Beantwoording SV 2021 nr 95 over Ongelijk investeren van de gelden uit het Nationaal Programma Onderwijs om maximaal bij te dragen aan kansengelijkheid.pdf
Tekst van het document
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2021, NUMMER 95
Datum Van Behandeld door Doorkiesnummer E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
23 april 2021 College B&W M.R. Moonen 030 - 28 64974 m.moonen@utrecht.nl 8770203 Onderwijs
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2021 nummer 95 van raadsleden Van Assen (PvdA), Wiegant (SP), Sturkenboom (Student & Starter) en Kleinrensink (GroenLinks) van 31 maart 2021 over Ongelijk investeren van de gelden uit het Nationaal Programma Onderwijs om maximaal bij te dragen aan kansengelijkheid. De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Hoeveel geld is er beschikbaar voor Utrechtse scholen en wat is de verdeelsleutel van het geld dat voor het Utrechtse onderwijs beschikbaar is? En, hoeveel van het geld dat voor Utrecht is bestemd komt bij de gemeente terecht? Antwoord 1 Op dit moment is vanuit het ministerie OCW nog niet specifiek aangegeven hoeveel geld beschikbaar is voor het Utrechtse onderwijs. In de persconferentie van 17 februari jl. noemde de minister van BVOM dat er circa € 180.000 per basisschool en circa € 1,3 miljoen per middelbare school beschikbaar komt. In de brief van de minister van 23 maart jl. aan de scholen en schoolbesturen is aangegeven dat voor het schooljaar 2021-2022 nu ‘de inschatting is dat voor de ondersteuning aan scholen voor inzet van de gekozen interventies een bedrag van 700 euro per leerling beschikbaar is. Dit geldt voor leerlingen in het primair en het voortgezet onderwijs. Dit bedrag per leerling is een indicatie, om voorlopig vanuit te gaan.
Hierin is de hogere bijdrage voor scholen met veel leerlingen met een hoger risico op vertragingen nog niet meegenomen en is geen onderscheid gemaakt tussen verschillende schooltypen.’ Uiterlijk in juni komt er meer duidelijkheid over het exacte bedrag per leerling. Daarnaast worden regelingen voor inhaal- en ondersteuningsprogramma’s en extra hulp in de klas herhaald en ontvangen scholen voor minimaal 20% van hun eindexamenleerlingen een extra bedrag van 885 euro. Over het budget voor de gemeente heeft het ministerie van OCW op dit moment nog geen duidelijkheid gegeven. Zodra wij hierover bericht krijgen zullen wij u hierover in de Coronabrief informeren.
Vraag 2 Op de site van de Rijksoverheid is te lezen dat scholen met veel leerlingen met minder kansen verhoudingsgewijs meer geld krijgen. Hoe wordt dit berekend en verdeeld, en hangt dit af van de plannen die worden ingediend? De fracties lezen dat scholen en/of schoolbesturen plannen moeten indienen om het geld te ontvangen. Wat gebeurt er als zij geen plan indienen? Antwoord 2 Het ministerie van OCW heeft op dit moment nog geen duidelijkheid gegeven over het definitieve bedrag dat scholen per leerling ontvangen en op welke wijze hierin onderscheid wordt gemaakt tussen scholen en leerlingen (zie antwoord 1). Ook is niet duidelijk wat er gebeurt met scholen die geen plan opstellen. De verantwoording van de middelen vindt plaats tussen ministerie en schoolbesturen. Onze inzet is dat we in Utrecht graag extra investeren op scholen met leerlingen met minder kansen, zoals we dat ook doen vanuit het programma voor meer leraren, Utrecht Leert. Vraag 3 Heeft het college zicht op de wijze waarop scholen en schoolbesturen, zowel de grotere als kleinere, nu bezig zijn met de plannen om dit extra geld aan te vragen en waarop in die plannen wordt gefocust? Zo ja, kunnen we daar als raad over geïnformeerd worden? Antwoord 3 OCW heeft in de brief aan de scholen een stappenplan aangegeven. Dit stappenplan beschrijft hoe een schoolscan vorm te geven en wat daarin belangrijk is.
