CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording SV2024 nr 114 over Omgevingsvisie Overvecht; Mag Overvecht nog wel Overvecht blijven

Gemeenteraad 20 februari 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Beleidsnota omgevingsvisie Overvecht 2025 – 20405.593 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2024, NUMMER 114

Datum Van Behandeld door Doorkiesnummer E-mailadres Kenmerk Beleidsveld

29 augustus 2024 College B&W Irmo Kaal 14030 irmo.kaal@utrecht.nl 12549165 Ruimtelijke projecten: Overvecht

Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2024 nummer 114 van Gert Dijkstra (EénUtrecht), Yvonne Hessel (Utrecht Solidair), Mirac Urac (DENK) en David Bosch (UtrechtNu!) van 5 juni 2024 over ‘Omgevingsvisie Overvecht; Mag Overvecht nog wel Overvecht blijven?’. De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 1. BLOEMKOOLWIJK In de voorliggende Omgevingsvisie wordt Overvecht een ‘bloemkoolwijk’ waar je met de auto langs één route een buurt in en uit kunt rijden, waardoor het doorgaande autoverkeer in de gehele wijk fors wordt beperkt. Deze oplossing is aangedragen door de gemeente. a. Is het inderdaad zo dat deze oplossing van de ‘bloemkoolwijk’ niet het resultaat is van het participatieproces (in fase 1 en 2) en er in principe geen autoverbindingen meer zijn tussen de buurten? b. Zo nee, op welke manier is dit in het proces naar voren gekomen en hoe is het draagvlak aangetoond? c. Zo ja, Klopt het dat deze oplossing inderdaad is afgewezen door een grote meerderheid van de bewoners (in fase 3)? d.

Waarom wordt dan toch aan deze oplossing vastgehouden en is er niet geprobeerd om tot een tussenoplossing te komen met wel beter draagvlak in de wijk, waarin je wel van buurt naar buurt kunt met de auto maar waarbij het wegprofiel zodanig wordt aangepast dat het geen doorgaand verkeer aantrekt, de snelheid geremd wordt en de aanblik wordt verbeterd? e. Is de oplossing van de ‘bloemkoolwijk’ wel verkeerstechnisch haalbaar gelet op het feit dat je hier altijd een goed functionerende rondweg voor nodig hebt (zoals in Houten) en dat bij Overvecht absoluut niet het geval is met een ‘vastlopende’ Noordelijke Randweg Utrecht (NRU) het tot stadsboulevard (2x1 rijstrook) ombouwen van de Einsteindreef en de Franciscusdreef (Zuiddeel)? f. Zo ja, kan dat overtuigend worden toegelicht met cijfers en kaarten?

g. In hoeverre verhoudt de onderbouwing voor de keuze van een bloemkoolwijk bestaande uit het veiliger en groener maken van de buurten met de PlanMER waarin staat dat ook zonder deze verregaande ingreep de buurten minstens in dezelfde mate groener en veiliger gemaakt kunnen worden? Antwoord 1 A - De vergelijking met een “bloemkoolwijk” wordt onterecht gemaakt. De bloemkoolwijk is de stedenbouwkundige stroming ná de naoorlogse wijken zoals Overvecht. Bloemkoolwijken hebben beduidend andere kenmerken met woonerven. Voor Overvecht geldt dat de wijk destijds juist sterk rond de auto is ontwikkeld. We ervaren nu de nadelen daarvan, bijvoorbeeld op het vlak van verkeersveiligheid. Uit het participatieproces (in fase 1 en 2) is verkeersveiligheid als nummer 1 verbeterpunt naar voren gekomen. Er wordt in Overvecht vaak hard gereden en het oversteken van veel brede dreven wordt als onprettig ervaren. Om de verkeersveiligheid (=doel) te verbeteren hebben we in de uitwerking van de ontwerp Omgevingsvisie onder andere ervoor gekozen om een aantal verbindingen tussen buurten voor autoverkeer te knippen (=middel). Hierdoor rijdt er in de buurten minder (doorgaand) autoverkeer (=beoogd resultaat). De verkeersveiligheid substantieel verbeteren zonder ingrepen in het verkeerssysteem is niet mogelijk.

Dat de vergelijking met een 'bloemkoolwijk' wordt gemaakt, betreft alleen het principe van in- en uitgang van de buurten ten gunste van groen en verblijfskwaliteit in de buurten en de parken. De beoogde ruimtelijke uitvoering ervan is niet te vergelijken met de “bloemkoolwijk”. B - Gedurende een jaar hebben we op verschillende momenten op verschillende manieren mogelijkheden, keuzes en afwegingen voor de Omgevingsvisie voorgelegd aan Overvechters. We hebben onder andere gepeild wat Overvechters vinden van het versmallen van buurtstraten voor verkeersveiligheid en vergroening. Hiervoor blijk het draagvlak redelijk groot:

Daarnaast hebben we gepeild wat Overvechters vinden van minder doorgaand verkeer in de buurten. De meningen hierover waren verdeeld, waarbij wel meer mensen het eens waren met het voorstel met minder doorgaand verkeer door de buurten

2

Ook hebben we het afsluiten van doorgaande wegen door knips gepeild. Hiervoor blijkt dat bijna de helft van degene die mee hebben gedaan aan de peiling het afsluiten van doorgaande wegen in Overvecht geen goed idee vinden. Zie pagina 100 tot en met 162 van het Participatieverslag ‘101 Waarden van Overvecht

Figuur 1 – Voorbeeld van wat geënquêteerden vinden van de voorgestelde ‘knips’, in dit geval in de buurt ‘Vechtzoom-Noord’. Online enquête fase 3 (november 2023). 1.

