soortenlijst en overige informatie is te vinden op de gemeentelijke website onder Groenbeleid. https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/bestuur-en-organisatie/beleid/omgevingsvisie /groen/2018-Nota-Utrechtse-Soortenlijst.pdf

Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (artikel 7.2a Wet milieubeheer (Wm)). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Interim Omgevingsverordening zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Plangebied Beschermde dier- en plantsoorten Er zijn bij de gemeente bekende gegevens geraadpleegd, waaronder de Nationale databank flora en fauna (NDFF) dd.

28-01-2020 (binnen de plangrenzen), de gemeentelijke verblijfplaatsendatabase en de Natuurwaardenkaart van de gemeente Utrecht. Er heeft geen veldbezoek plaats gevonden. Gezien de aard van de tijdelijke bebouwing en het open terrein is door foto’s voldoende beeld verkregen voor een inschatting van potentiele natuurwaarden. Planten Er zijn geen groeiplaatsen van wettelijk beschermde planten bekend uit het plangebied. Wel is het voorkomen van een plantensoort van de Utrechtse soortenlijst in het plangebied bekend. Het betreft een groeiplaats van de veldlathyrus (bron: NDFF 2018). Hiervoor geldt dat inzichtelijk gemaakt moet worden dat er na de herinrichting voldoende leefgebied wordt gecreëerd waar deze plant zich weer kan vestigen. Voor de start van de werkzaamheden kan deze worden verplant naar een geschikte plek in de directe omgeving (bijvoorbeeld berm Landschapsbaan). De vindplaats bevindt zich direct ten zuiden van het meest oostelijke gebouw).

4 2 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Vindplaats verdlathyrus (bron: NDFF) Vogels Er zijn geen verblijfplaatsen aanwezig van vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Voor gebouwbewonende soorten als de gierzwaluw en de huismus wordt het gebouw ongeschikt geacht als nestlocatie. In de directe omgeving van het plangebied (de wijk ten zuiden van de Landschapsbaan) zijn verblijfplaatsen van de huismus bekend (Natuurwaardenkaart). Mogelijk zijn er in het plangebied wel (nesten van) algemene broedvogels aanwezig. Hier moet in opgaande beplanting en bomen rekening mee worden gehouden. Dit kan door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of na een controle op nesten van algemene broedvogels of voorafgaand aan het broedseizoen de (sloop-) werkzaamheden uit te voeren en de opgaande beplanting te verwijderen Vleermuizen Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen bekend uit het plangebied. Boven de watergang grenzend aan de noordzijde van het plangebied zijn waarnemingen bekend van foeragerende gewone dwergvleermuizen (NDFF). Effecten op foeragerende vleermuizen kunnen worden voorkomen door de watergang en de beplanting langs de oevers te behouden en deze elementen te ontzien van kunstmatige verlichting tijdens en na de bouwwerkzaamheden. In de directe omgeving zijn verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis bekend (Natuurwaardenkaart).

De tijdelijke panden lijken geen potentieel geschikte plekken voor verblijfplaatsen van vleermuizen te herbergen. Echter, aangezien het voorliggend advies niet voldoet aan het daarvoor vastgestelde Vleermuisprotocol 2017, kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied niet met zekerheid worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Er zijn geen waarnemingen van beschermde grondgebonden zoogdieren bekend uit het plangebied. De ruigte en opgaande beplanting binnen het plangebied is geschikt als (onderdeel van het) leefgebied voor grondgebonden zoogdieren als egels en diverse muizensoorten. Voor algemene grondgebonden zoogdieren geldt dat er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden maatregelen genomen moeten worden om het doden van de dieren zo veel mogelijk te voorkomen (zorgplicht). Een voorbeeld hiervan is het hanteren van één vaste werkrichting bij het verwijderen van de vegetatie, waardoor de dieren de kans krijgen voor de werkzaamheden uit te vluchten. Van de overige soortgroepen zijn geen waarnemingen van (wettelijk of beleidsmatig) beschermde soorten (Wnb en Utrechtse soortenlijst) bekend uit het plangebied en deze worden gezien de aanwezige biotoop en bebouwing niet verwacht.

Gebiedsgerichte ontheffing Aangezien het uitgevoerde onderzoek niet voldoet aan het daarvoor vastgestelde Vleermuizenprotocol 2017 kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen niet met zekerheid worden uitgesloten. Voor de sloop van de bestaande schoolgebouwen wordt daarom aangesloten bij de gebiedsgerichte ontheffing diervriendelijk bouwen. Om gebruik te maken van de gebiedsgerichte ontheffing Diervriendelijk Bouwen (RVO-besluit d.d. 21 april 2017 met kenmerk FF/75C/2016/0400.toek.zh), dienen in het ontwerp van de nieuwbouw per schoolgebouw de volgende maatregelen te worden opgenomen: minimaal 2 ingebouwde groepsvleermuisverblijfsplaatsen; minimaal 6 ingebouwde en geschakelde paarverblijfsplaatsen voor vleermuizen; minimaal 10 ingebouwde huismusnestkasten, in combinatie met een haag, wintergroene struiken of een groene gevel. Dit zijn minimale aantallen. Het toepassen van meer verblijfsplaatsen heeft de voorkeur. Afstemming en detaillering van de locatie en type verblijfplaatsen moet in overleg met een ecoloog van de gemeente worden bepaald. Via een ‘formulier diervriendelijk bouwen’ worden de afspraken over de definitieve maatregelen vastgelegd. Om te kunnen werken onder de gebiedsgerichte ontheffing Diervriendelijk Bouwen (RVO-besluit d.d.