Daarnaast heeft OCW aangegeven dat de scholen na de schoolscan uit een keuzemenu die interventies kunnen kiezen die ‘matchen’ bij de uitkomsten van de schoolscan. De interventies zijn allereerst gericht op het directe contact met de leerling, als op het verhogen van de interne kwaliteit. Denk hierbij aan zaken als schoolontwikkeling of extra ondersteuning van docenten, zoals scholing, zodat zij leerlingen meer individuele ondersteuning kunnen bieden. Vervolgens stellen scholen op basis van de schoolscan en bijhorende interventies een schoolprogramma op met de aanpak op hun school. Op dit moment zijn scholen bezig om de opgelopen vertraging per leerling in beeld te brengen. Naar verwachting is in juni meer zicht op de inhoud van de schoolplannen. We zullen u hierover te zijner tijd informeren via de tweewekelijkse Coronabrief. Zoals aangegeven in Coronabrief van 16 april 2021 heeft de UOA een werkgroep ingesteld waarbinnen schoolbesturen uit de kinderopvang, het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en de gemeente kennis delen over het proces hoe zij komen tot plannen in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs. Ook zorgt deze werkgroep voor verbinding met de plannen van de gemeente en de samenwerking met andere (maatschappelijke) partners in de stad.
Vraag 4 Hoe ziet het college in dit verband de relatie met de scholen? Ziet het college bijvoorbeeld mogelijkheden om scholen en schoolbesturen (klein en groot) te ondersteunen bij dit proces met als doel dat er zo veel mogelijk geld naar het primaire proces gaat (of een infrastructuur waarmee dit primaire proces wordt versterkt)? Antwoord 4 In de genoemde werkgroep (zie antwoord 3) wordt besproken welke ondersteuning vanuit de gemeente gewenst is. Op dit moment geven de grote schoolbesturen voor PO en VO aan dat scholen de werkzaamheden in het kader van het Nationaal Programma zelf oppakken en aansluiten bij de monitoring van leerlingen zoals zij dit altijd gedurende een schooljaar doen. Bij de kleinere schoolbesturen gaan we na of ondersteuning vanuit de gemeente gewenst is. Daarnaast biedt het aanbod van het ministerie een (beperkte) keuze uit interventies, welke dit zijn is op dit moment nog niet duidelijk. De ‘menukaart’ met interventies komt naar verwachting medio april online.
2
In het Nationaal Programma wordt beschreven dat gemeenten vervolgens op basis van de scholeninformatie bepalen welke aanvullende programma's, begeleiding of kennisdeling zij ter ondersteuning aan scholen bieden, met name voor scholen met extra uitdagingen. Welke verwachtingen en middelen hiervoor vanuit het ministerie naar gemeenten komen is nog onduidelijk. In Utrecht zetten we met de werkgroep er al zoveel mogelijk op in om tot een goede (bovenschoolse) samenwerking te komen. Vraag 5 Deelt het college met ons dat de inzet gericht moet zijn op het bevorderen van kansengelijkheid? Antwoord 5 Het geld wordt ingezet op het inlopen van (onderwijs)vertraging van leerlingen die als gevolg van de scholensluitingen vertraging in hun (leer)ontwikkeling hebben opgelopen. Dit geldt in principe voor alle leerlingen. Daarnaast is het een uitgangspunt van het programma dat scholen die het eerder al moeilijk hadden door bijvoorbeeld een uitdagende populatie of een opeenstapeling van problematiek of veel risico op vertragingen, extra middelen en ondersteuning krijgen. Hiermee richt de inzet van de middelen zich naar verwachting op leerlingen met het meeste risico op achterstand en draagt dit bij aan het bevorderen van gelijke kansen.
