Bijlage 3 - Flora en Fauna Rappport Quick Scan
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna
Galgedijk te Utrecht Overvecht Vastgoed
Projectadviseur Nick Stam MSc
Kwaliteitscontrole Nick Kroese BSc
nickstam@habitus.nl 0172-204060
Overname,
verveelvoudiging
of
openbaarmaking
van
dit
rapport
inclusief foto’s is enkel toegestaan met toestemming van de eigenaar (de
Rapportage
opdrachtgever) en onder vermelding van de bron.
Nick Stam MSc Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt
Documentcode
Habitus geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend
OVER2023-1-QS-V1
uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of door toepassing van adviezen. Onze algemene voorwaarden zijn hier in te zien. Onze
In opdracht van Overvecht Vastgoed B.V.
Contactpersoon opdrachtgever mw. G. Muris
privacyverklaring is hier te vinden. Een verklaring van onze documentcodes is te vinden op onze website.
Adres: Tolnasingel 3 / 2411 PV / Bodegraven Kvk-nummer: 78391385 / Btw-nummer: NL861372669B01
Opleverdatum 7 februari 2024
www.habitus.nl
INHOUDSOPGAVE Klik op de titel van een hoofdstuk om direct naar het betreffende hoofdstuk te gaan. SAMENVATTING4 1. INLEIDING & ONDERZOEK
5
2. PLANGEBIED & ACTIVITEITEN
7
3. RESULTATEN
8
4. CONCLUSIE & AANBEVELINGEN
19
5. MAATREGELEN
21
BRONVERMELDING
27
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
3
SAMENVATTING
In dit hoofdstuk wordt een samenvatting van het rapport gegeven. Voor de volledigheid én om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient het gehele rapport gelezen te worden. Zo geeft hoofdstuk 1 belangrijke informatie over de opzet en afbakening van het onderzoek. In hoofdstuk 2 wordt informatie gegeven over de begrenzing van het plangebied en welke activiteiten getoetst zijn. Hoofdstuk 3 geeft nadere informatie over de aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden. In hoofdstuk 4 wordt de conclusie toegelicht en worden de benodigde nader onderzoeken toegelicht. In hoofdstuk 5 staan de benodigde maatregelen beschreven. Ook de bijlagen zijn onlosmakelijk met de inhoud verbonden, met name Bijlage 4.
Verwachte schadelijke handelingen en functies In het plangebied zijn de volgende functies en schadelijke handelingen mogelijk:
• • • • • •
Aanleiding Deze quickscan flora en fauna is uitgevoerd omdat de opdrachtgever voornemens is de volgende activiteiten uit te voeren: 1. De sloop van aanwezige bebouwing en nieuwbouw.
vernietiging en verstoring van nesten van vogels zonder jaarrond beschermd nest; vernietiging en verstoring van nesten van vogels met jaarrond beschermd nest; vernietiging en verstoring van zomer-, winter-, kraam-, en paarverblijfplaatsen van vleermuizen; vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren; vernietiging van essentieel leefgebied van de heikikker, rugstreeppad, Alpenwatersalamander en de ringslang; vernietiging van voortplantings- en winterverblijfplaatsen van de grote vos en teunisbloempijlstaart.
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende functies en schadelijke handelingen mogelijk:
•
verstoring van nesten van vogels zonder jaarrond beschermd nest door aanwezigheid van mens en materieel.
2. Het aanleggen van parkeerterrein. 3. De (gedeeltelijke) kap van bomen en verwijdering van struweel.
Conclusie
4. Het verwijderen van uitheemse (invasieve) vegetatie.
Soort(groep)/gebied
5. Het dempen, verleggen en aanbrengen van oppervlaktewater. 6. Het verwijderen van blader- en composthopen.
Onderzoeksvraag In dit rapport worden voorgenomen flora-en-fauna-activiteiten en/of Natura 2000-activiteiten getoetst aan de Omgevingswet. De centrale vraag luidt: Leiden de voorgenomen activiteiten tot schadelijke handelingen op beschermde soorten of gebieden, waardoor deze activiteiten vergunningplichtig zijn onder de Omgevingswet? En welke vervolgstappen dienen genomen te
Maatregel
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
x
Vogels met jaarrond beschermd nest
x
Huismus, boommarter, steenmarter, das, hermelijn, bunzing, wezel, eekhoorn, heikikker, rugstreeppad, Alpenwatersalamander, ringslang, grote vos, teunisbloempijlstaart Vleermuizen
x
Onderzoek
Overig/opmerking zie paragraaf 5.1.1
x
zie paragraaf 4.2 en 5.1.2
x
zie paragraaf 4.2
x
zie paragraaf 4.2 en 5.1.3
x = maatregel of onderzoek is benodigd, (x) = onderzoek is enkel benodigd als de maatregelen niet uitgevoerd kunnen worden.
worden voor met de uitvoering gestart kan worden?
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
4
1. INLEIDING & ONDERZOEK
•
1.1 Aanleiding
Kunnen
negatieve
effecten
activiteiten te ondernemen. In paragraaf 2.2
noodzakelijk geacht?
is meer informatie opgenomen over deze
Onderdeel gebiedsbescherming
activiteiten.
voorkomen
worden
óf wordt nader onderzoek of een vergunning
De opdrachtgever is voornemens ruimtelijke
•
Zijn er negatieve effecten te verwachten op de
De voorgenomen flora-en-fauna-activiteiten en/
instandhoudingsdoelstellingen
of Natura 2000-activiteiten kunnen leiden tot
2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en
schadelijke handelingen onder de Omgevingswet.
waarden van NNN-gebieden?
Om de uitvoerbaarheid van de voorgenomen
•
van
Natura
Zijn er vervolgstappen nodig voor Natura 2000- of NNN-gebieden?
activiteiten te toetsen, is het nodig om te bepalen of er effecten op beschermde soorten of gebieden kunnen optreden. Dit is een wettelijke verplichting van de initiatiefnemer bij ruimtelijke activiteiten. Dit rapport geeft invulling aan deze verplichting.
1.3 Criteria Op dit onderzoek zijn de volgende criteria van toepassing:
•
Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen met een hbo of wo opleiding op
1.2 Doel en deelvragen In
deze
quickscan
voorgenomen
flora-en-
•
ecologisch gebied. Het
onderzoek
is
uitgevoerd
door
een
fauna en/of Natura 2000-activiteit getoetst aan
onafhankelijk adviesbureau. Habitus verklaart
de Omgevingswet. Zo kan bepaald worden of
hierbij geen enkel belang te hebben bij de
maatregelen nodig zijn en/of nader onderzoek
uitkomst van het onderzoek. Ook heeft iedere
noodzakelijk is. De volgende deelvragen worden
vaste medewerker de ethische gedragscode
beantwoord:
ondertekend en beloofd hiernaar te handelen.
•
Onderdeel soortbescherming
•
Zijn
beschermde
soorten
onder
de
Omgevingswet aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen
•
activiteiten?
• •
Het onderzoek voldoet aan onze eigen proces- en kwaliteitseisen. Bekijk deze hier. Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum (zie colofon). Voor het opsporen, vangen (met toegestane
Worden schadelijke handelingen verwacht die
vangmiddelen) of bemachtigen van beschermde
leiden tot conflicten met de artikelen 11.37
dier- of plantensoorten is een geldige ontheffing
1a, b, d of 11.54 1a en b van het Bal en/of
aanwezig.
Jaarrond beschermde nesten en/of soorten van de Rode Lijst? Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
5
1.4 Methode
1.5.3 Provinciaal en gemeentelijk beleid
De methode bestaat globaal uit een bureau- en veldonderzoek, beoordeling en een toetsing. Daarna
Aan overige beleidsgebieden wordt in principe niet getoetst, tenzij dit specifiek overeengekomen is.
volgen de conclusie en aanbevelingen. Een uitgebreide beschrijving van de methode is te vinden op 1.5.4 Toetsing
onze website.
