Bijlage 5. SPvE Papendorp Noord bijlage Ecologische quickscan Papendorp Noord Utrecht.pdf
Tekst van het document
Ecologische quickscan Papendorp Noord Utrecht
Opdrachtgever(s): Anne Nijs Gemeente Utrecht Uitgevoerd door:
Econu / Dhr. Bart Smeets bart.smeets@econu.eu 0646020125 www.econu.eu
Uitgevoerd op:
16-12-2020
Datum:
7-1-2021
Onderwerp:
QSC Papendorp
Uw kenmerk: / Ons Kenmerk: Utrecht 21-01-07
ECONU
Inhoud 1 Inleiding ................................................................................................................................. 2 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................... 2 1.2 Doel ................................................................................................................................ 2 1.3 Zorgplicht ........................................................................................................................ 3 1.4 Leeswijzer ....................................................................................................................... 3 2 Plangebied ............................................................................................................................ 4 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ................................................................................. 4 2.2 Voorgenomen plannen .................................................................................................... 8 3 Methode .............................................................................................................................. 10 4 Bronnenonderzoek ..............................................................................................................
12 5 Natuurwaarden .................................................................................................................... 13 5.1 Beschermde gebieden .................................................................................................. 13 5.2 Beschermde soorten ..................................................................................................... 15 6 Conclusies........................................................................................................................... 23 Beschermde gebieden ........................................................................................................ 23 Beschermde soorten ........................................................................................................... 23 Geraadpleegde bronnen......................................................................................................... 26
1
ECONU
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Utrecht heeft gevraagd om een quickscan natuurwetgeving voor het plangebied Papendorp Noord te Utrecht uit te voeren. Ten behoeve van een op te stellen bestemmingsplan is een actueel beeld noodzakelijk van de in het gebied voorkomende beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten daarop. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling mogelijk in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Deze wet vervangt de drie voormalige wetten op het gebied van soort- en gebiedsbescherming; Boswet, natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Uiteraard toetsten wij aan de bepalingen volgens de nieuwe Wet natuurbescherming.
1.2 Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving kort beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen de Wet natuurbescherming en de Utrechtse soortenlijst. Tevens heeft het onderzoek tot doel vast te stellen op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Daarnaast wordt onderzocht of binnen het beïnvloedingsgebied van het project beschermde natuurgebieden (Natura 2000, NNN) liggen. Indien beschermde gebieden binnen de invloedsfeer aanwezig zijn, dan wordt gekeken of negatieve effecten op deze gebieden wel of niet op voorhand uit te sluiten zijn. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld.
2
ECONU
1.3 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode(n) besproken. In hoofdstuk 4 wordt nader in gegaan op het bronnen onderzoek, welke soorten zijn in de omgeving van het plangebied reeds waargenomen? De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies uiteengezet.
3
ECONU
2 Plangebied 2.1 Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt in Papendorp Utrecht, een gebied ingesloten door de A2 in het westen, de A12 in het zuiden en het Amsterdam-Rijnkanaal in het oosten. De noordgrens van het wordt gevormd door de Dominee Martin Luther Kinglaan. Ten oosten van het Amsterdam-Rijn kanaal ligt de wijk Kanaleneiland, aan de overzijde van de A2 ligt de polder Strijkviertel en ten zuiden van de A12 liggen een golfbaan, sportvelden en de wijk Galecop. Het plangebied zelf ligt in de noordwesthoek van dit gebied zoals in Figuur 1 is weergegeven.
Figuur 1. Ligging plangebied in de wijdere omgeving (bron: QGis)
Het noordelijkste deel van het plangebied bestaat uit fabriekshallen en parkeerplaatsen, de fabriekshallen hebben gemetselde muren met open stootvoegen waarbij de bovenste helft van de muur met metaalplaten bedekt is. Alle gebouwen in dit deel hebben platte daken. Tussen deze gebouwen en het kanaal staat een rij hoge populieren. Aan de noord en westkant van deze gebouwen en parkeerplaats ligt een sloot met aan de overzijde een ruigte met veel braam, kruidachtige gewassen en opschot van populier, wilg en berk. Tussen de gebouwen van de bazaar en de papier- en metaal recycling en KWS Infra ligt de Taatsendijk en een ruigte met een sloot, riet, knotwilgen met veel holtes en rotte delen, maar ook hoge wilgen, iepen en els met dikke stam. In deze bomen zijn holtes aanwezig die door vleermuizen en holbroeders gebruikt kunnen worden.
4
ECONU
Tussen de afslag Papendorp Noord, de Marinus van Tyruslaan en de Taatsendijk ligt opnieuw een stuk ruigte met verschillende sloten, natte delen met pitrus, riet en langs de A2 en de afslag ook opgaande begroeiing met berken, wilg en els. Aan de Taatsendijk staan ook twee woningen. Taatsendijk 1 is een kleine, witte woning die op zich ecologisch niet interessant is, de woning heeft geen open stootvoegen, geen andere openingen en de randen langs de dakpannen zijn dichtgesmeerd met cement. Echter, op het terrein van deze woning is een veelvoud aan opstallen aanwezig, schuurtjes met scheuren en openingen tussen de muren en daken, een kleine Romney loods, afdakjes, puinhopen en een diversiteit aan opgeslagen materialen. De andere woning (Taatsenweg 1c) is ecologisch interessanter, open stootvoegen en ventilatiegaten in de muren en een pannendak dat geschikte nestplaatsen voor bijvoorbeeld huismussen en gierzwaluwen biedt. Aan de achterzijde van deze woningen staan hoge dennenbomen die een afscheiding vormen met KWS Infra. Tevens staan hier enkele gestapelde containers die als kantoorruimte fungeren. De naar het zuidoosten gerichte uitloper bestaat grotendeels uit een parkeerterrein met borders die begroeid zijn met ruigtekruiden, intensief gemaaide grasvelden, wegen en een watergang met een steile, gemetselde oever en een flauwe oever met grasland.
