Beantwoording SV2026 nr 23 over Contractafspraken aanvullende jeugdhulp in programma Kansrijk opgroeien voor 2026
Tekst van het document
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2026, NUMMER 23 Datum Van Behandeld door E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
3 maart 2026 College B&W Arie van Eck arie.van.eck@utrecht.nl 34095840 Jeugd en Jeugdzorg
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2026 nummer 23 van Venita Dada-Anthonij (D66), Hester Assen (PvdA), Ruud Maas (Volt), Beau Nederhand (Volt), Margreet Ramaker (VVD), Ruben Snijder (Student & Starter), Rayna Augustus (Student & Starter), Bert van Steeg (CDA), Ellis te Rielle (CDA), Pepijn Zwanenberg (Link), Hanneke Verheijke (Link), Gert Dijkstra (EenUtrecht) en Kirsten Alblas (ChristenUnie) van 4 februari 2026 over Contractafspraken aanvullende jeugdhulp in programma Kansrijk opgroeien voor 2026. De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Welke concrete oorzaken ziet het college, naast Overvecht en de afbouw van gesloten jeugdzorg, voor de sterke volumegroei in dagbehandeling en verblijfszorg? Antwoord 1: De toename van verblijfszorg is te verklaren door een aantal (landelijke) ontwikkelingen, zoals: - Het (landelijke) beleid in de justitiële keten om jeugdigen zoveel mogelijk uit detentie te houden (schorsen onder voorwaarde van jeugdhulp), wat resulteert in een toename van de vraag binnen de jeugdhulp. - Door de af-en ombouw van gesloten jeugdzorg – een andere landelijke ontwikkeling - zien we de aantallen jeugdigen in hoog-specialistische verblijfszorg afnemen. Deze jeugdigen verblijven nu op reguliere verblijfsgroepen.
Vaak ook met extra begeleiding om de plaatsing passend te maken/in stand te kunnen houden. - Ook is er een toename van het aantal alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMV’ers) dat Utrecht opneemt onder invloed van de spreidingswet. Het komt geregeld voor dat AMV’ers niet goed gedijen binnen de opvangsetting (door gebrek aan stabiliteit, dagelijkse begeleiding, onzekerheid door lange asielprocedure, trauma etc.) en instromen in jeugdhulp met verblijf. In januari 2025 zijn in de Volksgezondheidsmonitor cijfers bekend geworden rond de ontwikkeling van jonge kinderen in Utrecht. Het aantal kinderen met een langzame ontwikkeling is hoger dan voor corona, en de verschillen tussen kinderen van ouders met hbo en kinderen van ouders met basisonderwijs, vmbo, havo, vwo of mbo worden groter. Overvecht en Kanaleneiland springen er ongunstig uit. Bij de dagbehandeling/dagbesteding zien we meer jonge kinderen (tot 6 jaar) met een ontwikkelachterstand. Deze ontwikkeling is landelijk herkenbaar. Naar de precieze oorzaak is geen wetenschappelijk onderzoek gedaan. Professionals zien wel het volgende: ondanks vroegtijdige inzet
1
in bijvoorbeeld de thuissituatie en in kinderopvang (plus) zien we dat aanvullende zorg vanuit dagbehandeling nodig is om kinderen te ondersteunen in hun ontwikkeling. Voor het oplopen van een ontwikkelachterstand worden verschillende achterliggende oorzaken genoemd: - Stress en problematiek van ouders, zoals financiële problemen, gezondheidsproblematiek en of een psychische kwetsbaarheid bij ouders waardoor er soms minder tijd en aandacht is voor (de ontwikkeling van) kinderen. - Schermgebruik bij kinderen, maar ook bij ouders waardoor er minder sociale interactie is met kinderen en de ontwikkeling van sociale en motorische vaardigheden onvoldoende geprikkeld wordt. - Een doorwerking van de coronaperiode: kinderen raken achterop in hun ontwikkeling omdat ze in de eerste levensjaren weinig contact hebben gehad met andere kinderen. - Er wordt daarnaast gezien dat sommige ouders met een migratieachtergrond niet altijd herkennen en accepteren dat er meer (hulp) nodig is voor hun kind om tot ontwikkeling te komen. Dit maakt dat de ontwikkelachterstand die kinderen uiteindelijk oplopen op het niveau komt dat dagbehandeling nodig is. - Tot slot is een toename te zien van kinderen die al wel in het onderwijs begonnen zijn, maar als gevolg van meervoudige problematiek in de thuissituatie uitvallen.
