Agendabundel
Tekst van het document
Bouwen aan ons nieuwe energie systeem De overgang naar het nieuwe energiesysteem betekent: •
We gaan van een centraal energiesysteem op basis van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, olie en
•
•
kolen, naar een systeem waarin we zowel centrale als lokale duurzame energiebronnen benutten. In dit energiesysteem produceren we energie op veel meer verschillende plaatsen, zoals ons eigen (bedrijfs-)dak, met windturbines verspreid over land, met warmte uit water of met een lokaal zonnepark. In Utrecht maken we al volop gebruik van onze daken voor de productie van zonne-energie. We gebruiken warmte uit het afvalwater van onze rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) om onze huizen te verwarmen en in Rijnenburg zetten we in op de productie van elektriciteit met windmolens. Een systeem met een grotere rol voor elektriciteit, een belangrijke bijrol voor warmte en een kleine rol voor duurzame gassen. In een duurzaam energiesysteem wordt energie vooral in de vorm van elektriciteit gebruikt, zowel voor mobiliteit (elektrische auto’s), in gebouwen voor apparatuur en verwarmen (warmtepompen), als ook deels in de industrie (elektrificatie van processen). Een energiesysteem met meer investeringen voor het bij elkaar brengen van energievraag en -aanbod. Dit betekent meer investeringen in: - Energieopslag in de vorm van waterstof, batterijen of warmte voor zowel de langere en kortere termijn. In Utrecht investeren we al in grote warmtebuffers om de warmte voorziening ook in piekmomenten te verduurzamen en maken we al volop gebruik van de bodem voor de opslag van energie.
- Regelbare energiecentrales die kunnen bijspringen op het moment dat bijvoorbeeld
•
zon- en wind onvoldoende produceren om in de vraag te voorzien. - Slimme oplossingen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, zoals het slim laden en ontladen van elektrische voertuigen of de omzetting van overtollige elektriciteit van een windpark in waterstof. In Utrecht wordt al volop gewerkt aan de inzet van elektrische voertuigen om de druk op het elektriciteitsnet op piekmomenten te verminderen. Een energiesysteem waaraan meer partijen actief deelnemen en een pro-actievere rol voor de gemeente. Bewoners en bedrijven zijn zowel energieconsumenten als -producenten, bijvoorbeeld op het moment dat ze elektriciteit produceren met de zonnepanelen op hun daken. Marktpartijen zijn actief in energie hubs om met lokale partijen lokaal vraag- en aanbod bij elkaar te brengen, bijvoorbeeld op Lage Weide.
Bouwen aan een CO2-vrije warmte voorziening Een groot deel van het energieverbruik in Nederland wordt ingezet voor de productie van warmte. Deze energie komt nu nog grotendeels van fossiele energie bronnen. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 de warmtevoorziening in Nederland CO2-vrij is. De transitie naar een CO2-vrije warmtevoorziening is integraal onderdeel van onze opgave waarin we werken 6
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
aan ons toekomstige energiesysteem. We staan daarom voor een grote opgave om de warmtevraag te verduurzamen op een betaalbare manier. Daarvoor moeten duurzame warmtebronnen worden ontwikkeld. Ondanks alle onzekerheden wat betreft betaalbaarheid gaan we voortvarend aan de slag met het realiseren van een duurzame warmtevoorziening die betaalbaar is voor iedereen. We moeten nu een stap naar voren zetten anders komen we in de vertraging en wordt de energietransitie onbetaalbaar. Daarom pakt de gemeente regie op die plekken waar dat nodig is. In deze Beleidsnota Warmte beschrijven we de afwegingen en de kaders waarbinnen we werken aan een CO2-vrij warmtesysteem, dat past in het nieuwe energiesysteem dat we willen realiseren. (1) We gaan onze inspanningen intensiveren op de realisatie van collectieve warmteoplossingen, seizoensopslag en slimme oplossingen, om vraag en aanbod in het energiesysteem op elkaar af te stemmen We intensiveren onze inzet op de realisatie van collectieve warmteoplossingen, seizoensopslag en slimme oplossingen om vraag en aanbod in het energiesysteem op elkaar af te stemmen. Collectieve warmteoplossingen sluiten aan bij onze ambitie om te komen tot een integraal energiesysteem, omdat ze: •
•
De druk verminderen op het elektriciteitsnet (net bewuster), doordat met name collectieve warmte oplossingen minder elektriciteit verbruiken op piek momenten dan individuele warmteoplossingen. Dit betekent dat minder investeringen nodig zijn voor uitbreiding van het elektriciteitsnet. Ons in staat stellen om energievraag en -aanbod slim te koppelen, bijvoorbeeld door het creëren van collectieve opslag waarmee het verschil tussen de energievraag en het -aanbod in verschillende seizoenen overbrugd kan worden.