Op dit deel staan ook enkele grote kantoorpanden die blijven staan. Deze panden hebben een groot aantal open stootvoegen hebben en zijn derhalve geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Dit is ook van belang voor de beoordeling van de ecologische waarde van de laanbomen langs de Mercatorlaan. Tenslotte is het natte weide gebied ten oosten van de Mercatorlaan noemenswaardig, dit weiland grenst aan het plangebied en wordt door een rij populieren afgeschermd. In een aantal populieren zitten eksternesten die mogelijk ook door andere soorten gebruikt worden. In de onderstaande foto’s (Figuur 1 a-r ) wordt een impressie van het plangebied gegeven.
5
ECONU
a
b a
c a
d
e
f
6
ECONU
g
h
i
j
k
l
7
ECONU
m
n
o
p
q
r
Figuur 2. Foto impressie van het plangebied.
2.2 Voorgenomen plannen Voor de quickscan dient te worden uitgegaan van de volgende werkzaamheden: Het slopen van de bestaande gebouwen, behalve de kantoorgebouwen aan de Orteliuslaan. De gebouwen van de Bazaar, papierrecycling en metaalrecycling en de woningen aan de Taatsendijk (inclusief opstallen) zullen wel gesloopt worden.
8
ECONU
Daarna wordt het terrein opnieuw ingericht en komen er woningen, kantoren, bedrijventerrein en openbare inrichting (straten, parkeerplaatsen, water, groen). De start van de werkzaamheden is voorzien vanaf 2023.
9
ECONU
3 Methode In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van het dataloket van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), de NDFF en diverse verspreidingsatlassen. Bij het bronnenonderzoek naar verspreidingsgegevens van soorten is gekeken naar de afgelopen vijf jaren in een gebied van ongeveer 5x5km rond het plangebied (zie Figuur 3).
Figuur 3. Zoekgebied NDFF.
Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Hiervoor is gebruik gemaakt van de website https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten .
Daarnaast heeft op 16 december 2020 een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige biotopen zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze biotopen vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.
De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Een eenmalig veldbezoek is nadrukkelijk
10
ECONU
geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van een eenmalig veldbezoek het voorkomen van soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage.
Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 16 december 2020 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: half bewolkt, droog, windkracht 2 en circa 5°C. Tijdens het veldbezoek werd het hele terrein grondig geïnspecteerd.
11
ECONU
4 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek is gestart met een zoektocht in de NDFF, zoals in het vorige hoofdstuk werd aangegeven is een blok van ongeveer 5x5km rond het midden van het plangebied in beschouwing genomen. Er is alleen naar de laatste vijf jaar gekeken. Een ruimer zoekkader is niet noodzakelijk gezien de mobiliteit van dieren, de afscherming van het plangebied door drukke autosnelwegen en een kanaal. Door recente ontwikkelingen in de ruimere omgeving van het plangebied zijn oudere gegevens niet meer relevant.
De gegevens uit de NDFF laten zien dat in het plangebied zelf nauwelijks meldingen van soorten bekend zijn (Figuur 3). Alleen langs het kanaal wordt een relatief groot aantal meldingen gedaan. Dit komt over een met het recreatief gebruik van het fiets-/wandelpad dat daar loopt. De data uit de NDFF geven dan ook geen volledig beeld van de aanwezige soorten, maar wel een eerste indruk. In Bijlage 2 staan de waarnemingen zoals die in de NDFF gemeld zijn.
Overige databronnen over aanwezige soorten in het plangebied zelf zijn niet gevonden.
12
ECONU
5 Natuurwaarden 5.1 Beschermde gebieden Natura 2000 Uit de kaarten van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Economische Zaken (EZ) blijkt dat het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied op Bijna negen kilometer afstand van het plangebied ligt. Het betreft het gebied Oostelijke Vechtplassen (minimaal 8,9km, zie Figuur 4).
Effectbeoordeling Doordat het plangebied buiten de Natura 2000-gebieden ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. In het geval van de voorgenomen activiteiten bestaan mogelijke effecten uit: verstoring door verontreiniging, verdroging, verstoring door trillingen, geluid en licht en optische verstoring (gebiedendatabase). Gezien de relatief grote afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden en de afscherming van het plangebied, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat sprake is van directe negatieve effecten op de Natura 2000gebieden. De uitstoot en depositie van stikstofhoudende stoffen bij de geplande werkzaamheden kan tot significante effecten in beschermde gebieden leiden. De afstand tot stikstofgevoelige habitats in Natura 2000 gebieden is weliswaar aanzienlijk, maar de omvang van de werkzaamheden is nog niet precies bekend. Gezien de grootte van het plangebied, de ervaringen met andere grootschalige ontwikkelingsprojecten en een eerste ruwe aerius-berekening (100.000l diesel, STAGE IV, 300 <= kW < 560, bouwjaar 2014 (Diesel), aantal uren stationair = 0uren/j, cilinderinhoud = 10l leverde een depositie in de Oostelijke vechtplassen op) kan niet op voorhand uitgesloten worden dat er significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie optreden.
Een uitgebreide aerius-berekening dient uitgevoerd te worden om te controleren of er daadwerkelijk een stikstofdepositie optreedt, indien er een depositie plaatsvindt, dan dient deze in een natuurtoets nader beschouwd te worden om te controleren of er significante effecten op instandhoudingsdoelen zijn. Deze berekening kan pas uitgevoerd worden indien de plannen voor de locatie beter bekend zijn.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland.
13
ECONU
Uit de natuurbeheerplankaart van de kaartbank op de website van de Utrecht, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. De ligging van het NNN ten opzichte van het plangebied is weergegeven in figuur 4.
Figuur 4. NNN gebieden (grijs) en Natura 2000 gebied (blauwgrijs) in de omgeving van het plangebied (rood).