Vanwege deze ontwikkelingen die we ook landelijk zien, verwachten we dat de stijging niet zomaar zal afnemen. Dit betreft dure zorg die dus een impact heeft op ons budget. Vraag 2 Vanwege de extra inzet in Overvecht in het kader van Ongelijk investeren voor gelijke kansen is de instroom voor de dagbehandeling toegenomen. Weet het college in welke leeftijdscategorie de vragen specifiek zijn toegenomen en wat de oorzaak hiervan is? Antwoord 2 Door meer en gerichte inzet in Overvecht (vanuit onderwijs, sociale basis, zorg etc.) krijgen we een beter beeld van de vragen en problematiek van ouders en gezinnen. Met als gevolg dat het aantal aanmeldingen en de instroom voor jeugdhulp toeneemt. - We zien een stijging in de leeftijd van 3 t/m 5-jarigen op dagbehandeling. De toename van deze leeftijdsgroep is het gevolg van de gezamenlijke inzet van partners om jonge kinderen eerder goed in beeld te brengen o.a. doordat jeugdhulppartners hun interne processen hebben aangescherpt, doordat jeugdhulppartners dichter bij de Voorschoolse Educatie (VE) werken en doordat onze samenwerkingspartners eerder passend doorverwijzen. We weten daardoor kinderen tijdiger een passende ontwikkelomgeving te bieden en voorkomen dat ze pas later in beeld komen met nog steviger problematiek.
De verwachting is ook dat deze kinderen op termijn kunnen doorstromen naar onderwijs in plaats van dat ze daar uitvallen. - Daarnaast zien we een toename bij kinderen met forse ontwikkelingsproblematiek in de leeftijd van 5 t/m 7 jaar, waarbij ook meer dagbestedingsplekken benut konden worden. Deze kinderen hebben veelal het perspectief dat zij uiteindelijk zullen uitstromen naar de langdurige zorg (Wlz). Vraag 3 Kan het college aangeven welke resultaten daarmee geboekt zijn of men verwacht te boeken? Is de inschatting dat nu alle Overvechtse kinderen bereikt worden en hulp geboden wordt aan hen die dat nodig hebben? Antwoord 3 Afgelopen jaren hebben we volop ingezet op het tijdig bereiken van kinderen met een (risico op een) ontwikkelachterstand en het bieden van zorg die zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig is. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in: 1. Inzet op het vroegtijdig bereiken van ouders en kinderen We zetten onder andere in op laagdrempelige inloopplekken zoals het Oké informatiepunt, op versterking van de voorschool, Samen rond de VE en op groepen voor ouders en kinderen zoals de moederbabygroepen, kidsclub, speelinlopen en Single moms groepen. Via bijvoorbeeld het
mamaatjesproject van Al Amal zijn we vroegtijdig in contact met ouders van jonge kinderen met een ondersteuningsvraag. De inzet draagt bij aan het vergroten van netwerk en ontwikkelkansen van ouders en aan vergroting van het vertrouwen. Ouders worden zo nodig toegeleid naar hulp en ondersteuning. Voor ouders van kinderen in de basisschoolleeftijd is onder andere de familieschool een manier om gemeenschap en vertrouwen te bouwen en ouders met een hulpvraag te bereiken en te helpen. 2. Versterken van het netwerk van professionals in de wijk In onder andere de geboortezorgnetwerken, Krachtige basiszorg en de kernpartneraanpak zorgen we voor goede afstemming tussen (voor)school, buurtteam, Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en aanvullende zorg en de eerste lijn. De leefgebieden kunnen samen met het gezin in kaart worden gebracht, er ontstaat overzicht en er kan worden geprioriteerd, waarna de samenwerking en verwachtingen tussen het gezin en de betrokken hulpverleners worden afgestemd. Vanuit Samen voor Overvecht loopt er daarnaast in samenwerking met scholen een pilot Vroegsignalering door buurtteam in samenwerking met Spoor030 voor preventieve aanpak jonge kinderen met complex gedrag. Deze pilot is gestart in 2024 en richt zich op kinderen tussen de 6 en 12 jaar oud die een risicovolle ontwikkeling laten zien.
De toename van het aantal aanmeldingen binnen de jeugdhulp laat zien dat deze aanpak nodig was én succesvol is. Er wordt een groep bereikt die eerder niet (zo vroegtijdig) bereikt werd. Of alle Overvechtse kinderen met een ondersteuningsbehoefte bereikt worden, zullen we echter nooit kunnen garanderen. Vraag 4 Ziet het college risico's dat, in andere wijken dan Overvecht, kinderen en jongeren met zorgbehoeften onder de radar blijven en niet goed in beeld zijn en wat doet dat met de kostenramingen voor de volgende jaren? Antwoord 4 Afgelopen jaren is in de hele stad geïnvesteerd in vroegsignalering door inzet van de sociale basis, JGZ, buurtteam en wijkgerichte specialistische jeugdhulp. De jongste groep kinderen (eerste 1000 dagen) krijgt daarbij extra aandacht met de inzet van Kansrijke Start. In sommige delen van de stad leveren we meer inzet vanuit het principe van Ongelijk Investeren voor Gelijke Kansen, zoals ook in de wijk Overvecht. Zie ook het antwoord op vraag 3. Ondanks de inzet om zoveel mogelijk kinderen vroegtijdig passende ondersteuning te bieden, kunnen we niet garanderen alle jeugdigen met een zorgbehoefte tijdig in beeld te hebben en/of (vrijwillige) hulp te kunnen bieden. Deze inzet kan ertoe leiden, zoals nu in Overvecht is gebeurd, dat we een verdere stijging gaan zien in de vraag naar jeugdhulp.