•
•
Zorgen voor minder gedoe achter de voordeur, omdat deze over het algemeen minder werk zaamheden en ruimte vragen in de woning dan een individuele oplossing, zoals een warmtepomp. Meer mogelijkheden bieden om kosten te herver delen en energieongelijkheid te voorkomen, en zo bij te dragen aan een betaalbare energievoorziening voor iedereen. De investeringen hoeven niet door één gebouweigenaar te worden gedaan, maar worden bij een collectieve oplossing verdeeld over iedereen die is aangesloten.
Als we nog langer wachten met investeren in collectieve warmteoplossingen zullen bewoners die het kunnen betalen zelf investeren in individuele warmtepompen. Deze zorgen ervoor dat de druk op het elektriciteitsnet verder wordt vergroot en de investeringen in verzwaring van het elektriciteitsnet die nu al in gang zijn gezet onvoldoende blijken te zijn. Verder komt de haalbaalbaarheid van collectieve warmtenetten hierdoor verder onder de druk te staan. Ook wordt de betaalbaarheid en energiezekerheid voor achterblijvers steeds nijpender omdat de opties die overblijven onbetaalbaar worden, zoals op gas blijven en benodigde extra kosten voor individuele oplossingen. (2) We zetten in op collectieve warmteoplossingen voor het merendeel van de buurten in Utrecht Door nu, ondanks onzekerheden, te werken aan collectieve warmteoplossingen voor zowel bestaande gebouwen als nieuwbouw in een groot deel van de stad, zorgen we voor betaalbare warmte voor iedereen. De keuze voor een warmte-alternatief per buurt is bepaald op basis van een brede (integrale) afweging van vijf alternatieven naar aardgasvrij (zie tekstkader) op basis van de volgende criteria: de huidige situatie, nationale kosten, beschikbare ruimte, isolatieniveau en milieueffecten. Deze afweging heeft geleid tot een kaart met een voorkeurswarmtealternatief voor de warmtevoorziening per buurt voor de bestaande bouw (WAT-kaart). 7
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
WAT-kaart met voorkeurswarmteoplossing per buurt Legenda
A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT)
N230
A27
Aansluiting op stadswarmtenet (MT) of buurtwarmtenet (MT) Individuele warmtepomp (LT)
N237
A28
Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT) Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen) Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gas aansluitingen) Huidig stadswarmtenet
A12
A12 N228
A27 A2
WAT kaar t met het voorkeursalternatief voor de warmtevoorziening per buur t voor de bestaande bouw. Een overzicht per buur t staat in bijlage 2. Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma (Gemeente Utrecht, 2025a).
8
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
(3) Het voorkeursalternatief per buurt is het startpunt voor de invulling van het warmtekavel Voor de meeste gebouwen in een buurt geldt het voorkeursalternatief, maar er kunnen uitzonderingen zijn. Deze worden per buurt in kaart gebracht. (4) We sturen op het vergroten van inzet van duur zame warmtebronnen, deze eerlijk te verdelen en efficiënt in te zetten In Utrecht beschikken we niet over grote bronnen van restwarmte uit industrie. Wel liggen er kansen voor het gebruik van lokale duurzame energiebronnen. Veel bronnen moeten nog worden ontwikkeld en de temperatuur van de beschikbare warmte is te laag voor direct gebruik. Dit betekent dat elektriciteit nodig is om ze op de juiste temperatuur te krijgen. We kijken daarbij onder andere naar bodemenergie, aquathermie en lage temperatuur restwarmte. In Utrecht hebben we veel wateren en een geschikte bodem voor warmte-koude
Geanalyseerde alternatieven naar aardgasvrij Voor bestaande gebouwen hebben we voor heel Utrecht vijf alternatieven voor duurzaam verwarmen onderzocht. Met gebouwen worden zowel woningen als utiliteitsgebouwen bedoeld. Beiden zijn meege nomen in de analyses. Aansluiting op een stadswarmtenet op MiddenTemperatuur (MT): Warm water (55-75 ºC) wordt via een warmtenet aan gebouwen geleverd. De warmte komt uit centrale, duurzame bronnen zoals aquathermie en restwarmte. Gebouwen hebben energielabel C of beter.
