Bijlage 2 Achtergrondrapportage Openingsbod.pdf
Tekst van het document
Daarnaast rekent de Startanalyse met één energietoekomst, waar het Openingsbod gebruik maakt van drie verschillende energietoekomsten. Het gebruik van drie verschillende modellen met drie verschillende toekomstbeelden stelt het Openingsbod in staat om de robuustheid van de gepresenteerde voorkeursopties per buurt te presenteren. De Startanalyse doet dit niet en laat zien hoe gevoelig onzekere factoren (zoals energieprijzen) zijn middels gevoeligheidsanalyses. Meer informatie over verschillen en overeenkomsten tussen het Openingsbod en de Startanalyse staat in paragraaf 3.9. Figuren 6 en 7 presenteren de robuuste resultaten voor buurten en voor WEQ’s. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de Startanalyse geen robuuste resultaten presenteert. Om toch een vergelijking te kunnen maken hebben we voor de buurten die door het Openingsbod zijn gekenmerkt als buurten met een robuust resultaat, de Startanalyse en het Openingsbod onderling vergeleken. Figuur 6 – Robuuste buurten Openingsbod vs Startanalyse
Figuur 7 - Robuuste WEQ Openingsbod vs Startanalyse
Deze figuren leiden tot de volgende observaties: • De resultaten op buurt niveau zijn verschillend tussen het Openingsbod en de Startanalyse. Echter, de WEQ resultaten presenteren een overeenkomt resultaten.
22
• •
Waar het Openingsbod een groot aandeel van de buurten de voorkeursoptie duurzaam gas geeft, in combinatie met een relatief klein aandeel in WEQ, kent de Startanalyse hetzelfde fenomeen bij all-electric. In de Startanalyse is een MT/HT-warmtenet vaker de voorkeursoptie, bij het vergelijk op basis van zowel buurten als WEQ.
Er zijn verschillende verklaring voor deze observaties: • Het gebruik van verschillende modellen en verschillende energietoekomst leidt tot verschuivingen in de voorkeursopties van de studie. • Ook de manier waarop Vesta MAIS is gebruikt in het Openingsbod verschilt van de Startanalyse. Dit komt door gebruik van andere uitgangspunten in de studies. Enkele belangrijke verschillende uitganspunten zijn (welke ook van toepassing zijn op het gebruik van het CEGOIA en de ETM-warmtemodule in het Openingsbod): Zo is er een verschil in gebruik van de capaciteiten van restwarmtebronnen en potentie van geothermie. De Startanalyse is optimistischer over de beschikbare capaciteit van restwarmte uit puntbronnen. Ook is de Startanalyse optimistischer over de bodemgeschiktheid voor warmtelevering uit geothermiebronnen. Dit betekent dat de Startanalyse de bodem eerder als geschikt beschouwt voor geothermie. Dit verklaart waarom in de Startanalyse meer buurten en WEQ zijn met de HT/MT- en LT-opties. Vervolgens wordt een verschillende beschikbaarheid voor groen gas en waterstof verondersteld. Zo gaat de Startanalyse uit van een nationale beschikbaarheid van 1,5 miljard m3/jaar. Het Openingsbod gaat uit van een nationale beschikbaarheid van 0,7 miljard m3/jaar in de ‘beperkte’ energietoekomst, en van een nationale beschikbaarheid van 1,5 miljard m3/jaar in de ‘ruime’ energietoekomst.
