Beantwoording vragen van de accountant Programmabegroting 2022.pdf
Tekst van het document
Beantwoording van de vragen van de accountant programmabegroting 2022
Vraagnummer: 1 Hoofdstuk Vraag
Jeugd De toezichthouders (provincies) stemmen er mee in dat 75% van de extra middelen voor jeugdzorg voor 2022 in de jaren vanaf 2023 structureel als opbrengst worden meegenomen in de begroting. De begroting 2022 van de gemeente Utrecht geeft aan dat er € 26 miljoen incidenteel beschikbaar is en dat € 23 miljoen voor 2022 en 2023 wordt ingezet. Later (bladzijde 16) wordt nog gesproken over € 11,5 miljoen voor jeugdzorg in 2022. Hoe verhouden deze cijfers zich tot elkaar?
Antwoord: Vanwege de kosten voor de uitvoering van de hervormingsagenda valt de toekenning aan de algemene uitkering per gemeente in deze circulaire iets lager uit dan het gepresenteerde indicatiebedrag uit de brief van 29 juni jl. De gemeente Utrecht ontvangt daardoor incidenteel 25,5 miljoen euro in plaats van 26 miljoen die eerder was gecommuniceerd in 2022. Na inventarisatie van knelpunten binnen de jeugdzorg in Utrecht is het voorstel in deze begroting gedaan om de middelen als volgt in te zetten: 2022: 11,5 mln, 2023: 11,5 mln. In dit bedrag is een inschatting opgenomen voor de bijdrage aan de Hervormingsagenda, die het Rijk als voorwaarde heeft verbonden aan het beschikbaar stellen van deze middelen, waarna vooralsnog 2,5 mln resteert. Dit bedrag wordt meegenomen in de integrale afweging van de voorjaarsnota 2022. De toezichthouders hebben er inderdaad mee ingestemd dat 75% van de incidentele middelen vanaf 2023 structureel opgenomen mag worden. Echter is er nog geen zekerheid of besluitvorming dat die middelen ook daadwerkelijk structureel naar gemeenten komen en is het dus niet meer dan een boekhoudkundige oplossing voor een sluitende begroting. Wij kiezen niet voor deze oplossing. Door de toegekende incidentele middelen van 2022 te verdelen over 2022 en 2023 kunnen we in ieder geval voor twee jaar zekerheid bieden.
Vraagnummer: 2 Hoofdstuk Vraag
Maatregelen Corona Bladzijde 19: 3.4 Investeren met maatschappelijk rendement: de 1e en 2e tranche zijn volgens de prognose € 2,1 miljoen lager dan begroot. Wat betekent dit voor 2022 en verder?
Antwoord: De bedragen zijn gekoppeld aan reeds in 2021 gestarte projecten, die in 2022 en verdere jaren worden afgewikkeld, zoals toegelicht in de Tweede bestuursrapportage 2021. De kosten die niet worden gemaakt in 2021 worden doorgeschoven naar 2022 en verder. Ze zijn daarom terug te vinden onder ‘onttrekking reserve 2022/2023’. Zie begroting – maatregelen corona - 3.4 Investeren met maatschappelijk rendement.
Vraagnummer: 3 Hoofdstuk Vraag
Maatregelen Corona De financiële effecten van Corona (meevallers en tegenvallers (ten opzichte van eerdere ramingen van zowel baten als lasten)) is lastig te begrijpen. Dit ook in combinatie met de ingestelde reserve voor Corona-maatregelen, de gedeeltelijke vrijval van de reserve en de actualisatie van het risicoprofiel als gevolg van Corona. Kan dit worden verduidelijkt?