In de huidige contractafspraken voor 2026 is het niet mogelijk om verdere volumegroei binnen het huidige budgettaire kader op te vangen. De meest wenselijke manier om hiermee om te gaan is uiteraard om de vraag naar jeugdhulp af te buigen. Daar werken we hard aan door middel van hervormingen (collectief werken, inzet van E-health en blended care). En door te investeren in een sterke sociaalpedagogische basis, zodat ouders/opvoeders eerder de steun krijgen vanuit de sociale basis of het buurtteam (in plaats van aanvullende jeugdhulp). In reactie op de door de raad aangenomen motie 25/546 “Van Aanpak kansrijke start door naar Aanpak Jonge kind voor meer gelijke kansen” komen wij in Q1 met een voorstel gericht op een verdere investering in de sociale basis rondom gezinnen met jonge kinderen. Hiermee willen we een verdere groei aan kostbare behandelplekken in de toekomst voorkomen. Voor de kostenraming van het komende jaar gaan we ervan uit dat de stijging in de vraag naar dagbehandeling en verblijfszorg van de afgelopen periode stabiliseert en dus niet doorstijgt. We volgen de ontwikkelingen hierop nauwgezet onder andere in onze contractgesprekken met partners. Vraag 5 Zijn er cijfers beschikbaar van de hulpvraag per wijk en kunnen deze gedeeld worden?
Antwoord 5 Hulpvragen van jeugdigen en ouders worden op allerlei manieren gesteld. Bijvoorbeeld in de eigen directe omgeving, in de pedagogische basis (zoals op school, bij de jeugdverpleegkundige of aan de huisarts) en aan jeugdhulpprofessionals. Over niet alles hebben we cijfers. We beschikken over cijfers over het bereik van Jeugdhulp per buurtteamgebied: hulpvragen die tot jeugdhulp hebben geleid. Deze informatie is ook beschikbaar via Utrecht in Cijfers. In figuur 1 is voor de 10 wijken het totale absolute aantal aanmeldingen bij het buurtteam Jeugd en Gezin en het bereik van de aanvullende jeugdhulp. Bij het buurtteam gaat het om huishoudens, bij aanvullende jeugdhulp gaat het om unieke cliënten. Figuur 2 bevat een overzicht van het relatieve bereik per wijk uitgedrukt in aantal per 1000. Bij de buurtteams gaat dat dan om het aantal aanmeldingen per 1000 huishoudens met kinderen. Bij de aanvullende jeugdhulp om het gebruik per 1000 inwoners t/m 22 jaar. Figuur 1. Aanmeldingen buurtteam / bereik aanvullende hulp per wijk in 2024
Niet in de figuur meegenomen zijn Utrechtse jeugdigen die buiten Utrecht hulp ontvangen of waarvan het adres/buurtteamgebied onbekend is.
Figuur 2. Relatief bereik per wijk in 2024
Op de cijfers over 2025 wordt op dit moment een laatste check uitgevoerd. Deze komen op korte termijn beschikbaar.
Vraag 6 Kan het college toezeggen de raad periodiek en transparant te informeren over instroom, wachttijden en kosten, uitgesplitst naar wijken? Antwoord 6 Ja, we rapporteren op de indicatoren uit de beleidsnota Jeugd in de P&C-cyclus en in een jaarlijkse voortgangsrapportage (de eerste voortgangsrapportage op de beleidsnota volgt in maart 2026). Hierin rapporteren we instroom, uitstroom, wachttijden en bereik op stedelijk niveau, voor zowel buurtteams als aanvullende hulp. De informatie is ook deels op wijkniveau beschikbaar via Utrecht in Cijfers. Betrouwbare informatie over wachttijd voor de specialistische jeugdhulp en financiële informatie is niet op het niveau van wijken/buurtteamgebieden beschikbaar. We volgen de wachttijd op basis van het landelijke informatiestandaard iJW die we met onze zorgaanbieders hanteren. Op stedelijk niveau leidt dat tot een aannemelijk beeld van de wachttijd, ook doordat eventuele fouten worden gedempt door de grote aantallen. Op wijkniveau geldt dit niet. Financiering vindt op stedelijk niveau plaats en kan niet zinvol worden uitgesplitst. Vraag 7 Hoe beoordeelt het college de huidige wachttijd van circa 120 kinderen voor dagbehandeling in het licht van de jeugdhulpplicht? Antwoord 7 Voor kinderen die dagbehandeling nodig hebben om tot ontwikkeling te komen vinden wij de wachttijd onwenselijk lang.