Zeer slecht, 2. Slecht, 3. Matig/neutraal, 4. Goed en 5. Zeer goed.

C - Uit de participatie en de ingediende zienswijzen blijkt dat veel Overvechters geen voorstander zijn van de knips voor autoverkeer. Tegelijk zien we ook dat een deel van de Overvechters de voorstellen voor prettige en veilige straten en ideeën over verbeteringen voor voetgangers en fietsers goed tot zeer goed vindt. Hier zit dus een tegenstelling. We hebben in de ontwerp Omgevingsvisie gekozen voor de knips voor autoverkeer. Dit om de buurtstraten veiliger en groener te maken en bereikbaar te houden als er straks meer mensen wonen en werken. D - Een dergelijke tussenoplossing geeft, zeker met de groei van Overvecht, onvoldoende effect op de hoeveelheid autoverkeer in de buurten en heeft daarmee onvoldoende positief effect op inrichtingsmogelijkheden en verkeersveiligheid. Daarom zijn in de ontwerp Omgevingsvisie de knips voorgesteld die naar verwachting wel effect hebben op de hoeveelheid autoverkeer en daarmee op de verkeersveiligheid. Met minder autoverkeer kunnen straten veiliger en aantrekkelijker worden ingericht. Wij hechten, ook in aansluiting op wat we tijdens de participatie veelvuldig hebben gehoord, veel waarde aan het verbeteren van de verkeersveiligheid in Overvecht. Opgemerkt wordt dat ook uit de inwonersenquête gemeente Utrecht blijkt dat bewoners van Overvecht in vergelijking met andere wijken in Utrecht relatief zeer ontevreden zijn over verkeersveiligheid.

E - Naast de Omgevingsvisie werken we aan plannen voor de toekomstige Noordelijke Randweg Utrecht (NRU). Hierbij wordt rekening gehouden met de voorgestelde maatregelen in Overvecht uit de ontwerp Omgevingsvisie en de voorstellen voor de A27 (Alternatief Ring Utrecht, ARU). Doel is een goed functionerende NRU, die past bij de Omgevingsvisie voor Overvecht. Plannen voor de NRU, de Einsteindreef en Franciscusdreef worden pas op termijn uitgevoerd. Ook de knips voor autoverkeer tussen de buurten staan niet voor de korte termijn in de planning van de ontwerp omgevingsvisie (zie antwoord 1D). Precieze fasering en uitvoering moet uiteraard in samenhang worden bepaald. F - In deel B, (pagina 168 en verder) wordt ingegaan op de voor- en nadelen van de onderzochte varianten. De knips in alternatief 1 zorgen voor een toename van autoverkeer op de NRU. Maar ook in alternatief 2, zonder de knips tussen de buurten, neemt het autoverkeer op de NRU (in iets mindere mate) toe. Bij deze berekeningen is uitgegaan van meer woningen dan nu opgenomen in de

3

Omgevingsvisie. Op dit moment wordt in het project NRU verder onderzoek gedaan naar het functioneren van verschillende opties voor de NRU. G- In de PlanMER (pagina 79) staat dat de netwerkaanpassingen van alternatief 1 (het alternatief uit de MER met knips) leiden tot een verbetering van de verkeersveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie. Bij alternatief 2 (met verbindingen tussen de buurten en dus meer doorgaand autoverkeer) is de effectbeoordeling negatief ten opzichte van de referentiesituatie (huidige situatie en de autonome ontwikkeling) Vraag 2 In de voorliggende Omgevingsvisie staan diverse gebieden rood en oranje ingekleurd, waar bewoners rekening moeten houden met sloop van de eigen woning (rood) of een eventuele kans daarop (oranje). Het gaat dan om ca. 40 tot 50% van alle woningen in Overvecht. Kortom, een groot deel van de wijk wordt mogelijk gesloopt, ondanks afspraken in de coalitie dat sloop alleen in uiterste nood aan de orde mag zijn. a. Wat zijn de redenen voor het college om zo prominent op zo een grote schaal dit slooprisico in beeld te brengen? b. Is het college zich bewust van het feit dat dit veel bewoners onaangenaam heeft verrast? c.