Antwoord: Het financiële effect van de Corona-uitbraak is tweeledig: er zijn onvermijdelijke kosten (extra uitgaven en gederfde inkomsten) en uitgaven voor maatregelen om de negatieve maatschappelijke gevolgen van de crisis zoveel mogelijk te beperken. In de financiële strategie Corona, vastgelegd in de Programmabegroting 2021, geldt voor beide categorieën een verschillende werkwijze. Onvermijdelijke kosten Voor de prognose van de onvermijdelijke kosten wordt gewerkt met twee scenario’s: het meest waarschijnlijke (scenario C) en een ernstiger scenario (scenario D). Scenario C is de basis voor de begroting. De kosten hiervan komen ten laste van de algemene reserve. Scenario D is verwerkt in het risicomodel en komt daarmee tot uitdrukking in het weerstandsvermogen. • In 2020 bedroegen de onvermijdelijke kosten 10,8 miljoen euro. Dit is terug te vinden in de paragraaf corona in de jaarrekening 2020 • In 2021 verwachten we dat de onvermijdelijke kosten 9,3 miljoen euro zullen bedragen. Dit is 1,9 miljoen euro lager dan begroot. Dat verschil wordt toegelicht in de Tweede bestuursrapportage 2021. Naar verwachting komt er dus een lager bedrag ten laste van de algemene reserve dan begroot. Dit is geen vrijval van de reserve. • Bij de Voorjaarsnota 2021 zijn de scenario’s zoals opgenomen in de Programmabegroting 2021 geactualiseerd en opnieuw bij de Programmabegroting 2022.
De tabel in paragraaf 4 van het hoofdstuk Maatregelen Corona in de Programmabegroting 2022 laat de actuele prognose zien, vergeleken met de stand van de voorjaarsnota. Daaruit blijkt dat de onvermijdelijke kosten (scenario C) in 2022 16,1 miljoen euro bedragen. Dat is 1,9 miljoen euro meer dan de 14,2 miljoen euro uit de Voorjaarsnota 2021. Het verschil bestaat uit meerkosten in het programma Ondersteuning op maat, doordat een deel (2,4 miljoen euro) van de in 2021 verwachte kosten voor de boeggolf sociaal domein/versneld vernieuwen doorschuift van 2021 naar 2022. Daar tegenover staat een lager bedrag van 0,5 miljoen euro in het programma Algemene middelen, doordat er naar verwachting minder inkomstenderving bij de toeristenbelasting zal zijn. • Voor de jaren 2023 en 2024 staat in de begroting 2022 verwachte kosten van 8,7 miljoen euro. • In totaal komen de verwachte onvermijdelijke kosten over de jaren 2020 tot en met 2024 hiermee op 44,9 miljoen euro. Voor de jaren 2020 tot en met 2022 komen deze kosten ten laste van de algemene reserve. Risicoprofiel • Bij de actualisatie van het risicomodel voor de begroting 2022 blijft de impact van het ernstiger scenario D op het weerstandsvermogen vrijwel gelijk aan de stand bij de Jaarstukken 2021. Het risicoprofiel is ongewijzigd. Maatregelenpakketten
Onderdeel van de Tweede bestuursrapportage 2021 is een rapportage over de uitvoering van de maatregelenpakketten. De weergave van de pakketten in de Programmabegroting 2022 (hoofdstuk Maatregelen Corona) is gebaseerd op de actuele stand van zaken. Voor de uitvoering van deze maatregelenpakketten in 2021 en 2022 is een bestemmingsreserve ingesteld. In 2021 wordt daaraan een lager bedrag onttrokken dan verwacht. Een deel van de in 2021 verwachte uitgaven vindt plaats in 2022. De bestemmingsreserve blijft in stand. Het college stelt geen vrijval voor. De benodigde omvang van de bestemmingsreserve wordt opnieuw beoordeeld bij de integrale afweging in 2022. • In 2021 zijn de verwachte kosten van de maatregelenpakketten naar verwachting 22,4 miljoen euro. Hiervan wordt 20,56 miljoen euro wordt uit de reserve onttrokken. Daarnaast wordt 2,05 miljoen euro toegevoegd aan de reserve. Dit staat gemeld in de Tweede bestuursrapportage 2021. • Voor de jaren 2022 en verder wordt nog 21,9 miljoen euro aan kosten verwacht.