En wij niet alleen: ook professionals en ouders/opvoeders geven aan hier echt buikpijn van te hebben. Tegelijkertijd is het niet mogelijk om voor 120 kinderen extra capaciteit beschikbaar te stellen. Daar hebben we absoluut niet de middelen, het personeel en de ruimte in de stad voor. Voor de langere termijn is onze inspanning is daarom ook echt op preventie gericht en op het mogelijk maken van zo thuis en normaal mogelijk opgroeien en ontwikkelen van kinderen, zodat de vraag naar dagbehandeling uiteindelijk hopelijk afneemt. In de context van schaarste is het steeds balanceren tussen wat kinderen nu nodig hebben en inzetten op preventie. We zetten wel actief in op overbrugging van de wachttijd. Overbruggingszorg betekent dat een kind niet meteen op de meest passende plek terecht kan – iets wat we uiteraard wel zouden willen. Maar
met overbrugging voorkomen we dat kinderen thuis zitten en verder achteropraken. De (aanvullende) jeugdhulppartners gaan in gesprek met ouders om hulp te organiseren. Meestal gaan de kinderen naar een vorm van dagbesteding ter overbrugging, eventueel met organisatie van extra zorg. We zien dan dat een situatie van een kind stabiliseert en soms zelfs vooruitgaat en ouders worden ook ontlast. Daarnaast wordt systemisch gekeken naar zo'n overbruggingsperiode, dus niet alleen naar dagbesteding voor het kind, maar vaak ook ambulante behandeling in het gezin. Een nuancering bij deze wachtlijst is ten slotte dat van de 120 kinderen er ook een deel al dagbehandeling krijgt maar nog op de wachtlijst staat omdat zij later naar een vervolggroep moeten waarvoor ook een wachtlijst is. Dit is dus geen wachttijd waarin er geen zorg wordt geboden. Vraag 8 Welke maximale wachttijden hanteert Utrecht voor verschillende vormen van jeugdhulp, en worden deze gehaald? Antwoord 8 In Utrecht hanteren we geen maximale wachttijden voor jeugdhulp. Professionals van het buurtteam en aanvullende zorg maken een afweging van de urgentie van een vraag op basis van een afgestemd kader.
Voorbeelden van problematiek die met urgentie wordt opgepakt zijn: • crisis/dreigende uithuisplaatsing • kinderen met suïcidale gedachten/gedrag • kinderen met eetproblematiek met hoog risico op fysieke of psychische escalatie • onveilige situatie of Veilig Thuis-melding • tijdelijk huisverbod • meer dan 2 maanden huurachterstand. Daarnaast zijn er nog doelgroepen waarvan de mate van urgentie per casus wordt gewogen. Voorbeelden zijn: jonge kinderen (min 9 maanden tot 6 jaar), (dreigende) thuiszitters en Brede ondersteuning in het kader van de toeslagenaffaire. Waar nodig wordt overbruggingszorg ingezet en zien we ook steeds vaker dat er waar mogelijk Ehealth wordt ingezet in de periode dat cliënten wachten op start van een traject (bijvoorbeeld in de vorm van introductie- en zelfhulpmodules). De wachttijd wordt gemonitord en besproken in de accountgesprekken tussen gemeente en aanbieder, waarbij ook ter tafel komt of er specifieke zorgen bestaan ten aanzien van de wachttijd. Vraag 9 Welke concrete resultaten zijn in 2025 behaald met het versterken van de pedagogische basis en het programma Kansrijk Opgroeien? Antwoord 9 In de Voortgangsrapportage 2025 (volgt maart 2026) en de Jaarstukken 2025 zullen wij u uitgebreid informeren over de bereikte resultaten binnen de opgave Versterken pedagogische basis.
Een aantal concrete resultaten zijn: - De stedelijke uitrol van BOOST; collectief groepsgericht aanbod voor jongeren met mentale problemen, waarmee we een steeds groter wordende groep bereiken met collectief aanbod en jeugdigen, ouders en professionals dit ook als positief ervaren. - De eerste stappen in het realiseren van groepsgericht werken bij de JGZ ten behoeve van het normaliseren en versterken van persoonlijke netwerken. Dit krijgt in 2026 gevolg met het opzetten van centering parenting groepen, die we in de komende drie jaar uitrollen naar de hele stad. - Verbreden van inzet op burgerschap naar online leefwereld met o.a. Utrechtse online coalitie. Ondertussen is de verdere versterking van de pedagogische basis in 2026 voorbereid die mogelijk is met de 1 miljoen euro, die door uw raad structureel beschikbaar is gesteld bij de VJN 2025. Dit budget wordt met name ingezet ten behoeve van de beweging naar collectief en groepsgericht werken,
waarbij we aansluiten op verschillende fasen in de levensloop van kinderen en ouders. Dit draagt zowel bij aan afschalen van zorg (beweging naar voren) als aan het versterken van de gemeenschap rondom jeugd, ouders en het gezin. Ook is de nieuwe nadere regel Subsidie Sociale Basis gepubliceerd, die ingaat per 2027. In deze regeling is meer aandacht voor groepsgericht werken, versterken van ondersteunend netwerk en is ruimte gemaakt voor kleine ouder- en opvoedinitiatieven. Vraag 10 Hoe wordt geborgd dat kinderen tijdig passende zorg krijgen, ook wanneer de financiële druk verder toeneemt? Antwoord 10 Afgelopen jaren hebben we het tijdig bieden van passende zorg gemonitord via de genoemde tertaalgesprekken met partners. Daarnaast hebben we vooruitlopend op het zogenoemde ‘ravijnjaar' middels o.a. de hervormingen Jeugd ingezet op enerzijds afbuigen van de groeiende vraag naar Jeugdhulp en anderzijds het anders beantwoorden van deze vragen. Onze inzet was en is gericht op het inzetten van meer collectieve hulpverlening, versterken van de pedagogische basis, inzet van Ehealth, vroegsignalering en het terugdringen van grondoorzaken die nu tot jeugdhulpvragen leiden (zoals psychische problematiek van ouders, financiële zorgen, zorgen rond huisvesting etc.). Dit doen we met succes.
