CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 - verweerschrift vertegenwoordigers van de Kroon

Commissie Veiligheid, Bestuur en Financiën (2022-2026) 16 januari 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Agenderingen ter plaatse op basis van de lijst ingekomen raadsbrieven en de Raadsbrief en juridische analyse over het beroep bij de RvS7.875 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

PELS RI¡CKEN

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Zitting van 23 juli 2024, 10:00 uur Zaaknummer 202400721/l/A2

Verweerschrift

inzake de Kroon verweerder gemachtigden: mrs. B.S. Jaasma en I.M. van der Heijden, advocaten in Den Haag tegen gemeenteraad van Utrecht eiser gemachtigden: mrs. T. Barkhuysen en A.A. al Khatib, advocaten in Amsterdam

+31 70 515 3000 pelsrijcken.nl Pelsijcken R & Droogleever Fortuijn Den Haag N.

2/20

1 1.1

Kern van de zaak Inwoners van gemeenten met een laag inkomen kunnen in aanmerking komen voor kwijtschelding van deze gemeentelijke belastingen. Landelijke regelgeving bepaalt wanneer kwijtschelding mag worden verleend. Een belangrijke voorwaarde voor kwijtschelding is dat de inwoner slechts over beperkt vermogen beschikt (lees: een beperkt bedrag aan spaargeld). Dit wordt de vermogensgrens genoemd.

1.2

De gemeenteraad van Utrecht (hierna: "gemeenteraad") heeft op 7 december 2023 besloten om deze vermogensgrens te verhogen tot boven de maximale vermogensgrens zoals deze volgt uit de landelijke regelgeving (hierna ook: "raadsbesluit"). De gemeenteraad heeft daarbij gekozen om aan te sluiten bij de (hogere) vermogensgrens die wordt gehanteerd bij de vraag of een persoon recht heeft op een bijstandsuitkering. Die hogere grens is neergelegd in de Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen gemeente Utrecht (hierna: "Verordening").

1.3

Het besluit van de gemeenteraad is in strijd met de landelijke regelgeving die ziet op de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Dat was ook de bedoeling van de gemeenteraad; de gemeenteraad is het simpelweg niet eens met de landelijke regelgeving op dit punt. Daarover voert de gemeenteraad ook een actieve politieke lobby.

1.4

De Kroon heeft op 20 december 2023 het raadsbesluit vernietigd vanwege strijd met het recht en het algemeen belang. De burgemeester had het besluit van de gemeenteraad voorgedragen voor vernietiging. Het is - volgens de Kroon - niet aan individuele gemeenten om landelijke regelgeving te doorkruisen door een hogere vermogensgrens te hanteren. Algemeen inkomensbeleid, waaronder ook de mogelijkheid van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, is een landelijke aangelegenheid, waarbij geldt dat op dit moment nog de discussie wordt gevoerd over het verhogen van de vermogensgrens bij de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Het is niet aan de gemeenteraad om daarop vooruit te lopen.

1.5

De gemeenteraad is het niet eens met de vernietiging van het raadsbesluit tot wijziging van de Verordening door de Kroon. De gemeenteraad meent dat inwoners van Utrecht met een laag inkomen onderling ten onrechte ongelijk behandeld worden, omdat sommigen wel in aanmerking komen voor kwijtschelding en anderen niet, waardoor het besluit van de Kroon in strijd zou zijn met artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 EVRM en het Twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 9 en 11 IVESCR en in strijd zou zijn met het gelijkheids-, zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Verder zou de vernietiging in strijd zijn met (de bedoeling van) artikel 255 Gemeentewet, aangezien de wetgever volgens de gemeenteraad juist heeft beoogd om aan te sluiten bij de hogere vermogensgrens op grond van (thans) de Participatiewet.

Pels P:jcken & Droogileever Fortuijn N.V.

3/20

1.6

Van dat alles is geen sprake.

l. 7

De wetgever heeft de bevoegdheid voor het bepalen van de hoogte van de vermogensgrens expliciet op nationaal niveau gelegd, namelijk bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: "BZK"), in overeenstemming met de minister van Financiën. Het is aan het op dit moment nog nieuw te vormen kabinet om te bepalen waar deze grens wordt gelegd en hoeveel ruimte gemeenten krijgen om zelf een hogere grens te hanteren.

1.8

Van ongelijke behandeling van verschillende bijstandsgerechtigde inwoners van Utrecht is geen sprake. Inwoners met een hoger vermogen (lees: meer spaargeld) bevinden zich namelijk niet in gelijke positie met inwoners met een lager vermogen (lees: minder spaargeld). Die eerste groep zal minder negatieve gevolgen ervaren van het moeten betalen van gemeentelijke belasting dan de tweede groep. Bovendien zijn er diverse andere manieren om inwoners met een laag inkomen te helpen als zij in de knel komen. Het - evident in strijd met de landelijke regelgeving - verhogen van de vermogensgrens zorgt enkel voor een rechtsonzekere en onuitvoerbare situatie, zoals de invorderingsambtenaar van de gemeente Utrecht zelf ook heeft geconstateerd.

1.9

De Kroon staat eerst stil bij de landelijke regelgeving over de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen (paragraaf 2). Vervolgens licht de Kroon toe wat de gemeenteraad wilde bereiken met het vernietigde besluit en waarom dat besluit in strijd is met de landelijke regelgeving (paragraaf 3). In paragraaf 4 zet de Kroon de procedure van vernietiging uiteen. In paragraaf 5 licht de Kroon toe waarom het raadsbesluit in strijd met het recht en het algemeen belang is en, in paragraaf 6, dat de Kroon, gelet op de grote mate van beleidsvrijheid, het raadsbesluit mocht vernietigen. Tot slot geeft de Kroon een reactie op de dan nog resterende beroepsgronden van de gemeenteraad (paragraaf 7).

2

Landelijke regelgeving kwijtschelding gemeentelijke belastingen De formele wetgever stelt de regels voor het heffen van gemeentelijke belastingen

2.1

Gemeenten kunnen - voor zover daarin bij wet is voorzien - belasting heffen.

2.2

De Gemeentewet (Hoofdstuk XV) stelt de algemene kaders voor het heffen van gemeentelijke belastingen. In artikel 219 lid 1 Gemeentewet is opgenomen dat gemeenten geen andere belasting mogen heffen dan de belastingen die zijn opgenomen in paragraaf 2 (onroerende-zaakbelastingen) en paragraaf 3 (andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen) van dat hoofdstuk, tenzij heffing op basis van andere wetten geschiedt.

Pels Rijcken & Droog leever Fortuijn N.V.

4/20

2.3

Uit artikel 219 lid 2 Gemeentewet volgt dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen, behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk.

