CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording SV2025 nr 159 over Het gaat nog steeds niet goed, Mentale gezondheid van jongeren kan niet wachten

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Afrondende besluitvorming na debat over Mentale gezondheid jongeren (n.a.v. Rekenkamerbrief Uitvoeringsprogramma mentale gezondheid)4.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2025, NUMMER 159

Datum Van Behandeld door E-mailadres Kenmerk Beleidsveld

28 oktober 2025 College B&W Ellen van den Berg ellen.van.den.berg@utrecht.nl 32363036 Volksgezondheid

Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2025 nummer 159 van Ruben Snijder (Student & Starter) en Maartje Vermeulen (GroenLinks) van 29 september 2025 over Het gaat nog steeds niet goed: Mentale gezondheid van jongeren kan niet wachten. De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Hoe stimuleert het college dat jongeren met mentale klachten daadwerkelijk de stap durven zetten om hulp te zoeken, gezien drempels als schaamte en prestatiedruk? Antwoord 1 Als jongeren mentale klachten hebben, is het belangrijk dat ze hulp zoeken. Dat kan binnen hun eigen netwerk door te praten met bijvoorbeeld familie of vrienden en laagdrempelig via diverse organisaties die in Utrecht hulp bieden en daarbij aansluiten bij de leefwereld van de jongeren zelf. Dat kan bijvoorbeeld online en anoniem, via InjeBol, of via open en toegankelijke ontmoetingsplekken voor jongeren in de stad zoals Younity, Mental Motion, De WachtVerzachter en GeluksBV. Ook kunnen jongeren terecht bij het jongerenwerk van stichting JoU dat laagdrempelig in de wijken en online hulp biedt. Ook is het jongerenwerk actief op scholen (zie ook antwoord 5). Jongeren die meer ondersteuning nodig hebben, kunnen terecht bij BOOST groepen, het buurtteam, de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) of de huisarts. Buurtteams en JGZ zijn aanwezig op scholen (zie ook antwoord 2).

Ook de vervolgopleidingen (mbo, hbo en universiteit) bieden ondersteuning aan jongeren en jongvolwassenen. Het (h)erkennen van mentale klachten is de eerste stap die nodig is om hulp te kunnen zoeken. Dit vraagt verandering in kennis en competenties van jongeren en jongvolwassenen én hun omgeving. Om dat te bereiken zetten we in op bewustwordingscampagnes waarin we mentale gezondheid bespreekbaar maken. Dat hebben we de afgelopen jaren onder andere gedaan via de campagne Unbox Jezelf, Unbox een ander. Vanaf oktober 2025 werken we samen met InjeBol. Ook bieden we gerichte trainingen en interventies aan, denk hierbij aan Mental Health First Aid en Door het Geluid.

Vraag 2 Hoe zorgt het college ervoor dat juist de meest kwetsbare jongeren (bijvoorbeeld met armoede- of thuissituatieproblemen) niet buiten beeld raken en tijdig passende hulp krijgen? Antwoord 2 De meest kwetsbare jongeren zijn in beeld via de buurtteams. De buurtteams ondersteunen deze gezinnen en jongeren. De buurtteams zijn aanwezig op scholen en bij huisartsen. Ook de Jeugdgezondheidszorg is op scholen (PO, VO en MBO) aanwezig. Via die route kan er laagdrempelig hulp en ondersteuning worden ingezet. Bij gezinnen die voor armoedeproblematiek of thuissituatieproblematiek in beeld zijn, wordt er ook gekeken naar de mentale gezondheid van de kinderen. Voor deze kinderen is er zowel individuele als collectieve ondersteuning beschikbaar (bijvoorbeeld de BOOST-groepen). Vraag 3 Hoe wordt de ambitie om maatschappelijke druk bij jongeren te verlagen concreet vertaald in meetbare acties en resultaten? Antwoord 3 Als we opdrachten of subsidie verstrekken maken we daar gerichte monitoringsafspraken. Daarvoor hebben we het uitvoeringsprogramma Samen preventief werken aan mentale gezondheid 2025 - 2027 opgesteld.