Effectbeoordeling Het plangebied behoort formeel niet tot het NNN. De bescherming van het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Als wezenlijke kenmerken en waarden gelden de actuele en geambieerde natuurbeheertypen zoals vastgelegd in het Natuurbeheerplan van de provincie. Daarnaast worden als wezenlijke kenmerken en waarden aangemerkt geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid en de landschapsstructuur. De voorgenomen plannen zullen geen aantasting tot gevolg hebben van geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte en donkerte, geslotenheid en de landschapsstructuur. De voorgenomen plannen hebben geen aantasting van het NNN tot gevolg.
Beschermde bomen/houtopstanden In verband met de aanwezigheid van als beschermwaardig gewaardeerde boombeplanting, is het voor zover en zolang aanwezig, verboden te bouwen op gronden ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalende boom'. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels, indien wordt aangetoond dat
14
ECONU
door het bouwen en/of gebruik van de gronden de conditie, levensverwachting, groeiplaats en (beeld)kwaliteit van de bomen niet worden aangetast. Ten behoeve van het verlenen van de omgevingsvergunning dient aan het bevoegd gezag een bomeneffectrapportage overlegd te worden, waaruit blijkt dat de bouw of werken en/of werkzaamheden geen onevenredige gevolgen hebben voor de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale, cultuurhistorische of ecologische betekenis van de bomen. Het bevoegd gezag kan bij het toepassen van de afwijking nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken en de aard van de verhardingen.
Effectbeoordeling De bomen binnen het plangebied hebben geen status beeldbepalend. De werkzaamheden hebben dan ook geen negatief effect op beschermde beeldbepalende bomen.
Conclusie Vanwege de omvang van de ingreep is het ondanks de ruime afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet redelijkerwijs uit te sluiten dat de voorgenomen plannen negatieve effecten tot gevolg hebben op Natura 2000-gebieden. Een aerius berekening is noodzakelijk, mogelijk gevolgd door een natuurtoets. De voorgenomen plannen hebben geen aantasting van het NNN tot gevolg. Er worden geen beschermde bomen aangetast of gekapt. Aangezien de bomen binnen de bebouwde kom staan, is er geen sprake van beschermde houtopstanden.
5.2 Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Er wordt rekening gehouden met bescherming in het kader van de Wet natuurbescherming en de Utrechtse soortenlijst. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of er mitigerende maatregelen nodig zijn.
5.2.1 Flora/paddenstoelen Het plangebied bestaat uit een verzameling aan biotopen, van (bedrijfs)panden, sloten, weiland, ruigte, wegberm tot intensief gemaaid grasland en een parkeerplaats. Er zijn geen beschermde soorten (Wnb) gezien tijdens het veldbezoek, de bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat binnen het directe plangebied geschikte biotopen voor beschermde plantensoorten ontbreken. Wel werd op enkele locatie grote kaardenbol aangetroffen. Aangezien er geen muurplanten zijn aangetroffen op de bestaande gebouwen en kades langs
15
ECONU
de waterpartijen, kunnen we concluderen dat deze soorten niet in het plangebied voorkomen. Evenmin worden beschermde soorten flora in de NDFF genoemd. Het is derhalve redelijkerwijs uit te sluiten dat binnen het directe plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. In de NDFF wordt wel een aantal algemene plantensoorten genoemd. Van de aangetroffen soorten staan er twee op de Utrechtse soortenlijst en zijn derhalve beschermd. Het gaat om de grote kaardenbol en de veldlathyrus. Tijdens het veldbezoek zijn slechts enkele elfenbankjes en inktzwammen aangetroffen, er zijn geen paddenstoelen soorten van de Utrechtse soortenlijst aangetroffen of te verwachten, deze soorten zijn met name gebonden aan vochtige loofbossen, oude parken en beuken of eikenlanen.
Conclusie Vanwege het ontbreken van geschikte biotopen, de complete verharding en het intensieve gebruik van de locatie is het voorkomen van beschermde plantensoorten volgens de Wnb in het directe plangebied redelijkerwijs uit te sluiten. De grote kaardenbol en veldlathyrus komen in het plangebied voor, deze staan op de Utrechtse soortenlijst. Voorafgaand aan de realisatie dient een inventarisatie van deze soorten uitgevoerd te worden. Afhankelijk van de standplaatsen en de te realiseren plannen dient afgewogen te worden of de soorten nadelige gevolgen van de ontwikkeling ondervinden. Bij mogelijke nadelige gevolgen, wordt gekeken of de ontwikkeling op een andere manier kan worden uitgevoerd zodat nadelige gevolgen worden voorkomen of geminimaliseerd. Als deze nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn dient het leefgebied gecompenseerd te worden zo dicht mogelijk bij het projectgebied, of wanneer dit niet mogelijk is op een alternatieve locatie binnen de gemeente.
5.2.2 Vlinders en libellen Beschermde vlinders hebben specifieke habitateisen. Bevindingen uit het veldbezoek tonen aan dat in het directe plangebied geen geschikte biotopen aanwezig zijn en/of specifieke waardplanten groeien, voor het voorkomen van beschermde vlindersoorten. Er zijn weliswaar enkele teunisbloemen aangetroffen, maar deze groeiden in een smalle rand langs een open parkeerterrein, niet het biotoop waar de teunisbloempijlstaart verwacht wordt.
Uit het veldbezoek blijkt dat in het directe plangebied geen geschikte biotopen aanwezig zijn voor het voorkomen van beschermde soorten libellen. Er is geen krabbenscheer aangetroffen in de aanwezige sloten, er is geen stromend water en er zijn geen (zure) vennen aanwezig. Door het ontbreken van geschikt oppervlaktewater voor beschermde libellen in het directe 16
ECONU
plangebied is geen voortplantingsbiotoop voor beschermde libellen aanwezig. In de NDFF staan geen waarnemingen van libellen, maar er kan aangenomen worden dat algemene soorten in de aanwezige sloten leven. Op de Utrechtse soortenlijst staan geen vlinders en/of libellen.
