Beantwoording SV2025 nr 36 over Van gemeente naar gemeenschap
Tekst van het document
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2025, NUMMER 36
Datum Van Behandeld door E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
18 april 2025 College B&W Jasper Stoorvogel Jasper.stoorvogel@utrecht.nl 30224726 Samen Stad Maken
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2025 nummer 36 van Gert Dijkstra (EenUtrecht), Ruud Maas (Volt) en Bert van Steeg (CDA) van 12 maart 2025 over Van gemeente naar gemeenschap. De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Wat zijn de leerervaringen en belangrijkste lessen die terug meegingen in de tas? Antwoord 1 We hebben een inspirerend bezoek gebracht aan de gemeente Peel en Maas, waar we veel onderwerpen hebben besproken. En hoewel de gemeente Utrecht qua grootte, geschiedenis en politiek anders is dan de gemeente Peel en Maas, hebben we er veel van kunnen leren. Een belangrijke leerervaring is dat de kracht van de gemeenschap in Peel en Maas vooral zit in de relatie tussen burgers onderling en de houding van de overheid tot de inwoners. De gemeente Peel en Maas werkt met een visie en werkwijze die door de jaren heen gegroeid en geborgd is: "Wij zijn een gemeente van gemeenschappen. Hier werken inwoners, ondernemers en organisaties samen aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomst beleefd kan worden door iedereen die in de gemeente verblijft. Een Peel en Maas waarin gemeenschappen zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leefwereld.
(...) Dat vraagt om een overheid die zich ervan bewust is wanneer ze wel en wanneer ze niet aan zet is.” We zien dat die missie doorleefd wordt in de gemeente: in de dorpsoverleggen, de gemeenschapshuizen en de Welzijnsorganisatie. Maar juist ook intern in de gemeentelijke organisatie door alle lagen heen, bij ambtenaren, college en raadsleden. Daarbij durft de gemeente ook stevige keuzes te maken en de verantwoordelijkheid ook in de gemeenschap te beleggen. Voorbeelden hiervan zijn het stoppen van het financieren of subsidiëren van initiatieven waar de gemeente geen eigenaar is, opdracht geven aan de lokale welzijnsorganisatie via een begrotingssubsidie in plaats van aanbesteden, of het geven van vertrouwen aan inwoners die een buurthuis volledig willen overnemen, waarbij zij zelf daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse exploitatie.
Vraag 2 Dus welke concrete eerste acties of inspirerende stappen die zij daar doen zouden de beide wethouders graag ook in Utrecht willen toepassen? Antwoord 2 We hebben in Peel en Maas gehoord dat het met name een cultuurverandering vraagt in de hele organisatie. Dat sluit aan bij het beleid van Samen stad maken waarin we leidende principes voor houding en gedrag hebben opgenomen voor ambtenaren, college en raadsleden. In de beleidsnota zijn daarvoor ook de eerste concrete acties geformuleerd. Ook in het uitvoeringsprogramma Buurt- en Wijkgericht werken staan hiervoor maatregelen benoemd. De Peel en Maas academie met daarin aandacht voor ‘ambtelijk vakmensschap’ was voor ons een inspirerend voorbeeld in deze cultuurverandering. Daarnaast heeft de gemeente Peel en Maas gevraagd om op enkele thema's samen op te trekken richting het rijk. Waar we daarvoor kansen zien, zullen we dat doen. Een concrete actie voor ons die voortkomt uit de Voorjaarsnota 2024 is dat we onderzoeken of onze inwoners en ondernemers werkzaamheden over kunnen nemen. We voeren hiervoor nu verschillende gesprekken in de stad met vrijwilligersorganisaties, maatschappelijke organisaties en ondernemers zoals in motie M196 Gebruik de kracht van de samenleving Utrecht. We komen daar in de Voorjaarsnota 2025 op terug.
Vraag 3 Ziet het college met ons de meerwaarde van het ‘model van zelfsturing’ in Peel en Maas en ziet zij dit ook als een op langere termijn na te streven perspectief voor Utrecht? Antwoord 3 Het model van Peel en Maas was bij de opstelling van de beleidsnota Samen stad maken, Geen Utrecht zonder U een inspiratiebron. Het college ziet de grote meerwaarde van meer eigenaarschap bij Utrechters. Een van de doelstellingen van de beleidsnota ‘Samen stad maken: Geen Utrecht zonder U’ is daarom ook het vergroten van zeggenschap en eigenaarschap bij Utrechters waar dat kan. We hebben er bewust voor gekozen om niet het model van Peel en Maas te kopiëren, maar dit samen met Utrechters verder door te ontwikkelen tot een kompas voor zeggenschap. Daarin maken wij onderscheid tussen 7 verschillende vormen, waarvan er bij 5 vormen wordt samengewerkt tussen Utrechters en de gemeente. Daarin is het een uitgebreider model dan het model van Peel en Maas, met maar 2 vormen van samenwerking tussen de gemeente en bewoners (type 2 en type 3) en een duidelijke scheiding in eigenaarschap tussen gemeente en gemeenschap. Wij zien ook kansen in gelijkwaardige samenwerking met gezamenlijk eigenaarschap, waar deze vorm in Peel en Maas geen onderdeel uitmaakt van het beleid.