Is het college met ons van mening dat bij nader inzien het zeer onverstandig en ongewenst is om bewoners uit te nodigen op een inloopavond die daar dan ter plekke moeten ontdekken, na veel zoeken op een kaartje, dat hun woning mogelijk wordt gesloopt? d. Kan het college uitleggen hoe dit zo heeft kunnen gebeuren? Antwoord 2 A - De ontwerp Omgevingsvisie suggereert niet dat er 40/50% van de woningen gesloopt gaat worden. We zijn in de ontwerp Omgevingsvisie juist terughoudend met sloop/nieuwbouw (zie o.a. pagina 34 en verder). In de gele gebieden gaat het met name om behoud, verbeteren en verduurzamen van bestaande bebouwing, met mogelijkheden voor kleine toevoegingen. Bij de oranje gebieden gaat het voornamelijk om transformatie van bestaande bebouwing door renoveren, optoppen, aanbouwen, bijbouwen. Bij rode gebieden gaat het voornamelijk om het verdichten van plekken door meer bebouwing toe te voegen op bijvoorbeeld parkeerterreinen en hoven. Bij de oranje en de rode gebieden geven we wel aan dat mogelijk sloop-nieuwbouw kan worden overwogen, mits dit bijdraagt aan bredere doelen voor buurtverbetering, zoals woningmix, leefbaarheid, voorzieningen en de openbare ruimte (oranje) of mits dit kansen biedt voor significante verdichting, een goede woningmix, verbeterde wijkstructuur en menging van functies.

In deze gebieden is sloop niet het vertrekpunt zoals uw opmerking over 40-50% procent doet suggereren. We zijn ook in deze gebieden terughoudend met sloop, en stellen bij de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie alleen sloop-nieuwbouw voor als we ervan overtuigd zijn dat dit nodig is voor een substantiële verbetering van de buurt of bijdraagt aan de stadsbrede opgave zoals het tekort aan woningen. Het Masterplan Overvecht Centrum is hier een voorbeeld van. In de ontwerp Omgevingsvisie hebben we op pagina 101 aangegeven wat de Omgevingsvisie betekent voor huiseigenaren en huurders. Voor de meeste zaken in de Omgevingsvisie zijn nog stappen en besluiten nodig om dit ook daadwerkelijk mogelijk te maken. Als er in de toekomst plannen komen die het eigendom van een ander raken, is altijd medewerking nodig van de eigenaren. Het uitgangspunt is dat we daarover in gesprek gaan en onderhandelen over aan-/verkoop. Op basis van deze Omgevingsvisie kan geen onteigeningsprocedure worden opgestart. Als een woning gehuurd wordt van een woningcorporatie zal de woningcorporatie contact zoeken als er plannen zijn voor renovatie, sloop of andere wijzigingen. Ook voor deze plannen is altijd medewerking nodig van de huurders. Voor renovatie bijvoorbeeld moet 70% van de bewoners instemmen. Voor sloop geldt dat er een draagvlakmeting moet worden gehouden waarbij 60% van de 4

bewoners instemt. Op basis van deze Omgevingsvisie kan er dus geen woning worden gesloopt; er zijn altijd andere besluiten voor nodig. B - Ja, wij zijn ons ervan bewust dat mogelijke sloop grote zorgen geeft bij bewoners. Een Omgevingsvisie is een relatief abstract ruimtelijk document. Eén van de uitdagingen voor het participatieproces was dan ook om de inbreng vanuit Overvechters te vertalen naar het abstractieniveau van de Omgevingsvisie. Sommige Overvechters vinden dat met name in fase 1 en 2 de impact op Overvechters te weinig duidelijk werd. In het bijzonder wanneer de impact een mogelijke sloop zou kunnen betekenen. De gesprekken gingen toen vooral over wijkbrede onderwerpen en modellen, zoals geclusterd of gespreid bouwen. In fase 3 en tijdens de inspraakperiode werden de ideeën meer concreet op buurtniveau besproken. We hebben zo zorgvuldig en concreet mogelijk gecommuniceerd tijdens bijeenkomsten, in (online) berichten en in gesprekken met Overvechters. Desondanks heeft het sommige bewoners onaangenaam verrast. Wij hebben onderschat wat het effect van de ontwerp Omgevingsvisie op sommige bewoners is geweest. C - Nee, wij denken dat het goed is om op buurtniveau met elkaar in gesprek te zijn en willen daar ook transparant over zijn. Ook vóór de inloopavonden in april en mei 2024 hebben we in fase 3 (oktober/november 2023) al gesprekken op buurtniveau gehad.

Het kan zijn dat mensen die bij de inloopavonden waren, niet eerder aanwezig zijn geweest en dat zij zich daardoor overvallen voelden. Bij een Omgevingsvisie zijn de ideeën en oplossingsrichtingen in het begin van het proces meer abstract en op wijkniveau. Later in het proces wordt de gekozen richting steeds meer uitgewerkt. Vanaf fase 3 werden de ideeën concreter op buurtniveau. Bij verschillende bijeenkomsten met tafelgesprekken per buurt zijn deze ideeën met Overvechters besproken en bij hen getoetst. Dit had op deze manier eerder in het proces niet gekund, omdat de ideeën toen nog niet zo op buurtniveau waren uitgewerkt. We zijn wel van mening dat we in de uitnodiging voor deze bijeenkomsten duidelijker hadden kunnen zijn over de status en duiding van de voorgestelde ideeën voor de buurten, waaronder mogelijke sloop van woningen. D – Met name de bijeenkomsten in oktober/november 2023 (totaal ongeveer 200 bezoekers) en de laatste online enquête (bijna 1500 keer ingevuld) hebben een relatief hoge betrokkenheid. Op de inloopbijeenkomsten tijdens de inspraakperiode zijn bijna 300 bezoekers geweest. Naast de georganiseerde bijeenkomsten hebben we in het kader van het spoor ‘bij u’ ongeveer 250 gesprekken in de wijk gevoerd met bewoners en andere betrokkenen. Ook hebben we bijeenkomsten voor ‘visiedenkers’ georganiseerd.

