Beantwoording SV2025 nr 79 over De toekomst van Utrechtse studenten(voorzieningen) onder druk
Tekst van het document
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2025, NUMMER 79
Datum Van Behandeld door E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
4 juni 2025 College B&W L.S. Uebel leilah.uebel@utrecht.nl 30281480 Onderwijs, Sport en Cultuur
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2025 nummer 79 van Ruben Snijder (Student & Starter), Berdien van der Wilt (D66), Titus Stam en Rick van der Zweth (PvdA), Ruud Maas - Beau Nederhand (Volt) en Maartje Vermeulen (GroenLinks) van 6 mei 2025 over ‘De toekomst van Utrechtse studenten(voorzieningen) onder druk: Wat betekenen de nieuwe OCW beleidsregels voor Sport, Cultuur en Welzijn?’. De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Heeft het college kennisgenomen van de recente beleidswijzigingen van het ministerie van OCW, zoals beschreven in de brief van minister Bruins, en de impact daarvan op universitaire voorzieningen zoals Olympos, Parnassos, het Universiteitsmuseum en de Botanische Tuinen? Antwoord 1 Ja, we hebben kennisgenomen van de communicatie rondom de beleidsregel Investeren met publieke middelen in private activiteiten. Graag wijzen we uw raad op recente ontwikkelingen omtrent deze beleidsregel die mogelijk een deel van uw zorgen wegnemen. Sinds wij deze schriftelijke vragen hebben ontvangen, heeft een Kamerdebat plaatsgevonden van de commissie onderwijs over Mentale gezondheid scholieren en studenten. Daarin heeft de minister een toelichting gegeven voor deze beleidsregel en de gevolgen voor studentenvoorzieningen.
Volgens de minister is zijn beleid niet gewijzigd maar is het al sinds begin van de jaren 2000 onduidelijk of hogescholen en universiteiten de publieke middelen die zij ontvangen ook mogen besteden aan andere doeleinden dan onderwijs en onderzoek. Het gaat daarbij met name om studentenhuisvesting en studentensportfaciliteiten. Door deze onduidelijkheid was er lang een ‘grijs gebied’ en was het niet duidelijk of de uitgaven van de afgelopen jaren waren toegestaan. De meest recente interpretatie in 2024 bevestigde volgens de minister dat studentensport uit onderwijs- en onderzoeksmiddelen wordt gefinancierd en dat dat volgens afspraken van 2004 niet was toegestaan.
Net als veel Kamerleden maakt de minister zich zorgen over de mogelijke gevolgen van deze conclusie. Hij vindt het onwenselijk als dat zou betekenen dat studentensport niet langer kan doorgaan en studenten niet meer tegen betaalbare tarieven kunnen sporten en bewegen. Daarom heeft de minister toegezegd dat hij zal gedogen dat de hbo- en wo-instellingen hun middelen de komende tijd voorlopig hieraan mogen blijven besteden. Tegelijkertijd vraagt hij zich af waar de grens moet liggen voor deze uitgaven en voor welke doeleinden dat wenselijk is. Daarom wil hij op basis van de diverse signalen van de afgelopen maanden inventariseren wat de (financiële) implicaties zijn en opnieuw in gesprek met de Tweede Kamer over de wenselijke bestedingskaders van onderwijs- en onderzoeksmiddelen. Daarin wil hij nieuwe afspraken maken over het besteden van overheidsmiddelen aan andere doeleinden dan onderwijs en onderzoek; niet alleen voor het hbo en wo maar ook voor het mbo. Na de zomer informeert de minister de Tweede Kamer over de uitkomsten van zijn inventarisatie. Over de impact van de beleidsregel voor studenten en -cultuurfaciliteiten gaat de minister, na het versturen van de verkenning na de zomer, met de kamer in gesprek.
De Utrechtse onderwijsinstellingen geven aan dat zij nog geen reactie van het ministerie hebben gekregen over onrechtmatige besteding van hun middelen voor culturele doeleinden. Het college van B&W trekt daarom de conclusie dat de hbo- en wo-instellingen hun financiering voorlopig niet hoeven aan te passen totdat het ministerie en de Tweede Kamer nieuwe afspraken hebben gemaakt over kaders voor het besteden van de publieke middelen. Deze kaders zouden wat ons betreft ruimte moeten blijven geven voor financiering van studentensport en -cultuur. Door de onduidelijkheid over de impact van de beleidsregel voor studentensport en -cultuurfaciliteiten op de langere termijn, zien wij nog steeds risico's voor het aanbod voor studenten in Utrecht op het gebied van zowel sport als cultuur.