Vraag 4 Zo ja, ziet het college kansen om nog nadrukkelijker dan tot nu toe deze filosofie van zelfsturing in Utrecht te introduceren, in samenspraak met de reeds in Utrecht actieve gemeenschapsorganisaties? Antwoord 4 Op 1 juli 2024 heeft u de beleidsnota ‘Samen stad maken: Geen Utrecht zonder U’ vastgesteld. Vanaf dat moment zijn we gaan werken met het kompas voor zeggenschap. We willen nu eerst samen met Utrechters (bewoners en (gemeenschaps)organisaties) ervaringen opdoen met het kompas en dit zoveel mogelijk toepassen. In de monitoring en evaluatie wordt u op de hoogte gebracht van de eerste ervaringen. We zien op dit moment geen aanleiding om het beleid aan te passen en meer in lijn te brengen met het model van Peel en Maas. Vraag 5 Vindt het college met ons dat dus meer nodig is dan alleen een lijst van voorbeelden? Antwoord 5 Ja, om de beweging te maken naar meer zeggenschap en eigenaarschap voor Utrechters is meer nodig dan een lijst met voorbeelden. In hoofdstuk 3 van het beleid van Samen stad maken is daarom ook uitgebreid aandacht besteed aan implementatie en continue doorontwikkeling. Daarin geven we 2
aan dat we het grootste leereffect kunnen bereiken door in het dagelijks werk met en van elkaar te leren. Daar zetten we op in, onder andere met een pool van Samen stad makers en door uitgebreide monitoring naar de raad die de basis vormt voor eventuele bijstelling. Ook in het uitvoeringsprogramma Buurt- en wijkgericht werken zijn maatregelen opgenomen die hieraan bijdragen, zoals maatregel 1: Werken aan wijkopgaven in het sociaal domein, maatregel 2: uitvoeren en doorontwikkelen Samen voor Overvecht en maatregel 6: uitvoeren en doorontwikkelen Buurtagenda's. Vraag 6 Zo ja, is het college bereid dit verder te verkennen? Antwoord 6 Ja, we zijn bereid om dit breder te verkennen. Dit doen we ook al, onder andere door middel van de implementatie en doorontwikkeling van Samen stad maken. Vraag 7 Is het college bereid een dergelijke visie te ontwikkelen, samen met Utrechters (en raadsleden), daar komend jaar extra energie in te steken en einde 2025 te komen met een eerste aanpak waarmee in Utrecht de beweging ‘van gemeente naar gemeenschap’ extra kan worden gestimuleerd? Antwoord 7 Nee. We delen dezelfde doelen als de vragenstellers, maar vinden niet dat daar een nieuwe visie voor nodig is. Deze doelen zijn geborgd in de beleidsnota ‘Samen stad maken: Geen Utrecht zonder U'.
Daarnaast willen we niet inzetten op het maken van nieuw beleid, maar juist op het uitvoeren van het recent vastgestelde beleid. Vraag 8 Is het college met ons van mening dat het wel of niet succesvol kunnen starten en slagen van die kanteling van gemeente naar gemeenschap niet kan zonder een investeringsprogramma voor Utrechtse gemeenschapsorganisaties en is zij bereid dat te verkennen en mee te nemen in de genoemde aanpak van de vorige vraag? Antwoord 8 We zijn het eens dat meer eigenaarschap voor Utrechters ook vraagt om dat te ondersteunen. Dat kan op dit moment al via bestaande regelingen zoals Vrijwillige inzet voor elkaar, Stem van Utrechters, Initiatievenfonds, Samen voor Overvecht en de Buurtagenda. We geloven erin daarmee de beweging naar meer zeggenschap en eigenaarschap te maken. Daarnaast was een van de lessen uit Peel en Maas ook dat geld niet altijd van de gemeente hoeft te komen. Vraag 9 Is het college bereid een dergelijk ‘servicebureau gemeenschapsorganisaties’ samen met Utrechtse gemeenschapsorganisaties te verkennen en daar mogelijk samen met hen een voorstel voor uit te werken? Antwoord 9 Nee, wij denken dat er al voldoende ondersteuning beschikbaar is. Zo subsidiëren wij de Vrijwilligerscentrale Utrecht voor het ondersteunen en adviseren van vrijwilligersorganisaties en initiatieven waaronder gemeenschapsorganisaties.