Vraag 4 Hoe monitort het college specifiek de mentale gezondheid van jongeren, en hoe worden deze inzichten gebruikt om bij te sturen? Antwoord 4 We monitoren de mentale gezondheid van jongeren via de Jeugdmonitor Utrecht (JMU), Gezondheidsmonitor Jeugd (GMJ) en de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen (GMJV). In het kader van deze monitors nemen we vragenlijstonderzoeken af onder Utrechtse jeugd en jongvolwassenen. In deze monitors stellen we ook vragen over mentale gezondheid en stress aan kinderen uit groep 7 en groep 8 van het basisonderwijs, jongeren uit klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs en jongvolwassenen van 16 t/m 25 jaar. Deze data worden gebruikt om op de lange termijn te monitoren of de activiteiten uit het uitvoeringsprogramma bijdragen aan een betere mentale gezondheid van jongeren. Vraag 5 Welke concrete verbeteringen ziet het college nog in de samenwerking tussen scholen, jongerenwerk en eerstelijnszorg, gezien de signalen uit de praktijk? Antwoord 5 Momenteel loopt het aanbestedingstraject voor het jongerenwerk. Hierin worden ook jongeren betrokken over wat zij belangrijk vinden, wat zij momenteel missen in het aanbod in de stad en waar we mogelijk een rol voor het jongerenwerk zouden zien vanaf 2027. Partijen die subsidie aanvragen of een opdracht krijgen, moeten ook aangeven hoe zij de behoefte aan de doelgroep hebben opgehaald.

Tussentijds blijven we ook met partijen in gesprek over hun inzet, dus ook met stichting JoU en DOCK. Jongeren of jongvolwassenen die zelf ideeën hebben, kunnen een aanvraag indienen bij het initiatievenfonds. Voor nu is het zo dat het jongerenwerk op een groot aantal scholen actief is op zowel PO VO en MBO. Op PO samen met DOCK (tienerwerk op de basisschool). Het jongerenwerk op scholen draagt bij aan het verbinden van leefwerelden en werkt ondersteunend voor zowel de leerlingen als leerkrachten. Jongerenwerkers hebben zicht op wat er buiten school gebeurt (op straat, thuis, online) en nemen dit de school in. Leerkrachten kunnen beter inspelen op wat speelt en leerlingen voelen zich hierdoor ook 2

meer gezien/begrepen/gehoord. Daarbij is school een belangrijke vindplaats en signaleren jongerenwerkers hier ook bepaalde zaken waarop zij jongeren en leerkrachten kunnen informeren en adviseren en bijvoorbeeld ook jongeren kunnen verwijzen naar activiteiten na schooltijd. Ook de gezonde schooladviseurs en de jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen zijn aanwezig op scholen en ondersteunen hen rondom het thema mentale gezondheid. Vraag 6 Hoe beoordeelt het college de signalen dat jongeren behoefte hebben aan goed georganiseerde, laagdrempelige avonden (zoals MentalMotion of GeluksBV), maar deze vaak niet kunnen betalen? Antwoord 6 Over het algemeen vragen organisaties zoals Mental Motion en de GeluksBV geen bijdrage voor hun activiteiten. Deze activiteiten zijn grotendeels vrij toegankelijk voor iedereen. In enkele gevallen wordt een kleine eigen bijdrage gevraagd om waarde te creëren voor een activiteit en een no-show van deelnemers te voorkomen. Voor specifieke trainingen voor jongeren zoals bijvoorbeeld een Highly Sensitive Person-training waar een professionele trainers voor wordt aangetrokken wordt wel een kleine bijdrage gevraagd. Indien een jongere de bijdrage niet kan betalen wordt daar coulant mee omgegaan. Vraag 7 Welke mogelijkheden ziet het college om deze activiteiten structureel toegankelijk en betaalbaar te houden voor alle jongeren? Antwoord 7 Zie antwoord 6.