Vraag 6 Deelt het college dat dit een risico is en zo ja, welke mogelijkheden ziet het college samen met de onderwijspartners om te voorkomen dat dit inderdaad gebeurt? Antwoord 6 Zoals in antwoord 4 aangegeven, geven schoolbesturen aan dat zij de voorbereiding van de schoolplannen vanuit de school zelf oppakken. Wij verwachten dan ook dat de meeste scholen deze plannen zelf kunnen opstellen. Echter, het lerarentekort en de inzet die vanuit scholen nodig is om regulier (online en/of fysiek) onderwijs te geven en aan te sturen, maakt dat de druk op scholen en het onderwijzend personeel nu al groot is. Daar komt de vraag voor het opstellen en uitvoeren van een schoolprogramma bij. Dit kan ertoe leiden dat er scholen zijn die extra personeel moeten inzetten of inhuren om deze plannen te realiseren. Scholen hebben hier een eigen verantwoordelijkheid is, maar we zullen met hen bespreken om terughoudend te zijn in het inhuren van commerciële bureaus. Aan de andere kant kan samenwerking met commerciële bureaus ook effectief zijn. We hebben de ambitie om zo veel als mogelijk is duurzame lokale samenwerkingsrelaties op te bouwen. We zullen dit met de scholen bespreken. Zo stimuleren we bijvoorbeeld via het Stadsnetwerk Gelijke Kansen samen met de Universiteit Utrecht zo veel mogelijk samenwerking met (maatschappelijke) partners uit het lokale netwerk en met studenten.
Op die manier kan met hetzelfde budget een grotere groep leerlingen worden bereikt, is de samenwerking met de partners uit de sociale basis beter geborgd en kan er actief verbinding gelegd worden door deze organisatie met ouders. Vraag 7 Hoe ziet het college de spanning tussen enerzijds het advies vanuit het Onderwijs OMT om de middelen te investeren in onderwijzend personeel in de klas en de tijdelijkheid van het bedrag anderzijds? Op welke wijze kan het college het onderwijs ondersteunen bij dit vraagstuk? Antwoord 7 Wij zien ook de spanning tussen de tijdelijkheid van de beschikbare middelen en de wens voor het aantrekken van onderwijzend personeel. De reactie van de G4 wethouders op het Nationaal Programma Onderwijs is bijgevoegd als bijlage bij de brief van 17 februari jl. waarin zij wijzen op het belang van structurele hervormingen (en financiering) van het onderwijs in Nederland. De tijdelijkheid van deze middelen zien wij als een wezenlijk risico voor het effectief inzetten van de middelen, het inlopen van de leervertraging en het bieden van gelijke kansen aan alle leerlingen. Wij werken daarom in het kader van het Utrecht Leert-programma verder aan een structurele aanpak van het lerarentekort 3
in Utrecht via de drie actielijnen van Utrecht Leert: het aantrekken en behouden van onderwijstalent voor onze stad, het begeleiden van startende en ervaren leraren en het anders opleiden van komende leraren. Wij trekken samen met de schoolbesturen op in onze gesprekken met het Rijk en blijven aangeven dat voor het inlopen van leervertraging geen snelle oplossingen bestaan. Vraag 8 Kan het college ons informeren over de ontwikkeling van dit lerarentekort: in welke mate zien we een toe- of afname en hoe is dit verdeeld over de stad? Antwoord 8 In het primair onderwijs is in februari 2021 door het Rijk het tekort gepeild. Het tekort in het primair onderwijs is niet gestegen ten opzichte van een jaar geleden. Wij zullen u binnenkort met een raadsbrief informeren over deze peiling. Vraag 9 Welke extra inspanning kan geleverd worden om het aantrekken van extra personeel wel mogelijk te maken, aangezien dit breed wordt gezien als één van de meest effectieve manieren om achterstanden in te lopen? Antwoord 9 In het hele land zoeken scholen nu naar extra personeel, terwijl er in de basis al een tekort is. De meest wenselijke oplossing is om de extra handen niet kortdurend in te zetten maar voor een lange periode. De inzet die we in Utrecht leveren, is het opleiden en begeleiden van aankomende bevoegde onderwijsprofessionals in de scholen.
In aanvulling op inzet van extra personeel stimuleren we de inzet van studenten en (andere) vrijwilligers in de klas. Uit onderzoek blijkt dat dit effectief is (zie bijvoorbeeld Bo Paulle, high dosage tutoring). In Utrecht kennen we tal van maatschappelijke initiatieven die zorgen voor extra ondersteuning van studenten of andere vrijwilligers op school. Ook hier zien we kansen om de samenwerking met de Universiteit Utrecht, de hogescholen en Mbo’s uit te bouwen. Vraag 10 Deelt de wethouder dat er behoefte is aan een loket en dat er regie nodig is om dit te realiseren? Zo ja, hoe wordt die regie nu genomen? Antwoord 10 Ja, er is behoefte aan een loket en het Stadsnetwerk zou deze rol (deels) kunnen vervullen. Er is een coördinatiegroep rondom het Stadsnetwerk gevormd, waarin de verschillende partners vertegenwoordigd zijn (onderwijs en buitenschoolse partners en de gemeente) en waar we bespreken hoe deze loketfunctie verder vorm te geven. Het Stadsnetwerk heeft de ambitie om de komende periode nog beter te laten zien wat de meerwaarde is van samenwerking in het netwerk. De gemeente faciliteert een lokale infrastructuur en stimuleert scholen deze infrastructuur te benutten. Meerdere schooldirecties en intern begeleiders hebben de samenwerking met het Stadsnetwerk inmiddels opgepakt.