We zien dat onze investeringen in voorzieningen in de pedagogische basis, het onderwijs en de basiszorg (buurtteams) werken. CBS-cijfers laten zien dat in Utrecht aanzienlijk minder jeugdhulp met verblijf of jeugdbescherming nodig is en dat uitgaven op aanvullende jeugdhulp in de afgelopen jaren lager zijn (geweest) dan bij andere gemeenten. Tabel 1 vergelijking relatief bereik Utrecht vs. Nederland Relatief bereik Utrecht
Nederland
Totaal jeugdhulp
11,0%
10,9%
Jeugdhulp uitgevoerd door wijkteam
7,4%
1,7%
Aanvullende jeugdhulp ambulant
5,3%
9,5%
Aanvullende jeugdhulp met verblijf
0,5%
0,9%
Bron: CBS-Statline
Echter zien we in 2025 voor het eerst en eerder dan verwacht dat de toename van de vraag sneller stijgt dan we effect zien van de ingezette transformatie. Hierdoor is binnen de huidige financiële en juridische randvoorwaarden de uitvoering van de Jeugdwet niet langer te garanderen. Het huidige financiële kader, afgezet tegen de aanhoudende groei van de vraag naar jeugdhulp en de jeugdhulpplicht die de gemeente daarop heeft, stelt ons (en het volgende college) voor een fundamentele keuze. Vanuit de wettelijke jeugdhulpplicht zit het geld 'vast’ aan de achterkant van ons stelsel. Sterker nog: daar komen we vanaf 2025 structureel geld tekort. Vanuit het Utrechts model – dat aantoonbaar succesvol is – investeren we nog altijd relatief veel geld in de voorkant (sociale basis, basishulp, onderwijs). Die verdeling van middelen is niet houdbaar als we willen blijven voldoen aan de jeugdhulpplicht. Concreet: de jeugdhulp die nu (en in de komende jaren) in de stad wordt ingezet kunnen we simpelweg niet meer betalen dus is er extra geld nodig. Dat geld kan in theorie vanuit de sociale basis en basishulp komen. Maar laten we deze preventieve aanpak én financiering los, dan doen we dit ten koste van kinderen en gezinnen wiens zorgvraag verergert en die pas later geholpen kunnen worden.
Daarnaast weten we ook dat de vraag naar jeugdhulp dan niet zal afbuigen en we dus slechts tijdelijk financiële verlichting organiseren. Als we dan toch willen borgen dat kinderen passende ondersteuning krijgen én onze preventieve aanpak overeind blijft, is de enige optie om diezelfde jeugdhulp te begrenzen en een strikter standpunt in te nemen over ‘wie wel en wie niet'. Gemeenten zijn daartoe op dit moment juridisch gezien niet bevoegd (de Jeugdwet is een openeinderegeling en hier speelt opnieuw de eerdergenoemde jeugdhulpplicht). Maar dit is wel het gesprek dat wij voeren met het Rijk, omdat de huidige situatie onuitvoerbaar is. Daarbij is ons lobbystandpunt niet gericht op het begrenzen van jeugdhulp alleen.
Begrenzen heeft alleen zin als tegelijkertijd ook de onderliggende maatschappelijke oorzaken van de vraag naar jeugdhulp worden aangepakt. Dan zal de vraag naar jeugdhulp ook minder worden. Begrenzen we op deze wijze dan betekent het dat jeugdhulp beschikbaar blijft voor wie echt jeugdhulp nodig heeft. Vraag 11 Waarom is in het besluit tot verruiming van de contractafspraken geen rekening gehouden met het risico op verdere volumegroei? Antwoord 11 We hebben ervoor gekozen om dit niet te vertalen naar de contractafspraken met zorgpartners omdat, hoewel de verwachting is dat de volumegroei aanhoudt, dit niet vooraf met zekerheid te zeggen is. Als deze zich later in het jaar voordoet, kan het net zo goed zijn dat de financiële impact met name in 2027 (en verder) neerslaat. Deze onvoorspelbaarheid heeft ons doen besluiten het risico op volumegroei nu geen onderdeel te laten zijn van het budget waarbinnen partners hun opdracht moeten uitvoeren, maar de zeggenschap hierover vooralsnog bij de gemeente te laten. Daarnaast hebben we ons beperkt tot het budgettaire kader voor de contractafspraken dat voor 1 januari 2026 moest worden vastgelegd. Een afweging over hoe om te gaan met het risico op volumegroei in de contractafspraken met zorgpartners is onderdeel van de integrale afweging en bijsturingen door een nieuw college.