2.4

Het is dus aan de formele wetgever om te bepalen óf en welke gemeentelijke belasting kunnen worden geheven. Deze keuze kan in de Gemeentewet of een bijzondere wet worden neergelegd. Bovendien is wettelijk vastgelegd dat de heffingsmaatstaf, en daarmee de hoogte van gemeentelijke belasting, niet gebaseerd wordt op inkomen, winst of vermogen. Gemeenten mogen dus niet inkomens- of vermogensafhankelijke gemeentelijke belasting heffen, tenzij de formele wetgever daarvoor een expliciete uitzondering heeft gemaakt.

2.5

De formele wetgever heeft er bewust voor gekozen om zelf regie te houden op algemeen inkomensbeleid. Het hanteren van het draagkrachtbeginsel bij lagere overheden zou dat, aldus de wetgever, kunnen doorkruisen en past bovendien niet bij het uitgangspunt dat gemeentelijke belastingen op het profijtbeginsel zijn gebaseerd en dus aansluiten bij de kosten die de gemeente heeft. Dat geldt niet alleen voor het tarief, maar ook voor andere onderdelen die invloed kunnen hebben op de hoogte van het uiteindelijk te betalen bedrag, zoals kwijtscheldingen. Zie de Memorie van Toelichting bij (het toenmalige artikel 218 van) de Gemeentewet, waarin is aangegeven dat het een principiële keuze is geweest om het aan de landelijke wetgever te laten of gemeentelijke belastingen op basis van draagkracht geheven mochten worden (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p. 65-66). De huidige landelijke regels voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen

2.6

Artikel 255 lid 2 Gemeentewet bepaalt dat de regels die op grond van artikel 26 van de Invorderingswet 1990 in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: "de Uitvoeringsregeling") zijn neergelegd, ook van toepassing zijn op de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen.

2. 7

De Uitvoeringsregeling bepaalt in artikel 11 aanhef en sub a dat kwijtschelding van belasting wordt verleend indien geen vermogen en geen betalingscapaciteit aanwezig is.

2.8

Artikel 12 lid 2 Uitvoeringsregeling bepaalt vervolgens welke bezittingen niet meetellen bij het bepalen van dit vermogen. Het gaat dan onder andere om niet bovenmatige inboedel (sub a), of het bedrag op een bankrekening afkomstig uit een studielening (sub e). Deze bezittingen staan dus niet in de weg aan het krijgen van kwijtschelding.

2.9

In deze procedure gaat het om vermogen zoals genoemd in artikel 12 lid 2 sub d Uitvoeringsregeling: het totale bedrag aan financiële middelen (kort gezegd:

Pels Rijken & Droogieever Fortuijn N.V.

5/20

spaargeld) dat een persoon maximaal mag hebben om voor kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen in aanmerking te komen. Artikel 12 lid 2 aanhef en sub d Uitvoeringsregeling luidt: "Onder bezittingen wordt niet begrepen: [ ... ] d. het totale bedrag aan financiële middelen, andere dan de onder f bedoelde, voor zover dat bedrag de ingevolge artikel 16 in aanmerking te nemen kosten van bestaan vermeerderd met een bedrag ter grootte van het per maand gemiddelde bedrag van de uitgaven bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b, c en g, niet te boven gaat, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met de in die onderdelen bedoelde vermindering met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget;" 2.10

Het maximumbedrag aan vermogen bestaat op grond van dit artikel uit twee delen: i.

De in aanmerking te nemen kosten van bestaan zoals bedoeld in artikel 16 Uitvoeringsregeling.

ii.

Een in artikel 15 van de Uitvoeringsregeling bepaald (maximaal) bedrag voor extra woonlasten1, zorgverzekeringskosten2 en kosten voor levensonderhoud van kinderen3•

2.11

Bij het bepalen van de hoogte van het eerste deel van het bedrag ("de ingevolge artikel 16 in aanmerking te nemen kosten van bestaan") wordt onderscheid gemaakt tussen pensioengerechtigden en niet-pensioengerechtigden en tussen gehuwden4 en alleenstaanden.

2.12

Voor niet-pensioengerechtigden zijn op basis van artikel 16 lid 1 Uitvoeringsregeling de in aanmerking te nemen kosten als volgt5: • •

voor een alleenstaande boven de 21jaar: €1.156 (90% van € 1.283,83)°; voor gehuwden boven de 21jaar: € 1.651 (90% van 1.834,04)7.

Maximaal € 879,66 (artikel 13 lid 1 sub a Wet op de huurtoeslag) minus de normhuur van € 226,67 (artikel 17 lid 2 Wet op de huurtoeslag) = €652,99. Bij een eenpersoonshuishouden of meerpersoonshuishouden bedraagt de normhuur €224 resp. €223. Betaling van premie voor de zorgverzekering, minus de normpremie. De normpremie bedraagt het deel van het inkomen dat wordt verondersteld te worden uitgegeven aan zorgverzekering (artikel 2 Wet op de zorgtoeslag). Dat bedrag wordt berekend als een percentage van het minimumloon plus een percentage van het inkomen van het huishouden dat het minimumloon te boven gaat. Beide percentages worden bij AMvB bepaald (zie voor de laatste wijziging: Stb. 2022, 472). Het gaat hier om € 203 euro per maand (maximumbedrag kindgebonden budget). Onder 'gehuwd' wordt ook verstaan: personen met een geregistreerd partnerschap of personen die een gezamenlijke huishouding voeren (zie artikel 3 lid 1 en 2 Participatiewet). De bedragen zijn naar boven afgerond. Een overzicht van de overige normbedragen (incl. percentages) per 1 januari 2024 zijn op de website van de VNG geplaatst: https://vng.nl/nieuws/kwijtscheldingsnormenmet-terugwerkende-kracht-aangepast. Artikel 16 lid 1 sub b Uitvoeringsregeling jo. artikel 21 aanhef en sub a Participatiewet. Artikel 16 lid 1 sub a Uitvoeringsregeling jo. artikel 21 aanhef en sub b Participatiewet.

Pel s Rüjcken & Droogl eever Fortuijn N.V.

6/20

2.13

De hoogte van het tweede deel ("gemiddelde bedrag van de uitgaven bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b, c eng") wordt bepaald aan de hand van de individuele omstandigheden met betrekking tot woonlasten, zorgkosten en kosten vanwege de zorg voor kinderen. Deze lasten verschillen vanzelfsprekend per huishouden. Wel geldt in algemene zin dat voor de woonlasten maximaal € 652,99 bij het spaargeld mag worden opgeteld. Voor personen met een (sociale) huurwoning, zal dit doorgaans om honderden euro's gaan. Voor de kosten vanwege de zorg voor (een) kind(eren) geldt een bedrag van € 203 per kind dat bij het spaargeld mag worden opgeteld. Wettelijke ruimte om de vermogensgrens te verhogen

2.14

In artikel 255 lid 3 en 4 Gemeentewet heeft de formele wetgever aan gemeenten ruimte geboden om af te wijken van de bovengenoemde regels.