Op het niveau van de schoolbesturen is er ook waardering voor het Stadsnetwerk, de vraag hierbij is hoe we de samenwerking nog beter kunnen vormgeven. Vraag 11 Wordt het Stadsnetwerk structureel betrokken bij het verwezenlijken van de ambities van het nationaal programma en kansengelijkheid en welke rol vervullen zij hierin? Antwoord 11 Er zijn diverse overleggen over de invulling van het programma in Utrecht. In de werkgroep zoals bij vraag 3 omschreven, zijn partners van scholen en gemeente benoemd waarmee nauwe samenwerking nodig is de komende tijd, een daarvan is het Stadsnetwerk. De gemeente stimuleert de 4
scholen om samen te werken met het Stadsnetwerk. Ook onderzoeken we de mogelijkheid om het Stadsnetwerk extra te versterken, maar hiervoor zijn we nog in afwachting van informatie van het ministerie OCW over de randvoorwaarden en budgetten. Vraag 12 Deelt de wethouder dat het van wezenlijk belang is dat scholen en schoolbesturen met commitment aangehaakt zijn bij het Stadsnetwerk Gelijke Kansen? Kan de wethouder zich ervoor inzetten dat er een goede samenwerking ontstaat tussen het stadsnetwerk en de schoolbesturen om zo een wezenlijker bijdrage te leveren aan het inlopen van achterstanden? Antwoord 12 Ja, het is van belang dat scholen en schoolbesturen zich committeren aan het Stadsnetwerk en het goed weten te vinden. De gemeente zet zich hier als partner voor in. Vraag 13 Is het Stadsnetwerk (met een projectleider van 0,4 fte) momenteel voldoende toegerust om deze taak te vervullen? Zo nee, bieden de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs hier kansen voor en is de wethouder bereid met het Stadsnetwerk en onderwijspartners in overleg te treden wat hiervoor op korte termijn nodig is? Antwoord 13 We realiseren ons dat 0,4 fte weinig is voor de ambitie die het Stadsnetwerk heeft. De gemeente heeft hiermee een financiële basis gelegd. Met dit budget kan het Stadsnetwerk nu een makelfunctie tussen scholen en vrijwilligersinitiatieven vervullen.
We vragen de onderwijspartners om met ons te investeren en met ons drager te worden van het Stadsnetwerk. We zijn van mening dat de uitvoering van begeleidingstrajecten via het Stadsnetwerk (huiswerkhulp, maatjes, taalmentoren, etc.) idealiter mede door de scholen gefinancierd worden. We verwachten dat NPO-gelden hiervoor ingezet kunnen worden. We hebben de ambitie om gezamenlijk te investeren in een duurzame, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige ondersteuning. Met extra inzet kan het Stadsnetwerk meer kwaliteit bieden en meer proactief werken. Om dit te borgen vinden we samenwerking tussen het Stadsnetwerk en de Utrechtse kenniscentra belangrijk. Vraag 14 Herkent en deelt de wethouder de zorgen die de fracties hebben? Zo niet, waarom niet? Zo ja, hoe kan er in Utrecht voor worden gezorgd dat scholen en hun medewerkers niet overvraagd worden? Welke rol is de wethouder voornemens daarbij te spelen? Antwoord 14 Wij herkennen en delen de zorgen van de fracties. Ook wij realiseren ons dat de druk die op scholen en het onderwijzend personeel wordt gelegd, in een jaar dat al heel erg veel van hen heeft gevraagd, groot is. In onze gesprekken met het ministerie dringen wij erop aan om de administratieve lasten van dit nationaal programma op scholen zo beperkt mogelijk te houden en zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de reguliere verantwoording van scholen.