opslag. Omdat grootschalige inzet van bodemenergie en aquathermie kan leiden tot negatieve milieueffecten sturen we op efficiënte inzet, eerlijke verdeling en ruimtelijke inpassing. In de tussenfase naar duurzamere bronnen beschikken we over een biomassacentrale en een elektriciteitscentrale waarvan we de restwarmte en aftapwarmte benutten. Voor biomassa sturen we aan op verminderde inzet en als mogelijk volledige beëindiging van de inzet. Groen gas en waterstof zijn geen serieuze optie voor directe levering aan gebouwen, maar kunnen wel een rol spelen in de piek- en back-upvoorziening voor warmtenetten. (5) We gaan ruimte reserveren voor de energie infrastructuur De overstap naar duurzame warmte vraagt extra ruimte in gebouwen, de buurt en de ondergrond. In een dichtbebouwde stad als Utrecht is dit een uitdaging, daarom gaan we hier vroegtijdig rekening mee houden en ruimte reserveren. In de buurt is ruimte nodig voor
Een buurtwarmtenet op Midden-Temperatuur (MT): Lokaal aanwezige lage temperatuur warmte wordt via een warmtepomp opgehoogd naar warm water (55-75 ºC) en via een buurtwarmtenet aan gebouwen geleverd. Gebouwen hebben energielabel C of beter. Een buurtwarmtenet op Zeer Lage Temperatuur (ZLT): Lokaal aanwezige zeer lage temperatuur warmte van 10-30 ºC wordt via een buurtwarmtenet aan gebouwen geleverd. Via een warmtepomp in elk gebouw wordt het water opgehoogd tot de juiste temperatuur. Geschikt voor verwarming en koeling. Gebouwen hebben energie label B of beter.
transformatorstations, warmteoverdrachtstations, en soms voor collectieve warmtepompen en warmte buffers. In buurten waar een collectieve warmte voorziening het voorkeursalternatief is, moet een warmtenet worden ingepast in de ondergrond. De grote uitdaging hierbij is dat de ondergrond in veel Utrechtse buurten al behoorlijk vol is. Naast andere infrastructuur (riolering, waterleidingen, elektriciteit), hebben ook bomen, ondergrondse afvalcontainers en laadinfrastructuur hun ruimtebeslag. Door nu al ruimte te reserveren voor warmtenetten kunnen we mogelijk hoge extra kosten in de toekomst beperken, bijvoorbeeld voor het verleggen van kabels en leidingen. Bij grootschalige ingrepen in de bodem brengen we daarom vooraf alle verschillende functies en ambities in kaart die een ruimteclaim op de ondergrond leggen. Ook worden de (verleg)kosten geraamd. We doen dit voor de buurten waar we binnen 10 jaar met redelijke zekerheid gaan starten met de aanleg van een collectief warmtenet.
Individuele luchtwarmtepomp op Lage Temperatuur (LT): Een warmtepomp haalt warmte uit de buitenlucht en verwarmt gebouwen met lage temperatuur warmte van 30-55 ºC. Geschikt voor verwarming en eventueel koeling. Gebouwen hebben energielabel B of beter. Individuele bodemwarmtepomp op Lage Temperatuur (LT): Een warmtepomp haalt warmte uit de bodem en verwarmt gebouwen met lage temperatuur warmte van 30-55 ºC. Geschikt voor verwarming en koeling. Gebouwen hebben energielabel B of beter.
9
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
(6) We gaan samenwerking met lokale spelers verder vormgeven en buurtinitiatieven actief ondersteunen om op te groeien tot volwaardige warmtegemeenschappen We gaan buurtinitiatieven actief ondersteunen zodat zij hun rol kunnen pakken in de warmtetransitie en indien gewenst kunnen opgroeien tot volwaardige warmtegemeenschappen. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving in en rond een buurt zorgt ervoor dat verschillende wensen, perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Als de voorkeur ligt bij een collectieve warmteoplossing, werken we samen met bewoners en buurtinitiatieven aan een gedragen plan, een wijkuitvoeringsprogramma. Daarbij kunnen alle bewoners reageren op voorgestelde keuzes in het wijkuitvoeringsprogramma. Om buurtinitiatieven goed te ondersteunen, helpen we hen bij hun professionalisering en ontwikkeling tot een warmtegemeenschap. We starten hiermee in een aantal buurten waar nu buurt initiatieven actief zijn: Oog in Al (/Halve Maan), Lunetten en Utrecht Noordoost. (7) We gaan nog meer inzetten op energiebesparing We gaan onze inzet op energiebesparing in de gebouwde omgeving en in bedrijfsprocessen inten siveren en in de hele stad aan de slag met het aard gasvrij-ready maken.
