Beantwoording SV 2022 nr 160 over Controle Onderbouwing RSU2040.docx
Tekst van het document
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2022, NUMMER
Datum Van Behandeld door Doorkiesnummer E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
18 oktober 2022 College B&W K.M. Benneker 14030 kasper.benneker@utrecht.nl 10562683 Ruimtelijke Ordening
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2022 nummer 160 van Gert Dijkstra, EenUtrecht van 19 september 2022 over Controle onderbouwing RSU2040 . De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Op welke manier, door welke en met welke uitgangspunten wordt de leefbaarheid door middel van kwalitatieve en kwantitatieve normen vooraf meegewogen bij het toepassen van de RSU2040 op gebiedsontwikkeling? Graag in het antwoord de betreffende normen en definitie concreet benoemen en niet alleen verwijzen naar bijv. ‘Op weg naar een Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040’ (december 2019) en/of de Leefbarometer? Antwoord 1 Voor de beoordeling van wenselijkheid en haalbaarheid van een ruimtelijk project of gebiedsontwikkeling maken wij altijd een integrale afweging waarbij leefbaarheid uiteraard een grote rol speelt. Om het effect op de leefbaarheid te kunnen duiden maken wij gebruik van de kennis en situatie in de betreffende buurt en gaan wij in gesprek met bewoners en organisaties in die buurt. We toetsen ruimtelijke projecten altijd aan door de raad vastgesteld beleid waarbij de barcode een hulpmiddel is voor groeien in balans. We bekijken bij alle gebiedsontwikkelingen hoe gaat het met de wijk en de specifieke buurten in de wijk.
Uit onderzoek en enquêtes weten we hoe inwoners hun woonomgeving ervaren en of de wijk is voorzien van de relevante behoeften voor een veilige en gezonde leefomgeving. Ontwerp en inrichting van de gebouwde omgeving en de openbare ruimte – en de mate waarin inwoners daar zelf invloed op hebben – heeft grote invloed op de leefbaarheid en veiligheid in de buurt. Bij gebiedsontwikkelingen speelt dit in de afwegingen een belangrijke rol. Het gaat daarbij telkens om de vraag op welke manier ruimtelijke ontwikkeling (wonen, mobiliteit, groen, energie, economie) kunnen bijdragen aan de gewenste sociaal-maatschappelijke ontwikkeling van de wijk. Dat kan gaan om vierkante meters voor voorzieningen, maar ook om goede verbindingen en goede bereikbaarheid, specifieke ontwerpvraagstukken van de openbare ruimte, bijvoorbeeld om ontmoeting te stimuleren, of toevoeging van rustige en groene plekken.
Vraag 2 Wat is de concrete barcode met alle (kwalitatieve en kwantitatieve) normen en definities, zoals nu vastgesteld in de RSU2040 (juli 2021). Graag dit overzichtelijk per barcodestreep in één overzicht goed leesbaar bij elkaar plaatsen. Graag ook aangeven welke onderdelen van de barcode gelden op buurtniveau (ca. 1.500 woningen), wijkniveau (ca. 5.000 woningen) en stedelijk niveau. Inclusief een toelichting of bij de definities en normen nog een onderscheid wordt gemaakt naar de mate van stedelijkheid (in woningen/hectare). Antwoord 2 De barcode is een kwantitatief hulpmiddel dat stadsbreed is ontwikkeld voor het realiseren van 10.000 woningen. De barcode is per functie opgebouwd uit normen, gebaseerd op het bestaande beleid, aangevuld met trends en ontwikkelingen. De concrete barcode en bijbehorende ruimtevraag is te vinden op blz. 71 van de RSU. Vraag 3 Uitgaande van het feit dat elke buurt en wijk zijn eigen karakter heeft en mag behouden, hoe ziet de barcode op dit momenten per buurt eruit (of geldt voor elke buurt toch dezelfde barcode)? Graag aangeven in welke buurten (of wijken) de nu geldende barcode één of enkele barcodenormen niet gehaald worden.