In de aanbesteding voor het welzijnswerk in de wijk (per 2026) is ook een belangrijke rol opgenomen in het ondersteunen van gemeenschapskracht: “de organisatie stimuleert, ondersteunt en verbindt bewonersinitiatieven vanuit gelijkwaardigheid en hun kennis en kunde om zich actief in te zetten voor elkaar en de buurt. In afstemming met andere partijen (inclusief gemeente) die hierin een rol vervullen. Het eigenaarschap blijft bij de inwoners liggen die het initiatief hebben genomen. Vanuit gelijkwaardige samenwerking is het aan hen beide om een goede afweging te maken wat de invulling en intensiteit is van de ondersteuning en hierbij wordt het principe ongelijk investeren voor gelijke kansen toegepast. Het gaat hierbij om initiatieven die ontmoeting, hulp aan elkaar en verbinding in de buurt en wijk versterken.”
3
Vraag 10 Is het college bereid in één of twee wijken te experimenteren met een wijkbudget? Antwoord 10 Nee. We zijn een groot voorstander van het vormgeven van gelijkwaardige samenwerking, maar denken dat we dit niet bereiken door middel van wijkbudgetten. In de raadsbrief van 2 oktober 2024 hebben wij antwoord gegeven op de Motie Samen aan het roer in het sociaal domein waarin opgeroepen werd tot gelijkwaardige samenwerking, bij voorkeur middels een wijkbudget. In de raadsbrief voortgang Samen stad maken hebben we u geïnformeerd over hoe we werken met buurtbudgetten. Vraag 11 Zo ja, wil het college dit gezamenlijk met Utrechtse gemeenschapsorganisaties nader verkennen en daar nog dit jaar een voorstel voor doen? Antwoord 11 Zie antwoord vraag 10. Vraag 12 Klopt dit inderdaad en kan het college dat nader toelichten? Antwoord 12 Nee. Het klopt niet dat er anders dan voorheen geen bepalingen zijn opgenomen. Voorheen was deze bepaling alleen opgenomen in de subsidietender van het sociaal makelaarschap. In de afgelopen periode zijn diverse opdrachten in het sociaal domein verstrekt: de opdracht Buurtteam Sociaal (INcluzio) Buurtteam Jeugd & Gezin (Lokalis) de opdracht Sport (aan Sport Utrecht), en de opdracht voor sociaal raadslieden (aan U Centraal). Bovendien loopt op dit moment de aanbesteding voor welzijnswerk.
In alle opdrachten krijgen partijen de opdracht bij te dragen aan het versterken van gemeenschapskracht. Wat betreft de opdracht 'Welzijnswerk in de wijk': Er wordt 4% van het budget van de opdrachtnemer afgehaald ten gunste van bewonersinitiatieven. Dit is ruim 37.000 euro meer dan het overhevelingsbudget waar DOCK op dit moment mee werkt. Daar bovenop gaat er cumulatief 1% per jaar (de komende 9 jaar) af van het deel ‘Welzijnswerk in de wijk’ budget. De gemeente herverdeelt deze middelen via subsidieregelingen. Ook binnen de toekomstige opdracht van het Jongerenwerk, welke dit jaar met de markt en partners wordt geformuleerd, zal de opdrachtnemer moeten bijdragen aan het versterken van gemeenschapskracht. In hoeverre dit leidt tot een overheveling van een percentage van het budget en welk percentage, hangt af van de dialoog omtrent de opdrachtformulering. Vraag 13 Hoe verhoudt zich dit tot de eerder uitgesproken wensen, ook van het college, om de gemeenschapskracht verder te versterken (met zeker meer dan 5%)? Antwoord 13 Zie antwoord vraag 12. Vraag 14 Wat zijn volgens het college de redenen om in de wijkalliantie geen vertegenwoordigers vanuit de gemeenschapsorganisaties te betrekken? Antwoord 14 De Wijkalliantie+ is ontstaan als initiatief van 10 organisaties in de stad, om binnen het kader van hun eigen opdrachten beter samen te werken en daardoor meer impact te hebben.