2.15

Artikel 255 lid 3 bepaalt dat de gemeenteraad er, in afwijking van de regels uit de Uitvoeringsregeling, ook voor mag kiezen dat in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend. Zo kan de gemeenteraad ervoor kiezen om de mogelijkheid van kwijtschelding alleen te bieden bij de afvalstoffenheffing (en niet voor hondenbelasting) en kan de gemeenteraad ervoor kiezen om alleen kwijtschelding van hondenbelasting te verlenen voor de eerste hond. De gemeente Utrecht heeft kwijtschelding mogelijk gemaakt voor: a. onroerende-zaakbelastingen; b. afvalstoffenheffing; c. rioolheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Verordening Rioolheffing gemeente Utrecht; d. hondenbelasting voor ten hoogste twee honden per houder.8

2.16

Daarnaast - en voor deze procedure relevant - bepaalt artikel 255 lid 4 Gemeentewet dat de gemeenteraad (ten opzichte van de Uitvoeringsregeling) afwijkende regels kan stellen met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan en de wijze waarop het vermogen in aanmerking worden genomen, zodat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend. Die mogelijkheid bestaat alleen met inachtneming van door de minister van BZK en Financiën te stellen regels.

2.17

De minister heeft, om invulling te geven aan artikel 255 lid 4 Gemeentewet, de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden (hierna: "Regeling kwijtschelding") vastgesteld.

8

Zie artikel 2 Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen gemeente Utrecht.

Peis Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

7/20

2.18

In de Regeling kwijtschelding worden mogelijkheden geboden om - bij gemeentelijke verordening- in ruimere mate kwijtschelding te verlenen. Het gaat (voor zover in deze procedure relevant) om de volgende mogelijkheden: •

Het hanteren van een hoger percentage voor het bepalen van de kosten van bestaan dan het percentage in artikel 16 lid 1 Uitvoeringsregeling van 90%, mits dat percentage niet hoger is dan 100% (artikel 2 Regeling kwijtschelding);

•

Het verhogen van het totale bedrag aan financiële middelen (als bedoeld in artikel 12 lid 2 sub d Uitvoeringsregeling) dat niet meetelt als vermogen bij het bepalen van recht op kwijtschelding (artikel 4, aanhef, Regeling kwijtschelding), mits dat bedrag niet hoger is dan: o

€2.000 voor gehuwden (sub a);

o

€1.500 voor een alleenstaande (sub b); €1.800 voor een alleenstaande ouder (sub c).

o

3

Verhoging vermogensgrens kwijtschelden gemeentelijke belastingen door de gemeenteraad

3.1

De gemeenteraad van Utrecht heeft meermaals de wens uitgesproken om de vermogensgrens voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen generiek te verhogen. Daardoor zouden meer mensen met een laag inkomen in aanmerking komen voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen.

3.2

Op 10 november 2022 heeft de gemeenteraad de "Motie kwijtschelden belastingen minima" (bijlage 1) aangenomen, die het college opdroeg om in de Verordening de vermogensgrens voor kwijtschelding te verhogen naar de vermogensgrens die gehanteerd wordt bij de vraag of een persoon recht heeft op bijstand. Deze grens is op grond van artikel 34 lid 3 Participatiewet op dit moment als volgt: •

3.3

voor een alleenstaande: € 7.575 (sub a);

•

voor een alleenstaande ouder: € 15.150 (sub b);

•

voor de gehuwden tezamen: € 15.150 (sub c).

In reactie op deze motie heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: "het college") in zijn raadsbrief van 13 december 2022 aangegeven dat het een juridische verkenning heeft laten uitvoeren door advocatenkantoor AKO. In deze juridische verkenning is aangegeven dat het vaststellen van een verordening met een dergelijke verhoging in strijd zou zijn met hogere regelgeving. Het college schrijft daarover (bijlage 2, p. 1-2): "De juridische verkenning door AKO (bijgevoegd) wijst erop dat bij uitvoering van de motie, de raad een verordening vaststelt die in strijd is met hogere regelgeving. De gemeente is bij kwijtschelding gebonden aan landelijke

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

8/20

regels. De beslissingsruimte die lokale besturen hebben omvat niet de bevoegdheid om een verhoogde vermogensnorm te hanteren. Aan die beperking ligt bovendien een bewuste beslissing van het kabinet ten grondslag; het volledig harmoniseren met de vermogensnormen van de participatiewet acht zij vooralsnog, helaas, niet opportuun. Verruiming zoals bedoeld in de motie is op dit moment juridisch niet houdbaar en daarmee niet uitvoerbaar voor het college." 3.4

In deze raadsbrief schetst het college uitgebreid de inzet van interbestuurlijk toezicht en de te verwachten vernietiging van een dergelijk besluit. Dat sloot aan bij het door het college ingewonnen juridische advies. AKD concludeerde dat de motie juridisch-technisch niet goed uitvoerbaar was. En verder: "De kern van onze bevindingen is dat de raad bij onverkorte uitvoering van de motie een verordening dreigt vast te stellen die in strijd is met hogere regelgeving. Indien daartoe wordt besloten, achten wij de kans reëel dat naleving van de hogere regelgeving zal worden afgedwongen met toepassing van de instrumenten van interbestuurlijk toezicht."

3.5

Daarnaast wijst het college op de zelfstandige rol van de invorderingsambtenaar. Het college schrijft dat - zelfs als niet tot vernietiging van het besluit van de gemeenteraad overgegaan zou worden - er geen uitvoering zal worden gegeven aan de verhoogde vermogensnorm (bijlage 2, pagina 2).

3.6

Vanwege onder meer deze redenen heeft het college aangegeven toe te willen werken naar een structurele oplossing voor minima. Het college geeft in de raadsbrief aan samen met de gemeenteraad een volgende stap te willen zetten in de bestuurlijke lobby voor de verhoging van de vermogensnorm, onder meer via de G4 en de VNG, maar ook in direct contact met ministeries, bewindspersonen en Kamerleden (bijlage 2, pagina 3). Met het aanpassen van de Verordening wilde het college echter niet instemmen.

3.7

In de raadsbrief van 7 juni 2023 heeft het college meerdere alternatieven geschetst voor het verhogen van de vermogensgrens bij de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen in de Verordening (bijlage 3).