21 april 2017 met kenmerk FF/75C/2016/0400.toek.zh) moeten de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens het protocol Diervriendelijk verbouwen en slopen, zoals aangeduid in het Soortmanagementplan Diervriendelijk bouwen. Dit houdt in dat bij verschillende stappen van de sloop gecontroleerd wordt of er geen dieren in het gebouw aanwezig zijn. Als er gierzwaluwen, huismussen of vleermuizen gevonden worden bij de sloop is het noodzakelijk om direct een ecoloog te benaderen om verstoring van dieren te voorkomen en het vervolg te bepalen. Dit moet voor de uitvoering bij zowel de opdrachtgever al de aannemer bekend te zijn en te worden gehanteerd. Hieronder zijn een aantal veel voorkomende aandachtpunten benoemd: Bouwconstructie: bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Letten op: 43

Boeiborden/delen/plaatmateriaal tegen de gevel

Spouwmuren met open stootvoegen

Ruimtes met een verlaagd plafond (zowel binnen als buiten)

Dakrand, dakgoot

Hierachter kunnen zich vleermuizen verschuilen. De planken of platen in delen verwijderen en controleren of er geen vleermuizen verscholen zitten. Als er een vleermuis zit of wegvliegt, de werkzaamheden staken en een ecoloog raadplegen over het vervolg. In de spouwmuur kunnen zich vleermuizen verschuilen. Het buitenspouwblad in delen verwijderen en controleren of er geen vleermuizen verscholen zitten. Als er een vleermuis zit of wegvliegt, de werkzaamheden staken en een ecoloog raadplegen over het vervolg. Als er een verbinding met buiten is (hoeft maar een opening van 1 cm breed/hoog te zijn) dan zouden zich vleermuizen kunnen verschuilen. Het plafond of de zijmuur/koof in delen verwijderen en controleren of er geen vleermuizen verscholen zitten. Als er een vleermuis zit of wegvliegt de werkzaamheden staken en een ecoloog raadplegen over het vervolg. In kieren en holtes onder de dakrand, en onder de dakgoot kunnen huismussen of gierzwaluwen broeden. Vliegen er gierzwaluwen laag (en gierend) in de directe omgeving van het gebouw wees dan alert op nestplaatsen. Wees alert op nesten onder de dakgoot wanneer er een huismus in de directe omgeving van de werkzaamheden wordt gesignaleerd.

Kruipt er een gierzwaluw of huismus uit een opening van het te slopen gebouw kruipen of worden er eieren gevonden (maakt niet uit van welke vogel, behalve de kip), dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en een ecoloog worden geraadpleegd over het vervolg.

Beschermde gebieden Er is getoetst in hoeverre de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen beschermde gebieden beïnvloedt of daar negatieve effecten op heeft. Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is Oostelijke Vechtplassen, dat op ongeveer 7,5 kilometer afstand van het plangebied ligt. Uit een berekening met de AERIUS tool blijkt dat de stikstofbijdrage 0,0 mol/hectare is (zie bijlage 8), zowel in de gebruiksfase als in de bouwfase. Dit betekent dat er geen vervolgonderzoek nodig is. Het advies is om bij de selectie van de aannemer voor de te bouwen scholen de verplichting op te nemen om minimaal Stage IV mobiele werktuigen te gebruiken om de emissie naar de directe omgeving te beperken. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Directe effecten of het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Groenstructuur Het plangebied maakt onderdeel uit van de stedelijke groenstructuur. Hiervoor geldt dat bestaande elementen van de stedelijke groenstructuur en de hoofdbomenstructuur worden beschermd. Vermengen van het stedelijk groen met andere stedelijke functies is in principe mogelijk.

Voorwaarde hiervoor is dat het groene karakter, de kwaliteiten en het gebruik van het groen worden behouden of verbeterd. Voor groen is van belang dat bepaalde groenelementen in het plangebied, zoals de bomenrij langs de wetering en de grondwal langs de Landschapsbaan, onderdeel uitmaken van de stedelijke groenstructuur. Dat betekent dat deze groenstructuur gehandhaafd moet blijven of gecompenseerd en als dit mogelijk is versterkt moet worden. Daarnaast wordt verwezen naar de bomenparagraaf in 5.9.