Als dat onvoldoende zichtbaar kan worden gemaakt ontvangen wij in ieder geval wel een toets op de volgende barcodestrepen: Antwoord 3 Het uitgangspunt is één complete barcode (met daarin alle ambities) voor de hele stad met een relatie naar de regio. De barcode is een stedelijk hulpmiddel, door op deze manier naar de ruimte te kijken, werken wij aan een gebalanceerde en integrale groei van de stad. Uiteraard kijken wij hoe de stedelijke barcode zich verhoudt tot de gebieden, Dat kan per gebied/wijk verschillend uitpakken. Juist het palet aan verschillende gebieden met verschillende functies, identiteiten en dichtheden maakt de stad interessant en sterk. Het is niet de bedoeling om de barcode als blauwdruk toe te passen, zeker niet op buurt- of projectniveau. De stad heeft allerlei functies waar mogelijk efficiënter/intensiever gebruik van kan worden gemaakt bijvoorbeeld door dubbel gebruik of hoge kwaliteit. Ook dat is onderdeel van de integrale afweging die wij maken bij gebiedsontwikkeling. Hierbij kijken wij bijvoorbeeld naar welke functies binnen 10 fietsen/lopen minuten wenselijk zijn (bijvoorbeeld een basisschool) en welke functies op grotere afstanden mogen zitten (bijvoorbeeld een zwembad). Zie hiervoor pagina 77 uit de RSU2040. We zijn momenteel bezig met de doorontwikkeling van de barcode als hulpmiddel.
Dit is onderdeel van de stapsgewijze doorontwikkeling van het MPR als analyse-instrument of we op koers liggen ten opzichte van de RSU 2040. Met behulp van o.a. de nulmeting willen we in het MPR 2023 scherper in beeld brengen wat de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven voor de verschillende deelgebieden in de stad zijn om zo een duidelijkere analyse te kunnen maken in hoeverre we op koers liggen. Zie voor het proces van de doorontwikkeling van de barcode als hulpmiddel de raadsbrief stedelijke sturing op groei in balans van 14 oktober 2022 Vraag 3a Kwantitatief buurt/wijkgroen: Bijv. hoeveel m2 groen is er per woning aanwezig en in hoeverre wijkt dit af van de norm (nl. 17 m2 tuin/straatgroen, 17 m2 buurtgroen en 14 m2 groen/blauwe routes)? Antwoord 3a De oppervlakken voor tuin/straatgroen, buurtgroen en verbindingen zijn in de RSU opgenomen om van de verdeling van de vergroening over de stad te illustreren en zijn niet door de raad als harde normen vastgesteld. Het gemeentelijk groen is niet gelijk voor alle wijken in Utrecht. De hoeveelheden groen per huishouden wordt voor alle wijken gerapporteerd (p. 21) in het Duurzaamheidsverslag | Gemeente Utrecht. Zie afbeelding hieronder.
Vraag 3b Kwalitatief buurtgroen: Bijv. hoeveel bomen per woning en in hoeverre wijkt dit af van de norm (Coalitieakkoord: minimaal 1 boom per woning)? Antwoord 3b In het Coalitieakkoord staat de afspraak om 1 nieuwe boom te planten per nieuwe woning. In het Duurzaamheidsverslag 2021 (p. 19) zijn 161.000 gemeentelijke bomen geregistreerd. Daarnaast beheren bewoners, bedrijven en instellingen eigen bomen op hun percelen. Die particuliere bomen vormen samen een particulier bomenbestand. Een schatting op basis van de zichtbare kroonbedekking van bomen op luchtfoto’s is dat dit particuliere bomenbestand in dezelfde ordegrootte ligt als het gemeentelijk bomenbestand. In 2022 staan in Utrecht 62.450 woningen, Utrecht in Cijfers. Het antwoord op de vraag is dus ongeveer 1 gemeentelijke boom per woning en waarschijnlijk 2 bomen voor het totaal van het gemeentelijk en particuliere bomenbestand. Vraag 3c Speelplaats buurt: Hoeveel m2 speelplaats is er aanwezig en in hoeverre wijkt dit af van de norm (nl. 3% van bebouwd oppervlak)? Antwoord 3c Het percentage van m2 ingerichte speelruimte is in beeld, maar is een niet veelzeggend cijfer. Er is namelijk ook sprake van vrije speelruimte, soms wordt een schoolplein gebruikt als speelplek, wat dan weer niet is gekenmerkt als speelruimte.