Door onder andere isolatie, efficiëntere installaties en gedragsverandering daalt de energievraag van gebouwen en bedrijfsprocessen en worden deze klaar gemaakt voor het gebruik van duurzame warmtebronnen. (8) We zetten in op het verminderen van de behoefte aan actieve koeling Verder gaan we ook inzetten op het voorkomen van oververhitting, omdat door klimaatverandering de uitdaging toeneemt om woningen comfortabel te houden
tijdens langere warme periodes. We gaan daarom inzetten op het stimuleren van gebouwmaatregelen en gedragsverandering, om daarmee de afhankelijkheid van koeling te verminderen of zelfs geheel te voorkomen. In de nieuwbouw sturen we daarbij op collectieve systemen die ook koeling kunnen leveren.
Invulling van onze regierol Binnen onze invloedssfeer werken wij ook aan het verbeteren van de randvoorwaarden, het voorbereiden van de stad op de warmtetransitie en het invullen van onze regierol. (9) We zetten de aanwijsbevoegdheid in om de haalbaarheid van collectieve warmteoplossingen te vergroten en hoge maatschappelijke kosten te voorkomen Met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) die naar verwachting 1 januari 2026 in werking treedt, kan de gemeente buurten aanwijzen waar de levering van aardgas binnen minimaal 8 jaar wordt beëindigd. Utrecht is van plan om deze bevoegdheid in te zetten, maar dit doen we alleen als er een haalbaar en betaalbaar alternatief is. De aanwijsbevoegdheid kan ervoor zorgen dat meer mensen in buurten waar het voorkeursalternatief een collectieve warmtevoorziening (warmtenet) is, het collectieve aanbod serieus overwegen en willen deelnemen. Daarmee worden de kosten voor alle deelnemers lager. Verder geldt voor alle buurten dat door het inzetten van de aanwijsbevoegdheid het gasnet niet in stand hoeft te worden gehouden voor een kleine groep. Er geldt geen verplichting tot aansluiting op het collectieve warmtenet, maar gebouw eigenaren zijn wel verplicht om over te stappen op een CO2-vrije warmtevoorziening. Een gelijkwaardige individuele oplossing is toegestaan, mits deze voldoet aan de geldende (lokale) eisen.
(10) We kiezen voor publiek eigendom in de warmte transitie Wij sturen op publiek eigendom in de warmtetransitie omdat wij van mening zijn dat dit essentieel is voor het realiseren van haalbare en betaalbare collectieve warmtesystemen. De voorkeur voor een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang past binnen de kaders van de Wet collectieve warmte (Wcw). Een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang zal, in tegenstelling tot zuiver financiële investeerders, uit eigen beweging publieke belangen als consumenten bescherming, duurzaamheid of betaalbaarheid zwaarder laten wegen dan commerciële belangen. Draagvlak voor collectieve warmteoplossingen moet worden opgebouwd en bewoners geven aan meer vertrouwen te hebben in een warmtebedrijf in publieke handen. Publieke warmtebedrijven die samenwerken met de buurtinitiatieven zijn hiervoor een logische eerste stap. Ongeacht de toekomstige wet- en regelgeving, kiest de gemeente Utrecht daarom voor een aanpak waarbij een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang het voortouw neemt bij de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen tenzij in een gebied een warmtegemeenschap actief is. Zonder zelf een stap naar voren te zetten komen we in de vertraging waardoor het aanbod van collectieve warmte steeds duurder wordt.