3.8

In de raadsbrief van 12 september 2023 licht het college toe dat de lobby van de G4 en de gemeente Utrecht nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. De vermogensgrens was weliswaar verhoogd (met maximaal 2.000 euro), maar nog niet tot de vermogensgrens voor het verkrijgen van bijstand. Het college geeft - tot slot aan de motie, die opriep om de vermogensgrens verder te verhogen, niet uit te gaan voeren, omdat die in strijd met de wet zou zijn (bijlage 4): "Met begrip voor het standpunt dat wij blijvend onder de aandacht brengen dat de kwijtscheldingsgrenzen gelijk moeten worden getrokken met die van de participatiewet, vinden wij tegelijkertijd dat van een bestuursorgaan, dat

Pels Rijcken & Droog leever Fortuijn N.V.

9/20

geacht wordt zich aan de wet te houden en dat ook vraagt van haar burgers, niet gevraagd kan worden een dergelijk voorstel in te dienen. Het vastleggen van de maximumgrenzen is aan de wetgever. Die wetgever heeft deze grens wel verhoogd, maar helaas niet naar het niveau waarop wij dat zouden willen zien." 3.9

De gemeenteraad heeft - ondanks de toelichting van het college - op 7 december 2023 het initiatiefvoorstel tot wijziging van de Verordening aangenomen (bijlage 10). Artikel 5 van de Verordening werd als volgt gewijzigd: "Artikel 5 Extra toegestane financiële middelen 1) In afwijking van artikel 12, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt het totale bedrag aan financiële middelen, bedoeld in dat onderdeel, verhoogd tot de vermogensgrens zoals bepaald in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet. 2) Dit artikel is voor het eerst van toepassing op aanvragen kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen vanaf het belastingjaar 2024."

3.10

De gemeenteraad heeft daarmee een generieke vermogensgrens ingesteld voor de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen. In dat geval is het in randnummer 2.10 genoemde onderscheid niet (meer) relevant (waar naast een generiek bedrag ook werd gekeken naar woonkosten, zorgkosten en kosten vanwege de zorg voor kinderen) en geldt slechts nog één maximumbedrag voor personen die wonen in de gemeente Utrecht (zie de bedragen in randnummer 3.2).

4

Voordracht tot vernietiging van het raadsbesluit

4.1

Het besluit van de gemeenteraad om de vermogensgrens voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen te verhogen, is evident in strijd met de Gemeentewet en de Uitvoeringsregeling. Dat wordt door de gemeenteraad ook bevestigd. Zie onder andere de toelichting bij de raadsvoordracht (bijlage 5, p. 3): "Met dit initiatiefvoorstel neemt de gemeente meer bevoegdheid dan is toegestaan in de Regeling. Besluiten van de raad kunnen worden vernietigd bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang (artikel 132, vierde lid, van de Grondwet)."

4.2

Op grond van artikel 268 lid 1 Gemeentewet is de Kroon bevoegd om besluiten van de gemeenteraad te vernietigen wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

4.3

De burgemeester heeft - zoals in de raadsbrieven aangekondigd- aan de minister van BZK medegedeeld dat het raadsbesluit tot aanpassing van de Verordening voor vernietiging in aanmerking komt (bijlage 11).9 De burgemeester acht het raadsbesluit 9

Het gaat hier om een mededeling als bedoeld in artikel 273 lid 1 Gemeentewet.

Pels Ricken & Droogleever Fortuijn N.V.

10/20

in strijd met het recht en het algemeen belang. In haar mededeling vergelijkt zij de situatie met het vernietigde koninklijk besluit van de gemeente Driebergen-Rijsenburg, waarbij een algemene inkomensgrens voor het heffen van reinigingsrechten werd vernietigd omdat het inkomensbeleid toekomt aan de centrale overheid (Stb. 1984,

691). Verder verwijst zij ter onderbouwing naar de bovengenoemde raadsbrieven. Door deze mededeling werd het besluit van de gemeenteraad van rechtswege geschorst voor de duur van 4 weken.1O

4.4

Gedeputeerde staten van Utrecht hebben op 12 december 2023 geadviseerd om het raadsbesluit te vernietigen vanwege strijd met het recht. Gedeputeerde staten schrijven (bijlage 12): "Wij onderschrijven het standpunt van de burgemeester dat er geen wettelijke ruimte is om af te wijken van de ministeriële Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden, waarin regels zijn neergelegd over de wijze waarop gemeenten het vermogen en de kosten van bestaan van belastingschulden kunnen berekenen. Op basis van deze strijdigheid met het recht ondersteunen wij de voordracht van de burgemeester aan u om over te gaan tot vernietiging van het 'Besluit tot wijziging van Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen gemeente Utrecht'. Wij hebben de argumenten van de burgemeester die hebben geleid tot de mededeling en het verzoek getoetst en geconstateerd dat deze kloppen."

4.5

Op 14 december 2023 heeft er een overleg als bedoeld in artikel 10 :41 Awb plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de gemeenteraad en medewerkers van de ministeries van BZK en Financiën. Het verslag is als bijlage 13 ingediend. De gemeenteraad bevestigde in dit gesprek dat hij bewust in strijd met de landelijke regelgeving had gehandeld en niet voornemens was terug te komen op het genomen besluit.

4.6

Op 18 december 2023 heeft de minister het ontwerpbesluit tot vernietiging van het besluit van de gemeenteraad ter ondertekening naar de Koning gestuurd (bijlage 14).

4. 7

Op 20 december 2023 heeft de Kroon - in navolging van de uitleg van de burgemeester en gedeputeerde staten - het besluit van de gemeenteraad van Utrecht tot wijziging van de Verordening vernietigd (bijlage 15). Daarbij is rekening gehouden met het Beleidskader schorsing en vernietiging (bijlage 16).1'

10 11

Artikel 273 lid 3 Gemeentewet. Dat kader is opgesteld na invoering van de Wet revitalisering generiek toezicht, waarin besloten was om spontane vernietiging niet langer als ultimum remedium te beschouwen in het interbestuurlijk toezicht. Zie: Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 3, p. 5: "Spontane vernietiging en «in de plaats stellen» zijn daarmee niet langer een ultimum remedium in het interbestuurlijk toezicht. Dit is een breuk met het verleden en is als zodanig een veranderopgave."

Pels Rick«en & Droogleever Fortuijn N.V.

