CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage C - Beleidskaders

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Beleidsnota Opwekgebieden voor schone energie in Utrecht1.736 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Inleiding In dit hoofdstuk is, op hoofdlijnen, het relevante beleidskader van het Rijk, de provincie en gemeente geschetst. Het ruimtelijke beleidskader is relevant, omdat het een kader geeft waarbinnen onderzoek wordt gedaan naar de milieueffecten van nieuwe ruimtevragende functies. Anderzijds is het nadrukkelijk de bedoeling dat wordt gezocht naar oplossingen voor meervoudige opgaven, waarbij bestaand ruimtelijk beleid niet op voorhand als een belemmering moet worden beschouwd. In dit hoofdstuk het huidige beleid kort beschreven, voor verdere verdieping wordt verwezen naar de brondocumenten.

Europees en rijksbeleid De Raad en het Europees parlement hebben richtlijn 2018/2001 vastgesteld op grond waarvan Nederland wordt verplicht om in 2030 32% van het totale bruto eindverbruik aan energie op te wekken met behulp van hernieuwbare bronnen. Deze richtlijn vormt de basis voor het rijksbeleid ten aanzien van de opwekking van duurzame energie. In het verlengde van het Klimaatakkoord van Parijs hebben de lidstaten zich gecommitteerd aan een reductie van de uitstoot van broeikasgassen tot 40% ten opzichte van 1990, te bereiken in 2030. Nederland heeft als lidstaat de lat hoger gelegd en zich gecommitteerd aan een reductiedoelstelling van 49%. Het omgevingsbeleid van het Rijk wordt in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormgegeven. Het Barro richt zich op een groot schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau. Beleid dat voortkomt uit bovengenoemde beleidsstukken is op provinciaal niveau verder uitgewerkt en getoetst aan de gestelde richtlijnen uit het NOVI en Barro. Deze uitwerking op provinciaal niveau vormt de basis waaraan het PlanMER zal moeten voldoen.

In de Nota Drinkwater (2014) is het concept van Nationale Grondwater Reserves (NGRs) geïntroduceerd met als doel om natuurlijk kapitaal te beschermen ten behoeve van de drinkwatervoorziening in de verre toekomst en in geval van grootschalige crisissituaties. Een eerste aanzet voor NGR gebieden is opgenomen in de structuurvisie ondergrond (STRONG 2018). Deze gebieden beslaan de gehele gemeente Utrecht. Er zijn nog geen beschermingsregimes vastgesteld waaraan getoetst kan worden.

Provinciaal beleid De provincie wil zich inzetten om energieverbruik te verminderen en voldoende ruimte te bieden voor duurzame energie initiatieven, met als ambitie om in 2050 CO2-neutraal te zijn. De opgave voor duurzame opwek van energie is gemeentegrens overstijgend. In de interim Omgevingsverordening en bijbehorende Omgevingsvisie zijn hiervoor voor winden zonne-energie kaders opgesteld waaraan voldaan moet worden. Aanvullend op de specifieke kaders voor wind- en zonne-energie, gelden generieke kaders voor ontwikkelingen in gebieden met een erfgoedstatus, waaronder het werelderfgoed van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Volgend uit de omgevingsverordening en omgevingsvisie zijn de volgende beleidsmatige zaken relevant voor dit PlanMER: •

Grondwaterbescherming en boringsvrijezones (Artikel 3.39)

• • • • • • • • • •

Bodembescherming en grondwaterbeschermingsgebied (Artikel 3.24) Bodembescherming matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad (Artikel 3.11) Instructies met betrekking tot het realiseren van windenergie (Artikel 5.3 en 5.4) Instructies met betrekking tot het realiseren van zonne-energie (Artikel 5.5) Beschermde natuurgebieden (Artikel 6.1 t/m artikel 6.12) Bescherming van Ganzenrustgebieden (Artikel 6.45) Bescherming van Unesco werelderfgoed (Artikel 7.2 en 7.3) Bescherming van Cultuurhistorische hoofdstructuur (Artikel 7.7) Kernkwaliteiten van het Utrechtse landschap (Artikel 7.9) Bescherming van stiltegebieden (Artikel 9.26)

Van de inhoud van bovenstaande artikelen en bijbehorende toelichting zijn van belang voor de realisatie van duurzame energie binnen de provincie, en daarmee de gemeente, Utrecht. Indien in een betreffend artikel wordt doorverwezen naar een ander artikel is dit ook onderdeel van de geldende kaders voor de ontwikkeling van duurzame energie.