Indien uit de toetsing naar voren komt dat er mogelijk sprake is van een schadelijke handeling, dan is De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek zijn niet van invloed op de potentiebepaling. Wel
veelal vervolgonderzoek benodigd. Hierbij valt te denken aan een nader onderzoek (soortbescherming),
kunnen de weersomstandigheden van invloed zijn op de aangetroffen soorten. De potentiebepaling
een NNN-toetsing of Voortoets Natura 2000 (gebiedsbescherming). Deze nadere onderzoeken zijn een
blijft echter leidend. Omdat de omgeving ook beïnvloed kan worden door de voorgenomen ontwikkeling,
vervolg op dit onderzoek.
wordt deze ook meegenomen in de beoordeling tot zo ver de invloedssfeer van het project reikt.
1.6 Verantwoordelijkheid opdrachtgever vs opdrachtnemer 1.5 Reikwijdte
De begrenzing van een plangebied wordt aangeleverd door de opdrachtgever en opgenomen in Bijlage
Onderstaand is beschreven aan welke wetten, artikelen en aan welk beleid de voorgenomen activiteiten
1. Ook de voorgenomen activiteiten worden zo specifiek mogelijk aangeleverd door de opdrachtgever.
worden getoetst in dit rapport. Er wordt niet getoetst aan het onderdeel houtopstanden uit de Ow.
Ecologisch adviesbureau Habitus toetst de door de opdrachtgever aangeleverde activiteiten aan de in
Ook toetsen wij niet op stikstofdepositie, maar verstrekken we wel de benodigde informatie om de
paragraaf 1.5 opgenomen onderdelen. Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om de
voorgenomen activiteit te kunnen vervolgen.
(technische) reikwijdte/effecten van de activiteiten zo realistisch mogelijk in te schatten, aangezien
.
Habitus in de planvormingsfase geen kennis heeft van de uitvoeringswijze en aangewezen is op
1.5.1 Soortbescherming
verstrekte informatie door de opdrachtgever. Om actief informatie te verzamelen, om zo een reële
Er wordt getoetst aan de volgende artikelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en additioneel
inschatting van de opdrachtgever te verkrijgen, wordt een vragenlijst verstuurd via SurveyMonkey.
rijksbeleid:
Deze wordt opgenomen in Bijlage 2. De aangeleverde inschatting wordt gebruikt om de reikwijdte
•
11.37 Vogelrichtlijn (soorten) & jaarrond beschermde nesten
van de effecten te bepalen, zoals opgenomen in Tabel 1. Het is de verantwoordelijkheid van Habitus
•
11.46 Habitatrichtlijn(soorten)
om de inschatting van de opdrachtgever zo nodig te verifiëren om de ecologische effecten te kunnen
•
11.54 Andere soorten
beoordelen. Bij onbekendheid van de effecten van de werkzaamheden bij de opdrachtgever, wordt in
•
11.27 Specifieke zorgplicht.
overleg met de opdrachtgever bepaald welke reikwijdte van effecten gehanteerd dient te worden in de
Ook wordt beoordeeld of voldaan wordt aan de algemene zorgplicht, zoals geformuleerd in Afdeling
toetsing. Zo nodig wordt een worstcase-benadering toegepast. Indien de reikwijdte van een effect in
1.3 'Zorg voor de fysieke leefomgeving' (pdf).
een latere projectfase wijzigt, kan een nieuwe toetsing nodig zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever deze wijziging te laten beoordelen door een deskundig ecoloog.
1.5.2 Gebiedsbescherming Voor gebiedsbescherming wordt getoetst aan de volgende onderdelen van de Omgevingswet: •
Natura 2000-gebieden: afdeling 1.3 (algemene zorgplicht) en artikel 11.6 (specifieke zorgplicht), met uitzondering van stikstofdepositie en aeriuscalculatie: artikel 4.15 en 6.15 uit de Omgevingsregeling.
•
Natuurnetwerk Nederland: artikel 7.8 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en Omgevingsverordening artikel 7.7, 2e lid Bkl.
•
Bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen: artikel 11.6 en 2.44 lid 5 uit het Bal. Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
6
2. PLANGEBIED & ACTIVITEITEN 2.1 Huidige situatie
2.2 Activiteiten en planning
Het plangebied ligt aan de Galgedijk 3 te Utrecht en is gelegen in de provincie Utrecht. De begrenzing
In het plangebied worden de volgende activiteiten uitgevoerd:
van het plangebied is weergegeven in Figuur 1. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een
1. De sloop van aanwezige bebouwing en nieuwbouw.
tuincentrum, een woonhuis en omliggend groen (o.a. moestuinen, bosschages, intensief beheerd grasland
2. Het aanleggen van parkeerterrein.
en maisvelden). Binnen het plangebied bevinden zich meerdere sloten en ander oppervlaktewater. Het
3. De (gedeeltelijke) kap van bomen en verwijdering van struweel.
tuincentrum is voornamelijk opgebouwd uit glas en de aanliggende parkeerplaats, opslag en uitstalling
4. Het verwijderen van uitheemse (invasieve) vegetatie.
van producten zijn verhard met asfalt of beton. Het woonhuis heeft gepleisterde muren en een rieten
5. Het dempen, verleggen en aanbrengen van oppervlaktewater.
dak. Tevens is binnen het plangebied een bedrijf gevestigd met enkele loodsen en lage gebouwen.
6. Het verwijderen van blader- en composthopen.
De omgeving van het plangebied bestaat uit grasland, sloten, wegen en bebouwing. De herinrichting
Een kaart met de voorgenomen activiteiten is weergegeven in Bijlage 1.
omvat het gehele plangebied waarbij de woonhuizen in de zuidwestelijke hoek enkel de groenstructuren
De door de opdrachtgever aangeleverde informatie is te vinden in Bijlage 2. Op basis van deze informatie
worden aangepast. Aan de woonhuizen vinden geen werkzaamheden plaats.
is te verwachten dat de storingsfactoren de volgende effecten sorteren op de omgeving:
Legenda
Tabel 1: storingsfactoren en effecten buiten het plangebied
Plangebied Onderzoeksgebied
Verwachte storingsfactor
Effect verwacht buiten het plangebied?
Trilling
Ja
Geluid
Ja
Licht
Ja
Aanwezigheid mens & materieel
Ja
Water onttrekken
Nee
Er zullen mogelijk zand- of gronddepots ontstaan. De precieze planning van de activiteiten is ten tijde van de uitvoering van deze quickscan nog niet bekend. Plangebied of onderzoeksgebied? We maken onderscheid tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waar de te beoordelen ingrepen plaatsvinden. De effecten van de werkzaamheden kunnen echter verder reiken dan het plangebied, zoals licht, geluid of trilling. Wij houden voor effecten standaard een minimumgrens aan van 25 meter. Deze grens kan echter groter zijn afhankelijk van de verwachte effecten van de werkzaamheden. Het onderzoeksgebied betreft dus het gebied tot waar de effecten kunnen reiken en is vanwege het gehanteerde minimum Figuur 1: het plangebied is rood omrand en het onderzoeksgebied is blauw omrand (PDOK, 2024).
altijd groter dan het plangebied.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
7
3. RESULTATEN 3.1 Beschermde gebieden In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn daarnaast gebieden aangewezen onder het Natuurnetwerk Nederland en als bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen. Deze gebieden zijn beschermd onder de Omgevingswet. In Tabel 2 zijn de afstanden van het plangebied tot de beschermde gebieden benoemd. In Figuur 2 op de volgende pagina, is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de beschermde gebieden en wordt een nadere toelichting gegeven.
Tabel 2: afstanden van het plangebied tot beschermde gebieden Beschermd gebied
Afstand tot plangebied (in meters)
Natura 2000-gebied*: 'Oostelijke vechtplassen' Dit gebied is gevoelig voor stikstofdepositie.