Ook vragen wij scholen met een eventuele ondersteuningsbehoefte deze aan ons kenbaar te maken, zodat wij samen met hen kunnen bezien of en met welke partners wij in deze ondersteuningsbehoefte kunnen voorzien. Ook verwachten we dat we met het gemeentelijke programma aanvullende ondersteuning kunnen bieden voor scholen en leerlingen. Zodra er meer inzicht is in de kaders voor het gemeentelijke programma en de middelen die hiervoor beschikbaar zijn dan zullen we u hier over informeren. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht, de secretaris,
de burgemeester, 5
Schriftelijke vragen Ongelijk investeren van de gelden uit het Nationaal Programma Onderwijs om maximaal bij te dragen aan kansengelijkheid 29 maart 2021
Gesteld door:
Hester Assen, PvdA Ruurt Wiegant, SP Tessa Sturkenboom, Student en Starter Julia Kleinrensink, Groenlinks
Het kabinet heeft recent besloten tot een Nationaal Programma Onderwijs. Het doel hiervan is om ontstane achterstanden aan te pakken en leerlingen en studenten te helpen hun gaven en talenten tot bloei te brengen, ondanks de coronacrisis. Deze crisis heeft bestaande verschillen in het onderwijs en in gelijke kansen voor kinderen op goed onderwijs immers zichtbaarder gemaakt én vergroot. Er wordt de komende 2,5 jaar 8,5 miljard euro uitgetrokken om de door Corona opgelopen achterstanden in het onderwijs weg te werken. Een enorm bedrag, dat binnen 2,5 jaar besteed moet worden en waarmee veel kan, maar daarvoor is het noodzakelijk dat deze gelden effectief besteed worden. Een groot deel van het geld wordt direct aan de scholen gegeven, een deel komt bij de gemeenten. Vanuit meerdere hoeken wordt gewaarschuwd dat er risico’s op de loer liggen bij de besteding van deze gelden. 1Op 24 maart is een brief verstuurd van minister Slob aan schoolbesturen en schoolleiders met uitwerking van het Nationaal Plan Onderwijs met daarin de richtlijnen die scholen moeten volgen bij besteding van de extra gelden.2 Dit vraagt, nog midden in de crisis, veel van scholen en het onderwijspersoneel. Niet alle scholen en leerlingen worden even hard geraakt door corona. Op sommige scholen zijn extra middelen meer of minder of misschien zelfs niet nodig.
Voor de PvdA en andere fracties is het een keiharde voorwaarde dat dit geld terecht komt bij de meest getroffen scholen en leerlingen. De gelden moeten effectief worden besteed, ongelijk worden geïnvesteerd om bij te dragen aan gelijke kansen doordat het de meest getroffen leerlingen en scholen het meest ten goede komt. Tegelijk moet er voor gewaakt worden de mensen in het https://nos.nl/artikel/2370053-8-5-miljard-voor-het-onderwijs-maar-verkeerde-keuzes-liggen-opde-loer.html en https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2369177-is-een-zak-met-8-5-miljard-euro-deoplossing-voor-alle-onderwijsproblemen.html 1
2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2021/03/23/brief-aan-scholen-over-nationaal-
programma-onderwijs
6
onderwijs die al een tropenjaar achter de kiezen hebben niet te overvragen. Zij kunnen dit niet alleen. Uitval van onderwijspersoneel moet voorkomen worden. Daarom hebben wij de volgende vragen. 1. Hoeveel geld is er beschikbaar voor Utrechtse scholen en wat is de verdeelsleutel van het geld dat voor het Utrechtse onderwijs beschikbaar is? En, hoeveel van het geld dat voor Utrecht is bestemd komt bij de gemeente terecht? 2. Op de site van de Rijksoverheid is te lezen dat scholen met veel leerlingen met minder kansen verhoudingsgewijs meer geld krijgen. Hoe wordt dit berekend en verdeeld, en hangt dit af van de plannen die worden ingediend? De fracties lezen dat scholen en/of schoolbesturen plannen moeten indienen om het geld te ontvangen. Wat gebeurt er als zij geen plan indienen? Op 24 maart is een brief verstuurd van minister Slob aan schoolbesturen en schoolleiders over het Nationaal Plan Onderwijs. Daar staat o.a. te lezen: “Dit is een Nationaal Programma, maar de uitvoering vindt plaats in de scholen. Daarom is er een vertaalslag nodig: scholen zullen hun eigen plannen moeten maken en maatregelen moeten nemen die passen bij de situatie van hun leerlingen. Scholen ontvangen hiervoor de komende twee schooljaren substantiële extra financiële middelen.