Visiedenkers zijn gevraagd door onder andere een uitnodiging naar 800 middels loting bepaalde visiedenkers en een uitnodiging naar bij de gemeente bekende contactpersonen te sturen. Voor het maken van de ontwerp Omgevingsvisie hebben we geprobeerd zoveel mogelijk Overvechters te betrekken. Dit is aan bepaalde kaders gebonden, zoals beschikbare tijd, mensen en middelen zodat we ook binnen het participatieproces keuzes hebben moeten maken. Binnen die kaders denken we voldoende Overvechters te hebben gesproken om in beeld te hebben wat Overvechters belangrijk vinden en wat ze van bepaalde ideeën vinden. In de door uw raad d.d. 16 mei 2023 vastgestelde Uitgangspuntennotitie omgevingsvisie Overvecht is op pagina 12 en 13 het beoogde participatieproces weergegeven. Dit proces is gevolgd en waar nodig en gevraagd, aangevuld.

5

Vraag 3 In fase 1 en 2 van de participatie zijn meningen opgehaald. Het is onduidelijk in welke mate deze zijn verwerkt op een aantal zeer cruciale onderdelen in de 50-70% versie. Deze versie is in fase 3 getoetst (ofwel gepeild) bij de Overvechters. Dat is geen burgerparticipatie maar meningen peilingen. In die fase 3 zijn oplossingen bedacht die, zo lijkt het, niet van de bewoners komen, maar ook voorafgaand al bekend moeten zijn geweest bij de gemeente, zoals de bloemkoolwijk met beperkt doorgaand autoverkeer en het grootschalig slopen van woningen om te kunnen verdichten. Daarmee lijkt het erop alsof er sprake is van een sturende communicatie. a. Herkent het college dat de participatie bij de Omgevingsvisie Overvecht een sturend karakter heeft? b. Zo neen, hoe kan het dan dat er in fase 3 van de participatie oplossingen zijn voorgelegd die niet door bewoners zijn voorgesteld? c. Waarom zijn de bloemkoolwijk met de afsluitingen van de buurten en de sloop van woningen niet bij de start heel expliciet als mogelijke oplossingen van de gemeente gepresenteerd? d.

Ziet het college dat de omgevingsvisie voor Overvecht door veel Overvechters wordt gezien als een verslechtering van hun woongenot, inperking van hun bewegingsvrijheid en toekomstig hen veel hinder en stress zal veroorzaken in hun dagelijks leven (zoals door de langere reistijden in hun buurt naar dagelijkse bestemmingen)? e. Zo ja, waarom houdt men dan aan deze conceptvisie vast? f. Zo nee, welke belangen maken dat het college hieraan vasthoudt? Antwoord 3 A – Wij herkennen het geschetste beeld niet dat de participatie bij de ontwerp Omgevingsvisie Overvecht een sturend karakter heeft. Het bij de door uw raad vastgestelde Uitgangspuntennotitie omgevingsvisie Overvecht weergegeven participatieproces is gevolgd, waarbij stap voor stap, rekening houdende met wat Overvechters belangrijk vinden, is toegewerkt naar een ontwerp Omgevingsvisie. Zie ook het Participatieverslag. In fase 1 zijn gesprekken gevoerd met Overvechters over wat zij belangrijk vinden voor de toekomst van hun wijk, zoals bijvoorbeeld verkeersveiligheid. In fase 2 zijn, mede op basis van wat Overvechters belangrijk vinden, oplossingsrichtingen bedacht en besproken met Overvechters. In fase 3 is mede op basis van wat Overvechters belangrijk vinden een 50-70% versie van de Omgevingsvisie gemaakt en voorgelegd aan Overvechters.

Het resultaat van fase 3 is verwerkt in de ontwerp Omgevingsvisie die ter inzage heeft gelegen en waarop eenieder een zienswijze kon indienen (fase 4). B – Wanneer mogelijk, is tijdens het proces de ontwerp Omgevingsvisie aangepast op wat mensen in Overvecht belangrijk vinden. In het participatieverslag is te lezen hoe we daarmee zijn omgegaan. Soms zijn echter andere keuzes gemaakt, bijvoorbeeld vanwege stadsbrede belangen. Of omdat vanuit het gemeentelijke en externe expertteam keuzes zijn gemaakt rekening houdende met de toekomstbestendigheid van de wijk. Over de brede belangenafweging, waar de opbrengst vanuit participatie een deel van is, zijn wij altijd transparant geweest. C – Bij de start van de totstandkoming van de Omgevingsvisie waren oplossingsrichtingen (zoals het opknippen van bepaalde routes en het concentreren van woningen langs een centrale as) nog niet in beeld. Tijdens de bijeenkomsten van fase 1 is, op basis van de door uw raad vastgestelde Uitgangspunten, opgehaald welke kansen en dilemma’s Overvechters zien voor Overvecht in 2040 en wat zij belangrijk vinden voor de wijk. Mede op basis hiervan, maar ook op basis van vakinhoudelijk ontwerp en onderzoek, zijn verschillende oplossingsrichtingen uitgewerkt. In fase 2 hebben we opgehaald wat zij van de verschillende oplossingsrichtingen vonden en welke ideeën ze aanvullend op de oplossingsrichtingen hadden.