In de begroting van de gemeente Utrecht is het risico op verdere volumegroei ter hoogte van €19 miljoen meegenomen in de berekening van het weerstandsvermogen. Vraag 12 Welke financiële scenario’s heeft het college opgesteld voor 2026 en 2027 bij aanhoudende instroom? Antwoord 12 Ervanuit gaande dat de volumegroei aanhoudt (en het advies van de commissie Van Ark is om daar inderdaad vanuit te gaan en wel met 3% per jaar) is het inderdaad nodig om financiële scenario's op te stellen. Die scenario's gaan echter gepaard met grote politieke keuzes die thuishoren in een nieuw coalitieakkoord en ons mandaat nu overstijgt. Op hoofdlijnen zijn twee ‘uiterste’ scenario’s te onderscheiden: 1. Financiële kader blijft zoals het is, de gemeente moet vanaf 2027 begrenzen op beschikbaarheid en kwaliteit van zorg. Zie ook het antwoord op vraag 10: dat betekent óf bezuinigen op de sociaalpedagogische basis en de basishulp óf de aanvullende jeugdhulp strakker begrenzen. Beide opties hebben op korte en op lange termijn grote negatieve impact op de kinderen en gezinnen in de stad. 2. Investeringsstrategie met terugverdienperspectief 2030. Per 2029 start de nieuwe opdracht aanvullende jeugdhulp.
Door op een aantal gerichte zorgvormen (aanbod voor het jonge kind, verblijf en het toekomstscenario) te investeren in alternatieven in basishulp en sociale basis, wordt het reëel om de opdracht aanvullende hulp met ingang van 2029 (ingroeipad 2029-2030) structureel te verkleinen. In beide scenario's is het nodig om te komen tot een heldere afspraak over hoe om te gaan met de onvoorspelbaarheid van volumegroei. Ook kunnen we verkennen of het mogelijk is om in de programmabegroting met een bandbreedte van uitgaven op (hoog)specialistische jeugdhulp te werken. Randvoorwaardelijk voor beide scenario's is dat het Rijk in beweging komt en een aantal kaders voor uitvoering van de Jeugdwet op orde brengt. Daar voeren we zowel bestuurlijk als ambtelijk een actieve lobby op. Vraag 13 Hoe hoog schat het college het risico dat deze kostenstijgingen zich ook in de komende jaren doorzet en is het college bereid deze risico’s in kaart te brengen? Antwoord 13 Zoals hierboven bij vraag 12 beschreven is het risico dat er ook de komende jaren sprake is van een kostenstijging reëel (zie Van Ark). We zetten met onze partners in op ombuiging van de groei op o.a. dagbehandeling en verblijf (zie ook de antwoorden op vragen 1 t/m 4 en 7). Maar we weten ook dat dit
een lange adem vraagt én de beïnvloedbaarheid beperkt is, ook door de samenhang met grondoorzaken. Het uitgestelde ravijnjaar 2028 zet daarbij de financiële situatie verder op scherp. Vraag 14 Op welke wijze bevatten de huidige contracten prikkels voor preventie, uitstroom en innovatie? Antwoord 14 De gecontracteerde partners voor basiszorg en aanvullende jeugdhulp worden gefinancierd doormiddel van budgetfinanciering (‘vierkanten’) – gekoppeld aan de opdracht. Bovendien werken we met een beperkt aantal partners. Idee achter deze wijze van financieren/contracteren is dat partners medeverantwoordelijk worden voor de schaarste aan middelen. Langer én korter dan nodig hulpverlenen is voor de aanbieder nadelig; innoveren loont juist. Deze vorm van financieren en contracteren voorkomt perverse prikkels als vooral lichte casuïstiek oppakken of het doorschuiven van lastige casuïstiek (dat is gedrag dat vaker voorkomt bij andere vormen van financiering en het werken met grote aantallen aanbieders). We zien dat deze vorm van contractering werkt en partners zich met ons volop inspannen om het maximale te bereiken binnen de huidige financiële kaders en te innoveren waar mogelijk. Tegelijkertijd blijft de jeugdwet een openeinderegeling: constateren we dat het budget onvoldoende is voor de zorgaanbieders om de taak uit te voeren, dan moeten we het budget ophogen. En daar zit spanning.
