Bijlage 4. Zienswijze Asra Advies op memo VBK.pdf
Tekst van het document
Gemeente Utrecht Stadsplateau 1 3521AZ UTRECHT Krommenie, 4 april 2023 Referentie Betreft
: : Zienswijze op aanvullende notitie overgangsrecht Utrecht d.d. 3-4-2023
Geacht college, Op 3 april jongstleden ontving ik de notitie over overgangsrecht van u welke door VBK Advocaten en Notariaat op voornoemde datum is opgesteld. Deze notitie is opgesteld naar aanleiding van het gesprek dat ik en mevrouw Şen van de branchevereniging CVAH met uw medewerkers en de medewerkers van het advocatenkantoor hebben gevoerd. Het moet mij van het hart dat ik het bijzonder jammer vind om te constateren dat in de notitie wederom de focus is gelegd op de argumenten om overgangsrecht niet mogelijk te (willen) maken. De argumenten hiervoor heeft u verder uitgewerkt en nader belicht. Wat ik mis zijn de mogelijkheden waarop zowel mevrouw Şen als ik hebben gewezen. Met de inzet dat wij beiden hebben gepleegd is weinig gedaan. Ik herhaal een paar van die argumenten, namelijk overgangsrecht zoals door gemeente is ingevoerd is niet duidelijk en consistent (zie hieronder), het is niet gebaseerd op de Dienstenrichtlijn. Immers pas in 2018 is duidelijk geworden dat ambulante handel onder de Dienstenrichtlijn kwam te vallen. En er is sprake van bijzondere omstandigheden in een complexe situatie.
Reactie op de visie gemeente/VBK De gemeente respectievelijk VBK geeft aan dat op 21 juli 2021 (ABRvS 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1588) door de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State een uitspraak is gedaan waarbij het volgende is overwogen: “Gelet op het doel van de Dienstenrichtlijn moet het daartoe mogelijk vergunnen van een overgangstermijn beperkt blijven tot bijzondere situaties, zoals die waarin het desbetreffende beleid plotseling is gewijzigd of de recent gemaakte investeringen sterk afwijken van de investeringen die gemiddeld gezien worden gemaakt.” Vervolgens wordt aangegeven dat er volgens u geen sprake is van een bijzondere omstandigheden die dit zou kunnen rechtvaardigen met name omdat er in 2013 een expliciete overgangstermijn aan de zittende ondernemers is gegeven. De gemeente/VBK voert ook een aantal raadstukken en brieven aan als bewijs.
Gemeente Utrecht 4 april 2023, pagina 1 van 4 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
In eerdere correspondentie van zowel Asra-Advies als CVAH is aangegeven dat afgelopen periode, een periode is geweest van aantal bijzondere omstandigheden. We hebben Coronacrises gehad dat diepe wonden heeft achtergelaten bij ondernemers. Ook is er sprake van een zeer hoge inflatie en daarmee verminderde koopkracht (mini economische crises?). De regels rondom verkoop en exploitatie zijn en/of worden ten opzichte van 2013 fors verzwaard, te denken valt aan energiebesparingen en afvalpreventie. Dit brengt investeringen met zich mee. Ook de per 1 januari 2025 nog van kracht te worden Zeroemissiezone en daarmee gepaard gaande investeringen maken dat er gesproken kan worden van een bijzondere omstandigheid. Wat betreft de brieven en de raadstukken die door de gemeente/VBK worden aangehaald wordt het volgende opgemerkt. Ik heb een groot aantal ondernemers gevraagd of men zich kan herinneren wat er in 2013 is besproken en of men ook een reactie heeft gestuurd (keuze-formulier) naar de gemeente. Men wist mij te vertellen dat de gehele opzet van het beleid toen was: “We maken het makkelijker voor de ondernemers en ook de gemeente. Er zal sprake zijn van veel minder administratieve rompslomp”. Van een hele duidelijke overgangstermijn kan men zich niets herinneren. Dit wordt onderschreven door het feit dat de gemeente alleen in één brief over overgangsrecht spreekt.
Overigens wordt opgemerkt dat interne documenten voor de ondernemers niet relevant zijn, want zij zijn niet bekend met deze documenten. Daarom wordt daar ook verder niet op ingegaan. Een gedeelte van de ondernemers heeft aangegeven de formulieren niet te hebben ontvangen ook niet te hebben verstuurd. Vorenstaande brengt mij tot de vraag of de gemeente/VBK mij en CVAH kan voorzien van alle documentatie die men heeft van de standplaatshouders, in het bijzonder de keuze-formulieren. Over het keuze-formulier dat de gemeente/VBK ter beschikking heeft gesteld merk ik op dat het niet gedateerd is en ook niet ondertekend. Er is ook niet expliciet vermeld dat de persoon in kwestie akkoord gaat met een overgangsrecht. Er wordt een keuze geboden voor een contractduur van 10 jaar en 5 jaar. Ook hieruit volgt niet dat duidelijk is dat er sprake is van een overgangsbepaling welke voor 10 jaar zal gelden. Vorenstaande onduidelijkheid wordt alleen maar groter als de vergunningen verleend in 2013 worden geraadpleegd. In deze vergunningen, verleend nadat er gesproken is door de gemeente over overgangsrecht, is niets opgenomen over overgangsrecht. Er wordt alleen maar gesproken over een contractduur. Wat betreft contractduur wordt opgemerkt dat de vergunningen voor 2013 jaarlijks werden verlengd.