3.100
Natuurnetwerk Nederland of Bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen
680 (NNN)
*In paragraaf 3.1.1 is een hyperlink opgenomen naar de effectenindicator (Ministerie van Economische Zaken, 2017). Daar is ook meer informatie opgenomen over habitatsoorten en -typen én (niet-)broedvogelsoorten.
Binnen het plangebied bevinden zich geen gebieden behorend tot Natura 2000. Alle Natura 2000-gebieden binnen vijf kilometer worden beoordeeld of tot zo ver de verwachtte effecten reiken. Binnen het plangebied bevinden zich geen gebieden behorend tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) of bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen. Algemene opmerking Een grote afstand tussen het plangebied en een beschermd gebied betekent niet dat negatieve effecten per definitie uitgesloten kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op een soort die buiten een beschermd gebied verblijft óf van depositie. Ook de onttrekking van grondwater kan effecten veroorzaken op grote afstand.
Toelichting op de afbeelding Bruine kikker
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
8
Legenda
Vanwege de aanwezigheid van geschikt biotoop worden in het plangebied geen habitatsoorten of (niet-)
Plangebied Onderzoeksgebied
broedvogelsoorten verwacht. Gezien de afstand en de beschikbare alternatieven worden negatieve effecten op de instanhoudingsdoelstellingen uitgesloten. Stikstofregistratiesysteem Onder de Omgevingswet is er een stikstofregistratiesysteem in plaats van de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), deze geeft regels voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Het systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden. Daarnaast kan een gemeentelijk Programma Aanpak Stikstof (PAS) regels bevatten over het verlenen van omgevingsvergunningen. Uit artikel 7.19a Bbl volgt dat degene die bouwwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, maatregelen dient te nemen om de stikstofuitstoot te beperken De gemeente beoordeelt of de genomen maatregelen afdoende zijn of dat er een effect ontstaat op N2K-gebied. 3.1.2 Effecttoetsing Natuurnetwerk Nederland (NNN) Negatieve effecten worden uitgesloten. In provincie Utrecht is sprake van externe werking. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 680 meter. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNN-gebied. De werkzaamheden zullen gezien de afstand niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.
Figuur 2: ligging plangebied (rode omlijning) ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (PDOK, 2024; provincie Utrecht, 2024).
3.1.3 Effecttoetsing bijzondere nationale natuurgebieden en landschappen Negatieve effecten worden uitgesloten. Binnen het plangebied zijn geen bijzondere nationale
3.1.1 Effecttoetsing Natura 2000-gebieden
natuurgebieden en landschappen aanwezig.
Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied zijn niet aan de orde. Er is geen sprake van een Natura2000-activiteit. In de effectenindicator Natura 2000-gebieden (Ministerie van Economische Zaken, 2017) is gekozen voor de activiteit ’woningbouw’, omdat deze activiteit het best vergelijkbaar is met de ontwikkeling. De effectenindicator geeft aan dat mogelijke effecten worden veroorzaakt door oppervlakteverlies; versnippering; verontreiniging; verdroging; verstoring door geluid, licht en trilling; optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Van deze effecten is in het huidige project geen sprake, aangezien de effecten zeker niet tot het Natura 2000-gebied zullen reiken. Het Natura 2000-gebied ligt daarvoor op een te grote afstand met daarnaast tussenliggende demping van landschap en bebouwing.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
9
3.2 Beschermde soorten Als de voorgenomen activiteiten mogelijk gevolgen hebben voor van nature in het wild levende planten of dieren, is er sprake van een flora-en-fauna-activiteit. In onderstaande paragrafen worden de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en nationale soorten) en hun leefgebieden in kaart gebracht. In paragraaf 3.4 is de specifieke zorgplicht uitgewerkt voor soorten van de Rode Lijsten en trekvogels. 3.2.1 Deskundigheid Het bureau-onderzoek is uitgevoerd op 4 oktober 2023 voorafgaand aan het veldbezoek. Het veldbezoek is uitgevoerd op 5 oktober en 12 december 2023. Ten tijde van het veldbezoek van 12 december 2023 is specifiek gezocht naar nesten en boomholten. Het veld- en het bureau-onderzoek zijn verricht door een deskundig ecoloog, namelijk Nick Stam MSc. Op onze website zijn alle cv's opgenomen van onze collega's om deze deskundigheid aantoonbaar te maken. 3.2.2 Volledigheid Het plangebied kon niet geheel geïnspecteerd worden. De woonhuizen gelegen in het zuidwestelijke deel van het plangebied konden, gezien deze geen deel uitmaken van het complex, enkel van een afstand worden geïnspecteerd. Dit heeft echter geen effect gehad op de effectbeoordeling. De woonhuizen worden niet aangetast ten tijde van de herinrichting. Alle relevante biotopen voor beschermde soorten zijn beoordeeld.
Tevens konden aangetroffen boomholtes vanwege de hoogte (>4 meter) niet veilig geïnspecteerd worden met een ladder en endoscoop. 3.2.3 Aanwezige en verwachte soorten In Tabel 3 op de volgende pagina is te zien welke beschermde soorten (mogelijk) in het plangebied voorkomen en welke functies er verwacht worden. Ook is weergegeven welke ecologische risico’s deze (mogelijke) flora- en fauna-activiteit met zich meebrengt met betrekking tot de Omgevingswet. De soorten genoemd in de tabel worden zowel op basis van het bureau- als veldonderzoek verwacht. Een overzicht van de soorten die uit het bureau-onderzoek komen, zijn te zien in Bijlage 3. Soorten die op basis van het veldbezoek zijn uitgesloten of soorten waarop geen schadelijke handeling wordt verwacht,
Toelichting op de afbeelding Oppervlaktewater en bosschages aanwezig binnen het plangebied
zijn te vinden in Bijlage 4.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
10
Tabel 3: relevante resultaten bureau- en veldonderzoek. Zie Figuur 3 voor een kaart met het plangebied, geschikte biotopen en relevante waarnemingen. Resultaten
Toetsing aan de Ow
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
Te verwachten functies
Onderbouwing en locatie(s) in het plangebied
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
n
Schadelijke handelingen op vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen niet worden uitgesloten. In het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest tot broeden komen. De volgende biotopen zijn daarvoor geschikt: water; bos; struweel; grasland; verharding (incl. bebouwing) en uitheemse beplanting (zie Figuur 3). Zolang een nest in gebruik is mag het niet vernietigd worden. Ook verstoring van een nest is niet toegestaan. • Er zijn geen vogels met nestindicerend gedrag aangetroffen binnen het plangebied tijdens het veldbezoek. Echter, het veldbezoek is uitgevoerd buiten het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten. Ook is het te verwachten dat vogels zonder jaarrond beschermd nest zich binnen drie jaar (houdbaarheid quickscan) vestigen in of rond het plangebied. • Er zijn geen nesten aangetroffen van de categorie 5-soort met een 'matig gunstige staat van instandhouding', zoals blauwe reiger. • Sommige soorten, zoals de houtduif, kunnen vrijwel het gehele jaar broeden in bomen en bosschages en daar dient rekening mee gehouden te worden. Zie paragraaf 5.1.1 voor de te nemen maatregelen.
1 t/m 5
Schadelijke handelingen op vogels met jaarrond beschermd nest kunnen niet worden uitgesloten. In het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest tot broeden komen. Binnen het plangebied zijn meerdere nesten aangetroffen welke mogelijk nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten betreffen. Soorten welke tot broeden kunnen komen binnen het plangebied betreffen de boomvalk en de ransuil. Beide soorten broeden in oude nesten van de zwarte kraai en de ekster.
1 t/m 5
Inclusief cat. 5-soorten zonder zwaarwegende ecologische redenen voor bescherming.