Regionaal beleid De provincie en 15 van de 16 gemeenten hebben in 2021 de Regionale Energie Strategie (RES) U16 vastgesteld. Hierin zijn ambities vastgelegd van zestien gemeenten over hoe zij willen voldoen aan de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. De gemeente Utrecht heeft hierin een bod opgenomen van 0,138 TWh aan windenergie en 0,284 TWh aan zonneenergie. Deze doelstellingen zijn niet kaderstellend voor de Energievisie, maar geven een indicatie van de opgave die de gemeente Utrecht voor zich heeft liggen.

Gemeentelijk beleid De Ruimtelijke Strategie Utrecht (RSU) 2040 is in 2021 vastgesteld door de gemeenteraad Utrecht. Dit dient als koersdocument voor de gehele stad om de groei in goede banen te kunnen leiden en gaat in op een breed scala aan thema’s. De opgave voor de energietransitie (paragraven 4.2.6 en 5.2.6) is hier één van de thema’s en moet worden ontwikkeld in goede harmonie met de overige thema’s die beschreven staan in de RSU. De kaders die voortvloeien uit de RSU, komen terug in de Energievisie. Met name de ambities voor de gemeentelijke groenstructuur en gezondheid (geluid) en in iets mindere mate grondwaterbescherming staan op gespannen voet met de ambities voor de energietransitie en dan met name die voor verduurzaming van de bronnen. De Energievisie is een logische vervolgstap in het beleid van de gemeente Utrecht als het gaat om de verduurzaming van de stad. De Energievisie vervangt het huidige energiebeleid zoals opgenomen in de Utrechtse Energieagenda's (2015) en de Warmtevisie (2017). De Aanpak zon op dak (2019) en de Transitievisie Warmte (2021) zijn omgevingsprogramma's onder de omgevingswet en daarmee een programmatische uitwerking van de Energievisie. Het Gebiedsplan Gebiedsgericht grondwaterbeheer en duurzaam gebruik van de ondergrond (2016) is van belang bij bodembescherming en het doorboren van scheidende

lagen (tussen watervoerende pakketten, ondieper dan 500 m-mv) in bepaalde zones in de stad Utrecht.

Archeologisch beleid gemeente Kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. De archeologische waarden zijn vastgelegd in het CHW bestemmingsplan algemene regels van de gemeente Utrecht, of het lokale bestemmingsplan. In Q4 van 2024 zullen deze worden opgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente Utrecht. Gemeentelijke archeologische waardenkaart Ter bescherming van de archeologische waarden zijn in dit bestemmingsplan regels en gebiedsaanduidingen opgenomen. De archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt hieraan ten grondslag. In de regels die bij de gebiedsaanduidingen horen, is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de archeologieregels in dit bestemmingsplan.

De bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht is hiermee geborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. De gemeentelijke archeologische waardenkaart is gebaseerd op de bodemkaart, cultuurhistorische en archeologische waarden en verwachtingen en op de kennis en ervaring, opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. De waardenkaart geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van zeer hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting, gebieden van

middelhoge archeologische verwachting, gebieden van lage archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt, zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Op de archeologische waardenkaart zijn deze archeologische rijksmonumenten weergegeven als WA1a. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de gemeente bij meervoudige vergunningsaanvragen wel als bevoegd gezag aangewezen en heeft het Rijk advies- en instemmingsrecht.

Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historisch-topografische bronnen en landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm.

Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 30 cm.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=b37690d9-0069-4842-a2b9-d6b87c3e8899