11/20

5

Het raadsbesluit is in strijd met het recht en het algemeen belang

5.1

Het raadsbesluit is in strijd met het recht. De wetgever heeft nadrukkelijk gekozen voor een gesloten stelsel van gemeentelijke belastingen, waarin de gemeenteraad alleen ruimte heeft voor het stellen van afwijkende regels voor zover de wetgever hem deze ruimte heeft gegeven (zoals toegelicht in randnummer 2.6-2.18). Het voeren van algemeen inkomensbeleid is een landelijke aangelegenheid. Het is een bewuste keuze van de formele wetgever geweest om op landelijk niveau regie te houden over de hoogte van de vermogensgrens voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Het staat de gemeenteraad daarom niet vrij om - enkel voor inwoners van de gemeente Utrecht - generiek de vermogensgrens voor kwijtschelding van gemeentelijke belasting verder te verhogen dan de maximale ruimte daarvoor op grond van de Regeling kwijtschelding. Het is aan de minister van BZK, in overeenstemming met de minister van Financiën, om te bepalen in hoeverre aan (alle) gemeenten ruimte toekomt. In de Regeling kwijtschelding is tot op heden bewust slechts een beperkte ruimte geboden. Het is verder aan de wetgever om te bepalen of die ruimte bij ministeriële regeling bepaald wordt, of dat de grens bijvoorbeeld bij wet wordt bepaald.

5.2

Het raadsbesluit gaat verder dan de Regeling kwijtschelding en is om die reden in strijd met artikel 255 lid 4 Gemeentewet, waarin expliciet is opgenomen dat de gemeenteraad zich aan die regeling te houden heeft.

5.3

Uit rechtspraak van uw Afdeling volgt dat er sprake is van strijd met het recht indien een decentraal bestuursorgaan in strijd heeft gehandeld met de door de formele wet gestelde grenzen aan de toebedeelde bevoegdheid. Nu de gemeenteraad door vaststelling van de Verordening in strijd handelt met de door de formele wet (artikel 255 lid 4 Gemeentewet) gestelde grenzen, staat wat de Kroon betreft vast dat het raadsbesluit vernietigd kon worden vanwege strijd met het recht. Zie ABRvS 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6327: 2.5.1 ... ] Uit het Beleidskader kan worden afgeleid dat het begrip constitutionele verhoudingen ruim uitgelegd dient te worden, in die zin dat daarmee niet alleen wordt gedoeld op de constitutionele bevoegdheidsverdeling, maar ook op de door de formele wetgever gegeven bevoegdheidsverdeling, zowel waar het autonome bevoegdheden als waar het medebewindsbevoegdheden betreft. Hieruit volgt dat de vernietigingsgrond strijd met het recht, genoemd onder a, ook betrekking heeft op het geval waarin een decentraal bestuursorgaan in strijd heeft gehandeld met de door de formele wet gestelde grenzen aan de bevoegdheden die aan het bestuursorgaan zijn gelaten dan wel toebedeeld.

Gelet hierop is de Kroon bevoegd om in het kader van de onder a in het Beleidskader genoemde categorie strijd met het recht te beoordelen of de raad de hem in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Winkeltijdenwet toegekende bevoegdheid juist heeft toegepast."

Pels Rijken & Droogleever Fortuijn N.V.

12/20

5.4

Het besluit van de gemeenteraad is eveneens in strijd met de bedoelingen van de wetgever en daarmee met het algemeen belang. De regels uit de Gemeentewet en de Uitvoeringsregeling hebben nadrukkelijk tot doel de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen in heel Nederland binnen dezelfde grenzen te laten plaatsvinden. De gemeenteraad heeft besloten om dit met een generieke te hoge vermogensgrens te doorkruisen, waardoor voor een inwoner van de gemeente Utrecht, en ook alleen in Utrecht, een aanzienlijk gunstiger kwijtscheldingsregime zou gelden dan elders. Daarmee raakt het raadsbesluit ook aan bovenlokale belangen en is vernietiging aangewezen.

5.5

Vernietiging van het raadsbesluit draagt bovendien bij aan de rechtszekerheid. Als de Kroon het raadsbesluit niet zou hebben vernietigd, dan zou in andere gemeenten twijfel kunnen ontstaan over de vraag of kan worden afgeweken van de landelijke vermogensgrens. Extra onzekerheid kan ontstaan omdat het uiteindelijk aan de invorderingsambtenaar is om daadwerkelijk kwijtschelding te verlenen en ook hij gebonden is aan de landelijke regelgeving. Die onzekerheid acht de Kroon onwenselijk. De vernietiging van het raadsbesluit maakt dat het voor de inwoners van Utrecht, net als voor alle andere Nederlanders, duidelijk is welke regels gelden. Als het verhogen van de vermogensgrens politiek wenselijk geacht wordt, dan kan dat alleen worden ingevoerd door landelijke wet- of regelgeving te wijzigen. Daartoe kan artikel 255 lid 4 Gemeentewet, de Uitvoeringsregeling of de Regeling kwijtschelding worden aangepast. Het is in ieder geval niet aan de gemeenteraad om dat te bepalen.

5.6

Het belang van de gemeenteraad weegt daarmee niet op tegen het algemene belang van het voeren van een landelijk algemeen inkomensbeleid, waarbij voor alle gemeenten dezelfde kaders gelden. In het Beleidskader schorsing en vernietiging (bijlage 16, p. 7) wordt ook verwezen naar het eerder aangehaalde voorbeeld van de gemeente Driebergen-Rijsenburg, waarin het college besloten had een algemene inkomensgrens vast te stellen voor het heffen van reinigingsrechten (die erop neerkwam dat dit recht slechts boven een bepaald inkomen zou worden geheven). Dat besluit werd vernietigd vanwege het algemeen belang, aangezien het inkomensbeleid toekomt aan de centrale overheid.

5. 7

Daarbij komt dat in dit specifieke geval de burgemeester in haar mededeling grondig heeft onderbouwd dat het raadsbesluit naar haar oordeel voor vernietiging in aanmerking komt en gedeputeerde staten de motivering daarvoor hebben onderschreven. Het Beleidskader schorsing en vernietiging licht toe dat hun oordeel bijzonder zwaar weegt en in dat geval vernietiging eerder in de rede ligt (p. 12-13): "Tot slot dient, voor wat betreft de gevallen waarin een burgemeester, een commissaris van de Koningin of gedeputeerde staten een besluit inzendt dat naar hun oordeel in strijd is met het recht of het algemeen belang, te worden

Pels Rijcken & Oroogleever Fortuijn N.V.