Tijdens fase 2 zijn mogelijke oplossingsrichtingen zoals het

6

opknippen van bepaalde routes en het concentreren van woningbouw langs een centrale as besproken. D – Ja, wij zien dat er Overvechters zijn die de ontwerp Omgevingsvisie als een verslechterering van hun woongenot zien. Men laat zich hierbij met name leiden door soms langere reistijden met de auto voor verplaatsingen binnen Overvecht. Bij weinig drukte (buiten de spits) gaat het daarbij om enkele minuten extra reistijd. Dit is echter maar één aspect. Met de ontwerp Omgevingsvisie zorgen we ook voor meer woningen (met daarbij nadrukkelijk de mogelijkheid tot kunnen doorstromen binnen Overvecht), meer ontmoetingsplekken, meer levendigheid, en een verbetering van het groen en de openbare ruimte. Verbeteringen die ons inzien juist nodig zijn om de wijk (en het woongenot) op langere termijn structureel te verbeteren. Dat vraagt soms ook om lastige keuzes. E - Op dit moment zijn we alle circa 630 zienswijzen aan het beantwoorden. De zienswijzen gaan we inhoudelijk goed bekijken. Zoals gebruikelijk nemen we de zienswijzen mee in eventuele aanpassingen. Het is daarom nog te vroeg om aan te geven of we voorstellen om volledig vast te houden aan deze conceptvisie. F - Zie het antwoord op vraag 3e Vraag 4. Participatie Er is heel veel geld aan besteed. Er zijn heel veel Overvechters benaderd. Maar dat wil niet zeggen dat de participatie goed is gegaan.

Sterker nog, veel Overvechters zijn hier zeer kritisch over, omdat zij vinden dat de deelname te weinig divers was en grote groepen geheel niet zijn gehoord noch bereikt. De diversiteit en onder de deelnemers is te klein (op achtergrond/herkomst, leeftijd en/of opleidingsniveau). Daarnaast is ook de representativiteit te laag. Een te klein deel (het percentrage betrokken Overvechters komt op fase 3 na niet boven de 1,63% van de 35.000 Overvechters uit) van de relevante groep Overvechters heeft actief meegedaan in de participatie. a. Deelt het college deze mening over het gebrek van diversiteit en aan representativiteit van Overvechters? b. Zo nee, waarom niet? c. Waarom is er niet actief gehandeld toen bewoners de gemeente erop wezen dat de diversiteit onder de deelnemers te beperkt was? d. Kan het zijn dat de weinig inspirerende en niet wervende tekst van de wijkberichten (zeer lang vaak met daarin verstopt de belangrijke wijzigingen relevant voor de Overvechter) ervoor heeft gezorgd dat heel veel Overvechters het belang van deelname niet heeft gezien? e. Zou het college bij nader inzien de wijkberichten en uitnodigingen laagdrempeliger, uitnodigender, inspirerender en doeltreffender hebben willen formuleren? f. Op welke punten is de aanpak voor Overvecht afwijkend geweest van andere participatieprocessen? g.

Is de wethouder van mening dat het uitgegeven bedrag recht doet aan het behaalde resultaat en percentage deelnemende Overvechters? h. Zo ja, waarom? i. Zo nee, wat gaat het college de volgende keer anders doen? j. Is het college op de hoogte dat veel bewoners zich misleid voelden door de communicatie over de omgevingsvisie door op de brieven (met plattegrond) in hun brievenbus alleen maar de veranderingen van hun eigen buurt kregen te zien, maar niet de veranderingen wijkbreed? Is dit bewust gedaan? Zo ja, met welke reden is dit gedaan?

7

k.

Uit een zienswijze die ook al met de raad gedeeld is blijkt dat wanneer Overvechters zelf langs de deuren gaan ze veel meer respons krijgen dan in het officiële proces. Op welke wijze zijn Overvechters betrokken bij het vormgeven van het participatieproces?