De + van de Wijkalliantie staat voor andere partners in de stad die niet in de Wijkalliantie zelf zitten, zoals bijvoorbeeld Koos, Spoor030, de aanvullende zorg Wmo en alle (bewoners)initiatieven in de sociale 4
basis. Een deel van de gemeenschapsorganisaties zit via het Netwerk Informele Zorg Utrecht (NIZU) aan tafel bij de Wijkalliantie+. Er is bij de Wijkalliantie+ één verzoek bekend van een bewonersorganisatie die wilde aansluiten bij de Wijkalliantie+. Met deze bewonersorganisatie is de Wijkalliantie+ in gesprek gegaan. De bewonersorganisatie bleek niet aan te kunnen sluiten bij de Wijkalliantie+ vanwege een aantal redenen. Zo is de bewonersorganisatie aan één wijk verbonden en vertegenwoordigt de organisatie geen breed bewonersperspectief. De organisatie heeft bovendien niet de omvang om stadsbreed in elke wijk mee te werken. In de wijk is de bewonersorganisatie welkom en belangrijk om als partner aan te sluiten. De + van de Wijkalliantie, en zo ook gemeenschapsorganisaties anders dan het NIZU, is op verschillende manieren betrokken bij de aanpak van de Wijkalliantie+ in de wijken. Een onderdeel van de aanpak is het duiden van de data van de wijk. Dit duiden gebeurt in wijkdata wijkdoen sessies, waarbij breed wordt uitgenodigd, inclusief bewoners(organisaties) uit de wijk. Op basis van die sessies bepalen de partners van de Wijkalliantie+ aan welke opgave(n) zij meerjarig gaan samenwerken, binnen de kaders van hun opdracht c.q. taak. Voor de uitwerking van de gekozen opgave wordt vervolgens samengewerkt met (bewoners)initiatieven en organisaties op die opgave.
De gemeente is voor een deel van de partijen in de Wijkalliantie+ opdrachtgever, maar niet van de Wijkalliantie+ zelf, dat is een initiatief van samenwerkende partijen. Het betrekken van initiatieven en organisaties uit de gemeenschap is vastgelegd in het stedelijk kader dat is opgenomen in drie recent vastgestelde contracten. We herkennen het signaal dat sommige gemeenschapsorganisaties ervaren dat zij niet gelijkwaardig aan tafel zitten. De aanpak van de Wijkalliantie+ is nog in ontwikkeling en we blijven met de Wijkalliantie+ daarover in gesprek. Vraag 15 Deelt het college met ons dat je de gemeenschapskracht kunt versterken door dit wel te doen en is het college bereid hen alsnog wel te betrekken? Antwoord 15 Zie antwoord op vraag 14. Vraag 16 Vindt het college met ons dat de ‘Sociale Visie Utrecht 2040’ aan kracht kan winnen als daarin o.a. nadrukkelijker het volgende wordt opgenomen: opbouwen en investeren in gemeenschapskracht, een sterkere focus op het nastreven van meer zeggenschap en eigenaarschap bij Utrechters én het verschuiven van taken van gemeente naar gemeenschap? Antwoord 16 Nee, het bevorderen van gemeenschapskracht is al onderdeel van de verschilmakers in de sociale visie. Daarnaast zijn de leidende principes van houding en gedrag van Samen Stad Maken in de Sociale Visie Utrecht 2040 opgenomen als onderdeel van de leidende principes voor het sociaal domein.
In de visie komen ook in het hoofdstuk “Wat vraagt dit van de gemeente” deze elementen nadrukkelijk aan bod (zie hiervoor de paragraaf ‘we maken samen de stad’ in dit hoofdstuk). Concrete uitwerking van hoe we dit doen ziet u terug in ons beleid en uitvoering(sprogramma's) zoals bijvoorbeeld in het Kompas voor zeggenschap, daarin is concreet uitgewerkt welke samenwerkingsvormen er zijn met Utrechters en wanneer welke vorm het beste past. Vraag 17 Zo ja, is het college bereid dat alsnog toe te voegen in de Sociale Visie 2040? Antwoord 17 Nee, zie het antwoord hierboven. Bovendien worden op dit moment de ingediende zienswijzen gewogen en waar nodig wordt naar aanleiding hiervan de SVU 2040 aangepast. Hierna wordt de visie met raadsvoorstel voorgelegd aan de raad ter vaststelling. Naar aanleiding van dit raadsvoorstel kan 5
uw raad met het college in gesprek over eventuele aanvullende aanpassingen/toevoegingen. In deze fase worden dus enkel aanpassingen n.a.v. zienswijzen gedaan. Vraag 18 Ziet het college dit ook als een tekortkoming en is zij bereid na te gaan wat het voorbeeld van Peel en Maas, de kanteling van gemeente naar gemeenschap en het veel zwaarder investeren in gemeenschapskracht en gemeenschapsorganisaties mogelijk kan betekenen voor het op termijn met iets minder overheidsgeld toch een vergelijkbaar niveau aan sociale voorzieningen in Utrecht te kunnen (blijven) realiseren? Antwoord 18 Nee, het college ziet dit niet als een tekortkoming. Dit is al onderdeel van de (visie op) de hervormingen in het sociaal domein. De aanleiding voor de hervormingen is enerzijds dat we met schaarste te maken hebben: de vraag naar zorg en ondersteuning groeit, terwijl we niet de mensen en de middelen hebben om aan die vraag te beantwoorden. Maar afgezien van die schaarste is er ook een inhoudelijke wil en overtuiging om het samen anders te doen. We willen naar een zorgsysteem dat toekomstbestendig is, waarbij we mensen eerder en laagdrempeliger ondersteunen en waarbij omzien naar elkaar centraal staat.