Conclusie In het plangebied komen geen beschermde vlinders of libellen voor. Vanwege het ontbreken van geschikte biotopen is het voorkomen van beschermde soorten libellen en vlinders in het directe plangebied uit te sluiten.
5.2.3 Kevers en slakken Beschermde soorten houtkevers zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (naald)bossen en moerasbossen. Deze habitattypen zijn niet aanwezig in het directe plangebied. De juchtleerkever is afhankelijk van de aanwezigheid van loofbomen met daarin grote met molm gevulde holten. Daarbij gaat de voorkeur uit naar levende bomen die zon beschenen zijn. In het plangebied staan wilgen met holtes die molm bevatten, echter de bekende waarnemingen van deze kever zijn allemaal in Zuid-Limburg gedaan en de kever heeft een beperkte dispersiecapaciteit. Het voorkomen van beschermde houtkevers in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. Beschermde waterkevers en de aquatische slakkensoorten platte schijfhoren en Bataafse stroommossel zijn afhankelijk van permanente wateren. De brede geelrand waterroofkever en de gestreepte waterroofkever komen voor in grote wateren met diepe delen, de aangetroffen biotopen voldoen hier niet aan. De Bataafse stroommossel prefereert gestructureerde grofzandige sedimenten en is daardoor grotendeels gebonden aan stromende wateren zoals rivieren, beken of wateren die in verbinding staan met de rivier. Na 1968 is deze soort niet meer levend in Nederland aangetroffen en vermoedelijk geheel verdwenen. De platte schijfhoren heeft een voorkeur voor helder, stilstaand of zeer zwakstromend water met een rijke plantengroei.
In het plangebied liggen een aantal sloten met waterplanten, de platte schijfhoorn is hier mogelijkerwijs aanwezig. Negatieve effecten op beschermde kevers kunnen redelijkerwijs uitgesloten worden. Negatieve effecten op de platte schijfhoorn kunnen echter niet redelijkerwijs uitgesloten worden.
Conclusie Negatieve effecten op beschermde kevers kunnen redelijkerwijs uitgesloten worden. Dit geldt niet voor negatieve effecten op de platte schijfhoorn, een soortgericht onderzoek naar deze soort is dan ook noodzakelijk. 17
ECONU
5.2.4 Vissen Het plangebied ligt aan het Amsterdam-Rijn kanaal, maar er is geen directe verbinding tussen de oppervlaktewateren in het plangebied en dit kanaal. In het plangebied zijn een aantal sloten met helder water, riet en andere waterplanten aanwezig. Het is mogelijk dat in deze sloten naast algemene soorten ook de kleine modderkruipers en bittervoorn voorkomt. Het leefgebied van de rivierdonderpad bestaat uit rivieren, beken, meren, kanalen, vaarten en sloten. In stagnante watertypen zoekt rivierdonderpad plaatsen met hogere zuurstofgehalten op zoals oevers met windwerking of onder stuwtjes waar water overheen valt. In het plangebied zijn dergelijke locaties niet aanwezig. De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Grote modderkuiper houdt zich overdag verscholen en voedt zich ’s nachts. In de sloten groeien waterplanten en er is een dunne modderlaag aanwezig. Deze sloten worden regelmatig geschoond. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend in de omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van grote modderkruipers in het plangebied kan redelijkerwijs uitgesloten worden.
Aangezien er geen duidelijk beeld is van de uiteindelijke plannen, gaan we er van uit dat de aanwezige sloten verdwijnen, derhalve is een negatief effect op de staat van instandhouding van eventueel voorkomende beschermde soorten uit te sluiten. De kleine modderkruiper en de bittervoorn staan op de Utrechtse soortenlijst.
Conclusie Negatieve effecten op beschermde vissoorten kunnen redelijkerwijs uitgesloten worden. Echter, de kleine modderkruiper en de bittervoorn staan op de Utrechtse soortenlijst, aanvullend advies voor behoud van deze soorten is gewenst.
5.2.5 Reptielen en amfibieën Volgens de NDFF komen in de omgeving van het plangebied de kleine watersalamander, gewone pad, heikikker, bruine kikker en de bastaardkikker voor. De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel, een belangrijke habitat voor de populaties uit de Vijfheerenlanden en het Kromme Rijngebied. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. De aanwezigheid van de heikikker in het plangebied kan dan ook redelijkerwijs uitgesloten worden. De overige aangetroffen soorten zijn door de provincie vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen.
18
ECONU
In het opgegeven zoekkader in de NDFF zijn geen waarnemingen van rugstreeppad, poelkikker, kamsalamander en alpenwatersalamander bekend. Deze soorten komen volgens de verspreidingskaarten in het boek ‘De amfibieën en reptielen van Nederland’ (Creemers et al. 2009) wel in de omgeving van het plangebied voor. Op basis van de aangetroffen biotopen in het plangebied kan de aanwezigheid van de kamsalamander, poelkikker en alpenwatersalamander uitgesloten worden. Echter, de rugstreeppad heeft een voorkeur voor duinen en ruderale terreinen. Dit zijn zandige gebieden met een natuurlijk of door de mens veroorzaakt pionierskarakter. Verder wordt de soort in een breed scala aan landschapstypen aangetroffen. De sloten en ruigtes aan de noordkant van het plangebied vormen dan ook een geschikt habitat voor deze soort. Gezien het beperkte aantal waarnemingen en de onvolledigheid van de NDFF met betrekking tot voorkomende soorten in het plangebied en de mobiliteit van de rugstreeppad, is het niet op voorhand uit te sluiten dat deze soort in het plangebied voor komt. Derhalve is een negatief effect op de staat van instandhouding van deze soort niet uit te sluiten en is een aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Er zijn geen meldingen van reptielen in de omgeving van het plangebied. Het plangebied zelf is echter geschikt leefgebied voor de ringslang en de levendbarende hagedis. Er zijn immers broed- en bladhopen, sloten, struweel, wegbermen en schuilmogelijkheden aanwezig. Echter door de inklemming van het plangebied door de drukke autosnelwegen en het kanaal, het ontbreken van waarnemingen en de afstand tot bekende leefgebieden is het uit te sluiten dat deze soorten in het plangebied voorkomen en er negatieve effecten optreden.