Door niet expliciet te vermelden in de vergunningen die in 2013 zijn verleend, dat er geen sprake meer zal zijn van een verlenging na het verstrijken van de vergunningstermijn, heeft de gemeente de ondernemers in grote mate van onzekerheid gebracht. Dit wordt versterkt doordat de gemeente pas begin 2023 is gestart met actief communiceren over het nieuwe standplaatsenbeleid en standplaatshouders dus zeer recent tot besef zijn gekomen dat “hun” standplaats beschikbaar wordt gesteld voor iedereen. Vorenstaande leidt tot strijdigheid met rechtszekerheid.
Gemeente Utrecht 4 april 2023, pagina 2 van 4 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
In de vorenstaande argumenten is aanleiding te vinden voor bijzondere situatie die de gemeente kon en nog steeds kan gebruiken om de ondernemers tegemoet te komen met een overgangstermijn. Ten slotte wil ik aan het vorenstaande het volgende toevoegen. Met de overweging 62 van de preambule van de Dienstenrichtlijn wordt nadruk gelegd op het feit dat terugverdientijd een belangrijke factor is. Dit in combinatie met hetgeen hiervoor is aangegeven maakt, dat er grond kan worden gevonden voor het instellen van een overgangsbepaling. Vorenstaande wordt ook ondersteund door artikel 12 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Verder wordt opgemerkt dat er over dit onderwerp jurisprudentie aanwezig is, maar niet in overvloed. Daarom is de strikte houding van de gemeente/VBK ook te betreuren, omdat er nog ruimte is waar men nog in kan bewegen om zo te komen tot een redelijke overgangstermijn en daarmee de standplaatshouders tegemoet kan komen. Looptijd van de vergunningen Over de looptijd van de vergunningen is ook gesproken. De visie van de gemeente/VBK is dat een looptijd van 10 jaar voldoende is. Overweging 62 van de preambule wordt hierbij aangehaald met de volgende drie criteria: - (i) "buitensporig" lange duur, - (ii) automatische verlenging of; - (iii) het toekennen van enig voordeel aan de toekenning van de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen.
Deze criteria hebben wij ook als uitgangspunt genomen. Echter wij hebben gesteld dat uit het SEO onderzoek volgt dat er sprake is van een terugverdientijd tussen de 9 jaar en 12 jaar en dat uit het eigen onderzoek van CVAH volgt dat terugverdientijd rond 15 jaar ligt. Ook hebben wij aangegeven dat de economische situatie na de Corona-periode anders is geworden dan daarvoor. Er is sprake van een sterke inflatie en een lichte economische crises. Ook moeten er straks investeringen worden gedaan in verband met zero-emissie zone. Vorenstaande betekent dat ondernemers langer moeten werken om de investeringen die zij hebben gedaan of nog moeten doen terug te verdienen. Het hanteren van een langere looptijd dan 10 jaar levert onzes inziens geen strijdigheid op met de hiervoor genoemde criteria. Hierbij wordt ook aangegeven dat er gemeenten zijn die een langere looptijd (15 jaar) voor de standplaatsvergunningen mogelijk hebben gemaakt. Dit betreft onder andere gemeente Velsen, gemeente Nijmegen, gemeente Ede, gemeente Súdwest-Fryslân, gemeente ’s-Hertogenbosch en gemeente Waterland. Ook zijn gemeente Hilversum en Ommen bezig met het opstellen van beleidsregels waarbij 20 jaar als uitgangspunt wordt genomen.
De stelling die de gemeente/VBK hanteert wordt niet onderbouwd met een onderzoek, terwijl er in de praktijk meer dan voldoende voorbeelden aanwezig zijn waarbij een terugverdientijd van 15 jaar wordt gehanteerd en hiermee dus ook vergunningen voor 15 jaar worden uitgegeven. Daarom adviseert Asra-Advies om een overgangstermijn van 15 jaar te hanteren. Gemeente Utrecht 4 april 2023, pagina 3 van 4 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht
De notitie van de gemeente/VBK is opgesteld vanuit een conservatieve houding. Mijn verzoek is deze conservatieve houding te verlaten en een meer progressieve houding aan te nemen waaruit ook blijkt dat de gemeente er is voor de zittende ondernemers. Afsluiting Ik ga ervan uit u voldoende geïnformeerd te hebben. Mocht u meer informatie wensen, dan kunt u contact opnemen met ondergetekende. Met vriendelijke groeten, Asra-Advies Z.M. Hussain (Juridisch) adviseur en mediator
Gemeente Utrecht 4 april 2023, pagina 4 van 4 Asra Advies Milieuonderzoek | Omgevingsrecht