Het gaat hier dus ook echt om een samenlevingsvraagstuk: hoe leven we samen in onze stad? Hoe kijken we naar elkaar om? Gemeenschapskracht en gemeenschapsorganisaties vervullen hierbij een cruciale rol en dat erkennen we ronduit in de (aanpak van de) hervormingen in het sociaal domein. Dit gedachtegoed komt ook tot uiting op andere plekken, zoals de Sociale Visie Utrecht 2040, de beleidsnota Samen Stad Maken en de beleidsnota Wmo ‘Samen leven, samen zorgen’. Vraag 19 Zo ja, is het college bereid dat alsnog nadrukkelijk (als essentie) toe te voegen aan de aanpak van de Hervormingen sociaal domein? Antwoord 19 Zie antwoord vraag 18 Vraag 20 Kan het college aangeven of dit klopt en ook nader toelichten? Antwoord 20 Nee, het klopt niet dat er enkele miljoenen per jaar extra voor sociaal makelen beschikbaar zijn en dat er voor gemeenschapsorganisaties geen budget beschikbaar is. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 12, loopt op dit moment de aanbesteding voor het welzijnswerk. In dat traject worden middelen verschoven van het institutionele welzijnswerk naar organisaties in de gemeenschappelijke sociale basis. De gemeente zal deze middelen via subsidieregelingen verdelen. Daarmee ondersteunen we dus zeker ook gemeenschapsorganisaties.
We hebben over de hele linie te maken met financiële schaarste, maar binnen de bestaande budgetten (en waar mogelijk met incidentele extra middelen en/of verschuiving van budget) geven we zo goed mogelijk vorm aan versterking van de gemeenschappelijke sociale basis. Vraag 21 Wat zijn redenen om wel in instanties maar niet in gemeenschapsorganisaties te investeren in het realiseren van de HSD doelen? Antwoord 21 Zie antwoord vraag 20 Vraag 22 Is het college het met ons eens dat dit niet synchroon loopt met de doelstelling om als gemeente meer te investeren in het versterken van de gemeenschapskracht? Antwoord 22 Zie antwoord vraag 20 6
Vraag 23 Zo ja, is het college bereid dit alsnog aan te passen? Antwoord 23 Zie antwoord vraag 20
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht,
de secretaris,
de burgemeester,
7
Schriftelijke vragen ‘Van gemeente naar gemeenschap’ 12 maart 2025 De gemeente Utrecht bezint zich op hoe we in het sociaal domein kunnen voldoen aan wat nodig is maar wel passend binnen het geld dat beschikbaar is. Het stadsbestuur (college) heeft daartoe zowel een ‘Sociale Visie Utrecht 2040’ opgesteld (met een globaal beeld over o.a. verschilmakers, monitoren en een sturingsmodel) als ook een traject ‘Hervormingen Sociaal Domein’ gestart met een taakstelling van € 16.062.000 (bezuinigingen). In beide wordt volgens ons onderschat wat de mogelijkheden zijn van de beweging ‘van gemeente naar gemeenschap’ die de inzet, het effect en de (kwaliteit van de) dienstverlening in het sociaal domein kan vergroten en versterken en bovendien (op termijn) de kosten kunnen beperken. Vandaar onze volgende vragen. Wethouder Dennis de Vries en Eva Oosters zijn op bezoek geweest bij de gemeente Peel en Maas. Geweldig! Deze gemeente heeft al ruim 20 jaar ervaring met ‘meer zeggenschap, zelfsturing en eigenaarschap bij de gemeenschappen’ en het kantelen van verantwoordelijkheden en taken van de gemeente naar de gemeenschappen. Dat heeft daar geleidt tot ingrijpende veranderingen en een volstrekt andere aanpak in het publieke domein met flinke voordelen voor zowel de gemeente (goedkoper) als ook voor de gemeenschappen (beter en leuker). 1.