Vogels met jaarrond beschermd nest
n
Activiteit1
n, fl
Nesten en essentiële functionele leefomgeving: schadelijke handelingen kunnen niet worden uitgesloten. De locaties waar de huismus tot broeden kan komen worden ten tijde van de werkzaamheden niet aangetast. Het betreft hierbij de woonhuizen gelegen in de zuidwestelijke hoek van het plangebied. Er zijn echter elementen aanwezig in het plangebied die onderdeel uit kunnen maken van de essentiële functionele leefomgeving van huismus. Namelijk (wintergroen) struweel/hagen (schuilplaats) en jonge bomen (hop-over). Deze zijn gelegen nabij (binnen 100 meter) van de mogelijke nestplaatsen en worden (mogelijk) aangetast ten tijde van de werkzaamheden. Er is sprake van verstoring als de activiteiten tot gevolg hebben dat de betreffende functie niet of minder goed vervuld kan worden, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van mens en materieel. Gelijkwaardig alternatief is onvoldoende aanwezig.
Artikel 11.37 lid 1a, 1b en 1d, Bal en/of Artikel 11.27, Bal
Legenda In deze tabel staan enkel de soorten waarvoor een schadelijke handeling verwacht wordt óf niet uitgesloten kan worden. Hier hebben we voor gekozen om de leesbaarheid van het rapport te vergroten. De soorten waarvoor geen effect wordt verwacht, zijn opgenomen in Bijlage 4. Daar is een nadere onderbouwing te vinden over waarom een soort of beschermde
Artikel 11.37 lid 1a, 1b en 1d, Bal en/of Artikel 11.27, Bal
Ransuilen gebruiken daarnaast naaldbomen, en andere bomen met veel dekking, om te roesten in de winterperiode. In het plangebied zijn naald- of groenblijvende bomen aanwezig die geschikt zijn als roestplaats. Bij verwijdering of verstoring van deze locaties kunnen schadelijke handelingen niet uitgesloten worden. Voor de soort is in en rond het plangebied geschikt leef- en jachtgebied aanwezig, zoals agrarisch gebied, wegbermen en open terrein. Er vinden geen werkzaamheden plaats die het leefgebied van de ransuil aantasten. Bovendien zijn er gelijkwaardige alternatieven aanwezig in de omgeving. De activiteiten zullen niet leiden tot verstoring van de betreffende functie. Huismus
Kans op schadelijke handeling Ow2
1 t/m 5
functie is uitgesloten. Verblijfplaatsen n = nest (vogels)
Artikel 11.37 lid 1a, 1b en 1d, Bal en Vogel met een jaarrond beschermd nest
Daarnaast zijn er waarnemingen bekend van huismussen op of rond de projectlocatie (binnen 1.000 meter), waardoor vestiging op korte termijn (binnen de houdbaarheid van dit rapport) niet uitgesloten kan worden.
¹ Zoals omschreven in paragraaf 2.2. 2
De beschermingsregimes zijn hier toegelicht.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
11
Tabel 3 (vervolg): relevante resultaten bureau- en veldonderzoek. Zie Figuur 3 voor een kaart met het plangebied, geschikte biotopen en relevante waarnemingen. Resultaten
Toetsing aan de Ow
Verblijfplaatsen
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
Te verwachten functies
Onderbouwing en locatie(s) in het plangebied
Activiteit1
Kans op schadelijke handeling Ow2
k = kraamverblijfplaats
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, Brandt's vleermuis, franjesaart
z, w, p, k
Verblijfplaatsen: er worden mogelijk holtebomen en/of bomen begroeid met klimop gekapt waarbij potentiële verblijfplaatsen vernietigd kunnen worden. Tevens vinden werkzaamheden nabij deze locaties plaats waardoor vleermuizen verstoord kunnen worden door verlichting wanneer potentiële invliegopeningen worden verlicht. Bovendien kunnen trillingen die tijdens de werkzaamheden ontstaan voor verstoring zorgen. Schadelijke handelingen op zomer-, paar- winter en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen kunnen daarom niet worden uitgesloten.
3
Artikel 11.46 lid 1a, 1b en 1d, Bal
p = paarverblijfplaats
HR-soorten
r = rust- of verblijfplaats
Schadelijke handelingen op een massawinterverblijf van gewone dwergvleermuis kunnen uitgesloten worden. Dit type verblijfplaats vereist omvangrijke, robuuste bebouwing, diepe spleetvormige ruimten met temperatuurgradiënt en diverse microklimaten, zoals in spouwmuren, dilatatievoegen en/of holle vloerelementen. Het is belangrijk dat er voldoende invliegopeningen zijn. Deze kenmerken zijn niet aanwezig in het plangebied. De werkzaamheden zullen daarom niet leiden tot de vernietiging van een eventuele massawinterverblijfplaats.
z = zomerverblijfplaats w = winterverblijfplaatst
Overige functies lg = essentieel leefgebied
Essentiële vliegroute: schadelijke handelingen op een essentiële vliegroute kunnen worden uitgesloten. Binnen het plangebied worden geen lijnvormige elementen (bomenrijen en/of watergangen) aangetast welke kunnen fungeren als essentiële vliegroute. Tevens zijn voldoende alternatieven aanwezig in de omgeving. Essentieel foerageergebied: schadelijke handelingen op een essentieel foerageergebied kunnen worden uitgesloten. Er is een groot oppervlak aan houtige beplanting en open water aanwezig in het plangebied, wat mogelijk foerageergebied is. Er is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving. Dit alternatieve foerageergebied ligt op vergelijkbare afstand van de mogelijke verblijfplaatsen én is van vergelijkbare kwaliteit. Boom- en steenmarter
r, lg
Rust- of verblijfplaatsen: schadelijke handelingen op rust- en verblijfplaatsen van de boom- en steenmarter kunnen niet worden uitgesloten. Er is geschikt biotoop aanwezig, zoals boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen. Tijdens de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen vernietigd worden. Essentieel leefgebied: schadelijke handelingen op het essentiële leefgebied van de boom- en steenmarter kunnen worden uitgesloten. Er zijn elementen aanwezig zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen waar de soorten naar voedsel zoeken. Het leefgebied zal tijdens de werkzaamheden (deels) vernietigd worden. Er is echter voldoende alternatief leefgebied aanwezig in of nabij het plangebied op dezelfde afstand van de verblijfplaatsen én van dezelfde kwaliteit.
3
Artikel 11.54, lid 1a en 1b, Bal
Das
r, lg
Er zijn geen sporen aangetroffen, zoals burchten, haren of prenten, waaruit mogelijke aanwezigheid blijkt. Wel zijn waarnemingen bekend van de das binnen het plangebied. Het plangebied kan essentieel leefgebied van de das betreffen welke ten tijde van de werkzaamheden (deels) wordt aangetast of verwijderd. Het gaat hierbij ook om de maisvelden waar dassen graag foerageren.
3, 4
Artikel 11.54, lid 1a en 1b, Bal
Eekhoorn
r, lg
Er zijn mogelijke eekhoornnesten (bolvormige nesten) waargenomen binnen het plangebied. Ook zijn er geschikte boomholtes en spechtengaten aangetroffen die in gebruik zijn of gebruikt kunnen worden door de eekhoorn.
3
Artikel 11.54, lid 1a en 1b, Bal
¹ Zoals omschreven in paragraaf 2.2. 2
De beschermingsregimes zijn hier toegelicht.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
12
Resultaten
Toetsing aan de Ow
Verblijfplaatsen
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
Te verwachten functies
Onderbouwing en locatie(s) in het plangebied
Activiteit1
Kans op schadelijke handeling Ow2
v = voortplantingsplaats
Kleine marterachtigen*
r, lg
Bunzing Er is geschikt biotoop aanwezig zoals terreinen met een afwisseling van sloten en greppels, weilanden, akkers, houtwallen en bosschages. Er zijn geschikte verblijfplaatsen, zoals takkenhopen, holle bomen en boomwortels, aangetroffen binnen het plangebied.