Veel activiteiten die door de gemeente worden gesubsidieerd zijn gratis of er wordt een kleine bijdrage gevraagd voor het creëren van commitment en niet vanuit winstoogmerk. Tot juli 2025 was de nadere regel Herstel en Veerkracht van kracht. Na afloop van deze regeling hebben we activiteiten gefinancierd vanuit de middelen mentale gezondheid in het kader van het uitvoeringsprogramma Samen preventief werken aan mentale gezondheid 2025 - 2027. Deze middelen stoppen na 2026. We hebben partijen gewezen op de mogelijkheid om vanaf 2027 een aanvraag in te dienen via andere nadere regels die dan van kracht zijn. Vraag 8 Hoe wordt de inzet van jongeren zelf (vrijwillige inzet) afgewogen tegen de behoefte aan professioneel georganiseerde activiteiten? Antwoord 8 We zijn voornemens dit punt mee te nemen in de herziening van de subsidies in de sociale basis, de nieuwe nadere regels worden volgens planning in Q4 2025 gepubliceerd. De intentie is dat hierbinnen de mogelijkheid wordt geboden om subsidie aan te vragen voor zowel activiteiten met vrijwillige inzet als volledig gefinancierde professionele inzet. Aan die laatste categorie zijn mogelijk wel voorwaarden verbonden zoals dat partijen bijvoorbeeld onder andere inzichtelijk moeten maken waarom vrijwillige inzet geen optie is binnen de aangevraagde subsidie.

Vraag 9 Welke stappen zet het college om financiering toegankelijker en eerlijker te verdelen, zodat ook kleinschalige en innovatieve initiatieven een kans krijgen naast gevestigde partijen? Antwoord 9 We zijn voornemens om met de subsidieregeling Sociale Basis stappen te zetten om o.a. de administratieve lasten zo veel als mogelijk voor organisaties te verminderen, om meer continuïteit en langere subsidieperiodes te geven en om de beoordelingsproces begrijpelijk en transparant in te richten. De intentie is om de nieuwe subsidieregeling een aparte categorie voor kleinschalige initiatieven te bieden, waarvoor de administratieve lasten minimaal zullen zijn. Daarnaast zijn we 3

voornemens om budget van de institutionele sociale basis naar dit deel van de regeling te schuiven om zo verder gemeenschapskracht te faciliteren. Ook blijft de mogelijkheid bestaan om een aanvraag in te dienen bij het initiatievenfonds. Vraag 10 Hoe zorgt het college ervoor dat monitoring en rapportages van organisaties daadwerkelijk worden gebruikt voor beleidsverbetering en erkenning, en niet slechts als administratieve verplichting? Antwoord 10 Vanuit het Utrechts Sturingsmodel zijn monitoring en rapportages onderdeel van de data en informatie op basis waarvan we leren en verbeteren. Vanuit het uitvoeringsprogramma mentale gezondheid kijken we 2-jaarlijks naar de voortgang op basis van monitoringsgegevens, inclusief rapportages van partners. Overigens is voor organisaties zelf een goed uitgevoerde monitoring ook van meerwaarde als zij (opnieuw) subsidie willen indienen. Met een goed uitgevoerde monitoring tonen zij immers aan waar de meerwaarde en behoefte van hun activiteit zit. Vraag 11 Welke mogelijkheden ziet het college om succesvolle projecten voor jongeren (zoals BOOST-groepen, Mental Motion, Door het Geluid, Wachtverzachter) structureel te borgen, ook na afloop van tijdelijke financiering? Antwoord 11 Voor partijen die nu vanuit deze middelen financiering ontvangen, is er de mogelijkheid om een aanvraag te doen op andere (toekomstige) nadere regels..