Andersom werkt het bij waterstof: het Openingsbod maakt gebruik van onbeperkte waterstof beschikbaarheid in de ‘ruime’ energietoekomst, terwijl de Startanalyse geen gebruik maakt van waterstof. Ondanks de lagere beschikbaarheid van groen gas in de ‘beperkte’ energietoekomst, zorgt de onbeperkte beschikbaarheid van waterstof in de ‘ruime’ energietoekomst ervoor dat het Openingsbod duurzaam gas vaker toebedeelt aan buurten en WEQ dan de Startanalyse. Tot slot is er een verschil in de methodiek van isoleren. De Startanalyse legt een minimum schillabel B of D op aan de gebouwde omgeving. Dit is dus een eis waaraan alle gebouwen moeten voldoen. Het Openingsbod gaat niet uit van een minimum schillabel. In het Openingsbod isoleren gebouwen naar een hogere schillabel indien dit voor de maatschappij rendabel is (laagste nationale kosten). Dit zorgt ervoor dat gemiddeld gezien de isolatiegraad in de Startanalyse hoger is dan in het Openingsbod. Als gevolg hiervan zijn lagetemperatuurwarmtetechnieken aantrekkelijker voor buurten in de Startanalyse dan in het Openingsbod. Als gevolg hiervan zien we dat de Startanalyse de all-electric alloceert aan veel dunbevolkte buurten (buurten met weinig WEQ), in plaats van duurzaam gas in het Openingsbod.
4.2.2 Vergelijking met de vorige editie van het Openingsbod Deze nieuwe editie van het Openingsbod is een vernieuwd ten opzichte van het Openingsbod dat uitkwam in 2020. In beide edities van het Openingsbod is het doel om op zoek te gaan naar de robuuste warmtetechnieken per buurt. Echter, er zijn ook aanpassingen en toevoegingen aan de vorige editie die in sommige gevallen leiden tot resultaten die afwijken van de eerdere versie. Figuren 8 en 9 presenteren de robuuste resultaten voor buurten en voor WEQ. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de resultaten in het Openingsbod 2020 op een andere manier werden gepresenteerd dan in het Openingsbod 2021. Zo maakte het Openingsbod 2020 nog geen onderscheid in het type warmtenet (HT/MT/LT). Verder maakte het vorige Openingsbod onderscheid in ‘zekere’ en indicatieve’ buurten, wat niet meer wordt gedaan in het Openingsbod 2021. Om de resultaten tussen beide versies onderling te kunnen vergelijken, worden de resultaten in het Openingsbod van 2021 met de HT/MTen LT-opties samengevoegd tot een W-optie (warmtenet) resultaat. ‘Zekere’ en ‘indicatieve’ resultaten in het vorige Openingsbod worden samengevoegd tot een ‘robuust’ resultaat.
23
Figuur 8 - Robuuste buurten Openingsbod 2020 vs 2021
Figuur 9 - Robuuste WEQ 2020 vs 2021
Uit deze figuren kunnen we de verschillende observaties maken en verklaren, ingedeeld op een verschuiving in robuustheid en warmtetechniek. Tabel 13 geeft een samenvatting van de belangrijkste verschillen tussen de twee versies. Verschuiving in robuustheid Uit de figuren maken we de volgende observatie betreft de verschuiving van de robuustheid: • Het aantal robuuste buurten is toegenomen in 2021, terwijl het aantal robuuste WEQ ongeveer gelijk is gebleven7. Er zijn twee belangrijke verklaringen voor deze observatie. • De methodiek is aangepast voor de categorisering van robuuste resultaten. • De omstandigheden in de gevoeligheidsanalyses als gevolg van individuele modelupdates zijn veranderd. • De CBS-buurtindeling is gewijzigd. Dit resulteert erin dat het Openingsbod rekent met andere samenstellingen van buurten dan het Openingsbod 2020, wat resulteert in een verandering in de robuustheidscores van de buurten. Verschuiving in warmtetechniek Uit de figuren maken we de volgende observaties betreft de verschuiving van de warmtetechniek: 7
In 2021 zijn iets minder WEQ robuust dan in 2020, ondanks dat hetzelfde criterium van 20% robuuste WEQ wordt gehanteerd. Dit verschil kan verklaard worden door het afkappunt van robuuste buurten. Buurten worden niet gesplitst omwille van dit 20% criterium. Aangezien we kijken naar gehele buurten betekent dit dat niet precies 20% van de WEQ als robuust wordt gekenmerkt, wat het verschil tussen 2021 en 2020 verklaard.