II 13/20

opgemerkt dat hun oordeel bijzonder zwaar weegt. Aan dit oordeel ligt immers een gedegen bestuurlijke en juridische afweging ten grondslag. Het ligt dan ook eerder in de rede dat in die gevallen een voordracht tot vernietiging wordt gedaan. Het oordeel van de burgemeester, commissaris van de Koningin of gedeputeerde staten is echter niet doorslaggevend. Het zou ook in strijd zijn met de Grondwet om de Kroon aan dit oordeel te binden. De bevoegdheid tot vernietiging van besluiten van gemeentebesturen is een grondwettelijk gegarandeerde discretionaire bevoegdheid van de Kroon.21 De Kroon moet dus ook altijd zelfstandig onderzoeken of het te vernietigen besluit inderdaad in strijd is met het recht of het algemeen belang. Dat het oordeel van een burgemeester, een commissaris van de Koningin of gedeputeerde staten bijzonder zwaar weegt brengt wel met zich mee dat op de Kroon een zorgvuldige motiveringsplicht rust. Indien de Kroon geen aanleiding ziet een besluit voor vernietiging voor te dragen en er door burgemeester, een commissaris van de Koningin of gedeputeerde staten mededeling is gedaan van dit besluit, dan wordt dit zorgvuldig gemotiveerd en wordt de burgemeester, de commissaris van de Koningin of gedeputeerde staten van het besluit en de bijbehorende motivering op de hoogte gesteld." 5.8

De Kroon heeft op grond van het voorgaande geen reden gezien om het raadsbesluit, in afwijking van de mededeling van de burgemeester en het advies van gedeputeerde staten, in stand te laten. Van strijd met het motiveringsbeginsel (§ 6 gronden van beroep) is gelet op bovengenoemde toelichting geen sprake.

5.9

Tot slot merkt de Kroon op dat op dit moment een politieke discussie loopt over de ruimte voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Centraal daarbij staat de motie Palmen/Mohandis.12 Deze motie verzoekt de regering om de vermogensgrenzen van lokale belastingen gelijk te stellen aan de vermogensgrenzen van de Participatiewet. De minister van BZK heeft deze motie ontraden in zijn brief aan de Tweede kamer van 25 maart 2024.13

5.10

Nadien is de motie herzien.14 De leden Palmen en Mohandis verzoeken nu om de Tweede Kamer te informeren over de wettelijke mogelijkheden en implicaties voor het volledig gelijktrekken van de vermogensgrenzen en daarbij de maatschappelijke opbrengsten vanwege de preventieve werking van een financiële buffer mee te nemen. De minister van BZK begrijpt deze gewijzigde motie aldus dat de resultaten van dit onderzoek worden afgewacht en dat pas nadien tot aanpassing van de regelingen moet worden overgegaan. Dat doet volgens de minister van BZK recht aan de beleidsvraagstukken genoemd in zijn hiervoor genoemde brief aan de Kamer van 25 maart 2024, reden waarom hij het zogenoemde "oordeel Kamer" heeft gegeven als appreciatie van deze motie.15

12 13 14

1s

Zie: Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 742. Zie: Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 754. Zie: Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 760-761. zie: Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 759.

Pels Rijcken & Droogleever Forturjn N.V.

14/20

5.11

Als de Kroon het raadsbesluit in stand zou hebben gelaten, dan zou het vooruitlopen op een politieke keuze die voorligt aan het (nieuwe) kabinet in samenspraak met de Tweede Kamer. Dat zou onjuist zijn.

6

De Kroon mocht het raadsbesluit vernietigen

6.1

Als eenmaal vaststaat dat een besluit van een decentraal bestuursorgaan in strijd is met het recht of het algemeen belang, dan heeft de Kroon een grote mate van beleidsvrijheid om te beoordelen of vernietiging is aangewezen.

6.2

Het is een politiek-bestuurlijke afweging of tot vernietiging overgegaan dient te worden. De rechter dient zich op grond van vaste jurisprudentie bij onderwerpen die bij uitstek een politiek-bestuurlijke afweging vergen, in beginsel terughoudend op te stellen. Zie o.a. CRvB 17 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3285: "Artikel 3 :2, eerste lid, van het AIB geeft een nadere regeling en definitie voor het bepalen van inkomen in, voor zover hier van belang, de Wet WIA. Wat in deze regeling onder inkomen in de zin van de Wet WIA wordt verstaan en in welke specifieke omstandigheden en onder welke voorwaarden inkomensbestanddelen als relevant inkomen voor deze wet worden aangemerkt, is resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging. Gelet hierop is in beginsel een terughoudende rechterlijke toetsing aangewezen." Zie verder: CRvB 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:368, r.o. 4.3.4; Hof Den Haag 26 februari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021 :285, r.o. 6.3; Hof Amsterdam 17 januari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023: 156, r.o. 4.9.2.

6.3

Bovendien volgt uit jurisprudentie van uw Afdeling dat bij de vernietigingsbevoegdheid sprake is van een ruimte mate van beleidsvrijheid, waarbij de rechter (zelfs) met grote terughoudendheid dient te toetsen. De vraag is dus enkel of de Kroon in redelijkheid het raadsbesluit heeft kunnen vernietigen. Zie o.a. ABRvS 27 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0143: "2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 september 2002 in zaak no. 200101205/1 (AB 2002, 402) gaat het bij vernietiging om een bevoegdheid met een ruime mate van beleidsvrijheid. De uitoefening daarvan dient door de rechter met grote terughoudendheid te worden getoetst. De Afdeling dient dan ook de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat instandhouding van het besluit van het waterschap, bij afweging van de daarmee gediende belangen, tegenover de met handhaving van het besluit gemoeide belangen, niet aanvaardbaar was." Zie verder ABRvS 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8145.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

15/20

6.4

De Kroon stelt zich op het standpunt dat het de gegeven beleidsvrijheid bepaald niet overschreden heeft. Het raadsbesluit is evident in strijd met het recht en bovendien met het algemeen belang en doorkruist het primaat van de landelijke regelgever op het gebied van algemeen inkomensbeleid. De burgemeester heeft bovendien overtuigend gemotiveerd waarom vernietiging hier aangewezen is. Gedeputeerde staten hebben die motivering getoetst en in het advies aan de Kroon overgenomen. De Kroon ziet geen reden om die adviezen in de wind te slaan. De mededeling van de burgemeester weegt- gezien het Beleidskader schorsing en vernietiging- zwaar in de afweging die de Kroon moest maken. De vernietiging door de Kroon is daarmee proportioneel met het te dienen doel. Van strijd met artikel 8 lid 3 Europees Handvest inzake lokale autonomie, dat ook ziet op proportionaliteit van de interventie- is eveneens geen sprake(§ 5 gronden van beroep).

7

Reactie op overige beroepsgronden Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel en andere beginselen van behoorlijk bestuur

7.1

De gemeenteraad is het niet eens met het vernietigingsbesluit van de Kroon. Het belangrijkste argument van de gemeenteraad is dat de Regeling kwijtschelding een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen Utrechters met een laag inkomen en zonder of een klein vermogen en Utrechters met eenzelfde laag inkomen en een hoger vermogen, boven de huidige vermogensgrens. Daarom is de Regeling kwijtschelding volgens de gemeenteraad in strijd met artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 EVRM en het Twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 9 en 11 IVESCR en in strijd met het gelijkheids, zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel.