Wat zijn de leerervaringen en belangrijkste lessen die terug meegingen in de tas? Utrecht is geen Peel en Maas, maar we hebben meer gemeen dan dat we van elkaar verschillen. Dus we kunnen altijd iets overnemen. 2. Dus welke concrete eerste acties of inspirerende stappen die zij daar doen zouden de beide wethouders graag ook in Utrecht willen toepassen? De basis bij Peel en Maas is een strikt onderscheid van een tweetal (sociaal) eigenaars, enerzijds de gemeente in het publiek domein en anderzijds de gemeenschap in het openbaar domein. In dat laatste geval is de gemeenschap nadrukkelijk als eerste aan zet (zelfsturing). Zie ook bijgevoegd overzicht over Peel en Maas (bijlage). Dat biedt een enorme meerwaarde voor zowel gemeente als ook gemeenschappen. 3. Ziet het college met ons de meerwaarde van het ‘model van zelfsturing’ in Peel en Maas en ziet zij dit ook als een op langere termijn na te streven perspectief voor Utrecht? 4. Zo ja, ziet het college kansen om nog nadrukkelijker dan tot nu toe deze filosofie van zelfsturing in Utrecht te introduceren, in samenspraak met de reeds in Utrecht actieve gemeenschapsorganisaties?
8
Met motie 2023/423 ‘Investeer in gemeenschapskracht en ontlast de gemeente’ (9 november 2023) heeft de gemeenteraad het college opgedragen om ‘na te gaan bij welke gemeentelijke taken er kansen liggen om (een deel van) de uitvoering over te laten aan organisaties van de gemeenschap’ (in lijn met het model van zelfsturing). Met de nota ‘Samen stad maken; Geen Utrecht zonder U’ (4 april 2024) heeft het college dat ingevuld door bij elk van de zeven samenwerkingsvormen in het kompas (pagina 19-22) per vorm enkele concrete voorbeelden te noemen. Zo wordt bij Utrechter aan zet (volledige zeggenschap Utrechters) het wijkmagazine en het buurtfeest genoemd; bij overheidsmiddelen (zeggenschap Utrechters hoog) buurthuizen en speeltuinen en bij overheidsparticipatie (zeggenschap Utrechters ook hoog) o.a. het maken van een wijkvisie, buurtpreventie en schone stad coaches. Dat is een mooie eerste aanzet, maar dat is nog geen gestructureerde aanpak om op veel van de genoemde leefdomeinen echt een beweging in gang te zetten die ertoe kan leiden dat in Utrecht over 20 jaar (soms vergelijkbaar als in Peel en Maas) veel van deze taken worden geregisseerd, aangestuurd en (deels) uitgevoerd door Utrechtse gemeenschapsorganisaties. Dan is meer nodig. 5. Vindt het college met ons dat dus meer nodig is dan alleen een lijst van voorbeelden? 6.
Zo ja, is het college bereid dit verder te verkennen? In Peel en Maas is er een beweging gemaakt (de afgelopen 20 jaar) van ‘kantelen van gemeente naar gemeenschap’ waardoor gemeenschappen zich sterker hebben kunnen organiseren, meer hun verantwoordelijkheid hebben kunnen pakken en de bijbehorende taken meer en meer van de gemeente zijn gaan overnemen. Dat ging niet vanzelf, vraagt groeiruimte en leergeld en een breed gedragen visie, energie en aanpak. 7. Is het college bereid een dergelijke visie te ontwikkelen, samen met Utrechters (en raadsleden), daar komend jaar extra energie in te steken en einde 2025 te komen met een eerste aanpak waarmee in Utrecht de beweging ‘van gemeente naar gemeenschap’ extra kan worden gestimuleerd? Voorbeelden elders, zoals in Peel en Maas, laten zien dat het slagen van deze kanteling van gemeente naar gemeenschap (sterk) afhankelijk is van een actieve ondersteunende rol van de gemeente; o.a. bijvoorbeeld door het investeren in gemeenschapskracht, in het bijzonder in de (weder)opbouw van gemeenschapsorganisaties. Dat is in een grote stedelijke gemeente als Utrecht nog meer nodig dan in gemeentes op het platteland waar de gemeenschapscultuur vaak nog sterker aanwezig is (en de kaalslag van de jaren zeventig van de 20ste eeuw tot begin deze eeuw nog enigszins heeft overleefd). 8.