3
Artikel 11.54, lid 1a en 1b, Bal
r = rust- of verblijfplaats
w = winterverblijfplaatst
Overig en omgeving lg = essentieel leefgebied
Hermelijn De hermelijn kan in verscheidene terreinen voorkomen, zoals in kleinschalig cultuurlandschap met een afwisseling van bijvoorbeeld graslanden en houtwallen. De hermelijn lijkt een voorkeur te hebben voor terreinen met wateren of hoge grondwaterstand, zoals in beekdalen, rivieruiterwaarden en veen(weide)gebieden. De aanwezigheid van dekking is essentieel, dit zijn veelal lijnvormige elementen, maar ook hoog gras kan volstaan. Akkers en open velden worden gemeden. Er zijn geschikte verblijfplaatsen, zoals takkenhopen, aanwezig binnen het plangebied. Wezel Wezels kunnen in verscheidene landschappen (macrohabitats) worden aangetroffen, waarin de voorkeur uitgaat naar structuurrijke en/of geen accidenteerde terreinen met een afwisseling van bos en veld. Daarin wordt een combinatie van min of meer dichte structuren zoals ruigten, hoog gras- of rietland, bosjes en/of houtwallen betrokken (het microhabitat). De aanwezigheid van dekking is essentieel, dit zijn veelal lijnvormige elementen, maar ook hoog gras kan volstaan. Wezels kunnen ook voorkomen nabij gebouwen. Akkers en open velden worden gemeden. Er zijn geschikte verblijfplaatsen aanwezig binnen het plangebied, zoals takkenhopen, oude holen van muizen, ratten en konijnen. Ringslang
w, lg, v
Er is geschikt leef- of voortplantingsbiotoop van de ringlsang aanwezig. Binnen het plangebied zijn waarnemingen bekend van de ringslang. Meer dan andere reptielen komt de ringslang voor in een bebouwde omgeving/nabij infrastructuur en het agrarisch gebied. Verder zijn voortplantingsplaatsen (broeihopen) aanwezig zoals bladhopen, rottende boomstronken of composthopen aanwezig. Overwinteringsplaatsen zijn bijvoorbeeld: hol onder een boom of in de grond, in mest- of composthopen of onder bladafval, takken of braamstruiken.
6
Artikel 11.54, lid 1a en 1b, Bal
Heikikker
w, lg, v
Er is geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig in de vorm van ondiep, stilstaand, voedselarm water met oevervegetatie. De heikikker heeft de voorkeur voor ondiep water (sloten, vennen, poelen) op hoog- en laagveen. Verder zijn er geschikte zomerverblijfplaatsen aanwezig binnen 300 meter van geschikt voortplantingswater waar de heikikker tijdens de actieve fase verblijft, zoals veengebieden. Ook is geschikt overwinteringsbiotoop aanwezig in de vorm van vorstvrije plekken op het land, zoals (afgetrapte) slootkanten of bosschages in de nabijheid (500 tot 1.200 meter) van zomer- of voortplantingsbiotoop.
5
Artikel 11.46 lid 1a, 1b en 1d, Bal HR-soorten
¹ Zoals omschreven in paragraaf 2.2. De beschermingsregimes zijn hier toegelicht. *De vrijstelling van kleine marterachtigen komt in september 2024 in Utrecht te vervallen. Daarom zijn de soorten meegenomen in de beoordeling.
2
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
13
Resultaten
Toetsing aan de Ow
Verblijfplaatsen
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
Te verwachten functies
Onderbouwing en locatie(s) in het plangebied
Activiteit1
Kans op schadelijke handeling Ow2
v = voortplantingsplaats
Rugstreeppad
v, z, w
Schadelijke handelingen op rugstreeppad kunnen niet worden uitgesloten. Aanwezigheid wordt niet uitgesloten. Er wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: • er is een geschikte combinatie van biotopen aanwezig (zomer-, voortplantings- én winterverblijfplaatsen) in of binnen maximaal 1000 meter van het plangebied; • er is binnen 1000 meter geschikt landbiotoop aanwezig, zoals onbeschaduwde, schaarsbegroeide terreinen; • er is recente aanwezigheid van rugstreeppad aangetoond binnen één kilometer van het plangebied, in de afgelopen drie jaar (bron: Kennisdocument rugstreeppad).
5
Artikel 11.46 lid 1a, 1b en 1d, Bal
w = winterverblijfplaatst
HR-soorten
Overig en omgeving
z = zomerverblijfplaats
lg = essentieel leefgebied
Vestiging kan wel plaatsvinden, omdat voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden: • absulute barrières zijn afwezig tussen de bekende waarnemingen op maximaal 5 kilometer en het plangebied, zoals snelwegen, drukke rijkswegen en (hoge) steile kades van dokken; • er zijn waarnemingen bekend binnen vijf kilometer van het plangebied in de afgelopen drie jaar; • er is een geschikte combinatie van biotopen aanwezig in of binnen 1000 meter van het plangebied óf deze kan ontstaan tijdens de werkzaamheden. Voortplantingsbiotoop: (tijdelijke) ondiepe wateren, die snel opwarmen, zoals vegetatiearme wateren, karrensporen, recent geschoonde sloten of ondiepe slootjes. Terrestrisch biotoop: (teelt)akkers, zandafgravingen, laagblijvend grasland in veenweidegebied. Zomerverblijfplaatsen: kassen, muizen- of konijnenholen, materialen (bijvoorbeeld pallets, houtstapels, steenhopen en tegels). Winterverblijfplaatsen: (vorstvrije) hopen vergraafbaar zand, op boerderijerven, bosschages/struwelen boven het grondwater. Alpenwatersalamander
v, z, w
Er is geschikt biotoop aanwezig, namelijk tuinvijvers in de buurt van bos of houtwallen. Als schuilplaatsen worden allerlei vochtige plekken gebruikt. De dieren worden onder hout, stenen, mos en afval aangetroffen. Alpenwatersalamanders overwinteren voornamelijk op vorstvrije plaatsen op het land, zoals holten, houtwallen, overhoekjes, houtstapels, stenen, afvalhopen, kelders, groeven en (vleermuis)bunkers. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven.
5
Artikel 11.54, lid 1a en 1b, Bal
Grote vos
v, w
Er is geschikt biotoop aanwezig namelijk: open, vochtige, vrij voedselrijke bossen of parken. Grote vrijstaande iepen oefenen een grote aantrekkingskracht uit op deze vlinder, deze zijn niet aanwezig. Wel aanwezige waardbomen zijn: zoete kers, wilgensoorten (Salix spec.) en populieren. De eitjes worden afgezet op de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen. Ook zijn nectarplanten en geschikte plaatsen (koel, donker) aanwezig om te overwinteren, zoals holle bomen, houtstapels of houten schuurtjes aanwezig.
3
Artikel 11.54, lid 1a en 1b, Bal
Teunisbloempijlstaart
v, w
Binnen het plangebied zijn geschikte waardplanten aanwezig, namelijk de teunisbloem spec. en het harig wilgenroosje. Er is een strooisellaag aanwezig waarin de soort als pop kan overwinteren. Tevens is geschikt biotoop aanwezig namelijk open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen.