Vraag 2 Hoe beoordeelt het college de visie van minister Bruins dat ook voorzieningen in geconsolideerde rechtspersonen, zoals stichtingen waarin onderwijsinstellingen zeggenschap hebben, onder de beleidsregel vallen? En in hoeverre is de gemeente betrokken of geconsulteerd bij de interpretatie van het begrip ‘marktconformiteit’, gezien het feit dat veel Utrechtse sport- en cultuuraanbieders sterk gesubsidieerd zijn? Antwoord 2 De visie van de minister, die hij vóór het Kamerdebat schriftelijk met hogescholen en universiteiten deelde, beschouwen wij als een beleidskeuze, omdat hij een keuze maakt in de mogelijkheden die zijn beschreven in het advies van de Landsadvocaat. De Landsadvocaat geeft advies voor zowel een striktere als een soepelere mogelijkheid (zie ook het advies van de Landsadvocaat onder 6.44 t/m 6.47). Als soepelere optie beschrijft de Landsadvocaat de mogelijkheid om entiteiten die ‘mede onder verantwoordelijkheid’ van de bekostiging van onderwijsinstellingen private activiteiten aanbieden, geheel vrij te laten in hun prijsstelling. De minister heeft gekozen voor de optie van de striktere uitleg van ‘mede onder verantwoordelijkheid’ in zijn toelichting van de beleidsregel. De minister geeft geen interpretatie van het begrip ‘marktconformiteit’. De gemeente is daarbij ook niet geconsulteerd of betrokken.
Vraag 3 Hoe beoordeelt het college de redenering van de minister dat universitaire sport- en cultuurvoorzieningen marktverstorend zouden zijn, zeker in een stad als Utrecht waar juist sprake is van tekorten aan sportzalen en betaalbare culturele ruimte?
2
Antwoord 3 Veel sport- en cultuurvoorzieningen zijn – ondanks hun grote maatschappelijke waarde – niet kostendekkend te realiseren. Bepaalde sport- en cultuurvoorzieningen zijn (ook) privaat georganiseerd (zoals een fitnesschool, indoor padel, voetbal, stijldansschool, etc.), met hogere tarieven en daardoor minder toegankelijk voor een deel van onze inwoners. We vinden het belangrijk dat studenten, die vaak minder te besteden hebben, laagdrempelig toegang hebben tot sport- en cultuurvoorzieningen. Bovendien hebben de studentensport en -cultuur een sociale functie omdat de faciliteiten en verenigingen ontmoeting faciliteren met andere studenten van diverse opleidingen, instellingen en achtergronden. We achten het onwaarschijnlijk dat (studenten)sport- en cultuurvoorzieningen marktverstorend zijn, omdat ze specifiek op één doelgroep zijn gericht met een krappe beurs.
Vraag 4 Deelt het college de zorgen over het feit dat het uitsluiten van publieke financiering voor activiteiten die niet direct zijn gekoppeld aan onderwijs of onderzoek grote negatieve gevolgen kan hebben voor het studentenwelzijn, de toegankelijkheid en betaalbaarheid van voorzieningen, en voor de culturele en maatschappelijke structuur van Utrecht, doordat belangrijke voorzieningen mogelijk verdwijnen of fors duurder worden? Hoe beoordeelt het college de situatie? Antwoord 4 Ja, ook wij maken ons zorgen over de mogelijke gevolgen van de beleidsregel. De bespreking in het Kamerdebat van 14 mei jl. heeft voor gedeeltelijke opluchting gezorgd omdat duidelijk werd dat de onderwijsinstellingen voorlopig hun middelen mogen blijven besteden aan de genoemde studenten(sport)voorzieningen. We begrijpen van de uitleg van de minister dat er nog gesprekken gevoerd zullen worden over de bestedingsdoelen en verdere uitvoering van deze beleidsregel. Dat maakt het moeilijk om het risico en de impact voor de Utrechtse voorzieningen op dit moment voor de langere termijn te overzien. Zoals in antwoord 1 toegelicht, zijn specifiek voor studentencultuuractiviteiten de consequenties nog onduidelijk. Daarom houden we de vinger aan de pols bij de verdere ontwikkelingen.