In maart heeft de raad nieuw speelbeleid vastgesteld: de Visie Speelruimte Utrecht – Spelen in je eigen buurt. In navolging van dit beleid worden momenteel wijkspeelruimtescans gemaakt voor alle wijken. Hiermee brengen wij het totaal aan speelruimte in beeld, en beoordelen we waar eventueel te weinig speelruimte is. In dit document is de speelruimtenorm breder dan alleen de genoemde 3%, omdat we de afstanden meenemen die kinderen moeten afleggen, rekening houdend met fysieke barrières tussen buurten.
Vraag 4 Hoe ziet de barcode eruit voor de gebieden Papendorp/Groenewoud en de Merwedekanaalzone (gebieden 4, 5 en 6)? Antwoord 4 De stedelijke barcode is een uitgangspunt bij gebiedsontwikkeling. De uitwerking hiervan kan verschillen per gebied doordat er verschillende gebiedsspecifieke raadskaders zijn vastgesteld. In Merwede gelden bijvoorbeeld lage parkeernormen in combinatie met een mobiliteitshub op afstand. In Papendorp/Groenewoud neemt de parkeervoorziening met bijbehorende infrastructuur meer ruimte in, dit heeft een ruimtelijke druk. Het is daarom niet mogelijk om deze twee complexe ontwikkelingen met elkaar te vergelijken door enkel naar de barcode te kijken. Bij de ontwikkeling van deze gebieden is nadrukkelijk gekeken om naast woningen ook groen, voorzieningen en andere functies te realiseren, om zo tot een goede balans te komen. In het MPR maken we de analyse voor de stad in hoeverre we op koers liggen gelet op de ambities uit de RSU. Vraag 4a In hoeverre worden de onderliggende normen van de barcode wel/niet gehaald? Graag concreet aangeven voor welke niet en waarom niet. Antwoord 4a Zie antwoord vraag 4. Vraag 4b In Groenewoud bleek dat het toepassen van de barcode (op een leeg veld) betekent dat je maximaal 70 tot 80 woningen per hectare kan bouwen, omdat bij een grotere dichtheid bijv. de normen voor speelplaatsen en buurt/wijkgroen op buurtniveau (ca.
1.500 toto 1.650 woningen Groenewoud) niet meer gehaald zouden kunnen worden. Wat betekent dit voor de binnenstedelijke verdichting op gebieden waar die dichtheden uitkomen boven de ca. 80 tot 100 woningen per hectare? Of accepteert de gemeente dat in dergelijke gebieden dan de barcode niet wordt gehaald en/of niet van toepassing kan zijn? Antwoord 4b De ontwikkeling van Groenewoud past goed bij de ambities uit de Ruimtelijke Strategie 2040 (RSU 2040), waarin Papendorp (inclusief Groenewoud) wordt aangegeven als nieuw te ontwikkelen stedelijk knooppunt in het Wiel met Spaken. Om de ontwikkeling van een monofunctionele werklocatie naar een multifunctioneel stedelijk knooppunt mogelijk te maken zijn twee plannen ontwikkeld: één voor Papendorp Noord (inmiddels vastgesteld in de raad) en het nu voor liggende SP Groenewoud. Beide gebieden worden in samenhang ontwikkeld. Een school en een gezondheidscentrum in Groenewoud doen dienst voor het gehele gebied, terwijl Groenewoud profiteert van voorzieningen in Papendorp Noord zoals een supermarkt en de Mobiliteitshub. Met beide plannen samen ontstaat een complete moderne wijk met wonen, werken en voorzieningen waar het ook in de avonduren en weekends levendig is. Vooral in Groenewoud vinden we naast de reuring die het stedelijk knooppunt met zich meebrengt ook de rustige plekjes die een gezond stedelijk leven nodig heeft.