Is het college met ons van mening dat het wel of niet succesvol kunnen starten en slagen van die kanteling van gemeente naar gemeenschap niet kan zonder een investeringsprogramma voor Utrechtse gemeenschapsorganisaties en is zij bereid dat te verkennen en mee te nemen in de genoemde aanpak van de vorige vraag? 9
Zo wordt in Utrecht door vele gemeenschapsorganisaties, waaronder ook netwerkorganisaties als Dwarsverband en SAMEN030, al langer gepleit voor een servicebureau waar de vaak kleinere gemeenschapsorganisaties terecht kunnen voor bijvoorbeeld: (i) de inkoop van werkgeverschap, (ii) collectief afsluiten van (ziektekosten)verzekeringen, (iii) ondersteuning bij accountancy en boekhouding/administratie en (iv) een helpdesk ICT. In sommige gemeenten, zoals in Arnhem, is daar een veelbelovend begin mee gemaakt. Die behoefte wordt nu nog urgenter. Dat komt door de wet ‘Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie’ (DBA; 2016), die schijnzelfstandigheid moet voorkomen en vanaf 2025 wél zal worden gehandhaafd. Gemeenschapsorganisatie zullen veel moeilijker ZZP’ers kunnen inhuren maar het in loondienst nemen van medewerkers is voor veel kleine organisaties niet verantwoord, vanwege de risico’s bij ziekte en uitval. 9. Is het college bereid een dergelijk ‘servicebureau gemeenschapsorganisaties’ samen met Utrechtse gemeenschapsorganisaties te verkennen en daar mogelijk samen met hen een voorstel voor uit te werken? Diverse gemeenschapsorganisaties, waaronder enkele wijkcoöperaties pleiten al enkele jaren voor het starten met een wijkbudget. Zie ook het voorstel van stadscoöperatie SAMEN030.
[1] Dat is een budget waar lokale gemeenschapsorganisaties (zoals bewonersbedrijven en -initiatieven) een beroep op kunnen doen om op ‘leefdomeinen waar de gemeenschap primair verantwoordelijk voor is’ (zoals buurtzorg, ontmoeting, burenhulp, sport en cultuur in/bij de buurt) zelf de regie over te nemen, mogelijk inclusief de uitvoering ervan. In het verleden hebben we eerder onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor een wijkbudget (Lombok, Lunetten), maar dat heeft nooit de status van een experiment bereikt. 10. Is het college bereid in één of twee wijken te experimenteren met een wijkbudget? 11. Zo ja, wil het college dit gezamenlijk met Utrechtse gemeenschapsorganisaties nader verkennen en daar nog dit jaar een voorstel voor doen? In de afgelopen periode heeft de gemeente diverse grote contracten met instanties in het sociaal domein verlengd, zoals met Inclusio, Lokalis, Sport Utrecht, U-Centraal en DOCK. Daarin zijn, anders dan voorheen, geen bepalingen opgenomen waaruit blijkt dat een deel van het werk dat zij doen in de komende jaren (deels) moet worden overgenomen door gemeenschapsorganisaties (waaronder bewonersbedrijven en bewonersinitiatieven).
Het lijkt erop dat alleen een deel van het oorspronkelijke budget bedoeld voor DOCK (5% ervan?) wordt ‘overgeheveld’ naar het budget van VIVE en gezamenlijk met een deel van het budget van SPDO dan beschikbaar gaat komen voor gemeenschapsorganisaties en -initiatieven; nog nader uit te werken in een vernieuwde beleidsregel. 12. Klopt dit inderdaad en kan het college dat nader toelichten? 13. Hoe verhoudt zich dit tot de eerder uitgesproken wensen, ook van het college, om de gemeenschapskracht verder te versterken (met zeker meer dan 5%)?