We zijn voornemens om bij een nieuwe nadere regel continuïteit en zekerheid te bieden door voor een langere periode subsidie te beschikken. We kunnen niet vooraf garanderen dat alle partijen die nu vanuit incidentele middelen, opdrachten of andere nadere regels subsidie ontvangen, ook via een nadere regel subsidie zullen ontvangen. Dit is afhankelijk van hoe deze partijen scoren op de beoordelingssystematiek en specifieke eisen van deze regeling. Daarnaast heeft uw raad middels de VJN 2025 extra middelen toegekend voor het versterken van de pedagogische basis. De projecten Mental Motion, Door Het Geluid en Wachtverzachter kunnen een aanvraag doen via een nadere regel die in 2027 van kracht is. Daarnaast wordt een deel van de middelen versterken pedagogische basis aangewend om de BOOST-groepen structureel te borgen. Vraag 12 Hoe wordt het effect van initiatieven zoals de Wachtverzachter en BOOST-groepen gemeten, en hoe borgt het college dat jongeren tijdens wachttijden voor zorg passende ondersteuning krijgen? Antwoord 12 We zien toe op een goede monitoring. In samenspraak met de organisatie spreken we af hoe de impact het best gemeten kan worden en evalueren dit op diverse momenten. Zo monitoren we voor BOOST de in-en uitstroom (zoals aantallen, wie leidt deze jongeren toe, is er nog individuele basishulp of aanvullende hulp nodig).

Via Ervaringwijzer monitoren we de ervaring van deelnemers en met de begeleiders van de groepen evalueren we de ervaringen van de begeleiders zodat we het programma steeds verder kunnen verbeteren. Wanneer er niet direct passende jeugdhulp beschikbaar is, dan bekijkt het buurtteam jeugd en gezin met jongere/gezin welke ondersteuning vanuit bijvoorbeeld het informele netwerk en/of de sociale basis alvast kan worden geboden. Ook de Wachtverzachter wordt gemonitord op bereik (leeftijd, geslacht, opleidingsniveau etc) klachten en/of vragen van de deelnemers, het effect van de activiteiten op de deelnemers, het ervaren herstel en de uitstroom (geen zorgvraag meer of zorg opgepakt voor een andere instantie).

4

Vraag 13 Welke structurele stappen zet het college om laagdrempelige safe spaces en peer-to-peer voorzieningen blijvend beschikbaar te maken, ook na afloop van tijdelijke subsidies? Antwoord 13 Zie ook antwoord 8, 9 en 11 over de aanvragen via nadere regels. Vanuit het Integraal Zorgakkoord (IZA) is landelijke het commitment uitgesproken om tot landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten te komen, waarin specifiek ruimte is voor peer support en lotgenotencontact. Hier is landelijk hard aan gewerkt en ook in Utrecht is hierop geïnvesteerd, maar structurele middelen ontbraken nog. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), dat nu ter ondertekening voorligt aan de betrokken partijen, wordt wel ingezet op structurele financiering voor bewezen effectieve interventies op het snijvlak van medisch en sociaal. Eén van de voorbeelden waar al structurele middelen voor zijn is laagdrempelige steunpunten. Als interventies bewezen effectief blijken kunnen deze worden toegevoegd en komen ook hier structurele middelen voor beschikbaar. Vraag 14 Op welke manier zorgt het college ervoor dat organisaties, jongeren en ouders een eenduidig aanspreekpunt krijgen en structureel betrokken worden bij beleid en uitvoering? Antwoord 14 Het structureel betrekken bij beleid is onder andere verankerd in de door uw raad vastgestelde beleidsnota Samen stad maken ‘Geen Utrecht zonder U’.