Vraag 5 Wat zijn volgens het college de directe en indirecte gevolgen voor de stad Utrecht, en de bredere impact op zowel studenten als niet-studenten, als universitaire voorzieningen zoals Olympos, Parnassos, het Universiteitsmuseum en de Botanische Tuinen verdwijnen of onbereikbaar worden door de beleidswijzigingen? Denk hierbij aan toenemende druk op gemeentelijke sportzalen en cultuurplekken, het wegvallen van laagdrempelige sociale en creatieve ruimte voor jongeren, en het onder druk komen te staan van initiatieven zoals de MBO-pilot bij Olympos, waarin MBO-studenten tegen gereduceerd tarief gebruik kunnen maken van het sportaanbod. Antwoord 5 We zijn blij dat de minister heeft toegezegd voorlopig de financiering van studenten(sport)faciliteiten door het hbo en wo te gedogen. Voor een gezonde en leefbare stad vinden we het namelijk belangrijk dat sport- en cultuurvoorzieningen toegankelijk zijn voor onze inwoners, waaronder studenten. Het mogelijke uitsluiten van de financiering van studentensport- en cultuurfaciliteiten door hbo- en woinstellingen kan het voortbestaan van deze voorzieningen onder druk zetten, met als risico het wegvallen van laagdrempelig sport- en cultuuraanbod voor studenten. Dit kan gevolgen hebben voor de druk op de andere sport- en cultuurfaciliteiten en leiden tot minder sport- en cultuurdeelname onder studenten.
Met als gevolg een negatief effect op de mentale, fysieke en sociale gezondheid van studenten en ook meer eenzaamheid, die onder jongeren de afgelopen jaren al is toegenomen. We weten namelijk dat veel studenten het juist prettig vinden om samen te sporten, dansles te krijgen of lid te zijn van een koor of orkest (vanwege de sociale binding) en liever niet verspreid over reguliere 3
(sport-) verenigingen. Het wegvallen van (de financiering van) deze activiteiten kan daarmee de unieke cultuur van het Utrechtse studentenleven en de aantrekkingskracht van Utrecht als studentenstad veranderen. Dit staat ook op gespannen voet met onze inspanningen om meer kansen te bieden voor mbo-studenten. Hun deelname aan het studentenleven is afhankelijk van bestaande voorzieningen, zoals het sportaanbod van Olympos, Vraag 6 Ziet het college mogelijkheden om, samen met onderwijsinstellingen zoals de Universiteit Utrecht, Hogeschool Utrecht, HKU en MBO’s, tijdelijke gemeentelijke ondersteuning of cofinanciering te bieden voor universitaire voorzieningen zoals Olympos en Parnassos, mocht Rijksfinanciering wegvallen? Antwoord 6 Zoals u inmiddels bekend is, hebben we een convenant studentensport ondertekend om de samenwerking tussen de partijen te optimaliseren. Met het convenant zetten we in op slimmere verbindingen tussen wat diverse partijen al doen en beschikbaar hebben, zodat we met relatief weinig inzet hier stappen in kunnen maken. De studentensportvoorzieningen en bijbehorende grond zijn in eigendom van de universiteit, wat investeringen door de gemeente heel moeilijk tot onmogelijk maakt. Het gemeentelijke uitgangspunt is dat we investeren in gemeentelijke sport- en beweegvoorzieningen voor álle inwoners, waar ook studenten gebruik van (kunnen) maken.
Daarom zijn er geen mogelijkheden voor gemeentelijke financiering specifiek voor sportvoorzieningen voor studenten. Op dit moment ondersteunen we de studentenkoren en orkesten (die o.a. in Parnassos repeteren) via de Nadere regel Basissubsidie Amateurkunst. We hebben geen subsidierelatie met Parnassos, het Universiteitsmuseum en de Botanische Tuinen. Wel ondersteunen we Sonnenborgh, gelieerd aan de Universiteit Utrecht, meerjarig. De meerjarige cultuursubsidies (Cultuurnota) zijn inmiddels verleend tot eind 2028, dus mogelijkheden voor gemeentelijke financiering zijn er ook op dit vlak niet of zeer beperkt. Het wegvallen van de mogelijkheden voor ondersteuning van de studentencultuurvoorzieningen zouden wij zorgelijk vinden, aangezien de gemeentelijke (incidentele) subsidiemogelijkheden voor cultuur niet dekkend zullen zijn om deze tekorten op te kunnen vangen. Vraag 7 Welke gesprekken voert het college op dit moment met betrokken partijen, zoals de bovengenoemde onderwijsinstellingen en beheerders van voorzieningen zoals Parnassos en Olympos, over de gevolgen van de OCW-beleidswijziging? Kan het college de raad informeren over de inhoud en voortgang van dit overleg? Antwoord 7 In het convenant studentensport is afgesproken dat alle betrokken partijen van het convenant vier keer per jaar bijeenkomen om de voortgang te bespreken.