Antwoord 4 A - Nee, we delen niet dat er een gebrek aan diversiteit en representativiteit was. De inloopbijeenkomsten geven niet een representatief beeld van wie we allemaal hebben gesproken over de ontwerp Omgevingsvisie. Met een veelzijdige participatieaanpak hebben we geprobeerd zoveel mogelijk verschillende mensen te benaderen en te spreken. Naast de bijeenkomsten die zijn georganiseerd tijdens de ter inzageperiode, zijn er tijdens het participatieproces 15 bijeenkomsten georganiseerd. Daarnaast zijn er 250 gesprekken in de wijk gevoerd op verschillende momenten en plekken. Naast de fysieke bijeenkomsten zijn er veel reacties opgehaald met online enquêtes. In totaal zijn er 2.433 enquêtes ingevuld. B - We weten dat een typische ‘participatiebijeenkomst’ past bij een bepaalde groep bewoners, en lang niet voor iedereen een aantrekkelijke manier is om mee te denken. Bij de bijeenkomsten was de diversiteit aan culturele achtergronden – zoals verwacht - niet groot. Daarom hebben we gekozen voor een brede mix van manieren dat bewoners mee konden denken. Bijvoorbeeld plaats- en tijdonafhankelijk via online enquêtes en in via een meer ‘outreachende’ aanpak op straat en met gesprekken in de wijk.

De diversiteit bij de gesprekken in de wijk in het kader van spoor ‘bij u’ was groter dan de diversiteit bij de grote bijeenkomsten die we in het kader van het spoor ‘bij ons’ organiseerden. Van de online enquête invullers hebben we geen gegevens over culturele achtergrond. Ten behoeve van het vergroten van de diversiteit hebben we o.a. geflyerd bij de Omaral-Farouk moskee en het winkelcentrum. Daarnaast waren de wijkberichten vertaald in het Arabisch en Engels. Tijdens het flyeren kregen wij vaak de reactie dat het wijkbericht goed ontvangen was. Terugkijkend was nog meer inzet op de al gevoerde 250 gesprekken in de wijk en aansluiten bij bijeenkomsten en evenementen waar Overvechters van diverse achtergronden aanwezig zijn, een overweging waard. Toch denken we met de opbrengst die er nu ligt dat we een goed beeld hebben van wat Overvechters belangrijk vinden en welke voorstellen uit de ontwerp Omgevingsvisie ze goed of juist niet goed vinden. C - Zie het antwoord bij 4a. Wij zijn er door bezoekers van de bijeenkomsten op gewezen dat de diversiteit van de bijeenkomsten laag was. Dit klopte, en was ook naar verwachting. Juist door daarnaast ook gesprekken in de wijk te voeren en mogelijk ook door de online enquête, hebben we een bredere en meer diverse groep Overvechters betrokken.

Dit was conform het participatieplan dat gelijktijdig met de Uitgangspuntennotitie Omgevingsvisie Overvecht met de raad is gedeeld en met het wijkplatform en bewonersplatform is besproken. D - Dat is niet uit te sluiten. Bij de communicatie over de ontwerp Omgevingsvisie is steeds een afweging gemaakt tussen zo goed mogelijk informeren, zonder mensen te overladen met (teveel) informatie waardoor mensen afhaken, binnen de beschikbare middelen. We beseffen dat sommige Overvechters deze informatie nog niet uitgebreid, inspirerend of wervend genoeg vonden, terwijl andere Overvechters dit juist al (te) veel vonden. Het is hierbij altijd zoeken naar een balans. We hebben in de communicatie altijd verwezen naar de plekken waar alle informatie te vinden was (online en fysiek). E - In fase 3 kregen wij van enkele Overvechters te horen dat het wijkbericht volgens hen te weinig informatie bevatte. Daarom hebben wij in fase 4 een uitgebreid wijkbericht verstuurd waarin we geprobeerd hebben Overvechters zo goed en duidelijk mogelijk te informeren, zonder hen tegelijkertijd teveel te overladen met informatie.

8

F - De samenwerkingsprincipes en de participatieparagraaf zoals we die met de partners van het Wijkakkoord hebben afgesproken, zijn uitgangspunt voor de samenwerking, de participatie en communicatie geweest. Per project en per gebied worden participatieprocessen op maat ontworpen. Het participatieproces voor de ontwerp Omgevingsvisie Overvecht is daardoor per definitie afwijkend van andere participatieprocessen. G - Ja, dat zijn wij van mening. H – Zie het antwoord bij 4B. Onze verwachting is niet dat als we nog meer mensen hadden gesproken, de grote lijnen van de opbrengst anders zou zijn geweest. I - Een volgende keer gaat er gebruikt gemaakt worden van de bij de Omgevingsvisie Overvecht opgedane ervaringen. Hiervoor hebben wij ook bij Overvechters naar hun ervaringen bij het participatieproces en tips voor toekomstige participatieprocessen gevraagd. Ook voor het participatieproces van de ontwerp Omgevingsvisie Overvecht hebben wij gebruik gemaakt van bij de Omgevingsvisie Kanaleneiland en Transwijk opgedane ervaringen (zoals het organiseren van visiedenkers door middel van loting (uitnodiging visiedenkers naar 800 Overvechters), het gebruiken van flitspeilingen en het toepassen van het breed-smal-breed principe waarbij breed wordt opgehaald, dan smal in een kleinere vertegenwoordiging meer de diepte wordt opgezocht om deze vervolgens weer breed te toetsen.