Daarnaast maken we met de partners jaarlijks – en vaak ook nog gedurende het jaar – afspraken over welke hervormingen zij implementeren. Daarbij leggen we in een addendum (horende bij het contract) vast welke doelen zij daarbij stellen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de afspraken die we maken over collectief en groepsgericht werken, E-health en blended care. Vervolgens monitoren en bespreken we de voortgang hierop in de reguliere afstemmingsoverleggen en ook drie keer per jaar aan de hand van een formele tertaalrapportage. Kanttekening is nog dat onze contractpartners voor bijvoorbeeld het realiseren van uitstroom ook afhankelijk zijn van ruimte die er is in de Wlz-zorg en het onderwijs om cliënten naar een passende vervolgplek te laten doorstromen. Dit verloopt moeizaam omdat ook daar de druk hoog is. Vraag 15 Het college heeft besloten de contractafspraken te verruimen en in de raadsbrief wordt aangegeven dat deze verruiming niet op te vangen is binnen het programma Kansrijk Opgroeien, waardoor er een overschrijding van maximaal €4 miljoen kan optreden. Hoe wordt deze overschrijding wel opgevangen? Antwoord 15 Deze overschrijding is inderdaad waarschijnlijk niet op te vangen binnen het programma Kansrijk Opgroeien. Wel blijven we in de sturing scherp op kansen voor kostenbeheersing.
We onderzoeken nog hoe we deze overschrijding het best kunnen opvangen en komen hier voor de zomer bij u op terug Vraag 16 Welke structurele maatregelen neemt het college om herhaling van deze overschrijdingen in de komende jaren te voorkomen? Antwoord 16 Zoals benoemd in de beantwoording van o.a. vraag 10 hebben we afgelopen jaren verschillende maatregelen ingezet om deze overschrijding te voorkomen en de vraag naar jeugdhulp over de hele linie af te buigen. Ook dit jaar blijven we deze inzet voortzetten. Specifiek voor de groei binnen de dagbehandeling/ dagbesteding is de inzet binnen het project “jonge kind wel in ontwikkeling” gericht op preventie en interventies die zoveel mogelijk moeten voorkomen dat bij jonge kinderen ontwikkelachterstanden ontstaan die inzet van dagbehandeling vragen. Verdere kostenstijging binnen verblijf proberen we te beperken met inzet van twee bovenregionale SPUKs: de SPUK af- en ombouw JeugdzorgPlus (JZ+) en de SPUK Bovenregionaal Expertise Netwerk (BEN). Hier zijn tijdelijke middelen beschikbaar voor de opbouw/transformatie van voorzieningen in het landschap voor kinderen en jongeren met zeer intensieve zorgvragen. Deze
maatregelen zijn gericht op het ontwikkelen van passende hulp in eigen omgeving voor de meest complexe hulpvragen en moet inzet van hoog-specialistische jeugdhulp elders zo veel mogelijk voorkomen. En met de nieuwe verwerving van hoog-specialistische jeugdhulp die nu loopt is het doel dat het nieuw te contracteren consortium (start medio 2027) goed in staat is zelf passende hulp te leveren zonder dat gebruik hoeft te worden gemaakt van veel extra, kostbaar maatwerk. Tegelijkertijd is er geen garantie dat dit genoeg is én maakt de beperkte (tot afwezige) investeringsruimte het heel lastig om serieuze alternatieven in de sociale basis en basishulp op te bouwen. Zie ook het antwoord op vraag 12. Dit geldt zeker zolang de onderliggende maatschappelijke norm (labelen van kinderen en het oplossen van grondoorzaken met jeugdhulp) blijft bestaan. Dan blijft het in de jeugdhulp dweilen met de kraan open – iets waar we in lobby richting Rijk met veel urgentie aandacht voor vragen. Tot slot treffen we naar aanleiding van dit collegebesluit een meer procedurele maatregel om de begrotingscyclus van de Raad en onze accountcyclus met de contractpartners beter op elkaar te laten aansluiten.