De gevolgen van de OCW-beleidswijziging zijn hier onderwerp van gesprek. De uitwerking van het convenant is opgenomen in het uitvoeringsprogramma Sport en Bewegen. Bij de voortgangsrapportage van het uitvoeringsprogramma informeren we u over de voortgang van het convenant. Met de Hogeschool Utrecht en Universiteit Utrecht hebben wij inmiddels contact gezocht over de mogelijke gevolgen voor hun faciliteiten en studenten. De Hogeschool Utrecht gaat er op dit moment vanuit dat bestedingen op het vlak van culturele faciliteiten niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Ook de Universiteit Utrecht geeft aan er vertrouwen in te hebben dat - net als nu het geval is - ook in de komende jaren de activiteiten in Parnassos, de Botanische Tuinen en het Universiteitsmuseum voortgezet kunnen worden met geldelijke steun van de Rijksbijdrage.
4
Vraag 8 Heeft het college zicht op de bredere impact van het wegvallen van publieke financiering op het studentenwelzijn, de betaalbaarheid van voorzieningen en de leefbaarheid van Utrecht als studentenstad? Is het college bereid deze effecten structureel te monitoren en waar nodig aanvullende instrumenten in te zetten? Antwoord 8 Zoals bij antwoorden 1 en 4 aangegeven worden er landelijk nog gesprekken gevoerd over de verdere uitvoering van deze beleidsregel. Dat maakt het moeilijk om nu de schaal van het risico en de impact voor de Utrechtse voorzieningen te overzien. Het ministerie van OCW zal de komende tijd met universiteiten en hogescholen inventariseren welke middelen op dit moment worden besteed aan studentenvoorzieningen en wat de implicaties daarvan zijn. Mocht de publieke financiering van het sportieve en culturele aanbod daadwerkelijk wegvallen, verwachten wij grote impact; voor studenten maar ook voor de leefbaarheid van het Utrecht Science Park. Deze ontwikkelingen volgen wij op de voet, net zoals de Hogeschool Utrecht en Universiteit Utrecht die studentenwelzijn continu monitoren. Samen met de andere betrokken partijen van het convenant studentensport volgen we specifiek de ontwikkelingen m.b.t. sport.
Als de verkenning van de minister onze zorgen versterkt, gaan we met de betrokken partijen van het convenant af te stemmen welke invloed we kunnen uitoefenen en te kijken naar de (on)mogelijkheden voor eventueel aanvullend beleid vanuit de gemeente. Vraag 9 Heeft het college contact gezocht met andere studentensteden of de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om gezamenlijk op te trekken richting het ministerie van OCW, en is het college bereid actief te lobbyen voor uitzonderingsposities voor studentensport- en cultuurvoorzieningen? Is het college bereid zich publiekelijk uit te spreken tegen de voorgestelde beleidsmaatregel? Antwoord 9 Het college heeft contact gezocht met de Universiteit Utrecht, Hogeschool Utrecht en Olympos/Mesa Cosa. De Universiteit Utrecht heeft hierover voortdurend contact heeft met koepelorganisatie Universiteiten van Nederland en andere studentensteden en we hebben aangeboden hun lobby actief te willen steunen als daarvoor ruimte en behoefte is. Door de toezegging van de minister om de uitgaven van hogescholen en universiteiten voor deze voorzieningen verder te gedogen, zien we nu geen noodzaak om zelf actief te lobbyen tegen de voorgestelde beleidsmaatregel tot er meer bekend is over de uitkomsten van de geplande verkenning van de minister.
In het vervolgproces is het college is bereid zich publiekelijk uit te spreken voor het belang van studentenvoorzieningen voor sport en cultuur, zeker als blijkt dat onwenselijke aanpassingen behoren tot de mogelijkheden in de nog op te stellen kaders. Samen met de andere universiteitssteden, Universiteiten van Nederland, Vereniging Hogescholen en studentenhuisvesters participeren we daarnaast in het Netwerk Kennissteden Nederland (NKN). Vanuit het NKN wordt ook gelobbyd over bijvoorbeeld de bezuinigingen op het hbo en wo. Studentenwelzijn staat hoog op de agenda van het NKN. Wanneer dat van pas komt zullen wij aansluiten bij een eventuele NKN-lobby.
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht,
de secretaris,
de burgemeester,
5
6
7
8