24
• •
•
Het aandeel buurten met de duurzaam gas is verlaagd in 2021. Voor het aandeel WEQ dat duurzaamgas krijgt is dat nog sterker gedaald in 2021. Het aandeel buurten met een warmtenet is verlaagd in 2021. Wanneer we kijken naar het aandeel WEQ’s valt op dat het aandeel warmtenet juist is toegenomen. Dit betekent dat het warmtenet selectiever wordt aangewezen aan buurten met veel WEQ in 2021. De daling in het aandeel WEQ’s met duurzaam gas wordt deels opgevangen door deze stijging in warmtenet WEQ’s. Het aandeel buurten en WEQ’s met all-electric stijgen in 2021. De daling in het aandeel buurten en WEQ’s met duurzaam gas wordt deels opgevangen door deze stijging in E-optie.
Er zijn verschillende verklaringen voor deze observaties: • Allereerst zijn de individuele modellen die gebruikt zijn in het Openingsbod geüpdatet. Zo is bijvoorbeeld de methodiek voor de aanleg van warmtenetten aangepast in Vesta MAIS en de kengetallen voor infrastructuurkosten veranderd in CEGOIA. Deze modelupdates zijn doorgevoerd op basis van de laatste inzichten in warmtetechnieken. De updates kunnen leiden tot lichte verschuivingen in de uitkomsten van de individuele modellen. • Vervolgens zijn de gaslimieten voor groen gas aangepast. In deze editie van het Openingsbod is de beschikbaarheid van duurzaam gas verlaagd. Dit leidt ertoe dat er minder duurzaam gas beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. In combinatie met de hogere infrastructuur kostenkengetallen voor waterstof (wat duurzaam gas minder aantrekkelijke maakt) kan hiermee de daling in duurzaam gas verklaard worden. Hierdoor worden warmtenetten en all-electric aantrekkelijker. • Tot slot zijn de capaciteiten van warmtebronnen geüpdatet. Deze capaciteiten hebben impact op de allocatie en gebruik van de warmte in de buurten. In combinatie met de verandering in methodiek voor de aanleg van warmtenetten zorgt deze verandering ervoor dat warmte selectiever gealloceerd wordt naar buurten met veel WEQ buurten (o.a. dicht bevolkte buurten). Tabel 13 - Verschillen Openingsbod 2020 vs 2021 Wijziging
Openingsbod 2020
Openingsbod 2021
CBS buurtindeling 2017
CBS buurtindeling 2019
Beschikbaarheid groengas*
• •
Ruim = 1,7 Miljard m3/jaar Beperkt = 1,7 miljard m3/jaar
• •
Beschikbaarheid waterstof*
• •
Ruim = onbeperkt beschikbaar Beperkt = geen beschikbaarheid
Ruim = onbeperkt beschikbaar Beperkt = geen beschikbaarheid
Buurtindeling
Capaciteit warmtebronnen Model updates**
Ruim = 1,5 Miljard m3/jaar Beperkt = 0,7 miljard m3/jaar
MT/LT puntbronnenbestand SDLeidraad2019
•
CEGOIA: 1.0 (2019) ETM-warmtemodule: v2019 Vesta MAIS: Leidraad2019 (v4.0)
CEGOIA: 2.0 (2020) ETM-warmtemodule: v2020 Vesta MAIS: Leidraad2020 (v5.0)
MT/LT puntbronnenbestand SDLeidraad2020
* De veranderingen in de beschikbaarheid van duurzaam gas (groengas en waterstof) is ingedeeld in ‘ruim’ en ‘beperkt’ conform de toekomstbeelden indeling. ** De model updates omvatten de veranderingen in het model die (o.a.) de economisch en technische kengetallen en rekenmethodiek in lijn brengen laatste inzichten.