Conclusie Het directe plangebied vormt geen leefgebied voor reptielen en beschermde amfibieën, met uitzondering van de rugstreeppad. Derhalve is verder onderzoek naar deze soort noodzakelijk.
5.2.6 Vogels Het plangebied, en met name het noordelijke deel is geschikt als broed- en foerageergebied voor diverse vogelsoorten. In de NDFF staan waarnemingen van algemene stads-, water- en weidevogel maar ook van enkele minder algemene soorten als de blauwborst, nachtegaal en de sprinkhaanzanger (zie Bijlage 2). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving o.a. huismus, fazant, ekster, houtduif, kauw, kraaien, witte zwaan, diverse mezensoorten, putters, fuut, wilde eend, buizerd, torenvalk en meeuwen waargenomen. Op de daken van de bedrijfsgebouwen van de bazaar en de papier- en metaalrecycling kunnen scholeksters en meeuwen broeden. Een woning (Taatsendijk 1c) heeft een pannendak waar huismussen en gierzwaluwen een nestgelegenheid onder kunnen vinden. Bij 19
ECONU
de andere woning (Taatsendijk 1) biedt het dak geen nestgelegenheden voor gebouw bewonende soorten. Maar daar is een veelvoud aan bijgebouwen en opstallen te vinden waar huismussen, zwarte roodstaart en wellicht een steenuil een broedplek vindt. De locatie was dermate onoverzichtelijk dat een volledige controle op aanwezige nesten/braakballen e.d. onmogelijk was. De dennenbomen achter de woningen bieden een geschikte broedplek voor buizerd, ransuilen en sperwer. In de ruigtes verspreid over het plangebied broeden veel verschillende soorten. De sloten bieden prima leefgebied voor eenden, meerkoetjes en zwanen terwijl in de weilanden naast het plangebied de kievit en tureluur een plekje vindt. In de bomen in en rond het plangebied zijn enkele eksternesten aangetroffen, maar het was onmogelijk om de aan- of afwezigheid van nesten in de dennenbomen achter de woningen vast te stellen. De parkeerplaats is voor vogels waarschijnlijk niet interessant, afgezien van de vuilnisbakken die door meeuwen, eksters en kauwtjes geplunderd worden.
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten (huismus en gierzwaluw) in de woning aan de Taatsendijk 1c kan niet worden uitgesloten. Bij de naast gelegen woning (Taatsendijk 1) kunnen huismussen, zwarte roodstaart en zelfs steenuiltjes in de aanwezige schuurtjes en bijgebouwen broeden. In de bomen achter de woningen aan de Taatsendijk kunnen jaarrond beschermde nesten van buizerd, ransuil en sperwer aanwezig zijn. Boomvalk, slechtvalk, ooievaar, kerkuil, roeken en grote gele kwikstaarten worden in het plangebied niet verwacht. Daarnaast komen in het plangebied met zekerheid de soorten kleine karekiet, merel en tjiftjaf voor. Deze soorten staan op de Utrechtse soortenlijst.
Het plangebied is geschikt als foerageer- en broedgebied voor algemene vogelsoorten. Negatieve effecten op foerageergebied zijn niet direct uit te sluiten; het is nog de vraag of in de directe omgeving van het plangebied voldoende geschikt alternatief foerageer- en broedgebied aanwezig is. Voor de algemeen voorkomende vogelsoorten geldt volgens de Wnb dat, indien exemplaren aan het broeden zijn, het verwijderen van bomen en beplanting niet kan plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Gedurende het broeden zijn de nesten van alle vogels en de functionele leefomgeving strikt beschermd. Voorbijtrekkende vogels hebben weinig last van de voorgenomen initiatieven.
Conclusie Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemeen voorkomende vogelsoorten. De voorgenomen plannen kunnen negatieve effecten hebben ten aanzien van foerageer- en/of broedgebied van deze algemene soorten. 20
ECONU
Indien vogels aan het broeden zijn, kan het verwijderen van bomen en beplanting niet plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Door bomen en struiken buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.
Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten en leefgebied van jaarrond beschermde soorten aanwezig in het plangebied (huismus, gierzwaluw, buizerd, steenuil, ransuil en sperwer), dit dient nader onderzocht te worden. Tevens bestaat de mogelijkheid op broedgevallen van de zwarte roodstaart, deze soort heeft alleen een jaarrond bescherming indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Gezien de “nette” bebouwing rond het plangebied waarin geschikte broedlocaties voor deze soort ontbreken, is er geen alternatief broedgebied voor deze soort buiten het plangebied, dit is een zwaarwegende reden. Daarnaast staan de soorten kleine karekiet, merel en tjiftjaf op de Utrechtse soortenlijst, aanvullend advies voor behoud van deze soorten is gewenst.
5.2.7 Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de laatvlieger, de meervleermuis, de rosse vleermuis en de tweekleurige vleermuis voorkomt.
In de kantoorgebouwen aan de zuidzijde van het plangebied zijn zeer veel open stootvoegen aangetroffen, hetzelfde geldt voor de gebouwen van de Bazaar en de papier- en metaalrecycling. Ook de woning aan de Taatsendijk 1c biedt geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Daarnaast zijn in de bosjes rond KWS Infra bomen aangetroffen met holtes waar boom bewonende soorten kunnen verblijven. Op basis van de aangetroffen biotopen, inrichting en de eigenschappen van het terrein wordt ingeschat dat aan de noordkant van het plangebied en boven het weiland langs het kanaal belangrijke foerageergebieden voor vleermuizen aanwezig zijn. Het is tevens mogelijk dat vleermuizen de lijnvormige bomen langs het kanaal en de Mercatorlaan gebruiken als vliegroutes tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De geplande werkzaamheden zijn waarschijnlijk van dien aard dat deze activiteit verstoord wordt. De mogelijk aanwezige vliegroutes verdwijnen waardoor ook de kans bestaat dat eventueel aanwezige verblijfplaatsen in de kantoorgebouwen en de woning aan de 21
ECONU
Taatsendijk niet meer functioneel zijn. Door de geplande ruimtelijke ontwikkeling worden mogelijkerwijs verblijfplaatsen van vleermuizen (in de bedrijfshallen aan de noordzijde, in de kantoorgebouwen aan de zuidzijde, in de woning aan de Taatsendijk 1c en in de bomen rond KWS Infra) vernietigd of verstoord. Tevens worden mogelijke foerageergebieden en vliegroutes vernietigd of verstoord waardoor negatieve effecten op de vleermuis niet op voorhand uit te sluiten zijn. Een soortgericht onderzoek naar vleermuizen en relevante functionaliteiten in het plangebied is noodzakelijk.