(11) We gaan samen met gebouweigenaren, -gebruikers en buurtinitiatieven invulling geven aan een warmteleveringsgebied (warmtekavel) en de keuze van het warmtebedrijf Wij gaan samen met gebouweigenaren, -gebruikers en buurtinitiatieven invulling geven aan de warmtevoorziening in een gebied (een warmteleveringsgebied of warmtekavel). Daarvoor gaan we onder andere kijken welke warmtebronnen beschikbaar zijn en waar er ruimte is voor warmtebuffers en collectieve warmtepompen. Daarbij 10
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
maken we de beleidskeuze om het plan voor invulling van een warmtekavel pas vast te stellen als er brede steun is bij gebouweigenaren en gebruikers. We gebruiken dit gezamenlijke proces ook om te onderzoeken welk type warmtebedrijf het warmtesysteem – na toetsing door de ACM - gaat realiseren en exploiteren, en hoe de zeggenschap van bewoners binnen dit warmtebedrijf is geregeld. Een wettelijke verankering van dit proces in de Wet collectieve warmte (Wcw) versterkt ons als gemeente in deze regierol en maakt het eenvoudiger om een publiek warmtebedrijf aan te wijzen. De gemeente pakt in dit proces haar wettelijke regierol op voor het vaststellen van een wijkuitvoeringsprogramma en, op verzoek van een warmtegemeenschap of een publiek warmtebedrijf, inzetten van de aanwijsbevoegdheid voor het stoppen van de levering van aardgas door de netbeheerder.
Netbewuste nieuwbouw (12) We gaan integraal sturen op duurzame netbewuste energiesystemen voor nieuwbouw Sinds 2018 moet alle nieuwbouw aardgasvrij worden opgeleverd. De eisen voor bijna energie-neutrale gebouwen (BENG) zorgen ervoor dat nieuwbouw goed geïsoleerd is en een lage warmtevraag heeft. De huidige wet- en regelgeving maakt het echter nog niet mogelijk om voor nieuwbouw integraal te sturen op een duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar energiesysteem dat aansluit bij de uitdagingen van ons toekomstig energiesysteem. We gaan daarom integraal sturen op energiesystemen voor de nieuwbouw die klimaatbewust, netbewust, ruimtebewust en omgevingsbewust zijn.
Randvoordwaarden op orde krijgen Om de volgende stappen te zetten in de warmtetransitie moeten de randvoorwaarden wat betreft betaalbaar heid, duurzaamheid, betrouwbaarheid en transparantie op orde zijn. Als gemeente zijn we daarvoor niet altijd aan zet. Ondersteuning vanuit het Rijk is essentieel om de warmtetransitie mogelijk te maken. Het Rijk zet stappen om de randvoorwaarden voor collectieve warmtenetten te verbeteren en werkt aan instrumenten die bijdragen aan de betaalbaarheid voor de eind gebruiker (woningen en utiliteitsbouw). Als de randvoorwaarden niet op orde komen kunnen collectieve warmtenetten in Utrecht niet worden gerealiseerd, omdat we mensen geen betaalbaar aanbod kunnen doen. Dan gaan meer gebouweigenaren aan de slag met individuele oplossingen. Dit kan tot gevolg hebben dat collectief niet meer betaalbaar wordt voor de overige bewoners, zodat ook zij moeten overgaan op een individuele oplossing met hogere kosten en vergroting van de druk op het elektriciteitsnet.
Pragmatische aanpak Het veranderend speelveld van de warmtetransitie vraagt om een pragmatische aanpak waarmee we snelheid kunnen houden. Dit betekent dat we: •
Een warmteprogramma gaan opstellen als uitwerking van deze Beleidsnota Warmte. In het Warmte programma (uitvoeringsprogramma onder de omgevingswet) zoals bedoeld in de Wgiw, kijken we terug op de afgelopen vijf jaar en vooruit naar de komende tien jaar. De Beleidsnota Warmte heeft in principe een looptijd van 10 jaar, als de evaluatie van het Warmteprogramma aanleiding geeft tot aanpassing van kaders wordt de Beleidsnota Warmte eerder geactualiseerd.
