Bijlage, Wetsartikelen en toelichting Wet op de lijkbezorging.pdf
Tekst van het document
Bijlage:
Wetsartikelen en toelichting Wet op de lijkbezorging
Behorende bij:
Raadsvoorstel Aanwijzen grond bijzondere (Islamitische) begraafplaats, naar aanleiding van verzoeken van VUMO en IKU.
Betreft:
Wetsartikelen en toelichting Wet op de lijkbezorging (wet van 7 maart 1991), met betrekking tot: - Hoofdstuk III (“Begraving”), § 3. “Bijzondere begraafplaatsen”, artikelen 37 t/m 42; - Hoofdstuk VIII (“Overgangs- en slotbepalingen”), § 2. “Slotbepalingen”, artikel 88.
Bijzondere begraafplaatsen Artikel 37, lid 1: Een bijzondere begraafplaats kan slechts worden aangelegd en in stand gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon. Artikel 37, lid 2: Onder kerkgenootschap wordt mede verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon, in het leven geroepen door een of meer kerkgenootschappen of onderdelen daarvan. Toelichting artikel 37 Een kerkelijke begraafplaats is een (bijzondere) begraafplaats van een kerkgenootschap. Artikel 38: Een kerkgenootschap is gerechtigd tot het hebben van één of meer kerkelijke begraafplaatsen tot een zodanige uitgestrektheid, als overeenkomt met een redelijk deel van de grond, welke in de gemeente voor begraafplaatsen bestemd is. De gemeenteraad kan aan een kerkgenootschap op zijn verzoek toestaan, meer of grotere begraafplaatsen te hebben, onverminderd het recht van de andere kerkgenootschappen, bedoeld in de eerste volzin. Toelichting artikel 38 In de Memorie van Toelichting (MvT, 11256, nr. 3, 1970-1971) is hierover het volgende opgenomen. Het wetsartikel “waarborgt het aloude recht der kerkgenootschappen (*), eigen begraafplaatsen te hebben.
Gezien de beperktheid van de oppervlakte, welke in vele gemeenten voor begraafplaatsen beschikbaar is, wordt de bij dit artikel toegekende aanspraak voor elk kerkgenootschap beperkt tot zodanig deel van het voor begraafplaatsen in de gemeente bestemde arsenaal, als in verband met de plaatselijke sterkte van dat kerkgenootschap redelijk is te achten. De aanwijzing kan natuurlijk alleen geschieden in overeenstemming met een bestemmingsplan, zo dat aanwezig is. De laatste volzin van het artikel stelt buiten twijfel, dat de gemeenteraad aan een kerkgenootschap kan toestaan méér begraafruimte te gebruiken, dan waarop het krachtens het gestelde in de eerste volzin recht heeft; dit kan onder meer van belang zijn, wanneer een kerkgenootschap een begraafplaats wil stichten voor een klooster of voor een uitgestrekt ressort (bijvoorbeeld classis of diocees van een kerkgenootschap van gering zielental). Uiteraard zal de toewijzing van grond niet ten koste van de rechten van andere kerkgenootschappen mogen gaan”. (*)
Met ‘aloude recht’ wordt verwezen naar de Begraafwet van 1869. Daarin luidt artikel 14: “Bijzondere begraafplaatsen kunnen worden aangelegd met verlof en onder toezigt van burgemeester en wethouders der gemeente, waarin de daarvoor bestemde grond is gelegen. Verlof tot het aanleggen eener bijzondere begraafplaats ten behoeve der leden van eene kerkelijke gemeente wordt aan het bestuur dier gemeente niet geweigerd, dan wanneer de aangewezen plaats niet aan de voorschriften der wet voldoet”.
Artikel 40, lid 1: Voor het aanleggen of uitbreiden van de bijzondere begraafplaats wordt slechts de grond gebruikt, die daartoe door de gemeenteraad is aangewezen.