Overige zoogdieren Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de ruime omgeving van het plangebied diverse zoogdiersoorten voorkomen: boommarter, steenmarter, bunzing, egel, haas, konijn, eekhoorn, huisspitsmuis en veldmuis. Het plangebied kan gezien de huidige inrichting en ligging leefgebied vormen van algemene soorten grondgebonden zoogdieren. Tijdens het veldbezoek zijn sporen van konijn, muizenholen, een groot aantal hazen en twee egels gezien. Deze soorten zijn in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen echter vrijgesteld volgens de Wnb. De haas is echter recent wel op de Rode lijst geplaatst en derhalve geldt voor de ze soort een strengere zorgplicht. Het voorkomen van de strenger beschermde soorten eekhoorn en boommarter kan op basis van bekende leefgebieden en de aangetroffen biotopen in het plangebied uitgesloten worden. Dat geldt niet voor de mogelijke aanwezigheid van steenmarters en bunzingen, het plangebied vormt voor beide soorten een prima leefgebied. De bunzing is in de provincie Utrecht ook vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, maar de steenmarter is volgens de Wnb beschermd. De geplande ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) vernietiging van het leefgebied van de steenmarter, een aanvullend onderzoek is dan ook noodzakelijk.
Conclusie vleermuizen en grondgebonden zoogdieren Aangezien de vernietiging of verstoring van verblijfplaatsen, foerageergebieden en/of vliegroutes van vleermuizen niet op voorhand kan worden uitgesloten, dient hier een aanvullend onderzoek naar plaats te vinden. Tevens kan de geplande ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) vernietiging van het leefgebied van de steenmarter, een aanvullend onderzoek is dan ook noodzakelijk.
22
ECONU
6 Conclusies Beschermde gebieden Ondanks de ruime afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is het redelijkerwijs niet uit te sluiten dat de voorgenomen plannen negatieve effecten tot gevolg hebben op Natura 2000-gebieden. Door de omvang van de geplande ontwikkeling is een stikstofdepositie in stikstof gevoelige habitats mogelijk. Een aerius-berekening is noodzakelijk, indien er daadwerkelijk een depositie van stikstof plaatsvindt, dan is een natuurtoets noodzakelijk om de significantie van de depositie ten aanzien van instandhoudingsdoelen vast te stellen. De voorgenomen plannen hebben geen aantasting van het NNN tot gevolg. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op beschermde beeldbepalende bomen of houtopstanden.
Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en de Utrechtse soortenlijst. In tabel 1 staat een samenvatting van de conclusies met betrekking tot soort- en gebiedsbescherming.
Soorten van de Vogelrichtlijn van de Wet natuurbescherming (VR) Het plangebied is geschikt als foerageer- en broedgebied voor algemene vogelsoorten. Het is de vraag of in het plangebied en de directe omgeving voldoende geschikt alternatief foerageer- en broedgebied aanwezig is bij de uitvoering van de ruimtelijke ontwikkeling. Derhalve kunnen de voorgenomen plannen negatieve effecten hebben ten aanzien van het foerageer- en broedgebied van algemene vogelsoorten. Hiermee zal bij de ontwikkeling van de plannen rekening gehouden moeten worden. Als het verwijderen van bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat negatieve effecten optreden ten aanzien van broedende algemeen voorkomende vogelsoorten. In de Wet natuurbescherming wordt echter geen standaardperiode voor het broedseizoen gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van huismussen, gierzwaluwen, ransuil, buizerd, sperwer, steenuilen en zwarte roodstaarten in het plangebied aanwezig. Een soortgericht onderzoek naar deze jaarrond beschermde nesten en relevante functionaliteiten is dan ook noodzakelijk aangezien er negatieve effecten te verwachten zijn.
23
ECONU
Soorten van de Habitatrichtlijn van de Wet natuurbescherming (HR) Door de geplande ruimtelijke ontwikkeling worden mogelijkerwijs verblijfplaatsen van vleermuizen (in de bedrijfshallen, kantoorpanden, de woning aan de Taatsendijk 1c en de bomen rond KWS Infra) vernietigd of verstoord. Tevens worden mogelijke foerageergebieden en vliegroutes vernietigd of verstoord waardoor negatieve effecten op de vleermuis niet op voorhand uit te sluiten zijn. Aangezien de vernietiging of verstoring van verblijfplaatsen, foerageergebieden en/of vliegroutes van vleermuizen niet op voorhand kan worden uitgesloten, dient hier een aanvullend onderzoek naar plaats te vinden.
Nationaal beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Nat) De voorgenomen plannen hebben mogelijk een negatief effect op algemeen voorkomende (bunzing, egel, haas, konijn, eekhoorn, huisspitsmuis en veldmuis). Voor deze soorten geldt in provincie Utrecht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Tevens kan de steenmarter in het plangebied leven, deze soort is niet vrijgesteld en de geplande ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten, een aanvullend onderzoek naar deze soort is dan ook noodzakelijk.