Vraagnummer: 4 Hoofdstuk Vraag
Ruimtelijke ontwikkeling, Wonen en Erfgoed Bladzijde 61: wat is de verwachte tussentijdse winstneming voor de grondexploitaties voor 2022 (= incidenteel geld)?
Antwoord: In het MPR 2021 is een geprognosticeerd resultaat van 5,9 miljoen euro positief (ncw prijspeil 2021) opgenomen voor de grondexploitatie Leidsche Rijn. Op basis van dit geprognosticeerde resultaat maar dan op eindwaarde is conform de POC-methode het verloop van de te nemen tussentijdse winst voor de periode 2022 – 2026 berekend en opgenomen in het verloop van de reserve grondexploitaties bij de jaarrekening 2020 en het MPR 2021. Het verloop van de reserve grondexploitaties is betrokken bij het financieel beeld Voorjaarsnota 2021. Ten opzichte van de uitgangspunten gehanteerd bij de actualisatie 2021 en daarmee het MPR 2021 verbetert het saldo van Papendorp met bijna 17,0 miljoen euro (ncw prijspeil 2021). Met deze financieel positieve ontwikkeling wordt de toename van de tussentijdse winst waarmee in het financieel beeld Voorjaarsnota 2021 (15 miljoen euro) rekening is gehouden behaald in 2022 – 2025. Het geactualiseerde financiële kader van het SPVE Papendorp Noord zal na bestuurlijke vaststelling naar verwachting bij de actualisatie 2022 worden verwerkt in de grondexploitatie Leidsche Rijn.
Vraagnummer: 5 Hoofdstuk Vraag
Ruimtelijke ontwikkeling, Wonen en Erfgoed Het resultaat van het erfpachtbeheer (bladzijde 63) is voor al jaren vanaf 2022 met € 13,1 miljoen exact gelijk. Klopt dit?
Antwoord: In de meerjarenbegroting erfpachtbeheer presenteert de gemeente dezelfde cijfers als in de jaarsnede 2022. In geval de gemeente in de erfpachtovereenkomst heeft opgenomen dat de canon periodiek zal worden herzien, zal dit toekomstige canonopbrengsten beïnvloeden. De bij de herziening bepaalde nieuwe canon is gebaseerd op de actuele grondwaarde en het in de overeenkomst genoemde canonpercentage. Het opstellen van een nieuwe begroting vindt gemiddeld een jaar plaats voordat de nieuwe grondwaardes uit herzieningen vastgesteld worden. Daarnaast kunnen erfpachters gebruik maken van de mogelijkheid om de canonverplichting eeuwigdurend af te kopen. Het opstellen van een betrouwbare meerjarenraming, op basis van de tijdens de opstelling van de begroting bekende gegevens, is daardoor niet mogelijk. Bij de Jaarstukken kunnen de structurele gevolgen voor de opbrengsten worden bepaald vanuit de in dat jaar afgehandelde herzieningen. Deze worden in het meerjarenbeeld bij de eerstvolgende voorjaarsnota meegenomen.
Vraagnummer: 6 Hoofdstuk Vraag
Openbare ruimte en groen Openbare ruimte en groen: bij 05-1-1-1 is aan lasten achterstallig onderhoud opgenomen voor 2022 in totaal € 56 miljoen. Dit is waarschijnlijk niet alleen achterstallig, maar ook regulier onderhoud. Het achterstallige deel bedraagt toch € 5,0 miljoen.
Antwoord: De doelstelling betreft het wegwerken én voorkomen van achterstallig onderhoud. Om achterstallig onderhoud te voorkomen, is het nodig om het onderhoud tijdig uit te voeren. Het budget is daarmee inderdaad niet alleen voor het wegwerken van achterstallig onderhoud, maar ook voor alle andere activiteiten om de openbare ruimte op orde te houden. Het dagelijks onderhoud voor schoon, grijs en groen wordt verantwoord onder doelstelling 05-2-1-1 en 05-2-1-2. In de Nota Beheer Openbare Ruimte is beschreven dat het achterstallig onderhoud van gemiddelde €50 miljoen wordt weggewerkt in maximaal 10 jaar tijd.