Dat betekent dat we per vraag of kwestie bepalen wie, wanneer en op welke manier mee denkt met ons beleid. Jongeren betrekken we bijvoorbeeld bij beleid via Young Minds: een groep jongeren van 15-27 jaar die zich inzet voor het belang van jongeren in de stad Utrecht. Zij organiseren zelf activiteiten of nemen deel aan inspraakmomenten voor gemeentelijk beleid. Daarnaast denken mbo-studenten via de mbostudentenraad SR030 mee over beleid van de gemeente. Niet alleen over (mbo-)onderwijs maar ook breder. Daarnaast hebben wij contact met de UU, HU, het MBO en Vidius via het Netwerk Student & Zorg. Zoals toegezegd aan uw raad ontvangt u in Q4 2025 een uitvoeringsprogramma over het versterken van samenwerking met jonge Utrechters. Vraag 15 Is het college bereid om samen met de raad en studentenorganisaties structureel in gesprek te gaan met studenten van de HU, UU en het MBO over hun ervaringen en behoeften op het gebied van mentale gezondheid? Antwoord 15 Deze gesprekken vinden al plaats via het Netwerk Student & Zorg. Daar maken wij als gemeente ook onderdeel van uit. De contacten met studenten van de UU, HU, MBO en Vidius lopen via dit netwerk met vertegenwoordigers in de functie als projectleiders Studentenwelzijn, beleidsmedewerker Welzijn en Inclusie, adviseur studentenwelzijn, strategieteam studentenwelzijn, en portefeuille zorg en welzijn.

Daarnaast denken mbo-studenten via de mbo-studentenraad SR030 mee over beleid van de gemeente. Niet alleen over (mbo-)onderwijs maar ook breder. Ook hebben we contact met de Stichting Utrechts Studentenwelzijn (SUS), die een rol speelt in het verbinden van studenten(organisaties) en bestuurders van onderwijsinstellingen, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Utrecht, en de gemeente Utrecht. Vraag 16 Hoe beoordeelt het college de bestuurlijke risico’s die voortkomen uit het ontbreken van SMARTdoelen en structurele middelen in het uitvoeringsprogramma, en welke verbeteracties zijn voorzien?

5

Antwoord 16 We hechten belang aan een goede evaluatie en monitoring zodat we bijsturen op basis van deze monitoringsgegevens. Mentale gezondheid is een complex vraagstuk, en de monitoring die daarbij hoort ook. Daarom hebben we extern advies gevraagd aan prof. Dr. Laura Shields-Zeeman van het Trimbos Instituut over ons uitvoeringsprogramma en de bijbehorende monitoring. Een SMART doelstelling is een van de manieren om te monitoren. Wij hanteren een andere methode (zie ook vraag 19). We zijn continu in gesprek met onze partners voor een zo goed mogelijke monitoring. Wel zien wij een groot risico in het ontbreken van structurele middelen. Vraag 17 Hoe gaat het college om met het spanningsveld tussen omvangrijke ambities en beperkte (en vaak tijdelijke) middelen en capaciteit? Antwoord 17 Dat spanningsveld hebben we meegenomen bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma Samen preventief werken aan mentale gezondheid 2025 - 2027 en ook toegelicht in de voortgangsbrief stand van zaken Volksgezondheid 1e en 2e kwartaal 2025. Het beschikbaar stellen van (structurele) middelen is aan de Raad. Vraag 18 Hoe borgt het college dat interventies niet alleen in kleine pilots blijven hangen, maar waar mogelijk opschalen tot structurele voorzieningen? Antwoord 18 Voor borging van interventies uit (kleine) pilots, is het belangrijk te weten of de interventie werkt, dan wel succesvol is.

Daartoe verwachten wij van onze partners een goed monitoringsplan. Wij gaan dan ook met deze partners in gesprek over de monitoring. Opschalen of borgen in structurele voorziening(en) vraagt ook structurele middelen die nu niet beschikbaar zijn vanuit de incidentele middelen, SPUK GALA en IZA. Waar mogelijk zoeken we naar oplossingen door initiatieven die nu gefinancierd worden uit de incidentele middelen door te verwijzen naar alternatieve financieringsmogelijkheden zoals subsidie via nadere regels die dan van kracht zijn. Vraag 19 Op welke termijn is het college voornemens om de ambities alsnog te concretiseren in meetbare, tijdgebonden en realistische doelen? Antwoord 19 We zijn niet voornemens de ambities te vertalen in SMART doelstellingen. In de door u vastgestelde beleidsnota Samen gezondheidsverschillen 2024 – 2027 zijn de ambities uit de beleidsnota vertaald in realistische doelstellingen. Bij het opstellen van deze doelstellingen hebben we bewust gekozen geen SMART doelstellingen te formuleren. We monitoren de effecten en doelen op basis van de effectindicatoren en duidingsinformatie met de stad. Ook monitoren we de resultaten: de direct meetbare resultaten volgend uit de activiteiten per thema. Deze monitoringsinformatie is al op korte termijn zichtbaar en geeft zicht op de voortgang van de uitvoering gedurende de hele looptijd van de beleidsnota.