3
Artikel 11.46 lid 1a, 1b en 1d, Bal HR-soorten
¹ Zoals omschreven in paragraaf 2.2. 2
De beschermingsregimes zijn hier toegelicht.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
14
Figuur 3:
Legenda
kaart
met
weergave
van
relevante waarnemingen en biotopen
Plangebied Onderzoeksgebied Water (V, HK, RSP, AW) Kruidenrijk grasland (V) Struweel (V, BM, SM, D, KM) Bos (V, BM, SM, D, EK, GV, KM) Bebouwing (HM) Bebouwing Tuincentrum Exoot (bamboe) Moestuin (D) Maisveld (D) Laanbeplanting (V) Takkenril (BM, SM) Begroeide muur Composthopen (RS) Teunisbloem (clusters; TBP) Reuzenberenklauw (cluster) Vrijstaande boom (V, GV) Bomen met klimop (clusters; V, VM) Boomholtes (V, VM, EK) Boom met nest (V, EK) Boom met nest (V)
van beschermde soorten (PDOK, 2024). Zie Tabel 3 voor de effectbeoordeling Vogels zonder jaarrond beschermd nest In
de
ingetekende
biotopen
kunnen
diverse vogels aanwezig zijn en een nest hebben. In gebouwen kunnen soorten als Turkse tortel, kauw en spreeuw broeden. In bomen/bos gaat het bijvoorbeeld om houtduif, ekster en zwarte kraai. In het water kan meerkoet tot broeden komen. In het struweel zijn soorten mogelijk zoals merel, roodborst en winterkoning.
Gebruikte afkortingen: V = vogels zonder jaarrond beschermd nest, VM = vleermuizen, HM = huismus, HK = heikikker, RSP = rugstreeppad, AW = Alpenwatersalamander, BM = steenmarter, SM = boommarter, EK = eekhoorn, D = das, RS = ringslang, GV = grote vos. TBP = teunisbloempijlstaart, KM = kleine marterachtigen. Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
15
3.3 Algemene zorgplicht
3.4 Specifieke zorgplicht
De algemene zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel
De specifieke zorgplichten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit
van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. Een ieder die weet of redelijkerwijs
bouwactiviteiten leefomgeving (Bbl) genoemd en kennen een specifiekere reikwijdte dan de algemene
kan vermoeden dat zijn activiteit of het nalaten ervan nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke
zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt naast soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationale
leefomgeving, is verplicht om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken danwel
soorten, ook voor trekvogels en soorten die opgenomen zijn op de Rode Lijsten en hun leefgebieden.
de activiteit achterwege te laten. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren
Hieronder wordt beoordeeld of een specifieke zorgplicht van toepassing is.
en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen.
3.4.1 Bureau-onderzoek In deze paragraaf worden de gevolgen beoordeeld van de voorgenomen activiteiten op trekvogels en
De algemene zorgplicht is in principe altijd van toepassing, tenzij een specifieke zorgplicht is opgenomen
de soorten van de Rode Lijsten. In Paragraaf 3.2 of Bijlage 4 zijn de beschermde soorten (inclusief
voor een bepaalde activiteit in de Ow (artikel 1.8), zie paragraaf 3.4 voor de specifieke zorgplicht. De
broedvogels) reeds beoordeeld. Binnen de beschermde soorten en de Rode Lijsten bestaat enige
zorgplichten zijn niet vergunningsplichtig. Hieronder is opgenomen welke soorten aanwezig (kunnen)
overlap. Daarom worden in deze paragraaf de amfibieën en reptielen niet behandeld. Voor zoogdieren
zijn in het plangebied.
is geen sprake van overlap voor enkel de zwarte rat. Het voorkomen van deze soort wordt niet verwacht. Voor deze soortgroepen wordt verwezen naar Paragraaf 3.2 of Bijlage 4. In het plangebied en de directe
3.3.1 Planten
omgeving (50 meter) zijn bekende waarnemingen van de afgelopen 10 jaar opgevraagd van soorten van
De volgende inheemse of hier van nature voorkomende plantensoorten zijn aangetroffen in het
de Rode Lijsten. De resultaten van het bureau-onderzoek zijn weergegeven in Bijlage 3B.
plangebied: harig wilgenroosje, kikkerbeet, riet, Spaanse aak, katwilg, grauwe wilg, wilg spec., gewone esdoorn, zomereik, laurierkers, es, cipres spec., klimop, populier spec., ruwe berk, zwarte els, witte els,
3.4.2 Beoordeling Rode Lijst-soorten
witte paardenkastanje, hazelaar, okkernoot, conifeer, plataan, taxus, beuk en grauwe abeel. De lijst is
Tijdens het veldbezoek is beoordeeld of de soorten die uit de bureaustudie naar voren komen, ook
een indicatie en geen uitputtende lijst van de aanwezige soorten.
aanwezig zijn of verwacht worden in het plangebied. De soorten die in het plangebied verwacht worden én waar nadelige gevolgen op de 'staat van Instandhouding' (SvI) niet uitgesloten kunnen worden, zijn
3.3.2 Dieren
beschreven in deze paragraaf. Zie Figuur 4 voor de relevante ecotopen en waarnemingen.
De volgende inheemse of hier van nature voorkomende diersoorten zijn aangetroffen in het plangebied: zwarte kraai, ekster, blauwe reiger, koolmees, zwarte roodstaart, winterkoning, roodborst, vink, merel
Dagvlinders
en de bruine kikker. De volgende soorten zijn daarnaast vermoedelijk aanwezig, gezien de aanwezige
Binnen het plangebied kunnen dagvlinders voorkomen welke zijn opgenomen in de Rode Lijst. Het gaat
biotopen: gewone bosmuis, huisspitsmuis en groene kikker.
hierbij om het bruin blauwtje. De soort komt voor in verscheidene typen kruidenrijk- en schraal grasland. De soort heeft hierbij een voorkeur voor gebieden met een afwisseling in open grond en begroeide plaatsen. Binnen het plangebied zijn deze biotopen aanwezig. Het gaat hierbij om de ruigten ten zuiden van de maisvelden en de grasstroken nabij de moestuin. Nadelige effecten op de staat van instandhouding veroorzaakt door de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
16
Vissen
Korstmossen
In de wateren binnen het plangebied kunnen vissen voorkomen welke zijn opgenomen in de Rode Lijst.
Binnen het plangebied kunnen korstmossen voorkomen welke zijn opgenomen in de Rode Lijst. Het betreft
Het gaat hier om de kleine modderkruiper, bittervoorn en kroeskarper. De kleine modderkruiper komt
de lindeschildmos. De soort groeit op oudere en vrijstaande loofbomen welke goed zijn belicht. Bomen
voor in stilstaand tot langzaam stromend en ondiep water. In het water dient een rijke plantenbegroeiing
waarop de soort vaak wordt aangetroffen zijn esdoorn spec., es en linde spec. Binnen het plangebied zijn
aanwezig te zijn en de bodem moet zandig zijn of bedekt zijn met een dunne sliblaag. Binnen het
vrijstaande lindebomen aanwezig welke geschikt zijn als groeiplaats. Nadelige effecten op de staat van
plangebied zijn rondom het woonhuis ten noorden van het tuincentrum dergelijke wateren aanwezig. De
instandhouding veroorzaakt door de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.
bittervoorn komt voor in stilstaand tot langzaam stromend water met een plantenrijke oever. Binnen het plangebied zijn rondom het woonhuis ten noorden van het tuincentrum dergelijke wateren aanwezig. Ook
Mossen
meerdere sloten binnen het plangebied zijn geschikt voor de soort. De kroeskarper komt voor in kleinere
Binnen het plangebied kunnen mossen voorkomen welke zijn opgenomen in de Rode Lijst. Het gaat om
stilstaande en plantenrijke wateren. Binnen het plangebied zijn rondom het woonhuis ten noorden van het
het glanzend maanmos. Glanzend maanmos komt voor in een breed scala aan milieus. De soort komt
tuincentrum dergelijke wateren aanwezig. Nadelige effecten op de staat van instandhouding veroorzaakt
voor in hoog- en laagveen als ook op zandige bodems en groeit zowel op de grond als op rottend hout.
door de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.
Nadelige effecten op de staat van instandhouding veroorzaakt door de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.