Vraagnummer: 7 Hoofdstuk Vraag
Algemene middelen Algemene middelen: De algemene stelposten: De lasten zijn in 2022 13,656 miljoen euro hoger dan in 2021 veroorzaakt door effecten Mei circulaire 2021 (13,618 miljoen euro) en afwikkeling overige stelposten (0,038 miljoen euro). Het is lastig te duiden wat dit precies is.
Antwoord: Stelposten zijn posten die wel in de begroting zijn meegenomen voor het algemene beeld, maar nog niet zijn uitgewerkt of ingevuld. Dit omdat nog niet bekend is hoe de verdeling precies plaatsvindt. Soms is het niet mogelijk een post geheel af te wikkelen en resteert een stelpost. De meicirculaire informeert de gemeenten over de omvang en de verdeling van de algemene uitkering (gemeentefondsuitkering). Het effect van de meicirculaire is in de begroting enerzijds verwerkt als extra gemeentefondsuitkering (extra baten). De verdeling van deze gemeentefondsuitkering is op een stelpost gezet; deze wordt op een later tijdstip verdeeld. (Bedrag 13,618 miljoen) Her resterende bedrag van 0,038 miljoen is een resultaat van verschillen door afwikkeling zoals eerder genoemd.
Vraagnummer: 8 Hoofdstuk Vraag
Samenleven en Sport Samenleven en sport: In 2020 een forse bijdrage van € 26 miljoen vanuit de reserves. In de jaren vanaf 2021 is deze bijdrage niet begroot. Klopt dit?
Antwoord: Dit klopt. In 2020 was er sprake van een incidentele vrijval van € 22,9 miljoen. De vrijval wordt grotendeels (€ 21,1) verklaard door het besluit om de dekking voor rentelasten over investeringen in grond, vanuit de vaste activa reserve, om te zetten in een structureel budget. Daarnaast is in 2020 de Reserve Grasmat Zoudenbalch omgezet in een voorziening en heeft er een inhaalafschrijving plaats gevonden als gevolg van een gewijzigde afschrijvingstermijn (toplaag sportvelden). De overige € 0,4 miljoen bestaat uit de verwerking van besluiten via de 2e begrotingswijzing 2020. In de laatste kolom is het moment vermeld waarop de belangrijkste onttrekkingen aan de raad zijn gemeld.
Vraagnummer: 9 Hoofdstuk Vraag
Investeringen en Onderhoud kapitaalgoederen De geraamde investeringen in de materiële vaste activa in 2022 is netto € 181 miljoen (2023: € 143 miljoen, tegen € 79 miljoen in 2021. Hier is de vraag in hoeverre dit realistisch is wat betreft realisatie. Tussen 2020 en 2025 wordt netto € 570 miljoen geïnvesteerd in materiële vaste activa.
Antwoord: De toename ligt vooral op gebied van vastgoed (Utrechts vastgoed en onderwijshuisvesting), openbare ruimte en cultuur. Het toenemende volume is gebaseerd op de meerjarenplanningen (MPUV, MPOHV en MJOR). Daarin is inderdaad een toename van volume terug te vinden onder andere ten gevolge van groei van de stad. Op projectniveau is zo goed als mogelijk geprognosticeerd, uiteraard met de nodige onzekerheden (vertraging door procedures, en andere optredende risico’s). Waar vertraging aan de orde worden de bijbehorende kasstromen bij de volgende p&c documenten (voorjaarsnota en bestuursrapportages) aangepast.
Vraagnummer: 10 Hoofdstuk Vraag
Taakvelden Bladzijde 500 tot en met 502 zijn hetzelfde als bladzijde 503 tot en met 505 (?).
Antwoord: Bij de tabel op blz 500 t/m 502 stonden bij de programma's de verkeerde taakvelden. Dit is in het Erratum hersteld.