Dit, in combinatie de financiële kaders, is de basis om de uitvoering tussentijds op bij te sturen afgestemd op de overheidsrol. Zo sturen we kortcyclisch op de meest effectieve strategie per doel. Vraag 20 Hoe gaat het college zorgen voor tijdige en betrouwbare data, zodat monitoring en evaluatie daadwerkelijk mogelijk zijn?

6

Antwoord 20 We zorgen op twee manieren voor tijdige en betrouwbare data. 1. kortcyclisch (<1 jr) monitoren we de bereikte resultaten en effecten 2. langcyclisch (2-4 jr) monitoren we via het uitzetten van vragenlijsten en rapportages in jeugdmonitor Utrecht (JMU), Gezondheidsmonitor Jeugd (GMJ) en de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen (GMJV) (zie voor verdere toelichting het antwoord bij vraag 4) Hierbij is het goed om te realiseren dat veranderingen in mentale gezondheid op gemeentelijk niveau (niveau waarop doelstellingen in het Uitvoeringsprogramma zijn vastgelegd) niet binnen een korte termijn kunnen worden bewerkstelligd. Verbetering van mentale gezondheid zijn namelijk alleen mogelijk door een duurzame aanpak van grondoorzaken van mentale ongezondheid (o.a. veranderingen in omgeving en systemen) die veel tijd vragen. (Mentale volksgezondheid onder druk Op de rem! - Raad voor Volksgezondheid en Samenleving) Vraag 21 Hoe kan de raad tussentijds bijsturen, nu veel effectmetingen pas in 2026/2027 plaatsvinden? Overweegt het college aanvullende indicatoren op te nemen? Antwoord 21 Zie antwoord vraag 20. We monitoren op resultaatniveau wat ons de mogelijkheid biedt tussentijds bij te sturen. Daarnaast liggen de cycli van de diverse gezondheidsmonitors gedeeltelijk vast door landelijke en regionale afspraken. Aanvullende indicatoren zijn dan ook niet van meerwaarde.

Uw raad ontvangt begin 2026 de tussenrapportage over de beleidsnota Samen gezondheidsverschillen verkleinen. Vraag 22 Welke structurele dekking gaat het college zoeken om succesvolle interventies voor jongeren te behouden na afloop van de huidige (tijdelijke) financiering? Antwoord 22 Zie antwoord vraag 18. Vraag 23 Kan het college inzicht geven in hoe het uitgangspunt dat “mentale gezondheid alle beleidsterreinen betreft” is door vertaald naar concrete inzet en budgetten bij andere programma’s? Antwoord 23 Uiterlijk eind 2025 zijn we voornemens om de nadere regel sociale basis vast te stellen. De intentie is dat mentale gezondheid een van de thema’s is. Het voornemen is dat deze nadere regel een integrale subsidieregel wordt waar vanuit meerdere programma’s een (financiële) bijdrage aan wordt geleverd. In dat geval worden initiatieven die raken aan de mentale gezondheid, uit meerdere programma’s betaald en meegenomen binnen de integrale afweging. Daarnaast werken we volgens het principe Health in all policies, dat is inclusief mentale gezondheid. Zo is digitale balans/mentale gezondheid een belangrijk thema binnen het uitvoeringsprogramma Vergroten digitale weerbaarheid en de Online Coalitie. In de Utrechtse Onderwijs Agenda komen ook een aantal doelstelling uit het uitvoeringsprogramma terug.