7.1.1

Die stelling is onjuist. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid. Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld. In de vergelijking van de gemeenteraad - tussen Utrechters mét en zónder vermogen boven de vermogensgrens - is echter geen sprake van gelijke gevallen. Op een cruciaal punt, te weten: de hoeveelheid spaargeld, verschillen beide groepen. De ene groep heeft namelijk vermogen boven een bepaalde grens, terwijl de andere groep dat vermogen niet heeft. Anders dan de gemeenteraad kennelijk meent, maakt het feit dat beide groepen op het gebied van inkomen overeenkomen (onder de inkomensgrens voor bijstand) nog niet dat direct sprake is van gelijke gevallen. Op het gebied van vermogen verschillen zij namelijk. Dat is ook juist een relevant verschil, omdat met vermogen een voldoende buffer aanwezig geacht wordt om de gemeentelijke belastingen te betalen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel, artikel 1 Grondwet, artikel 14 EVRM of het Twaalfde Protocol EVRM is om die reden geen sprake.

7 .1.2

Dat neemt niet weg dat men vanuit politieke opvatting kan vinden dat de gemeentelijke belastingen óók kwijtgescholden zouden moeten kunnen worden voor

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

16/20

personen die nu tussen de huidige vermogensgrens voor kwijtschelding en de vermogensgrens van de bijstand zitten. Dat heeft met het gelijkheidsbeginsel alleen niets van doen en betreft een politieke keuze over het te voeren algemene inkomensbeleid. Het - over de band van een vernietigingsbesluit - voeren van een rechtszaak, is daar niet de juiste weg voor. 7.1.3

Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel wordt door de gemeenteraad verder niet anders onderbouwd dan met een beroep op het gelijkheidsbeginsel (zie randnummer 13 gronden van beroep) en moet daarom om dezelfde redenen worden afgewezen. Dat het besluit wel degelijk zorgvuldig is genomen, blijkt overigens reeds uit de mededeling van de burgemeester, het advies van gedeputeerde staten, het gevoerde overleg en de in paragraaf 4 weergegeven onderbouwing van het besluit.

7.1.4

Van strijd met de overige genoemde grondrechten of algemene beginselen van behoorlijk bestuur is ook geen sprake. Artikel 11 IVESCR is- zo oordeelde uw Afdeling eerder - geen een ieder verbindende bepaling (zie ABRvS 19 juli 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2794, r.o. 7.2) en dat geldt naar stellige overtuiging van de Kroon (dan) ook voor artikel 9 IVESCR. Geen strijd met de (bedoeling van) artikel 255 lid 4 Gemeentewet

7.2

De gemeenteraad voert verder aan dat de wetgever artikel 255 lid 4 Gemeentewet zo heeft bedoeld dat gemeenten de vrijheid hebben om aan te sluiten bij de hogere vermogensgrens van de bijstand (§2 gronden van beroep). Dat zou volgens de gemeenteraad volgen uit de wetsgeschiedenis. De Regeling kwijtschelding zou dan ook in strijd zijn met de Gemeentewet, aldus de gemeenteraad.

7.2.1

De gemeenteraad miskent met dit standpunt dat artikel 255 lid 4 Gemeentewet bepaalt dat er slechts in ruimere mate kwijtschelding mag worden verleend "[m]et inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels". Het is dus juist de bedoeling van de formele wetgever dat de minister de grenzen van deze bevoegdheid bepaalt. De wetsgeschiedenis die door de gemeenteraad wordt aangehaald, brengt daarin, gegeven de duidelijkheid van de betreffende bepaling in de Gemeentewet, geen verandering.

7.2.2

Het is verder onjuist dat de wetgever enkel heeft willen aansluiten bij de vermogensgrens van de bijstand. Dat blijkt als gezegd al uit het feit dat in artikel 255 lid 4 Gemeentewet een mogelijkheid wordt geboden aan de minister om daarover regels te stellen. Sterker nog: het amendement van het lid Spekman - dat beoogde de vermogensgrens voor kwijtschelding van belastingen en heffingen (door gemeenten, provincies en waterschappen) in zijn geheel in de Gemeentewet gelijk te stellen aan de

Pels Rijcken 8 Droogleever Fortuijn N.V.

17/20

vermogensgrens uit het toenmalige artikel 34 van de Wet werk en bijstand - is destijds door een meerderheid van de Tweede Kamer verworpen.16 Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 315, nr. 8 (amendement Spekman): "Artikel 255 van de Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd: Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, toegevoegd: met dien verstande dat ten aanzien van de wijze waarop het vermogen in aanmerking wordt genomen, wordt uitgegaan van de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 34 van de Wet werk en bijstand." 7.2.3

De Tweede Kamer heeft dus bewust ruimte gelaten aan de minister om een andere vermogensgrens te kiezen dan de vermogensgrens die gehanteerd wordt bij de bijstand. Dat is ook uitdrukkelijk door de minister vermeld bij de behandeling van het wetsvoorstel.17 Uit de door de gemeenteraad weergegeven Kamerstukken blijkt slechts dat verschillende ministers verschillend denken over de mate waarin ruimere kwijtscheldingsregels zouden moeten gelden. Dat is het gevolg van de bewuste keuze van de wetgever om het aan de minister te laten en niet - zoals in het amendement Spekman - wettelijk voor te schrijven.

7.2.4

De Regeling kwijtschelding is dus niet in strijd met de Gemeentewet. De wetgever heeft het juist aan de minister gelaten om in de Regeling kwijtschelding keuzes te maken over de te hanteren vermogensnorm bij de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. De Regeling kwijtschelding is niet arbitrair

7.3

De gemeenteraad voert verder aan dat de Regeling kwijtschelding arbitrair en onjuist is. De gemeenteraad ziet niet in waarom een bedrag van € 2.000 een adequate buffer biedt (randnummer 7 gronden van beroep).

7.3.1

De gemeenteraad miskent met dit standpunt de systematiek van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. De toegestane 'buffer' is niet € 2.000, maar omvat een standaardbedrag, waarbij bepaalde woonkosten, zorgkosten en kosten vanwege de zorg voor kinderen opgeteld mogen worden. Bovenop dat bedrag mag een gemeenteraad ervoor kiezen om maximaal € 2.000 extra vermogen toe te staan (zoals toegelicht in paragraaf 2).