25
Bijlage A Verschillen en overeenkomsten tussen de Startanalyse en CEGOIA/de ETM-warmtemodule Het Openingsbod is een meerdere-modellenstudie. De inzet van meerdere modellen is een van de krachten van het Openingsbod. Zo worden de blinde vlekken en zwakke plekken in het ene model, opgevangen door de anderen. De modellen zijn alleen op hoofdpunten gelijkgetrokken met de Startanalyse, maar niet overal. Dit is naar ons idee passend bij de filosofie van het Openingsbod. CEGOIA – additionele toelichting CEGOIA heeft een grote update gehad sinds afgelopen jaar. Een belangrijke modelaanpassing is een herziening van de isolatiekosten en resulterende energiebesparing van woningen. Hiervoor is een studie uitgevoerd door adviesbureau Merosch. De isolatiekosten zijn een belangrijk discussiepunt in de warmtetransitie. De isolatiekosten worden vaak onderschat, terwijl de energiewinst wordt overschat. Met deze studie en nieuwe cijfers hebben we een belangrijke stap gemaakt om het vertrouwen te geven in de kentallen dat nodig is. Ten grondslag aan deze modelupdate staan de kentallen van Vesta MAIS 3.5. De nieuwe versie van CEGOIA heeft gedeeltelijk deze kengetallen overgenomen. Vesta MAIS 3.5 heeft dezelfde kentallen als Vesta MAIS 4.0, een versie die specifiek voor de Startanalyse 2019 is uitgebracht. Inmiddels is Vesta MAIS 5.0 verschenen voor de Startanalyse 2020.
De kentallen uit versie 3.5 zijn vaak hetzelfde als 5.0. De belangrijkste aanpassingen van 3.5 naar 5.0 zijn aangegeven in de release notes. De release notes zijn niet uitputtend, maar geven de veranderingen van belang. Niet alle kentallen uit Vesta MAIS zijn overgenomen. Hiervoor zijn drie redenen. i)Voor sommige kentallen geldt dat deze niet voorkomen in of niet vergelijkbaar zijn met Vesta MAIS. Dit komt omdat de berekeningsmethodes tussen de modellen verschillen. Dit geldt bijvoorbeeld voor WKO-installaties en hybride warmtepompen. ii) Voor andere kentallen is gekozen deze niet over te nemen vanwege een verschil in inzichten over wat de meest realistische waarde is. iii) Een laatste reden is dat de Vesta MAIS-waarden nog niet beschikbaar waren ten tijde van de berekeningen. Onderdeel van de update was ook een herziening van de methode voor het bepalen van netverzwaring. Alhoewel de methodes voor de berekening van de kosten voor netverzwaring verschillen, zijn de kentallen zo gekozen dat de resultaten zoveel mogelijk aansluiten bij de resultaten van de Startanalyse. Ook zijn de kosten van waterstofnetten herzien. Ook hier zijn de berekeningsmethodes verschillend, maar de kentallen zijn zo gekozen dat de resultaten zoveel mogelijk aansluiten bij de resultaten van de Startanalyse.
Specifiek voor dit project zijn de energieprijzen en de rentevoeten aangepast, om aan te sluiten bij de Startanalyse. Een belangrijk verschil tussen beide modellen is dat CEGOIA rekent met de totale nationale kosten, waar Vesta MAIS kijkt naar de meerkosten. Een ander verschil is dat CEGOIA de nationale kosten voor een gebied optimaliseert, waar Vesta MAIS per buurt de goedkoopste optie kiest. De laatste genoemde benadering leidt niet altijd tot de laagste nationale kosten voor het hele gebied. CEGOIA maakt gebruik van een ouderdomsfactor voor de kosten in oude buurten. Dit geldt zowel voor woningisolatie bij buurten met veel woningen van voor 1900 als voor de infrastructuurkosten in oudere buurten. Op deze manier komen we tegemoet aan bijvoorbeeld oude binnensteden met historische panden waar de kosten voor woningaanpassingen en infrastructuur aanzienlijk hoger zijn dan in nieuwe buurten. ETM-warmtemodule – additionele toelichting De ETM-warmtemodule is niet een kosten-optimaliserend model. Omdat de methodiek van de ETM-warmtemodule veel verschilt van de methodiek van Vesta MAIS is gelijktrekking van techniekaannames slechts gedeeltelijk relevant. Aannames over bijstook, voordeel voor buurten met bestaand warmtenet, minimaal isolatieniveau voor een techniek zijn gelijkgetrokken. Ook zijn de energieverbruiken voor woningen en utiliteit overgenomen uit Vesta MAIS.
26
27