Een bredere structurele inbedding in al het beleid, vraagt echter ook een structurele inzet én de beschikking over structurele middelen. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht,

de secretaris,

de burgemeester, 7

Schriftelijke vragen: Het gaat nog steeds niet goed: Mentale gezondheid van jongeren kan niet wachten 26-09-2025 De Rekenkamer concludeerde in 2023 al: ‘Het gaat niet goed’ in Utrecht, zowel niet met de mentale gezondheid van jonge Utrechters als met het beleid gericht op mentale gezondheid. Zo werd er in 2021/2022 € 1,1 miljoen uitgegeven aan acht initiatieven, maar werden daarmee slechts ongeveer 500 Utrechters bereikt. In 2025 ervaren nog steeds veel jongeren stress, prestatiedruk en somberheid, waardoor het urgent is om het beleid te versterken. De gemeente zet met het uitvoeringsprogramma mentale gezondheid 2025–20271 in op verbetering, maar de Rekenkamer2 constateert opnieuw dat ambities niet zijn vertaald naar meetbare doelen, dat sturingsmomenten ontbreken en dat de onderbouwing van interventies onduidelijk is. Veel van deze kritiekpunten zijn al bij eerdere evaluaties benoemd, maar blijven terugkomen. Ondanks alle investeringen dreigt de effectiviteit van het programma wederom beperkt te blijven. Jongeren en jongerenorganisaties geven tijdens gesprekken aan dat de huidige aanpak onvoldoende aansluit bij de praktijk. Jongeren geven aan dat ze over te weinig middelen beschikken om activiteiten gericht op mentale gezondheid bij te kunnen wonen, terwijl zij daar wel behoefte aan hebben. Daarnaast ervaren zij en betrokken organisaties weinig erkenning en invloed op beleid.

De fracties van Student & Starter en GroenLinks maken zich zorgen over deze ontwikkelingen. De indieners vinden het belangrijk dat het Utrechtse beleid voor mentale gezondheid van jongeren effectief, toegankelijk en toekomstbestendig is. Daarom stellen wij de volgende vragen aan het college.

1https://utrecht.bestuurlijkeinformatie.nl/Reports/Document/c51e6319-08bb-46eb-8ef5-

53db10d29b09?documentId=2b898d5d-f659-4992-ba1d-8de997b4d15d 2https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/7.extern/Rekenkamer/20250902_Rekenkamerbrief_Uitvoer ingsprogramma_mentale_gezondheid.pdf

8

Vragen: Bereik en effectiviteit De mentale gezondheid van jongeren staat onder druk. Drempels als schaamte, prestatiedruk en onbekendheid met het aanbod spelen een rol. Ook kwetsbare jongeren blijven soms buiten beeld. 1. Hoe stimuleert het college dat jongeren met mentale klachten daadwerkelijk de stap durven zetten om hulp te zoeken, gezien drempels als schaamte en prestatiedruk? 2. Hoe zorgt het college ervoor dat juist de meest kwetsbare jongeren (bijvoorbeeld met armoede- of thuissituatieproblemen) niet buiten beeld raken en tijdig passende hulp krijgen? 3. Hoe wordt de ambitie om maatschappelijke druk bij jongeren te verlagen concreet vertaald in meetbare acties en resultaten? 4. Hoe monitort het college specifiek de mentale gezondheid van jongeren, en hoe worden deze inzichten gebruikt om bij te sturen? 5. Welke concrete verbeteringen ziet het college nog in de samenwerking tussen scholen, jongerenwerk en eerstelijnszorg, gezien de signalen uit de praktijk?