10
In verschillende wijken zijn er in Utrecht wijkallianties, waarin diverse instanties op vooral zorg met elkaar samenwerken en overleggen. Daar heeft de gemeente ook regelmatig een overleg mee (wijkalliantie plus). Vanuit de gemeenschapsorganisaties is het verzoek gekomen om daar als volwaardige partner óók in mee te kunnen praten en aan deel te kunnen nemen (zoals al wel het geval is in de pilots van Thuis in je wijk, waar wel bewonersinitiatieven samen met DOCK e.a. in een netwerk zijn georganiseerd). Dat verzoek is niet gehonoreerd. 14. Wat zijn volgens het college de redenen om in de wijkalliantie geen vertegenwoordigers vanuit de gemeenschapsorganisaties te betrekken? 15. Deelt het college met ons dat je de gemeenschapskracht kunt versterken door dit wel te doen en is het college bereid hen alsnog wel te betrekken? Recent heeft het college een concept ‘Sociale Visie Utrecht 2040’ gedeeld (december 2024) waarin bij de leidende principes wordt genoemd dat de gemeente ‘wil aansluiten bij wat inwoners, hun netwerk en de gemeenschap zelf kunnen en wat zij nodig hebben om er voor elkaar te kunnen zijn’. Bij de ‘verschilmakers’ wordt alleen bij ‘gezond samen leven’ aangegeven dat de gemeente ‘gemeenschapskracht wil bevorderen en het steunen van elkaar’, als ook ‘het stimuleren van ontmoetingen’.
Kortom, deze Sociale Visie raakt de kanteling van gemeente naar gemeenschap slechts even zijdelings; de beweging naar ‘meer gemeenschap’ wordt feitelijk niet benoemd, laat staan dat wordt aangegeven hoe deze beweging actief en concreet kan worden gestimuleerd. 16. Vindt het college met ons dat de ‘Sociale Visie Utrecht 2040’ aan kracht kan winnen als daarin o.a. nadrukkelijker het volgende wordt opgenomen: opbouwen en investeren in gemeenschapskracht, een sterkere focus op het nastreven van meer zeggenschap en eigenaarschap bij Utrechters én het verschuiven van taken van gemeente naar gemeenschap? 17. Zo ja, is het college bereid dat alsnog toe te voegen in de Sociale Visie 2040? Ondertussen zet het stadsbestuur stevig in op de zogenoemde ‘Hervormingen sociaal domein’ (raadsbrief 29 november 2024). Daarin wordt slechts terloops soms even geïmpliceerd dat het helpt als (vrijwilligers)organisaties in de stad iets meer kunnen doen in het sociaal domein. Er staat wel dat sterker wordt ingezet op de Sociale Basis, maar tegelijkertijd wordt daar toch wel op bezuinigd (zoals 10% op SPDO). De raadsbrief is een opsomming van zaken, een zichtbare zoektocht naar hoe de gemeente kan bezuinigen en hoe dat dan kan worden opgevangen, o.a. door hopelijk de inzet van allerlei gemeenschapsorganisaties.
De aanpak op Hervormingen sociaal domein (afgekort HSD) mist tot nu toe nog volledig een samenhangende visie over hoe je inderdaad als gemeente minder kunt doen en toch hetzelfde (of zelfs meer) kunt bereiken en wat er dan nodig is bij anderen, in de markt en bij de gemeenschappen. 18. Ziet het college dit ook als een tekortkoming en is zij bereid na te gaan wat het voorbeeld van Peel en Maas, de kanteling van gemeente naar gemeenschap en het veel zwaarder investeren in gemeenschapskracht en gemeenschapsorganisaties mogelijk kan betekenen voor het op termijn met
11
iets minder overheidsgeld toch een vergelijkbaar niveau aan sociale voorzieningen in Utrecht te kunnen (blijven) realiseren? 19. Zo ja, is het college bereid dat alsnog nadrukkelijk (als essentie) toe te voegen aan de aanpak van de Hervormingen sociaal domein? Bij de HSD wordt aangegeven dat er aan de voorkant wordt geïnvesteerd om nadien aan de achterkant de beoogde bezuinigingen later te kunnen realiseren. Het lijkt erop alsof ook extra budget voor DOCK in het sociaal makelen daar een onderdeel van is (enkele miljoenen erbij per jaar). Tegelijkertijd zijn er tot op heden geen gemeenschapsorganisaties in Utrecht die melden dat zij ook extra budget ontvangen om daarmee de doelen van de HSD mede te kunnen realiseren. 20. Kan het college aangeven of dit klopt en ook nader toelichten? 21. Wat zijn redenen om wel in instanties maar niet in gemeenschapsorganisaties te investeren in het realiseren van de HSD doelen? 22. Is het college het met ons eens dat dit niet synchroon loopt met de doelstelling om als gemeente meer te investeren in het versterken van de gemeenschapskracht? 23. Zo ja, is het college bereid dit alsnog aan te passen?
Ingediend door:
Gert Dijkstra, EenUtrecht Ruud Maas, Volt Bert van Steeg, CDA
BIJLAGE ‘Van gemeente naar gemeenschap in Peel en Maas’
[1] Voorstel SAMEN030 voor een wijkbudget d.d. 29 januari 2023: VoorstelWijkbudget.pdf
12