Die zetten zij in voor bewezen effectieve interventies, zoals extra docenten en ondersteuning in de klas, voor bijles en huiswerkbegeleiding op school, voor (intensieve) ondersteuning en begeleiding van leerlingen, voor aanvullende zomerprogramma’s of weekendscholen, en voor andere maatregelen om de gevolgen van de coronacrisis aan te pakken en perspectief te bieden aan leerlingen. In overleg met de sector en met inbreng van wetenschappelijke expertise starten wij voor de zomer met het in kaart brengen van bewezen effectieve interventies om op schoolniveau, groepsniveau en leerlingniveau vertragingen aan te pakken. Dit leidt tot een ‘menukaart’ of catalogus met interventies en handreikingen om die in te zetten.” 3. Heeft het college zicht op de wijze waarop scholen en schoolbesturen, zowel de grotere als kleinere) nu bezig zijn met de plannen om dit extra geld aan te vragen en waarop in die plannen wordt gefocust? Zo ja, kunnen we daar als raad over geïnformeerd worden? 4. Hoe ziet het college in dit verband de relatie met de scholen? Ziet het college bijvoorbeeld mogelijkheden om scholen en schoolbesturen (klein en groot) te ondersteunen bij dit proces met als doel dat er zo veel mogelijk geld naar het primaire proces gaat (of een infrastructuur waarmee dit primaire proces wordt versterkt)? 5.
Deelt het college met ons dat de inzet gericht moet zijn op het bevorderen van kansengelijkheid? Een risico dat wordt geschetst is dat commerciële bureaus inspringen omdat scholen of schoolbesturen zelf het inzicht niet hebben in hoe dit geld het meest effectief besteed wordt en/of de menskracht niet hebben om dit te organiseren. 6. Deelt het college dat dit een risico is en zo ja, welke mogelijkheden ziet het college samen met de onderwijspartners om te voorkomen dat dit inderdaad gebeurt? 7
Een ander risico of nadeel zit in de tijdelijkheid waarmee nu extra geld beschikbaar komt. Het bedrag van 8,4 miljard is bedoeld voor 2,5 jaar en daarmee niet structureel. We lezen dat dit betekent dat het moeilijk is te kiezen voor extra personeel vanwege deze tijdelijkheid, terwijl extra personeel wel effectief is. Daarbij komt dat Utrecht al kampt met een lerarentekort. Dit terwijl het Onderwijs-OMT dat recent opgericht is aangeeft dat het bestrijden van achterstand het meest effectief is in school tijdens lestijd met extra inzet van leerkrachten en/ of onderwijsassistenten. 7. Hoe ziet het college de spanning tussen enerzijds het advies vanuit het Onderwijs OMT om de middelen te investeren in onderwijzend personeel in de klas en de tijdelijkheid van het bedrag anderzijds? Op welke wijze kan het college het onderwijs ondersteunen bij dit vraagstuk? 8. Kan het college ons informeren over de ontwikkeling van dit lerarentekort: in welke mate zien we een toe- of afname en hoe is dit verdeeld over de stad? 9. Welke extra inspanning kan geleverd worden om het aantrekken van extra personeel wel mogelijk te maken, aangezien dit breed wordt gezien als één van de meest effectieve manieren om achterstanden in te lopen? In Utrecht werken inmiddels verschillende organisaties op het gebied van kansengelijkheid samen in het Stadsnetwerk Gelijke Kansen.