16

17

Zie voor een overzicht van de stemmingen de website van de Tweede Kamer: https: //www.tweedekamer.ni/ka merstukken/stemmingsuitslagen/detail?id= 2011P04654&did=2011P04654. Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 2010/11, 32 315, nr. 63, item 21: "Als het wetsontwerp is aanvaard, komen wij met regels voor hoe daarmee rekening moet worden gehouden. Nogmaals, de wet geeft hiervoor een bevoegdheid als daaraan behoefte bestaat. Vooralsnog gelden de grenzen die altijd al worden gebruikt in de Invorderingswet. Er wordt alleen een bevoegdheid geboden om nadere regels te stellen voor de wijze waarop met het vermogen rekening wordt gehouden."

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

18/20

Zie ook de uitleg op de website van de BghU: "een (gezamenlijk) saldo op uw bank- en spaarrekening( en) lager dan: ongeveer 1 maand netto huur + 1 maand netto ziektekostenverzekering + 1 maand kosten van bestaan volgens de participatiewet en - afhankelijk van uw gezinssituatie - opgehoogd met een bedrag van € 1.500,- of€ 1.900,- of€ 2.000,-".18

7.3.2

Voor gehuwden in Utrecht (zonder kinderen of andere inwonenden), met een sociale huurwoning met een huurprijs van € 800 per maand, boven de 21 jaar en nietpensioengerechtigd, gaat het bijvoorbeeld om een vermogensgrens van ten minste € 1.834,0419 + € 2.000204 € 576,9671= € 4411,00 (plus de individueel bepaalde zorgkosten22). Met dat vermogen wordt een voldoende buffer aanwezig geacht om de gemeentelijke belastingen te betalen.23 De hoogte van het te betalen bedrag aan gemeentelijke belastingen hangt af van de individuele situatie. In de bovengenoemde situatie zal het gaan om € 387,35 aan afvalstoffenheffing en € 94,80 per hond aan gemeentelijke belastingen.24 Rioolrechten hoeven alleen betaald te worden bij woningen in eigendom en bij woonschepen.

7.3.3

Tot slot is belangrijk te benoemen dat er diverse alternatieven voorhanden zijn om het door de gemeenteraad beoogde doel, te weten het helpen van minima die in de knel zouden komen door het betalen van gemeentebelasting, te bereiken. Daarbij kan gedacht worden aan: •

Het verstrekken van bijzondere bijstand voor het geval een inwoner noodzakelijke kosten moet maken in een bijzondere situatie (zoals: kapotte wasmachine, koelkast, fornuis, bed of matras; bepaalde plotselinge medische kosten of verhuiskosten vanwege een noodsituatie) ;25

•

De (reguliere) mogelijkheid van betaling van gemeentelijke belastingen in termijnen;

•

De mogelijkheid om een betalingsregeling op maat te treffen;26

•

Het in een individueel geval geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de gemeentelijke belastingen.?7

7.3.4

De vernietiging van de Kroon belet de gemeente Utrecht daarom niet om burgers te helpen die financieel in de knel komen. Dat zal- net als in andere gemeenten - op bovenstaande manieren plaats kunnen vinden.

18 19

20 21 22 23 24

2s 26 27

https://bghu.nl/particulieren/kwijtschelding-aanvragen. Artikel 16 lid 1 sub a Uitvoeringsregeling jo. artikel 21 aanhef en sub b Participatiewet en artikel 3 lid 1 Verordening kwijtschelding. Artikel 5 aanhef en sub a Verordening kwijtschelding. €800-€ 223,04 = € 576,96. Zie voetnoot 2. Zie ook de toelichting bij de Regeling kwijtschelding (Stcrt. 2022, 23803, laatste alinea van paragraaf 2.1). Zie de tarieven op de website van de BghU: https://bghu.nl/tarieven. Op de website van de gemeente Utrecht is een volledige lijst opgenomen van situaties waarbij bijzondere bijstand tot de mogelijkheden behoort. De BghU wijst expliciet op deze mogelijkheid: https://bghu.nl/particulieren/een-aanslag-betalen. Artikel 255 lid 5 Gemeentewet.

Pels RIjcken & Droogleever Fortuijn N.V.

19/20

7.3.5

Ten overvloede wijst de Kroon erop dat sterk betwijfeld kan worden of het raadsbesluit - ook al zou de Kroon het in stand hebben gelaten - het door de gemeenteraad gewenste effect zou hebben. De invordering van gemeentelijke belastingen in de gemeente Utrecht vindt namelijk plaats onder verantwoordelijkheid van de invorderingsambtenaar, de directeur van de BghU (krachtens artikel 232 lid 4 Gemeentewet). De BghU is een samenwerkingsverband op basis van een gemeenschappelijke regeling, waarin de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist, en het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden samenwerken op het gebied van belastingen.

7.3.6

Het college heeft er in de raadsbrief van 24 november 2023 op gewezen dat de directeur van de BghU geen medewerking zal verlenen aan besluiten die in strijd zijn met de (landelijke) Regeling kwijtschelding. De gemeente Utrecht kan daar zelfstandig geen verandering in brengen, zo licht het college toe (bijlage 6): "Het raadsvoorstel gaat ook in op de rol van de invorderingsambtenaar: de directeur van de BghU. De directeur van de BghU heeft zoals we in de eerdere brief schreven aangegeven geen medewerking te verlenen aan besluiten die in strijd zijn met de geldende wetgeving. Hierover zegt het raadsvoorstel: 'In eerste instantie zal het bestuur van de BghU, waar de gemeente Utrecht een grote stem in heeft, zich hierover uit moeten spreken'. Deze stelling moeten wij echter nuanceren. De invorderingsambtenaar is aangewezen door het bestuur van de BghU en heeft zelfstandige bevoegdheden die uitgevoerd worden onder verantwoordelijkheid van het bestuur. Het bestuur is belast met het houden van toezicht op de uitoefening van die bevoegdheden en is bevoegd tot het vaststellen van beleidsregels instructies geven ter zake van de uitoefening van bevoegdheden. Het bestuur kan en mag echter géén instructies verstrekken die ingaan tegen hogere regelgeving.

De invorderingsambtenaar is een zelfstandig bestuursorgaan met geattribueerde bevoegdheden en kan daarom onafhankelijk of los van het besluit van het bestuur van de BghU handelen."

8

Conclusie

8.1

De Kroon verzoekt uw Afdeling het beroep van de gemeenteraad ongegrond te verklaren.

Den Haag, 26 april 2024

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

Gemachtigde

20/20

behandeld door

B.S. Jaasma en I.M. van der Heijden

correspondentie

Postbus 11756, 2502 AT Den Haag

telefoon

+31 70 515 3464

e-mail

bob.jaasma@pelsrijcken.nl

zaaknr

11021961

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=81a61f7a-8c2e-49a2-94de-74e9197cd1ec