J - Bij de communicatie over de ontwerp Omgevingsvisie is steeds een afweging gemaakt tussen zo goed mogelijk informeren, zonder mensen te overladen met (teveel) informatie waardoor mensen afhaken. Daarbij is er juist voor gekozen om in het wijkbericht ten behoeve van de bijeenkomsten in de inspraakperiode de veranderingen per buurt te laten zien, mede met als doel het belang van de ontwerp Omgevingsvisie Overvecht duidelijker te laten zijn. Ieder wijkbericht was voorzien van een QR code en een link naar de digitale volledige versie van de ontwerp Omgevingsvisie, een film over de ontwerp Omgevingsvisie Overvecht en een overzicht van meest gestelde vragen. K - Het wijkplatform is al vroeg meegenomen in de ontwikkeling van het participatieproces. Waar mogelijk zijn hun adviezen overgenomen. Ook hebben voorafgaand aan het participatieproces twee bijeenkomsten plaatsgevonden met Overvechters die een netwerk hebben in de wijk, zoals sleutelfiguren, wijkambassadeurs, stichting Al-Amal, stichting JoU, stichting DOCK en woonconsulenten van woningcorporaties. Zij hebben geadviseerd over het participatieproces, waaruit voornamelijk de veelzijdige aanpak van het spoor ‘bij u’ (gesprekken in de wijk) is uitgewerkt.

Bij het wijkbericht over de ontwerp Omgevingsvisie in de inspraakperiode zijn de adviezen van het wijkplatform grotendeels meegenomen, zoals bijvoorbeeld de uitleg van de kleuren in de kaarten. Dit mede naar aanleiding van opmerkingen over eerdere wijkberichten. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht,

de secretaris,

de burgemeester,

9

Schriftelijke vragen: Omgevingsvisie Overvecht; Mag Overvecht nog wel Overvecht blijven? 5 juni 2024 Gemeente Utrecht organiseert een traject om te komen tot een Omgevingsvisie voor de wijk Overvecht (2023/24). De kosten daarvan bedragen maar liefst € 1,2 miljoen. Dat geld wordt uitgegeven voor (i) het betrekken van een lange lijst “stakeholders” waarvan de Overvechters zelf er slechts één van zijn, (ii) het ophalen van meningen en (iii) het uitschrijven van de conclusies in een Omgevingsvisie, die uiteindelijk op advies van het college al dan niet aangepast wordt vastgesteld in de gemeenteraad. Op dit moment wordt de inspraak voor de Omgevingsvisie Overvecht (inclusief Participatieverslag) verwerkt. Vele Overvechters hebben laten weten (helemaal) niet tevreden te zijn met de voorliggende tekst en ook niet met de manier waarop de participatie was georganiseerd. Vandaar alvast de volgende vragen.

Vragen: 1. BLOEMKOOLWIJK In de voorliggende Omgevingsvisie wordt Overvecht een ‘bloemkoolwijk’ waar je met de auto langs één route een buurt in en uit kunt rijden, waardoor het doorgaande autoverkeer in de gehele wijk fors wordt beperkt. Deze oplossing is aangedragen door de gemeente. a. Is het inderdaad zo dat deze oplossing van de ‘bloemkoolwijk’ niet het resultaat is van het participatieproces (in fase 1 en 2) en er in principe geen autoverbindingen meer zijn tussen de buurten? b. Zo nee, op welke manier is dit in het proces naar voren gekomen en hoe is het draagvlak aangetoond? c. Zo ja, Klopt het dat deze oplossing inderdaad is afgewezen door een grote meerderheid van de bewoners (in fase 3)? d. Waarom wordt dan toch aan deze oplossing vastgehouden en is er niet geprobeerd om tot een tussenoplossing te komen met wel beter draagvlak in de wijk, waarin je wel van buurt naar buurt kunt met de auto maar waarbij het wegprofiel zodanig wordt aangepast dat het geen doorgaand verkeer aantrekt, de snelheid geremd wordt en de aanblik wordt verbeterd? e.

Is de oplossing van de ‘bloemkoolwijk’ wel verkeerstechnisch haalbaar gelet op het feit dat je hier altijd een goed functionerende rondweg voor nodig hebt (zoals in Houten) en dat bij Overvecht absoluut niet het geval is met een ‘vastlopende’ Noordelijke Randweg Utrecht (NRU) het tot stadsboulevard (2x1 rijstrook) ombouwen van de Einsteindreef en de Franciscusdreef (Zuiddeel)? f. Zo ja, kan dat overtuigend worden toegelicht met cijfers en kaarten? 10

g. In hoeverre verhoudt de onderbouwing voor de keuze van een bloemkoolwijk bestaande uit het veiliger en groener maken van de buurten met de PlanMER waarin staat dat ook zonder deze verregaande ingreep de buurten minstens in dezelfde mate groener en veiliger gemaakt kunnen worden? 2. SLOOP In de voorliggende Omgevingsvisie staan diverse gebieden rood en oranje ingekleurd, waar bewoners rekening moeten houden met sloop van de eigen woning (rood) of een eventuele kans daarop (oranje). Het gaat dan om ca. 40 tot 50% van alle woningen in Overvecht. Kortom, een groot deel van de wijk wordt mogelijk gesloopt, ondanks afspraken in de coalitie dat sloop alleen in uiterste nood aan de orde mag zijn. a. Wat zijn de redenen voor het college om zo prominent op zo een grote schaal dit slooprisico in beeld te brengen? b. Is het college zich bewust van het feit dat dit veel bewoners onaangenaam heeft verrast? c. Is het college met ons van mening dat bij nader inzien het zeer onverstandig en ongewenst is om bewoners uit te nodigen op een inloopavond die daar dan ter plekke moeten ontdekken, na veel zoeken op een kaartje, dat hun woning mogelijk wordt gesloopt? d. Kan het college uitleggen hoe dit zo heeft kunnen gebeuren? 3. STURENDE COMMUNICATIE In fase 1 en 2 van de participatie zijn meningen opgehaald.