• •
•
• •
In de hele stad aan de slag gaan met het energiebesparingsprogramma om alle panden aardgasvrij-ready te maken; Inzetten op de ontwikkeling van collectieve buurtwarmtenetten op plekken waar een bewoners initiatief aan de slag wil. Bijvoorbeeld in Oog in Al (/Halve Maan), Lunetten en Utrecht Noordoost; In buurten waar een individuele warmtepomp het voorkeursalternatief is, zetten we in op de overstap naar een (hybride) warmtepomp op natuurlijke momenten. Dit doen we zolang we nog te maken hebben met netcongestie; Voor gebieden met zeer weinig panden zetten we in op individueel maatwerk; Voor panden aan een bestaande warmteleiding zonder aansluiting én voor panden die volledig zijn ingesloten door een warmteleveringsgebied van een bestaand net, wachten we op duidelijkheid over de Wet collectieve warmte (Wcw). Ondertussen zoeken we nog wel naar meekoppelkansen met grote werkzaamheden zoals het riool. Ook wachten we op de randvoorwaarden die een betaalbare aansluiting mogelijk maken. Zodra het kan pakken we de buurtaanpak aardgasvrij in deze buurten weer op.
1.2 Aanleiding voor een Beleidsnota Warmte Utrecht werkt aan een toekomstig energiesysteem van en voor iedereen dat betaalbaar, duurzaam en betrouwbaar is en minder afhankelijk is van geopolitieke ontwikkelingen. Dit energiesysteem ziet er anders uit dan we gewend zijn. We nemen afscheid van fossiele energiebronnen en stappen over naar het benutten van zoveel mogelijk verschillende lokale duurzame energiebronnen. Dit vraagt om grote investeringen in de stad, waarmee we nu verder aan de slag moeten. We moeten daarvoor (i) lokale duurzame bronnen gaan ontwikkelen, (ii) onze 11
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
energieinfrastructuur aanpassen zodat we deze lokale bronnen kunnen gebruiken en (iii) omdat lokale bronnen schaars zijn, inwoners en ondernemers helpen met energie besparen. Dit alles vraagt een systeemwijziging, met nieuwe afwegingen, nieuwe keuzes, nieuwe taken en nieuwe rollen. In deze Beleidsnota Warmte beschrijven we de afwegingen en de kaders waarbinnen we werken aan een CO2-vrije warmtevoorziening, dat past binnen het nieuwe energiesysteem dat we willen realiseren.
1.3 Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma Met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt een Warmteprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet dat uiterlijk 31 december 2026 moet zijn vastgesteld door het college. Het Warmteprogramma beschrijft hoe we de komende 10 jaar in de stad aan de slag gaan en dit Warmteprogramma wordt iedere vijf jaar geactualiseerd. In Utrecht hebben we ervoor gekozen om eerst nieuwe kaders ter besluitvorming voor te leggen aan de raad in een Beleidsnota Warmte, en deze vervolgens in een Warmteprogramma te vertalen naar concrete acties en resultaten.
1.4 Relatie met beleidsdocumenten binnen de opgave energie Figuur 1 schetst de positie van de Beleidsnota Warmte als onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht en de samenhang met verschillende uitvoeringsprogramma’s. De Beleidsnota Warmte vervangt de Transitievisie Warmte (TVW) deel 1, Transitievisie Warmte (TVW) deel 2 en de Visie op de Warmtevoorziening. Bijlage 1 geeft een overzicht van gemeentelijk beleidsnota’s en uitvoeringsprogramma’s die raken aan de opgave voor de warmtetransitie.
Gebouwen verduurzamen
Infrastructuur aanpassen
Bronnen verduurzamen
Overig beleid
Omgevingsvisie Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040
Koers
RES 1.0
Klimaatvisie
Visie
Beleidsnota
Visie op de Warmtevoorziening
Opwekgebieden schone energie
Transitievisie Warmte Beleidsnota Warmte (Vervangt Transitievisie Warmte & Visie op de Warmtevoorziening)
Omgevings- & uitvoeringsprogramma
Omgevingsplan & -vergunningen
Energiebesparen gebouwde omgeving
Elektriciteitsinfra en netcongestie
Zon op dak
Gebiedsgerichte omgevingsvisies RES Herijking 2025
Nota’s van Uitgangspunten
Warmteprogramma
BENG nieuwbouw
Elektriciteitsinfra
Windmolens
Bodemenergie
Zonnevelden
Gebiedsgerichte regels
Warmtesystemen Aanwijzingsbesluit Wgiw
v5.2
Bestaand beleid Nog te maken beleid
Figuu r 1: Plaats van de Beleidsnota Warmte als onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht en de samenhang met omgevings- en uit voeringsprogramma’s binnen de opgave Energie. 12
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
1.5 Relatie met provinciaal en rijksbeleid Onderstaande tabel geeft een overzicht van de relatie met rijks- en provinciaal beleid waar we ons als gemeente aan hebben gecommitteerd en dat we meenemen in de uitwerking van deze beleidsnota.