Toegankelijkheid, jongerenorganisaties en financiering Uit gesprekken met jongeren en organisaties blijkt dat het aanbod van activiteiten en ondersteuning niet altijd aansluit bij hun behoeften. Toegankelijkheid, betaalbaarheid en structurele financiering zijn terugkerende knelpunten. Daarnaast ervaren kleinere en innovatieve initiatieven drempels bij het verkrijgen van financiering. 6. Hoe beoordeelt het college de signalen dat jongeren behoefte hebben aan goed georganiseerde, laagdrempelige avonden (zoals MentalMotion of GeluksBV), maar deze vaak niet kunnen betalen? 7. Welke mogelijkheden ziet het college om deze activiteiten structureel toegankelijk en betaalbaar te houden voor alle jongeren? 8. Hoe wordt de inzet van jongeren zelf (vrijwillige inzet) afgewogen tegen de behoefte aan professioneel georganiseerde activiteiten? 9. Welke stappen zet het college om financiering toegankelijker en eerlijker te verdelen, zodat ook kleinschalige en innovatieve initiatieven een kans krijgen naast gevestigde partijen? 10. Hoe zorgt het college ervoor dat monitoring en rapportages van organisaties daadwerkelijk worden gebruikt voor beleidsverbetering en erkenning, en niet slechts als administratieve verplichting? 11.

Welke mogelijkheden ziet het college om succesvolle projecten voor jongeren (zoals BOOST-groepen, Mental Motion, Door het Geluid, Wachtverzachter) structureel te borgen, ook na afloop van tijdelijke financiering? 12. Hoe wordt het effect van initiatieven zoals de Wachtverzachter en BOOSTgroepen gemeten, en hoe borgt het college dat jongeren tijdens wachttijden voor zorg passende ondersteuning krijgen?

9

13. Welke structurele stappen zet het college om laagdrempelige safe spaces en peer-to-peer voorzieningen blijvend beschikbaar te maken, ook na afloop van tijdelijke subsidies?

Structurele betrokkenheid en sturing Uit de gesprekken blijkt tevens dat volgens de organisaties de structurele betrokkenheid van jongeren en organisaties bij beleid en uitvoering nog onvoldoende is geborgd. Bovendien ontbreekt het aan duidelijke sturingsmomenten en SMARTdoelen in het uitvoeringsprogramma3, waardoor het lastig is om bij te sturen en de raad goed te informeren. 14. Op welke manier zorgt het college ervoor dat organisaties, jongeren en ouders een eenduidig aanspreekpunt krijgen en structureel betrokken worden bij beleid en uitvoering? 15. Is het college bereid om samen met de raad en studentenorganisaties structureel in gesprek te gaan met studenten van de HU, UU en het MBO over hun ervaringen en behoeften op het gebied van mentale gezondheid? 16. Hoe beoordeelt het college de bestuurlijke risico’s die voortkomen uit het ontbreken van SMART-doelen en structurele middelen in het uitvoeringsprogramma, en welke verbeteracties zijn voorzien? 17. Hoe gaat het college om met het spanningsveld tussen omvangrijke ambities en beperkte (en vaak tijdelijke) middelen en capaciteit? 18. Hoe borgt het college dat interventies niet alleen in kleine pilots blijven hangen, maar waar mogelijk opschalen tot structurele voorzieningen? 19. Op welke termijn is het college voornemens om de ambities alsnog te concretiseren in meetbare, tijdgebonden en realistische doelen? 20.

Hoe gaat het college zorgen voor tijdige en betrouwbare data, zodat monitoring en evaluatie daadwerkelijk mogelijk zijn? 21. Hoe kan de raad tussentijds bijsturen, nu veel effectmetingen pas in 2026/2027 plaatsvinden? Overweegt het college aanvullende indicatoren op te nemen? 22. Welke structurele dekking gaat het college zoeken om succesvolle interventies voor jongeren te behouden na afloop van de huidige (tijdelijke) financiering? 23. Kan het college inzicht geven in hoe het uitgangspunt dat “mentale gezondheid alle beleidsterreinen betreft” is doorvertaald naar concrete inzet en budgetten bij andere programma’s?

Gesteld door: ● Ruben Snijder, Student & Starter ● Maartje Vermeulen, GroenLinks

3https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/7.extern/Rekenkamer/20250902_Rekenkamerbrief_Uitvoer

ingsprogramma_mentale_gezondheid.pdf

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=dcab0046-506e-4f62-a58e-0754247bcbb5