Vraag 5a Kan de stad met 60.000 woningen binnenstedelijk groeien en nog steeds de groenambitie halen? Is dit berekent? Zo ja, kunnen we die berekening krijgen? Zo nee, waarom is dit niet berekent? Antwoord 5a Het halen van de ambitie om Utrecht te vergroenen is beschreven in de Raadsbrief strategie voor groen en vergt een verhoging (p 3/7) van het tempo van 4 tot 6 hectare per jaar (gemiddeld en afgerond) 20 hectare per jaar. Deze tempoversnelling is afgeleid van het einddoel om in 2040, bij een
woningbouw van 60.000 woningen, extra 440 hectare groen te ontwikkelen. In de Raadsbrief Strategie voor groen is de benodigde tempoversnelling ook grafisch uitgewerkt. Tevens zijn in de raadsbrief de sturingsmechanismen benoemd om tot de tempoversnelling te komen en is ook aangegeven dat de haalbaarheid ook afhankelijk is van de inspanning van bewoners, bedrijven en instellingen en van de financiële bijdragen van andere kostendragers. De veronderstelling is dat de vergroening steeds sneller zal gaan als een integrale programmering, onze lobby bij andere overheden en de bijdragen van bewoners, bedrijven en instellingen steeds meer momentum gaan krijgen. In de brief is aangegeven dat de haalbaarheid van de vergroeningsopgave voor de gemeente en voor anderen onderzocht wordt (p. 6/7). Vraag 5b Is de groenambitie op dit moment haalbaar voor het aantal woningen waarvan op dit moment al harde afspraken gemaakt zijn? Antwoord 5b In het coalitieakkoord 2022-2026 zijn middelen vrijgemaakt om te starten met de tempoversnelling van de vergroening. Hiermee zijn concrete vergroeningsprojecten mogelijk gemaakt én wordt de groene opgave vertaald naar gebieden en projecten. Dit zal verankerd worden met de instrumenten van de Omgevingswet. Tevens wordt de meerwaarde van het integraal programmeren en worden de financieringsmogelijkheden door de gemeente en door anderen verder onderzocht.
Vraag 5c Is het college bereid de groei te temporiseren en deze afhankelijk te maken van de mate waarin de randwoorden kwantitatief en kwalitatief op orde zijn, zoals gesuggereerd wordt in het MPR2022? Antwoord 5c De cijfers van het CBS laten zien dat er grote vraag is naar woningen in de stad. De stad groeit om in de enorme behoefte te voorzien. Door in te zetten op binnenstedelijke verdichting grijpen we de groei van de stad aan als kans om de kwaliteit te verbeteren en toe te voegen, ook in de bestaande stad. We kunnen de groei die nu voorzien is gebruiken om de leefbaarheid en kwaliteit van de stad te verbeteren. Het stoppen van de groei heeft ook invloed op segregatie. Door verdunning in huishoudensgroottes wonen er relatief minder mensen per woning. Verdichting kan ook gebruikt worden om het bestaande voorzieningenniveau op peil te houden. Belangrijke voorzieningen moeten meegroeien met de stad: denk hierbij aan winkels, cultuur, buurthuizen, zorg, sportaccommodaties en onderwijs. In het Coalitieakkoord staat dat groei geen doel op zich is. Zoals in het MPR 2022 is aangegeven, er moet bijgestuurd worden op de ambities uit de RSU. Temporisering van groei behoort tot een van de mogelijkheden, maar extra investeren in groen, mobiliteit en voorzieningen zijn mogelijke opties.
Hier uitspraken over doen vereist belangrijke keuzes om te voorkomen dat we veel ambities op elkaar stapelen. Komend jaar doen wij daarom onderzoek naar het tempo van de groei. Vraag 6 Hoe is de Primosprognose tot stand gekomen ofwel op basis van welke deels door de gemeente Utrecht aangeleverde cijfers is de Primosprognose berekend met als resultaat een woningvraag van 60.000 woningen extra tot 2040? Antwoord 6 De gemeente Utrecht maakt elk jaar een eigen prognose van de bevolkingsgroei van de stad. Hierin wordt de meest waarschijnlijke ontwikkeling van de Utrechtse bevolking weergegeven. De bevolkingsprognose is gebaseerd op het woningbouwprogramma van de stad in combinatie met demografische trends rondom geboorte, sterfte en migratie. Voor toekomstige migratie wordt de voorspelling van het CBS gebruikt.