Dat is geen garantie op het uitblijven van verdere overschrijdingen, maar hiermee hopen we wel dat we hierover in het vervolg op de daartoe geëigende momenten in de begrotingscyclus het gesprek voeren met uw raad. Vraag 17 De volumegroei in de verblijfzorg is mede veroorzaakt door de landelijke afbouw van de gesloten jeugdzorg, waardoor de gemeente de zorg voor deze kind/jongere op zich neemt. Is het college bereid om richting het nieuwe kabinet en via de VNG te pleiten voor structurele landelijke middelen om dit op te vangen? Antwoord 17: Verblijf in de gesloten jeugdzorg wordt op dit moment ook bekostigd door gemeenten (deze zorg is onderdeel van het contract met de aanbieder van hoogspecialistische jeugdhulp Yeph). Wanneer de gesloten jeugdzorg wordt afgebouwd en deze jeugdigen een alternatieve, kleinschalige plek geboden krijgen, gaat dit vaak om betere maar ook duurdere zorg. We agenderen de structurele financiële impact hiervan bij het rijk. Dit doen we samen met de G4 en G40. Tot slot Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u in aanvulling op deze beantwoording behoefte hebben aan een nadere toelichting organiseren wij graag een technische sessie. Hoogachtend Burgemeester en wethouders van Utrecht, de secretaris,
de burgemeester,
Schriftelijke vragen: Contractafspraken aanvullende jeugdhulp in programma Kansrijk opgroeien voor 2026 04/02/2026
De raadsbrief1 over de volumegroei in de aanvullende jeugdhulp in 2025 en de mogelijke budgetoverschrijding in 2026 roept bij D66, PvdA, VVD, Volt, Student & Starter, CDA, Link, EenUtrecht en ChristenUnie zorgen op over zowel de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg voor kwetsbare kinderen en gezinnen, als over de structurele beheersbaarheid van de jeugdhulp. Hoewel het college terecht aangeeft dat het begrenzen van toegang tot passende hulp geen optie is, onderstreept deze ontwikkeling tegelijkertijd de urgentie om preventie, vroegsignalering en versterking van de pedagogische basis verder te intensiveren. Alleen zo kunnen we voorkomen dat steeds meer kinderen afhankelijk worden van onnodig zware en kostbare zorg. D66 hecht groot belang aan een jeugdhulpstelsel dat tijdig, effectief en duurzaam is ingericht, met oog voor kansengelijkheid, kwaliteit en financiële houdbaarheid. Naar aanleiding van de raadsbrief stelt de fractie daarom de volgende vragen aan het college.
Vragen: 1. Welke concrete oorzaken ziet het college, naast Overvecht en de afbouw van gesloten jeugdzorg, voor de sterke volumegroei in dagbehandeling en verblijfszorg? 2. Vanwege de extra inzet in Overvecht in het kader van Ongelijk investeren voor gelijke kansen is de instroom voor de dagbehandeling toegenomen. Weet het college in welke leeftijdscategorie de vragen specifiek zijn toegenomen en wat de oorzaak hiervan is? 3. Kan het college aangeven welke resultaten daarmee geboekt zijn of men verwacht te boeken? Is de inschatting dat nu alle Overvechtse kinderen bereikt worden en hulp geboden wordt aan hen die dat nodig hebben? 4. Ziet het college risico's dat, in andere wijken dan Overvecht, kinderen en jongeren met zorgbehoeften onder de radar blijven en niet goed in beeld zijn en wat doet dat met de kostenramingen voor de volgende jaren? 5. Zijn er cijfers beschikbaar van de hulpvraag per wijk en kunnen deze gedeeld worden? 6. Kan het college toezeggen de raad periodiek en transparant te informeren over instroom, wachttijden en kosten, uitgesplitst naar wijken? 7. Hoe beoordeelt het college de huidige wachttijd van circa 120 kinderen voor dagbehandeling in het licht van de jeugdhulpplicht? 8. Welke maximale wachttijden hanteert Utrecht voor verschillende vormen van jeugdhulp, en worden deze gehaald? 9.
Welke concrete resultaten zijn in 2025 behaald met het versterken van de pedagogische basis en het programma Kansrijk Opgroeien? 10. Hoe wordt geborgd dat kinderen tijdig passende zorg krijgen, ook wanneer de financiële druk verder toeneemt? 11. Waarom is in het besluit tot verruiming van de contractafspraken geen rekening gehouden met het risico op verdere volumegroei? 12. Welke financiële scenario’s heeft het college opgesteld voor 2026 en 2027 bij aanhoudende instroom? 13. Hoe hoog schat het college het risico dat deze kostenstijgingen zich ook in de komende jaren doorzet en is het college bereid deze risico’s in kaart te brengen?
14. Op welke wijze bevatten de huidige contracten prikkels voor preventie, uitstroom en innovatie? 15. Het college heeft besloten de contractafspraken te verruimen en in de raadsbrief wordt aangegeven dat deze verruiming niet op te vangen is binnen het programma Kansrijk Opgroeien, waardoor er een overschrijding van maximaal €4 miljoen kan optreden. Hoe wordt deze overschrijding wel opgevangen? 16. Welke structurele maatregelen neemt het college om herhaling van deze overschrijdingen in de komende jaren te voorkomen?
17. De volumegroei in de verblijfzorg is mede veroorzaakt door de landelijke afbouw van de gesloten jeugdzorg, waardoor de gemeente de zorg voor deze kind/jongere op zich neemt. Is het college bereid om richting het nieuwe kabinet en via de VNG te pleiten voor structurele landelijke middelen om dit op te vangen?
Gesteld door: • • • • • • • • • • • • •
Venita Dada-Anthonij, D66 Hester Assen, PvdA Ruud Maas, Volt Beau Nederhand, Volt Margreet Ramaker, VVD Ruben Sneijder, Student & Starter Rayna Augustus, Student & Starter Bert van Steeg, CDA Ellis te Rielle, CDA Pepijn Zwanenberg, Link Hanneke Verheijke, Link Gert Dijkstra, EenUtrecht Kirsten Alblas, ChristenUnie