Vogels Het plangebied kent belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats die belangrijk zijn voor specifieke
Vaatplanten
soorten. Deze soorten zijn reeds beschreven in Paragraaf 3.2 of Bijlage 4. Binnen het plangebied is geen
Binnen het plangebied kunnen planten voorkomen welke zijn opgenomen in de Rode Lijst. Het gaat hierbij
belangrijke functie voor trekvogels aanwezig, zoals duingebied, grotere open waterplassen (wintergasten)
om bilzekruid, brede waterpest, oosterse morgenster en valse kamille. Bilzekruid groeit op zonnige, open
of agrarische gebieden (ganzenfoerageergebieden).
plaatsen in bijvoorbeeld ruigten en ruderale plaatsen. De grond dient droog en matig tot zeer voedselrijk te zijn. Brede waterpest groeit in helder, ondiep, stilstaand of rustig stromend, matig voedselrijk tot
Bijen
voedselrijk water. De soort kan onder andere voorkomen in vijvers en brede sloten. Oosterse morgenster
Binnen het plangebied kunnen bijen voorkomen welke zijn opgenomen in de Rode Lijst. Het gaat hier om
groeit op zonnige, iets open tot grazige plaatsen op vochtige en voedselrijke grond. Valse kamille groeit op
de blauwe metselbij, blauwzwarte houtbij en de tuinbladsnijder. De blauwe metselbij is een soort welke
zonnige en open plaatsen met een matig voedselrijke bodem. De soort wordt onder andere aangetroffen
in stedelijk gebied voor kan komen. De soort nestelt in bestaande en bovengrondse holtes. Hierbij kan
op akkers, braakliggende en omgewerkte grond en in bermen. Het verwijderen van de groeiplaatsen kan
worden gedacht aan de stengels van planten (zoals bamboe en riet), oude muren en kevervraatgangen
afbreuk doen aan de stand van instandhouding van de voorkomende soorten.
in hout. De soort heeft als drachtplanten een voorkeur voor vlinderbloemigen en lipbloemigen. Ook de blauwzwarte houtbij komt voor in stedelijk gebied en nestelt in dood hout. De tuinbladsnijder is een
Weekdieren
soort die vaak in tuinen wordt aangetroffen. De soort nestelt in allerlei holtes. Hierbij kan gedacht worden
Binnen het plangebied kan een weekdier voorkomen welke is opgenomen in de Rode Lijst. Het gaat hier om
aan holtes in bomen, muren, holle stengels en nestblokken. Sporadisch worden nesten gemaakt in de
de lichte aardslak. De soort komt voornamelijk voor in gebieden met menselijke bewoning. De soort wordt
bodem. De soort heeft geen voorkeur voor drachtplanten en kan worden aangetroffen op verscheidene
aangetroffen in vochtige ruimtes als kelders, keukens en in tuinen onder stenen of houtblokken. Binnen
inheemse en gekweekte bloemen. Nadelige effecten op de staat van instandhouding veroorzaakt door de
het plangebied is dergelijk leefgebied aanwezig rondom de woonhuizen en houtstapels. Nadelige effecten
werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.
op de staat van instandhouding veroorzaakt door de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
17
Overige soortgroepen Binnen het plangebied wordt het voorkomen van libellen, haften, kokerjuffers, platwormen, sprinkhanen, krekels en steenvliegen welke staan op de Rode Lijst uitgesloten.
3.5 Invasieve exoten Er zijn invasieve exoten aangetroffen in het plan- en onderzoeksgebied. Nabij de sloten zijn veel overblijfselen van de rode Amerikaanse rivierkreeft aangetroffen. Binnen het plangebied zijn tevens groeiplaatsen van de reuzenberenklauw aangetroffen.
Legenda Plangebied
Ecotopen Water Water Struweel Bos Gras Verharding Ruigte Uitheems (moestuin) Uitheems (maisveld) Exoot (bamboe)
De Unielijst (NVWA, 2023) wordt gehanteerd om te bepalen of een exoot invasief is. Aanvullend wordt tijdens een veldbezoek de aanwezigheid van Aziatische duizendknopen bepaald. Omdat tijdens een veldbezoek niet altijd de bovengrondse delen zichtbaar zijn (bijvoorbeeld in de winter), volstaat de inventarisatie niet als bewijs dat invasieve exoten (inclusief Aziatisch duizendknopen) afwezig zijn. De provincies zijn verantwoordelijk voor de bestrijding en beheersing van invasieve exoten, zoals opgenomen in bijlage VC van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Figuur 4: kaart met weergave van relevante waarnemingen en ecotopen van soorten van de Rode Lijst (PDOK, 2024).
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
18
4. CONCLUSIE & AANBEVELINGEN 4.1 Conclusie
Algemene opmerking:
De conclusie geeft antwoord op de deelvragen uit paragraaf 1.2 en is opgedeeld in soort- en
In 4.1 is de conclusie weergegeven. Voor de volledigheid én om een verkeerde interpretatie
gebeidsbescherming. In tabel 5 is de conclusie samengevat.
te voorkomen, dient het gehele rapport gelezen te worden. Zo geeft hoofdstuk 1 belangrijke informatie over de opzet en afbakening van het onderzoek. In hoofdstuk 2 wordt informatie
4.1.1 Soortbescherming
gegeven over de begrenzing van het plangebied en welke activiteiten getoetst zijn. Hoofdstuk
De voorgenomen activiteit leidt naar verwachting tot schadelijke handelingen op beschermde
3 geeft nadere informatie over de aanwezigheid van soorten en gebieden. Ook de bijlagen zijn
soorten uit de Omgevingswet. Er kunnen namelijk (direct) negatieve effecten optreden op: nesten
onlosmakelijk met de inhoud verbonden, met name Bijlage 4.
van huismus en 'vogels met en zonder jaarrond beschermd nest', verblijfplaatsen van vleermuizen, rust-, verbijfplaatsen en essentieel leefgebied van de boom-, steenmarter, das en eekhoorn, leef- en voortplantingsbiotoop van de ringslang, heikikker en de rugstreeppad en op het leefbiotoop van de
4.2 Nader onderzoek is nodig voor de volgende soorten en gebieden
grote vos en de teunisbloempijlstaart. Bovenstaande soorten kunnen zich ook in de toekomst vestigen,
Voor iedere soort en gebied waarvoor (mogelijk) sprake is van een schadelijke handeling, wordt hieronder
waardoor een schadelijke handeling kan ontstaan.
de vervolgstap beschreven, die nodig is wanneer concrete ingrepen worden voorbereid.
•
Vogels met jaarrond beschermd nest: Binnen het plangebied zijn meerdere nesten aangetroffen
4.1.2 Gebiedsbescherming
welke mogelijk jaarrond beschermde nesten betreffen. Gezien niet vastgesteld kan worden welke
De voorgenomen activiteiten leidt niet/tot schadelijke handelingen op beschermde NNN- en Natura
soort gebruikt maakt van de nesten is een broedvogelinspectie benodigd in het broedseizoen. Op
2000-gebieden uit de Omgevingswet.
basis van de broedvogelinspectie kan nader soortgericht onderzoek volgen. Dit onderzoek is niet
•
Tabel 4: samenvatting conclusie Soort(groep)/gebied
Maatregel
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
x
Vogels met jaarrond beschermd nest
x
Huismus, boommarter, steenmarter, das, hermelijn, bunzing, wezel, eekhoorn, heikikker, rugstreeppad, alpenwatersalamander, ringslang, grote vos, teunisbloempijlstaart Vleermuizen
Onderzoek
veldbezoeken benodigd in het voorjaar en najaar. Onderzoek naar vliegroutes/gebouwen in de
zie paragraaf 5.1.1 zie paragraaf 4.2 en 5.1.2
x
zie paragraaf 4.2
Vleermuizen: zie Tabel 3 voor de soorten en functies. Dit onderzoek dient globaal plaats te vinden tussen half mei en half oktober volgens het Vleermuisprotocol 2021. Er zijn onder andere
Overig/opmerking
x
benodigd indien gewerkt wordt via de maatregel als beschreven in paragraaf 5.1.2.