De nationale bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vormt de basis voor de prognose van woningbehoefte (Primos-prognose) op landelijk, regionaal en gemeenteniveau. Het CBS maakt in haar prognose gebruik van enerzijds veronderstellingen op nationaal niveau over geboorte, sterfte, immigratie, emigratie en over de overgangen tussen huishoudensposities. Anderzijds bestaat de input uit de gemeentelijke veronderstellingen over de componenten van de bevolkingsgroei en de huishoudensdynamiek. Meer informatie over de bevolkingsprognose is te vinden op www.utrecht.nl/bestuur-enorganisatie/publicaties/onderzoek-en-cijfers/onderzoek-over-utrecht/bevolkingsprognose. Meer informatie over de berekening van het CBS is te vinden op: Technische toelichting - PBL/CBS Regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2022–2050 | CBS Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht, de secretaris,
de burgemeester,
Schriftelijke vragen Controle onderbouwing RSU2040 19 september 2022
Er wordt in veel stukken gerefereerd naar de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 (RSU2040), veelal als kaders-stellende visie voor project- en gebiedsontwikkeling in onze stad. Het is daarom van belang dat er een helder en eenduidig beeld ontstaat over de keuzes die ten grondslag liggen aan de RSU2040 en in welke mate de onderbouwing voldoende deugdelijk is. Er heeft geen referendum plaatsgevonden en het is voor de Utrechter niet inzichtelijk wat de RSU2040 voor de stad gaat betekenen. Essentieel om het vertrouwen van de burger niet nog verder verliezen is de burger helderheid geven over de ruimtelijke ambities van Utrecht en de bijbehorende gevolgen. We verwachten duidelijke antwoorden op de vragen en geen verwijzingen naar een mogelijke oplegger op de RSU2040.
Vragen: In de RSU2040 worden geen harde normen voor leefbaarheid gehanteerd. Ruimtelijke projecten hebben echter grote invloed op de mate waarin bewoners hun leefomgeving als leefbaar ervaren. Uiteraard blijft leefbaarheid een perceptie, maar bij grootstedelijke ontwikkeling moeten er toch uitgangspunten en normen gehanteerd worden om een te ontwikkelen gebied leefbaar te maken (of te houden). 1. Op welke manier, door welke en met welke uitgangspunten wordt de leefbaarheid door middel van kwalitatieve en kwantitatieve normen vooraf meegewogen bij het toepassen van de RSU2040 op gebiedsontwikkeling? Graag in het antwoord de betreffende normen en definitie concreet benoemen en niet alleen verwijzen naar bijv. ‘Op weg naar een Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040’ (december 2019) en/of de Leefbarometer? De strepen van de barcode zijn gebaseerd op kwalitatieve en kwantitatieve normen. 2. Wat is de concrete barcode met alle (kwalitatieve en kwantitatieve) normen en definities, zoals nu vastgesteld in de RSU2040 (juli 2021). Graag dit overzichtelijk per barcodestreep in één overzicht goed leesbaar bij elkaar plaatsen. Graag ook aangeven welke onderdelen van de barcode gelden op buurtniveau (ca. 1.500 woningen), wijkniveau (ca. 5.000 woningen) en stedelijk niveau.