1.6 Samen stad maken In het kader van deze beleidsnota hebben we bij stakeholders gepeild of de opvattingen, zorgen en wensen van bewoners sinds de vaststelling van de Transitievisie Warmte (TVW) zijn veranderd. Om hier een beeld van te krijgen hebben we een overzicht gemaakt
van de geleerde lessen uit (i) de onderzoeken die de afgelopen jaren zowel landelijk als lokaal zijn uitgevoerd naar aardgasvrij, en (ii) de buurtaanpak aardgasvrij. Daarnaast is input opgehaald via het klimaatpanel en een aantal expertsessies. De geleerde lessen en input is meegenomen in de uitwerking van deze beleidsnota.
1.7 Afbakening De focus in deze Beleidsnota Warmte ligt op het formuleren van beleidskaders voor het verduurzamen van energiebronnen en de daarvoor benodigde aanpassingen aan de energieinfrastructuur. Dit moet voorzien in de vraag naar ruimteverwarming en warm tapwater in zowel bestaande bouw als nieuwbouw.
Beleid
Relatie met gemeentelijk beleid
Rijk: Klimaatakkoord (2019)
Het Klimaatakkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om gezamenlijk de uitstoot van Broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Eén van de doelstellingen is dat Nederland uiterlijk in 2050 volledig aardgasvrij is. Daarvoor zijn afspraken gemaakt tussen het Rijk en decentrale overheden over 1) het versterken van de regierol van gemeenten, 2) wettelijke verankering van deze rol en 3) het op orde brengen van de randvoorwaarden voor betaalbaarheid.
RES Regio U16: De RES-regio U16 heeft in 2021 regionale afspraken gemaakt over hoe ze voor 2030 wil Regionale Energie overstappen van fossiele brandstoffen naar duurzame elektriciteit en warmte. In 2025 actualiseert U 16 1.0 (RES) de RES U16 de gemaakte afspraken. Onderdeel van de RES U16 vormt een inventarisatie van bovenregionale warmtebronnen zoals geothermie en aquathermie.
Warmtebuffer bij de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Overvecht. 13
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
2
Doelstellingen
Doelstellingen uit de programmabegroting die bijdragen aan de ambities uit deze Beleidsnota Warmte: • • •
Energieverbruik in de gebouwde omgeving is in 2050 met 35% afgenomen ten opzichte van 2020, Alle mogelijkheden voor duurzame energieproductie zijn benut, en Energieinfrastructuur is aangepast op duurzame bronnen.
Op deze doelstellingen wordt gerapporteerd in de verschillende rapportage cycli van de gemeente, zoals de jaarstukken en het duurzaamheidsverslag.
14
B Beschrijving van de opgave
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
1
Transitie naar schone energie
1.1 Ons toekomstig duurzaam energiesysteem Utrecht werkt aan een toekomstig energiesysteem van en voor iedereen dat duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar en minder afhankelijk is. Dit energie systeem ziet er anders uit dan we gewend zijn. De transitie naar dit toekomstig energiesysteem kenmerkt zich door (zie Figuur 2):
Van centraal naar hybride (centraal + decentraal) De overgang van een centraal energiesysteem op basis van fossiele brandstoffen naar een energiesysteem met inzet van zowel centrale als decentrale duurzame energiebronnen. In het fossiele energiesysteem wordt met behulp van fossiele bronnen op centrale locaties energie gewonnen en geproduceerd en vervolgens via een steeds fijnmaziger netwerk bij de gebruikers gebracht. In het duurzame systeem produceren we energie op veel meer verschillende plaatsen zoals ons eigen (bedrijfs-)dak, met windturbines verspreid over land, met warmte uit water of met een lokaal zonnepark. Daarvoor hebben we meer elektriciteits-, warmte- en waterstofinfrastructuur nodig om energie te transporteren en dit vergt meer ruimte.
Van een veelheid aan energiedragers naar vooral elektriciteit Een energiesysteem met een grotere rol voor elek triciteit, een belangrijke bijrol voor warmte en een kleine rol voor duurzame gassen. In een duurzaam energiesysteem wordt energie vooral in de vorm van elektriciteit gebruikt voor mobiliteit (elektrische auto’s), in gebouwen voor apparatuur en verwarmen (warmtepompen), en ook deels in de industrie (elek trificatie van processen).