Soorten van de Utrechtse soortenlijst (USL) Een aantal soorten die in het gebied voorkomen staan op de Utrechtse soortenlijst, het betreft de grote kaardenbol, veldlathyrus, kleine modderkruiper, bittervoorn, kleine karekiet, merel en de tjiftjaf. Ook de aanwezigheid en verspreiding van deze soorten zullen in kaart gebracht moeten worden.
Mitigerende maatregelen Normaal gesproken wordt op basis van de mogelijk aanwezige soorten onderzocht of het treffen van mitigerende maatregelen er toe kan leiden dat te verwachten negatieve effecten teniet gedaan kunnen worden. Echter, op dit moment is er geen duidelijkheid over de omvang van de plannen en de uitvoering hiervan, derhalve wordt uitgegaan van een worse-case scenario waarbij het hele plangebied ontdaan wordt van begroeiing, alle sloten gedempt worden, de bomen gekapt worden en de woningen en bedrijfspanden aan de noordzijde gesloopt worden. Indien een of meer van deze stappen niet uitgevoerd worden, dan kan dat een grote invloed hebben op de te verwachten effecten.
24
ECONU
Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten
Soort (groep)
Bescherming
Functie plangebied
Mogelijk
Ontheffing
effect
nodig indien
Maatregelen
negatief effect Gebieden
-
Natura2000/NNN
Ja
-
Aerius berekening
Flora
USL
Groeiplaats grote
Ja
Nee
Nader advies
kaardenbol en veldlathyrus Vlinders en
HR/Nat/
-
Nee
Nee
-
HR
Leefgebied platte
Ja
Ja
Nader
libellen Kevers en slakken Amfibieën en
schijfhoorn HR
reptielen Vissen
Leefgebied
onderzoek Ja
Ja
rugstreeppad HR/Nat/USL
Leefgebied kleine
Nader onderzoek
Ja
Nee
Nader advies
Ja
Nee, mits
Werk buiten
maatregelen
broedseizoen
getroffen
en realisatie
worden
geschikt
modderkruiper en bittervoorn Vogels
VR/USL
Foerageer- en nestgebied
leefgebied. Nader advies USL Vogels
VR
Foerageer- en
(nest jaarrond
nestgebied huismus,
beschermd)
gierzwaluw, buizerd,
Ja
Ja
Nader onderzoek
steenuil, ransuil, sperwer Zoogdieren
Nat
Leef- en
Ja
Ja
foerageergebied
Nader onderzoek
steenmarter Zoogdieren (vleermuizen)
HR
Verblijfplaatsen, foerageergebied en
Ja
Ja
Nader onderzoek
vliegroutes
25
ECONU
Geraadpleegde bronnen Literatuur
+ Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
+ Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden.
+ Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging- rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
+ Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
+ Ministerie van Economische Zaken, Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt, versie 1.3 december 2016.
+ Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Internet
+ Natura 2000-gebieden, www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx + NNN, https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten + http://www.netwerkecologischemonitoring.nl/dataloket + Verordening natuurbescherming , http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/ + www.compendiumvoordeleefomgeving.nl + www.eis-nederland.nl + www.libellennet.nl + www.soortenbank.nl + www.vlindernet.nl + www.zoogdiervereniging.nl + www.verspreidingsatlas.nl
26
ECONU
Bijlage 1 Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd).
Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen.
De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: + Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; + Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende
27
ECONU
beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; + Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode
28
ECONU
Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wn)
Categorie 2 (§ 3.5 Wn)
Categorie 3 (§ 3.10 Wn)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te
natuurlijke verspreidingsgebied
doden of te vangen
vangen
opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
vernielen of te beschadigen, of nesten
van dieren te beschadigen of te
van dieren opzettelijk te beschadigen
van vogels weg te nemen
vernielen
of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en
Het is verboden eieren van dieren in
deze onder zich te hebben
de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
-
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun
Het is verboden plantensoorten in hun
natuurlijke verspreidingsgebied
natuurlijke verspreidingsgebied
opzettelijk te plukken en te
opzettelijk te plukken en te
verzamelen, af te snijden, te
verzamelen, af te snijden, te
ontwortelen of te vernielen
ontwortelen of te vernielen
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.
Natura 2000 (bron: Rijksoverheid)
29
ECONU
In 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet biedt een beschermingskader voor de flora en fauna binnen de aangewezen beschermde gebieden, de zogenaamde Natura 2000- gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt met de habitattoets.
De habitattoets bestaat uit drie onderdelen: + oriëntatiefase (en vooroverleg); + verslechterings- en verstoringstoets; + passende beoordeling.
De oriëntatiefase maakt geen deel uit van de in de wet geregelde procedures. In de praktijk is deze stap nodig. Gezamenlijk met het bevoegd gezag wordt bepaald of goedkeuring van het plan nodig is en welke verdere procedure doorlopen moet worden. Afhankelijk van de kans en omvang van de effecten op een Natura 2000-gebied bestaat de vervolgprocedure uit het uitvoeren van een verslechterings- en verstoringstoets, een passende beoordeling of geen enkele toetsing. Indien er geen kans is op negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is geen goedkeuring voor de plannen of het project nodig. Als uit de oriëntatiefase is gebleken dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan drie criteria worden voldaan.
Deze criteria zijn: + er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied; + er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang; + er is voorzien in compenserende maatregelen.
Alléén als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend. Indien uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is op (niet-significante) negatieve effecten, dient een verslechterings- en verstoringstoets te worden uitgevoerd.
Met dit onderzoek wordt bepaald: 30
ECONU
+ of deze kans reëel is en + of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is.
Natuurnetwerk Nederland / Ecologische hoofdstructuur (bron: Rijksoverheid) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het doel van het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur is om de EHS als netwerk van natuurgebieden te beschermen tegen negatieve effecten van ruimtelijke ingrepen. Dat betekent niet dat ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid, verboden zijn. Door het doorlopen van het afwegingskader wordt vastgesteld of, en zo ja, onder welke voorwaarden een ontwikkeling in de Ecologische Hoofdstructuur kan worden toegelaten. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur vindt plaats door het nee-tenzij-regime uit de Nota Ruimte. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de EHS in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De beleidsmatige basis voor het afwegingskader voor de Ecologische Hoofdstructuur is de Nota Ruimte.