4 4 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Globale aanduiding plangebied in rood in de stedelijke groenstructuur Conclusie Natuurbescherming vormt geen belemmering om dit bestemmingsplan vast te stellen. Er wordt gebruik gemaakt van de gebiedsgerichte ontheffing Diervriendelijk Bouwen. Om hier gebruik van te kunnen maken moeten in het ontwerp van de nieuwbouw per schoolgebouw minimaal de volgende maatregelen opgenomen worden: minimaal 2 ingebouwde groepsvleermuisverblijfsplaatsen; minimaal 6 ingebouwde en geschakelde paarverblijfsplaatsen voor vleermuizen; minimaal 10 ingebouwde huismusnestkasten, in combinatie met een haag, wintergroene struiken of een groene gevel. Dit wordt via een voorwaardelijke verplichting afgedwongen. Daarnaast moeten de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens het protocol Diervriendelijk verbouwen en slopen, zoals aangeduid in het Soortmanagementplan Diervriendelijk bouwen. Van belang is dat de groenstructuur gecompenseerd en indien mogelijk versterkt wordt. Binnen het plangebied bevindt zich een groeiplaats van de veldlathyrus, die onderdeel uitmaakt van de Utrechtse soortenlijst. Deze plant wordt voor de start van de werkzaamheden in de buurt verplant.

5.9

Bomen

Kader Op grond van de gemeentelijke Nota bomenbeleid moeten bestemmingsplannen voorzien zijn van een bomenparagraaf.

Plang ebied met blauwe pijlen om bomenrijen aan te wijzen Plangebied Voor het plangebied is een bomeninventarisatie uitgevoerd (zie bijlagen 9 en 10). Hieruit blijkt dat er 107 bomen in het plangebied staan. Het gaat om de volgende bomensoorten: Noorse esdoorn, es, Hollandse iep, grauwe of zwarte els en kleinbladige linde. De conditie van 3 bomen is voldoende en die van de overige bomen goed. Het uitgangspunt van de ontwikkeling is dat zoveel mogelijk bomen bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

45

behouden blijven. Toch kunnen niet alle bomen blijven staan. In de huidige situatie staan er 10 bomen (met boomnummers 1869040, 1964342, 1875384, 1892122, 1996210, 1892763, 1971756, 2013875, 1857014 en 2011554) tussen het parkeerterrein en de oostelijk gelegen school (zie de aanduiding van de rij met de blauwe pijlen). Bomen onmisbaar zijn voor biodiversiteit, luchtkwaliteit en gezondheid. Het leren in een groene omgeving draagt bij aan de gezondheid van kinderen. De ambitie is daarom om groene schoolpleinen te realiseren. Inpassing van bestaande gewortelde bomen is een verrijking voor een groen schoolplein. Er zullen geen bomen worden gekapt enkel voor het inrichten van het schoolplein. Daarnaast bevinden zich twee bomen (met boomnummers 1892122 en 1996210) voor de beoogde ingang, waardoor deze niet behouden kunnen blijven. De 10 bomen zijn niet verplantbaar, vanwege de boomsoort specifieke beperkingen. De bomen die gekapt moeten worden, zullen binnen het plangebied gecompenseerd worden. Enkele bomen moeten plaats maken voor de in- en uitrit die van en naar de Landschapsbaan wordt gemaakt. Voor deze bomen geldt ook dat deze niet verplant kunnen worden, vanwege boomsoort specifieke beperkingen. Ook deze bomen zullen binnen het plangebied worden gecompenseerd. De wens voor een ontsluiting voor auto's direct van en naar de Landschapsbaan was groot bij een aantal omwonenden.

Dit kwam naar voren tijdens de inloopavond.

Kaart behorende bij de bomeninventarisatie met de locatie van de bomen binnen het plangebied Conclusie Niet alle bomen kunnen binnen het plangebied behouden blijven, maar het merendeel kan blijven staan. De te kappen bomen zijn niet verplantbaar. Bomen die voor de nieuwbouw en/of de in- en uitrit gekapt moeten worden, zullen -ook als dit niet omgevingsvergunningplichtige bomen zijnworden gecompenseerd binnen het plangebied. Hier is binnen het plangebied ruimte voor.

5.10 Water Kader Door ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van water gerelateerd beleid en water gerelateerde beheeraspecten door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van plannen vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerders opgenomen. 4 6 bestemmingsplan "Passiebloemweg, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Door afstemming met de waterbeheerder wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Plangebied Oppervlaktewater Oppervlaktewateren zijn in eigendom van het HDSR. Zij zijn verantwoordelijk voor het functionele kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van deze watergangen. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Net buiten het plangebied, aan de noordzijde, ligt wel een primaire watergang, die ligt in een peilvak met een vast peil van NAP-1,05 m. Deze watergang is in bestemmingsplan 'Vleuterweide, Vleuten' als 'Water' bestemd. Het bestaande oppervlaktewater wordt niet aangepast. Grondwater Het langjarige grondwaterregime in de diepere ondergrond wordt gereguleerd door de grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket (1e WVP). De gemeente Utrecht beschikt sinds 1962 over een peilbuizenmeetnet. Sinds 2002 worden de grondwaterstanden automatisch opgeslagen door dataloggers die tweemaal per dag het grondwaterpeil registreren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=b5545efc-c67d-4b9b-abdf-3a3615725179