•
omgeving is niet benodigd, indien voldaan wordt aan de maatregelen in paragraaf 5.1.2. Huismus: nesten en essentiële functionele leefomgeving. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden door het uitvoeren van twee veldbezoeken in de ochtend tussen 1 april en 15 mei. Het onderzoek naar essentiële functionele leefomgeving kan gecombineerd worden met nestonderzoek. Hierbij dienen alle essentiële elementen voor huismus (zowel zomer- als winterbiotoop) bepaald te worden op basis van expert judgement tot 200 meter. Om de reële
x
x
zie paragraaf 4.2 en 5.1.3
x = maatregel of onderzoek is benodigd, (x) = onderzoek is enkel benodigd als de maatregelen niet uitgevoerd kunnen worden.
kans op vestiging te bepalen wordt geadviseerd om tijdens het nestonderzoek ook de omgeving te onderzoeken tot tenminste 200 meter.
Zie paragraaf 5.1 voor informatie over hoe om te gaan met soorten waarvoor geen onderzoek benodigd is, maar waarvoor wel maatregelen benodigd zijn.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
19
•
Rugstreeppad: zie Tabel 3 voor de functies. Onderzoek naar de voortplantingsfunctie is veelal indicatief voor andere verblijfplaatsfuncties. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden middels drie bezoeken in de periode 15 april t/m mei en half juni t/m begin augustus. Minimaal één bezoek dient plaats te vinden tussen 15 april en eind mei en één bezoek tussen 15 juni en 15 juli. Om ook de landbiotoopfunctie te onderzoeken, dienen amfibieënplaten uitgelegd te worden (Netwerk Groene Bureaus, 2023). Winterverblijfplaatsen zijn redelijkerwijs niet te onderzoeken, hiervoor kan
•
enkel een potentie-inschatting worden gemaakt op basis van expert judgement. Heikikker: zie Tabel 3 voor de functies. Het onderzoek naar de voortplantingsfunctie dient uitgevoerd te worden middels drie bezoeken in de periode van eind februari t/m begin april. Zomer- en winterbiotoop zijn redelijkerwijs niet te onderzoeken, hiervoor kan enkel een potentie-
•
inschatting worden gemaakt op basis van expert judgement. Alpenwatersalamander: dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode van maart tot en met augustus waarbij tijdens meerdere bezoeken gezocht wordt naar adulten en juvenielen in
•
de geschikte wateren. Ringslang: zie Tabel 3 voor de functies. Dit onderzoek dient plaats te vinden door in oktober of maart met één veldbezoek te zoeken naar eierschalen en/of door drie veldbezoeken in de periode
•
juni-juli waarbij er gezocht wordt naar zonnende vrouwtjes bij potentiële eierafzetplaatsen. Boommarter, bunzing, das, hermelijn, steenmarter en wezel: verblijfplaatsen en essentieel leefgebied. Dit onderzoek dient bij voorkeur verricht te worden in de voortplantingsperiode, welke globaal loopt van maart tot juli voor de boommarter en steenmarter, van maart t/m augustus voor de bunzing en van mei t/m augustus voor de wezel en hermelijn (Bouwens, 2017). Tijdens deze periode dienen gedurende zes weken cameravallen opgehangen worden op de mogelijke verblijfslocaties. Buiten deze periode kan er ook onderzoek uitgevoerd worden, maar dan is een verhoogde onderzoeksinspanning benodigd. Het onderzoek naar de das wordt gelijktijdig
•
uitgevoerd tijdens het onderzoek met cameravallen. Eekhoorn: verblijfplaatsen en leefgebied. Dit onderzoek dient bij voorkeur verricht te worden op drie momenten gedurende het jaar (winter, voorjaar en zomer). De paartijd (december tot februari en mei tot juni) is de optimale periode voor onderzoek. Mogelijke verblijfslocaties kunnen met een endoscoopcamera geïnspecteerd worden. Verder kan het onderzoek bestaan uit
•
sporenonderzoek en zichtwaarnemingen van individuen en nesten. Grote vos en teunisbloempijlstaart: voortplantingsplaats en winterverblijfplaats. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden in de periode waarin rupsen of imago's aanwezig zijn, waarbij er gezocht wordt naar vraatsporen, uitwerpselen en de rupsen zelf op de waardplanten.
Quickscan flora en fauna. Wij geven adviezen om beschermde plant- en diersoorten én de algehele biodiversiteit duurzaam in stand te houden.
Toelichting op de afbeelding Tunnel van haagbeuk
20
5. MAATREGELEN Hieronder volgen de te nemen maatregelen om schadelijke handelingen op beschermde soorten te
Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de activiteiten alsnog doorgang vinden.
voorkomen tijdens de uitvoering van de activiteiten. De maatregelen zijn opgedeeld in:
Let op: in de aangegeven broedperiode is er veelal een grote kans op het aantreffen van broedende
• • •
5.1 Maatregelen beschermde soorten (artikelen 11.37, 11.46 en 11.54, van het Bal); 5.2 Algemene en specifieke zorgplichtmaatregelen (artikel 11.27);
vogels. Een gunstige uitkomst van de inspectie is vooraf niet te geven.
•
Witte kwikstaart en zwarte roodstaart (vestiging voorkomen): vogelsoorten zoals de witte kwikstaart en zwarte roodstaart kunnen aanwezig zijn op bouwterreinen en broeden in hopen afval
5.3 Bovenwettelijke maatregelen.
of bouwmateriaal. Als de soort(en) tot broeden komt/komen op het terrein is het nest beschermd Daarnaast wordt in paragraaf 5.4 besproken wat u kunt doen bij een wijziging van de voorgenomen
en zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Voorkom vestiging van deze soort(en) door in
activiteiten of wanneer de gegeven adviezen niet passen in de uitvoering of planning.
de broedperiode (globaal van half maart t/m eind juli) bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het plangebied. Of dek de bouwmaterialen geheel af met een stevig zeil
5.1 Maatregelen beschermde soorten en/of beschermde gebieden
of doek.
Er zijn maatregelen nodig voor de volgende beschermde soorten: vogels en vleermuizen en rugstreeppad. Wij adviseren om de gekozen maatregelen uit te laten werken in een ecologisch werkprotocol (EWP).
5.1.2 Vogels met jaarrond beschermd nest Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van
Algemene opmerking:
instandhouding. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden.
Verricht geen activiteiten voordat de nadere onderzoeken zijn afgerond, maatregelen zijn genomen
Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden.
en/of (indien aan de orde) een omgevingsvergunning is verkregen. Of treed voorafgaand aan
Maatregel 1: verricht de activiteiten buiten de broedperiode van de aanwezige soorten. Op basis van
de activiteiten in overleg met een deskundig ecoloog over welke activiteiten wél mogelijk zijn.
het veldbezoek waarin we op aanwezige en verwachte vogelsoorten hebben gelet én op basis van de
Afwijkingen dienen altijd schriftelijk vastgelegd te worden om aantoonbaar volgens de wet te
aanwezige biotopen, verwachten wij dat de broedperiode loopt van maart t/m half augustus.
werken (omgekeerde bewijslast). Zie ook paragraaf 5.4.
Maatregel 2: Werk op een afstand van minimaal 50 meter van de aangegeven nesten in Figuur 3. Indien dit niet mogelijk is dient mogelijk nader onderzoek uitgevoerd te worden.
5.1.1 Vogels zonder jaarrond beschermd nest Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat
5.1.3 Vleermuizen (lichtverstoring voorkomen)
van instandhouding van een in Europa inheemse vogelsoort. Nesten van deze soorten mogen niet
Verblijfplaatsen: voorkom dat geschikte verblijfplaatsen buiten de werkzaamheden beschenen
beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het
worden door verlichting tijdens de activiteiten en in de nieuwe situatie. De geschikte invliegopeningen
nest zijn verboden. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus. Echter, alle