Daarnaast hebben Rijk en provincies een beleidskader Spelregels EHS opgesteld. Het beleidskader geeft een uitwerking, verduidelijking en aanscherping van de verschillende onderdelen van het afwegingskader. De provincies laten de inhoud van de Spelregels EHS doorwerken in het provinciaal ruimtelijk beleid. De bescherming van de EHS gebeurt via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. Het beschermingsregime is onder de WRO door het Rijk vastgelegd in de AMvB Ruimte en werkt via provinciale verordeningen.
Bijlage 2 NDFF data Waarnemingen in NDFF volgens zoekkader bronnenonderzoek
Vleermuizen(8) 2203
myoot (soort
Overige zoogdieren(10)
Gewone
onbekend)12
145
dwergvleermuis1828
Rosse vleermuis92
Boommarter3
Gewone/Kleine/Ruige
Ruige
Bosmuis5
dwergvleermuis9
dwergvleermuis207
Bunzing12
Laatvlieger42
Tweekleurige vleermuis4
Eekhoorn3
Meervleermuis9
Egel63 31
ECONU
Haas36
Grote Canadese gans1
Roodborsttapuit1
Huisspitsmuis3
Grote Gele Kwikstaart94
Scholekster14
Konijn15
Grote Lijster1
Slechtvalk3
Steenmarter3
Grutto1
Sperwer72
Veldmuis2
Havik18
Spotvogel10
Heggenmus30
Spreeuw38
Vogels(84) 2665
Houtduif97
Sprinkhaanzanger5
Aalscholver3
Huismus75
Staartmees4
Appelvink2
Huiszwaluw2
Steenuil3
Blauwborst7
Kauw84
Tjiftjaf91
Blauwe Reiger12
Kerkuil11
Torenvalk7
Boerenzwaluw1
Kievit18
Tuinfluiter16
Boomklever5
Kleine Karekiet27
Tureluur2
Boomkruiper33
Kleine Plevier3
Turkse Tortel37
Boomvalk29
Kneu1
Vink44
Bosrietzanger30
Knobbelzwaan6
Visdief7
Braamsluiper5
Koekoek1
Waterhoen2
Buizerd425
Kokmeeuw21
Wilde Eend23
Ekster90
Koolmees81
Winterkoning59
Fazant3
Krakeend3
Witte Kwikstaart3
Fitis18
Kuifeend1
Zanglijster20
Fuut3
Matkop1
Zilvermeeuw23
Gaai5
Meerkoet18
Zwarte Kraai88
Gekraagde Roodstaart1
Merel112
Zwarte Roodstaart21
Gele Kwikstaart1
Nachtegaal2
Zwartkop57
Gierzwaluw157
Ooievaar226
Goudhaan2
Pimpelmees43
Amfibieën(5) 184
Grasmus32
Putter16
Bastaardkikker2
Graspieper1
Ransuil15
Bruine kikker41
Grauwe Gans8
Rietgors13
Gewone pad122
Groene Specht18
Rietzanger18
Heikikker6
Groenling31
Roek20
Kleine
Grote Bonte Specht12
Roodborst21
watersalamander13
1
ECONU
Aangetroffen planten in het plangebied
Akkervergeet-mij-nietje1
Hemelboom1
Rode klaver1
Avondkoekoeksbloem1
Herik2
Rood zwenkgras1
Bermooievaarsbek1
Hertshoornweegbree1
Ruige zegge1
Bleekgele droogbloem1
Holpijp1
Scherpe boterbloem1
Boerenwormkruid1
Hondsroos1
Schijnraket1
Boslathyrus4
Kleine klaver1
Sint-Janskruid1
Brede lathyrus2
Kleine leeuwentand1
Slanke waterkers1
Breed
Kleine ooievaarsbek1
Slipbladige
lampenpoetsergras2
Kleine varkenskers1
ooievaarsbek1
Brem1
Kleine veldkers1
Slipbladkaardenbol3
Dauwbraam1
Kleine watereppe1
Spiesmelde1
Duizendblad1
Klimopereprijs1
Teunisbloem onbekend2
Echte valeriaan1
Knoopkruid1
Tijmereprijs1
Gekroesde melkdistel1
Koningskaars1
Tomaat1
Gele lis1
Kroontjeskruid1
Tripmadam1
Gewone bermzegge1
Kruipende boterbloem1
Tuinakelei1
Gewone brunel1
Kruipertje1
Tuinwolfsmelk1
Gewone margriet1
Kruldistel1
Valse voszegge1
Gewone pastinaak1
Krulzuring1
Veldereprijs1
Gewone veldsla1
Lidrus1
Veldlathyrus1
Gewoon biggenkruid1
Liggende klaver1
Vertakte leeuwentand1
Gewoon
Moerasrolklaver1
Vierzadige wikke1
jakobskruiskruid1
Moeraszuring1
Vijfdelig kaasjeskruid1
Gewoon langbaardgras1
Muizenoor1
Vijfvingerkruid1
Glanshaver2
Muskuskaasjeskruid1
Viltig kruiskruid1
Grijze mosterd2
Paarse dovenetel1
Viltige basterdwederik1
Groene naaldaar1
Pastinaak /
Vogelwikke1
Grote kaardenbol1
Brandpastinaak1
Vroegeling1
Grote klaproos1
Raapzaad2
Watermunt1
Grote lisdodde1
Reukeloze kamille1
Wilde cichorei1
Grote zandkool1
Reuzenberenklauw1
Wit vetkruid1
Hangende zegge1
Ringelwikke1
Wolfspoot1
Hard zwenkgras1
Robinia1
Wollige munt1
Heelblaadjes1
Rode ganzenvoet1
Zandraket1 1
ECONU
Zeegroene rus1 Zwarte balsempopulier1 Zwarte mosterd2 Zwenkdravik1
1