Zij hebben veel ervaring met het bieden van bijles en/of huiswerkbegeleiding en het effectief bereiken van kwetsbare gezinnen en hun ouders. Zij richten zich op het investeren in het inlopen van achterstanden door leertijduitbreiding en kunnen een aanvulling/versterking zijn op de reguliere taken van het onderwijs. Uit berichten die wij ontvangen zijn de scholen en schoolbesturen onvoldoende aangehaakt bij het Stadsnetwerk Gelijke Kansen. Dit zou samenhangen met de tijd die het scholen kost en dat het de scholen nog te weinig oplevert. Samenwerking met scholen en schoolbesturen lijkt ons van wezenlijk belang om als Stadsnetwerk effectief te zijn. Van het Stadsnetwerk Gelijke Kansen wordt veel verwacht; de wethouder verwijst regelmatig naar de spilfunctie die zij vervullen bij het verwezenlijken van gelijke kansen. De PvdA en fracties vinden het belangrijk dat versnippering in de besteding van middelen wordt tegengaan (met als risico dat teveel geld in overhead en administratie verdwijnt ipv bij de kinderen terecht komt), dat kwaliteit van het extra aanbod om achterstanden in te lopen hoog is en de kosten daarvan transparant zijn. Er is behoefte aan een loket waar men terecht kan voor het diverse aanbod dat er is, met een toets op kwaliteit.
(een kwaliteitskeurmerk) Hier is een regierol van de gemeente van meerwaarde, al dan niet via het Stadsnetwerk dat deze loketfunctie kan vervullen. 10. Deelt de wethouder dat er behoefte is aan een loket en dat er regie nodig is om dit te realiseren? Zo ja, hoe wordt die regie nu genomen? 11. Wordt het Stadsnetwerk structureel betrokken bij het verwezenlijken van de ambities van het nationaal programma en kansengelijkheid en welke rol vervullen zij hierin? 12. Deelt de wethouder dat het van wezenlijk belang is dat scholen en schoolbesturen met commitment aangehaakt zijn bij het Stadsnetwerk Gelijke Kansen? Kan de wethouder zich ervoor inzetten dat er een goede 8
samenwerking ontstaat tussen het stadsnetwerk en de schoolbesturen om zo een wezenlijker bijdrage te leveren aan het inlopen van achterstanden? 13. Is het Stadsnetwerk (met een projectleider van 0,4 fte) momenteel voldoende toegerust om deze taak te vervullen? Zo nee, bieden de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs hier kansen voor en is de wethouder bereid met het Stadsnetwerk en onderwijspartners in overleg te treden wat hiervoor op korte termijn nodig is? De fracties ontvangen signalen dat het van het onderwijs veel vraagt om niet alleen achterstanden in beeld te brengen en plannen te maken maar ook al zo snel als mogelijk te beginnen met het inlopen van achterstanden. Dit terwijl zij nog midden in een situatie zitten van fysiek onderwijs met corona-beperkingen, hybride en/of afstandsonderwijs, hoge werkdruk en hoog ziekteverzuim. “Van alle scholen in het funderend onderwijs wordt verwacht dat ze vóór de zomervakantie van 2021 de (eventuele) cognitieve, executieve en sociale achterstanden van hun leerlingen vanwege corona in beeld brengen.” Zo staat te lezen in de brief van minister Slob, net als: “Als de scholen weer (geheel of deels) geopend zijn, moeten leerlingen die dat nodig hebben en die dat willen er terecht kunnen voor (extra) onderwijs en begeleiding, zo nodig ook tijdens de zomervakantie.
We hebben de sector dringend verzocht de tijd tot aan de komende zomervakantie optimaal te benutten. We hebben afgesproken dat scholen een aanbod doen voor extra onderwijs en begeleiding aan leerlingen die dit nodig hebben.” Het risico dat hier op de loer ligt is dat er een zak geld over de schutting naar scholen wordt gekieperd met een onhaalbare opdracht: hier heb je geld dus loop daarmee zsm de achterstanden in. De fracties voelen dezelfde behoefte aan een compleet beeld van de achterstanden, net als dat zo snel mogelijk gestart moet worden met het inlopen van de achterstanden. Tegelijk vrezen wij dat zonder extra ondersteuning of coördinatie in Utrecht vanuit gemeente en onderwijspartners en/of bijvoorbeeld het Stadsnetwerk, er iets onhaalbaars wordt gevraagd van scholen. 14. Herkent en deelt de wethouder de zorgen die de fracties hebben? Zo niet, waarom niet? Zo ja, hoe kan er in Utrecht voor worden gezorgd dat scholen en hun medewerkers niet overvraagd worden? Welke rol is de wethouder voornemens daarbij te spelen?
9