Vraagnummer: 11 Hoofdstuk Vraag
Ruimtelijke ontwikkeling, Wonen en Erfgoed De voorziening Meerwaarde prestatieafspraken woningcorporaties groeit van € 21 miljoen eind 2020 naar € 41 miljoen eind 2025. Wanneer wordt deze voorziening aangewend?
Antwoord: De voorziening wordt aangewend als de corporaties de betreffende projecten hebben opgeleverd en verantwoord. In 2017 zijn de eerste projecten vastgesteld. Gezien de doorlooptijd van de uiteindelijke oplevering van projecten, zijn recentelijk pas de eerste projecten gereedgekomen en kan de daadwerkelijke uitbetaling plaatsvinden. De verwachting is dat in de komende periode nog meer projecten gereed zullen komen, vooral projecten die zijn toegekend in de periode toen de regeling net gestart was (2017/2018). Corporaties dragen bij verkoop en integrale herontwikkeling per 1 januari 2016 100% van de meerwaarde van de grond af aan de gemeente, conform de bestaande erfpachtcontracten. In de prestatieafspraken met woningcorporaties en huurdersorganisaties is vastgelegd dat 2/3e deel van de meerwaardeafdracht bij bestemmingswijzigingen van sociale huurwoningen beschikbaar komt voor de reserve Investeringsimpuls RSU. Deze afgedragen meerwaarde wordt via de door de gemeenteraad te bekrachtigen programmering geïnvesteerd in stedelijke herontwikkeling zoals, uitbreiding van de sociale huurwoningvoorraad, duurzaamheidsmaatregelen in de sociale sector en herontwikkeling openbare ruimte gekoppeld aan herstructureringslocaties. Dit onder voorwaarde van besluitvorming door de raad over de inzet en bestemming van deze meerwaarde.
Deze besluitvorming vindt jaarlijks plaats bij de vaststelling van het Meerjarenperspectief Ruimte door de raad, gelijktijdig met Voorjaarsnota. In het Meerjarenperspectief Ruimte 2021 is in paragraaf 6.2.3. (p. 66) een toelichting op de stand van voorziening en het bestedingsvoorstel meerwaarde afdracht opgenomen.
Vraagnummer: 12 Hoofdstuk Vraag
Bedrijfsvoering In de paragraaf bedrijfsvoering staat dat de afspraak is dat de overhead meebeweegt met een vast percentage van de apparaatslasten. De gemeente hanteert hiervoor een percentage van 25,7% van de totale apparaatslasten. Het BBVkengetal voor overhead bedraagt 12% (bladzijde 367).
Antwoord: Dit zijn twee verschillende indicatoren. De variabele overhead beweegt inderdaad mee met een vast percentage van de apparaatslasten, dus als de apparaatslasten stijgen/dalen, dan beweegt de overhead zich in dezelfde verhouding mee (stijgt/daalt). Het percentage overhead uitgedrukt in apparaatlasten is 25,7%. Er zijn ook vaste lasten m.b.t. overhead, deze lasten zitten niet in het percentage van 25,7%. Het BBV-kengetal is: totale lasten overhead gedeeld door totale lasten gemeentebreed (dit was 12% in 2020)
Vraagnummer: 13 Hoofdstuk Vraag
Overzicht incidentele baten- en lasten Overzicht incidentele baten en lasten bladzijde 443 en 444 zijn lastig te interpreteren.
Antwoord: Het overzicht incidentele lasten en baten is een vanuit het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) verplicht onderdeel. Jaarlijks worden bij de programmabegroting de incidentele posten binnen de meerjarenbegroting geinventariseerd. Een resultaat hiervan is het vaststellen van het incidentele begrotingssaldo en daarmee het structurele begrotingssaldo (totale begrotingssaldo is nihil, begrotingsevenwicht). Voorbeelden van incidentele begrotingsposten zijn bijv. uitgaven voor een eenmalig evenement, projectsubsidie etc. De uitgangspunten voor het samenstellen van het overzicht incidentele baten en lasten zijn bij het overzicht gevoegd en onder de tabel zijn de onderdelen uit het overzicht incidentele baten en lasten toegelicht.