Inclusief een toelichting of bij de definities en normen nog een onderscheid wordt gemaakt naar de mate van stedelijkheid (in woningen/hectare). Het is van belang dat naast het verslag in het MPR2022 wij als raadsleden en burgers zelf ook een overzicht hebben van de te behalen normen per streep van de barcode. Op dit
moment lezen wij voornamelijk dat we achterlopen, maar hoeveel en wat de ontwikkelopgave per buurt zijn is niet of onvoldoende duidelijk. Deze informatie is essentieel voor onze controlerende functie en op deze manier kunnen bewoners zelf ook nadenken hoe en waar bijv. meer groen in de buurt kan of dient te komen. 3. Uitgaande van het feit dat elke buurt en wijk zijn eigen karakter heeft en mag behouden, hoe ziet de barcode op dit momenten per buurt eruit (of geldt voor elke buurt toch dezelfde barcode)? Graag aangeven in welke buurten (of wijken) de nu geldende barcode één of enkele barcodenormen niet gehaald worden. Als dat onvoldoende zichtbaar kan worden gemaakt ontvangen wij in ieder geval wel een toets op de volgende barcodestrepen: a. Kwantitatief buurt/wijkgroen: Bijv. hoeveel m2 groen is er per woning aanwezig en in hoeverre wijkt dit af van de norm (nl. 17 m2 tuin/straatgroen, 17 m2 buurtgroen en 14 m2 groen/blauwe routes)? b. Kwalitatief buurtgroen: Bijv. hoeveel bomen per woning en in hoeverre wijkt dit af van de norm (Coalitieakkoord: minimaal 1 boom per woning)? c. Speelplaats buurt: Hoeveel m2 speelplaats is er aanwezig en in hoeverre wijkt dit af van de norm (nl. 3% van bebouwd oppervlak)? In het ontwikkelgebied Papendorp/Groenewoud wordt in de planvorming gerekend met dichtheden van 70 tot 150 woningen per hectare.
Bij de Merwedekanaalzone gaat het om dichtheden van zo’n 250-300 woningen per hectare. 4. Hoe ziet de barcode eruit voor de gebieden Papendorp/Groenewoud en de Merwedekanaalzone (gebieden 4, 5 en 6)? a. In hoeverre worden de onderliggende normen van de barcode wel/niet gehaald? Graag concreet aangeven voor welke niet en waarom niet. b. In Goenewoud bleek dat het toepassen van de barcode (op een leeg veld) betekent dat je maximaal 70 tot 80 woningen per hectare kan bouwen, omdat bij een grotere dichtheid bijv. de normen voor speelplaatsen en buurt/wijkgroen op buurtniveau (ca. 1.500 toto 1.650 woningen Groenewoud) niet meer gehaald zouden kunnen worden. Wat betekent dit voor de binnenstedelijke verdichting op gebieden waar die dichtheden uitkomen boven de ca. 80 tot 100 woningen per hectare? Of accepteert de gemeente dat in dergelijke gebieden dan de barcode niet wordt gehaald en/of niet van toepassing kan zijn? Een visie als de RSU2040 is alleen waardevol als die in het geval van ruimtelijke opgaven toegepast kan worden. Wij gaan ervanuit dat er goed en uitgebreid onderzoek naar de gevolgen en de uitwerking van de barcode gedaan is in relatie tot de groeiambities. 5.
Als blijkt (antwoorden vragen 3 en 4) dat we als stad, zowel voor de bestaande buurten als ook voor de uitbreidingsplannen, niet overal en altijd kunnen voldoen aan de barcode, dan is het raadzaam om na te gaan welke stedelijke verdichting nog wel kan, waarbij wel strikt de barcode als hard uitgangspunt wordt meegenomen. Kortom, hoeveel woningen kunnen er worden bijgebouwd als wij aan de barcode normen willen voldoen? Meer in detail: a. Kan de stad met 60.000 woningen binnenstedelijk groeien en nog steeds de groenambitie halen? Is dit berekent? Zo ja, kunnen we die berekening krijgen? Zo nee, waarom is dit niet berekent? b. Is de groenambitie op dit moment haalbaar voor het aantal woningen waarvan op dit moment al harde afspraken gemaakt zijn?
c. Is het college bereid de groei te temporiseren en deze afhankelijk te maken van de mate waarin de randwoorden kwantitatief en kwalitatief op orde zijn, zoals gesuggereerd wordt in het MPR2022? Het groeiscenario is gebaseerd op een Primosprognose. Deze prognose komt o.a. tot stand uit cijfers die door de gemeente Utrecht aan het CBS worden aangeleverd. Tegelijkertijd creëert het extra bouwen van woningen ook een extra groei in de vraag naar Utrechtse woningen, mag groei geen doel op zich zijn én is groei dus een politieke keuze. 6. Hoe is de Primosprognose tot stand gekomen ofwel op basis van welke deels door de gemeente Utrecht aangeleverde cijfers is de Primosprognose berekend met als resultaat een woningvraag van 60.000 woningen extra tot 2040?
Ingediend door:
Gert Dijkstra, EenUtrecht