1
Artikel 40,lid 2: Burgemeester en wethouders kunnen maatregelen voorschrijven, welke nodig zijn teneinde de grond geschikt te maken om als begraafplaats te dienen. Artikel 40, lid 3: Indien het kerkgenootschap geen eigenaar van de benodigde grond is, dragen burgemeester en wethouders desgevraagd zorg, dat het kerkgenootschap de grond, mede gelet op de staat, waarin deze ingevolge het tweede lid moet verkeren, op redelijke voorwaarden in eigendom kan verwerven. Kunnen burgemeester en wethouders en het kerkgenootschap niet tot overeenstemming komen, dan bepalen gedeputeerde staten op verzoek van een van hen of beide de voorwaarden. Toelichting artikel 40 In de Memorie van Toelichting (11256, nr. 3, 1970-1971) is hierover opgenomen: “Het wetsartikel bevat voor de bijzondere begraafplaatsen nadere voorschriften betreffende de keuze van de plaats en het geschikt maken van het terrein. Gezien de belangen van ruimtelijke ordening, welstand en hygiëne, welke erbij betrokken zijn, dient hiervoor alleen grond te worden gebruikt die daartoe door de gemeenteraad, de betrokken inspecteur van de volksgezondheid gehoord, is aangewezen. Ook wat de oppervlakte der toe te wijzen grond betreft, dient uiteraard rekening te worden gehouden met de planologische voorschriften, terwijl vóór de aanwijzing van een terrein natuurlijk met de aanvrager overleg moet worden gepleegd.
Het derde lid bevat een bepaling ter ondervanging van de moeilijkheden, welke een kerkgenootschap zou kunnen ondervinden bij zijn pogingen tot aankoop van de aan hetzelve toegewezen grond. Indien het kerkgenootschap geen eigenaar van dit terrein is, draagt de gemeente zorg voor de aankoop of zonodig voor onteigening, alsmede voor het gereedmaken van de grond tot de bestemming van de begraafplaats. De kosten, die met het een en ander zijn gemoeid, zullen hierbij uiteraard nogal uiteen lopen. Opdat het ene kerkgenootschap in dit opzicht niet bevoordeeld zij boven het andere, wordt bepaald, dat elk kerkgenootschap de grond op redelijke voorwaarden kan verwerven. Voor het geval het gemeentebestuur en het kerkgenootschap niet tot overeenstemming kunnen komen, biedt de laatste volzin de mogelijkheid door gedeputeerde staten de voorwaarden te doen bepalen.” In de Memorie van Toelichting is overigens ook gerefereerd aan de mogelijkheid dat een kerkelijke begraafplaats grenst aan een gemeentelijke begraafplaats en dat deze twee duidelijk van elkaar zijn gescheiden: “Zo kan het nimmer twijfelachtig zijn, wie verantwoordelijk is voor de goede gang van zaken ten aanzien van deze complexen van graven. Anderzijds laat de nieuwe bepaling meer vrijheid op het stuk van afscheiding en ingang dan thans het geval is”.
Artikel 41: Voor het in gebruik nemen van de bijzondere begraafplaats of van een deel daarvan is de toestemming van burgemeester en wethouders nodig. Deze toestemming wordt slechts geweigerd, indien niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan. Artikel 42, lid 1: Van de besluiten van de gemeenteraad, onderscheidenlijk van burgemeester en wethouders, genomen ingevolge deze paragraaf, staat voor belanghebbenden beroep bij gedeputeerde staten open. De uitspraak van gedeputeerde staten kan door Ons worden geschorst en vernietigd wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Artikel 42, lid 2: Indien de gemeenteraad, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders, nalatig blijven een besluit te nemen, bepalen gedeputeerde staten op verzoek een termijn, binnen welke zulks alsnog dient te geschieden. Is zulk een besluit voor afloop van deze termijn niet genomen, dan worden de gemeenteraad, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders, geacht afwijzend te hebben beschikt.
Slotbepalingen Artikel 88: Een besluit waartegen ingevolge deze wet beroep openstaat of aanhangig is treedt, zolang dit het geval is, niet in werking […].
2