Het is onduidelijk in welke mate deze zijn verwerkt op een aantal zeer cruciale onderdelen in de 50-70% versie. Deze versie is in fase 3 getoetst (ofwel gepeild) bij de Overvechters. Dat is geen burgerparticipatie maar meningen peilingen. In die fase 3 zijn oplossingen bedacht die, zo lijkt het, niet van de bewoners komen, maar ook voorafgaand al bekend moeten zijn geweest bij de gemeente, zoals de bloemkoolwijk met beperkt doorgaand autoverkeer en het grootschalig slopen van woningen om te kunnen verdichten. Daarmee lijkt het erop alsof er sprake is van een sturende communicatie. a. Herkent het college dat de participatie bij de Omgevingsvisie Overvecht een sturend karakter heeft? b. Zo neen, hoe kan het dan dat er in fase 3 van de participatie oplossingen zijn voorgelegd die niet door bewoners zijn voorgesteld? c. Waarom zijn de bloemkoolwijk met de afsluitingen van de buurten en de sloop van woningen niet bij de start heel expliciet als mogelijke oplossingen van de gemeente gepresenteerd? d. Ziet het college dat de omgevingsvisie voor Overvecht door veel Overvechters wordt gezien als een verslechtering van hun woongenot, inperking van hun bewegingsvrijheid en toekomstig hen veel hinder en stress zal veroorzaken in hun dagelijks leven (zoals door de langere reistijden in hun buurt naar dagelijkse bestemmingen)? e. Zo ja, waarom houdt men dan aan deze conceptvisie vast? f.

Zo nee, welke belangen maken dat het college hieraan vasthoudt?

11

4. PARTICIPATIE Er is heel veel geld aan besteed. Er zijn heel veel Overvechters benaderd. Maar dat wil niet zeggen dat de participatie goed is gegaan. Sterker nog, veel Overvechters zijn hier zeer kritisch over, omdat zij vinden dat de deelname te weinig divers was en grote groepen geheel niet zijn gehoord noch bereikt. De diversiteit en onder de deelnemers is te klein (op achtergrond/herkomst, leeftijd en/of opleidingsniveau). Daarnaast is ook de representativiteit te laag. Een te klein deel (het percentrage betrokken Overvechters komt op fase 3 na niet boven de 1,63% van de 35.000 Overvechters uit) van de relevante groep Overvechters heeft actief meegedaan in de participatie. a. Deelt het college deze mening over het gebrek van diversiteit en aan representativiteit van Overvechters? b. Zo nee, waarom niet? c. Waarom is er niet actief gehandeld toen bewoners de gemeente erop wezen dat de diversiteit onder de deelnemers te beperkt was? d. Kan het zijn dat de weinig inspirerende en niet wervende tekst van de wijkberichten (zeer lang vaak met daarin verstopt de belangrijke wijzigingen relevant voor de Overvechter) ervoor heeft gezorgd dat heel veel Overvechters het belang van deelname niet heeft gezien? e. Zou het college bij nader inzien de wijkberichten en uitnodigingen laagdrempeliger, uitnodigender, inspirerender en doeltreffender hebben willen formuleren? f.

Op welke punten is de aanpak voor Overvecht afwijkend geweest van andere participatieprocessen? g. Is de wethouder van mening dat het uitgegeven bedrag recht doet aan het behaalde resultaat en percentage deelnemende Overvechters? h. Zo ja, waarom? i. Zo nee, wat gaat het college de volgende keer anders doen? j. Is het college op de hoogte dat veel bewoners zich misleid voelden door de communicatie over de omgevingsvisie door op de brieven (met plattegrond) in hun brievenbus alleen maar de veranderingen van hun eigen buurt kregen te zien, maar niet de veranderingen wijkbreed? Is dit bewust gedaan? k. Zo ja, met welke reden is dit gedaan? l. Uit een zienswijze die ook al met de raad gedeeld is blijkt dat wanneer Overvechters zelf langs de deuren gaan ze veel meer respons krijgen dan in het officiële proces. Op welke wijze zijn Overvechters betrokken bij het vormgeven van het participatieproces?

Gesteld door: • • • •

Gert Dijkstra, EenUtrecht Yvonne Hessel, Utrecht Solidair Mirac Urac, DENK David Bosch, UtrechtNu!

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=f757b058-fd90-48ac-9c8d-5eb05465c5c7