Bijdrage-RIB Drugscriminaliteit-Ontleend-aan-Bijlagen-VII- Eindrapport-onderzoeksgroep-Fijnaut-Enquête-Opsporingsmethoden.docx
Tekst van het document
Ontleend aan Bijlagen VII, Eindrapport onderzoeksgroep Fijnaut Enquête Opsporingsmethoden (1996)
Dat de horeca in Nederland niet gevrijwaard is van protectiepraktijken is onder andere gebleken uit het onderzoek dat Bovenkerk en Derksen (1994) hebben gedaan in Utrecht. In hun verslag stellen zij vast dat veertig tot zestig procent van de horeca-ondernemers binnen de stadsgordel te maken heeft met illegale beschermengelen; zij worden tenminste «bezocht» door deze afpersers. Zij signaleren overigens een toenemende professionalisering van de afpersingspraktijken in de richting van goed geoliede beschermingsfirma’s. De beschermers zijn in het bezit van een semafoon en rekenen vaste tarieven per «oppiep» en regelmatige surveillance. Zes tot zeven personen blijken de protectie van de horeca in de binnenstad van Utrecht in handen hebben. Zij beschikken ieder over hun eigen rayon en zijn goed georganiseerd. De situatie is ondertussen zodanig geëvolueerd dat de horeca-ondernemers weinig anders meer kunnen dan de firma’s in kwestie om bescherming verzoeken. De betrokken beschermers werken overigens niet alleen voor horecaondernemers, zo blijkt: ook een makelaar en een automatenexploitant maken gebruik van de diensten. Juist omdat zij volgens sommige ondernemers in staat zijn veel sneller en vooral discreter op te treden bij calamiteiten dan de politie, is er een groeiende vraag naar het produkt dat de desbetreffende organisaties leveren.
De gemeentelijke dienst die de vergunningen verstrekt, gedoogt de inzet van deze particuliere leveranciers van bescherming, zo blijkt verder uit het onderzoek. Handhaving van de orde staat hierbij voorop. De onderzoekers spreken bovendien over «pure onmacht» van politiekant. Nader onderzoek door de regionale recherche heeft de gegevens van Bovenkerk en Derksen bevestigd. Uit de politiedossiers die in het kader van dit onderzoek centraal zijn bijeengebracht komen nog andere afpersingsgevallen voor. In het midden van het land is een geweldsorganisatie werkzaam die wordt geleid door een café-baas die zich met georganiseerde drugshandel bezighoudt. Ongeveer twintig «werknemers» van deze groep zijn op afroep beschikbaar en treden zowel in de horeca als in de transportbranche op wanneer iemand moet worden «gewaarschuwd» of aan zijn betalingsverplichtingen moet worden «herinnerd». Zij passen geweld, dreiging en afpersing toe en gebruiken grove middelen zoals ontvoering en mishandeling. In hun werkgebied zaaien ze onrust in horecagelegenheden om deze uiteindelijk voor een zacht prijsje te kunnen overnemen; dit is in een aantal gevallen ook werkelijk gebeurd. In andere cafe´’s halen ze protectiegeld op, na eerst te hebben aangetoond waarom bescherming nodig is: ze slaan de boel kort en klein en spuiten met traangas.
Enkele café-ondernemers zijn erin geslaagd om protectie of overname af te houden; in één geval heeft de cafébaas zich – succesvol – gewapend verzet. Een andere ondernemer wordt nog steeds bedreigd omdat hij weigert een portier van de organisatie in dienst te nemen. Op andere plaatsen in het land doen zich eveneens dergelijke dingen voor. Zo is er onlangs in het zuiden van het land brand gesticht in een horecagelegenheid, als gevolg van afpersing. Protectie en alles wat hier aan crimineels mee samenhangt doet zich echter niet alleen voor in het horecawezen voorzover dat in handen is van autochtone eigenaren. Juist ook horecagelegenheden die in het bezit zijn van allochtone Nederlanders hebben met deze problemen te kampen. Eind 1994 rolde de Amsterdamse politie een Koerdische bende (gelieerd aan Dev Sol) op die zich op grote schaal bezig hield met het afpersen van Turkse koffiehuizen. Daarnaast handelde deze groep in drugs. In datzelfde jaar werd bekend gemaakt dat Chinese bendes heel actief zijn in de afpersing van Chinese restaurants. Uit een
vertrouwelijke enquête onder vijfhonderd houders van Chinese en Chinees/Indische restaurants (Mertens, 1994) bleek dat één op de drie ondernemers ooit te maken had met overvallen en afpersingen, vaak in combinatie met elkaar. Vooral in het geval van afpersing wordt eenzelfde restaurant meermalen lastig gevallen. De overvallers en afpersers zijn bijna altijd Chinezen, meestal uit hetzelfde taalgebied als de restauranthouder. Bij eenderde van de overvallen en afpersingen worden bedragen van boven de 10.000 gulden buit gemaakt. De misdaden vinden volgens de enquête in de helft van de gevallen plaats in de zaak zelf en in dertig procent van de gevallen bij de restauranteigenaar thuis. In veel gevallen worden zware geweldsmiddelen gebruikt; de horeca-eigenaar of diens familieleden worden vastgebonden, geslagen en geschopt en soms ontvoerd. De afpersingen en berovingen worden dikwijls niet bij de politie gemeld, omdat de slachtoffers bang zijn voor repressailles. Uit ander onderzoek blijkt dat veel Chinese restaurant- houders van mening zijn dat de afpersers en overvallers veel te licht worden gestraft. Slachtoffers van misdrijven doen daarom vaak geen aangifte. De boosdoeners staan immers snel weer op straat. Een tweede «bezoek» valt dan te voorzien. https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vi3ag2g25mzg