Van vraaggericht naar wisselend aanbod Een energiesysteem met meer investeringen voor het bij elkaar brengen van energievraag en -aanbod, door het verbinden van sectoren, meer omzetting van energiedragers en regelbare energiecentrales. Duurzame bronnen – zoals zon en wind – produceren soms elektriciteit op momenten dat hier geen vraag naar is, terwijl er op andere momenten een grote vraag is maar geen productie. Dit vraagt om een energiesysteem met “minder schotten” tussen de verschillende energiedragers en waarbij op
ieder moment wordt bekeken hoe en waar geproduceerde energie het beste kan worden ingezet om bij te dragen aan een duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar energiesysteem. Dit betekent dat meer investeringen nodig zijn in: (i) Energieopslag in de vorm van waterstof, batterijen of warmte voor zowel de langere en kortere termijn, (ii) Regelbare energiecentrales die kunnen bijspringen op het moment dat bijvoorbeeld zon- en wind onvoldoende produceren om in de vraag te voorzien, (iii) slimme oplossingen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, zoals het slim laden en ontladen van elektrische voertuigen of de omzetting van overtollige elektriciteit van een windpark in waterstof die vervolgens wordt ingezet in de transportsector of de industrie voor het maken van hoge temperatuur warmte.
Meer partijen actief in het energiesysteem Een energiesysteem waaraan meer partijen actief deelnemen in het energiesysteem. Bewoners en bedrijven zijn zowel energieconsumenten als -producenten, bijvoorbeeld op het moment dat ze elektriciteit produceren met de zonnepanelen op hun daken. Zonneparken en warmtesystemen zijn niet alleen in bezit van klassieke energieproducenten maar ook in handen van energiecoöperaties. Verder werken bedrijven samen in energie hubs om elektriciteit te delen en door lokale opslag flexibiliteit te bieden in het energiesysteem. 16
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Bronnen
Omzetting/installatie
Energiedrager
Opslag
Infrastructuur
Gebruiker
Warmte Geothermie Warmtewisselaar Zonthermie Restwarmte
Zeer lage temperatuur warmtenet (10-30ºC)
Koud/lauw water Warmtewisselaar
Warmte/koude opslag (WKO) Warm water
Bodem Water
Warmtepomp
Lucht
Elektrische Boiler
Biomassa
Ketel
Dagbuffers
Warmtevraag gebouwen Midden temperatuur warmtenet (55-75ºC) Warmte voor industrie
Midden en hoge temperatuuropslag in bodem (25-90ºC)
Stoom
Elektriciteit Zon
Paneel
Wind
Turbine
Biomassa
Warmtekrachtkoppeling
Duurzaam gas Biomassa
Elektriciteitsvraag gebouwen & utiliteit Elektriciteitsnet
Elektriciteit
Mobiliteit (elektrisch)
Batterijen (los of in auto)
Elektrolyser
Waterstof
Vergister
Groen gas
Pijpleidingen Zoutkoepels/gasopslagen
Mobiliteit (zwaar vervoer) Grondstof voor industrie
Figuu r 2 : Schema van het toekomstig duur zaam energiesysteem. 17
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
1.2 Van toekomstig duurzaam energiesysteem naar energiebeleid De transitie naar een nieuw duurzaam energiesysteem is een systeemwijziging, met nieuwe afwegingen, nieuwe keuzes, nieuwe taken en nieuwe rollen. In deze Beleidsnota Warmte beschrijven we de afwegingen en de kaders waarbinnen we werken aan een CO2-vrije warmtevoorziening, dat past binnen het nieuwe energiesysteem dat we willen realiseren. Dit vraagt op een aantal punten een verbreding van onze aanpak verbreden, aanscherping en waar nodig bijstelling. We gaan nog meer inzetten op energiebesparing We gaan onze inzet op energiebesparing in de gebouwde omgeving en in bedrijfsprocessen intensiveren en in de hele stad aan de slag met het aardgasvrij-ready maken. Door isolatie, efficiëntere installaties en gedrags verandering daalt de energievraag van gebouwen en bedrijfsprocessen en worden deze klaar gemaakt voor het gebruik van duurzame warmtebronnen. Dit wordt gestimuleerd via het Programma energie besparen gebouwde omgeving 2022-2030 dat in 2022 door de gemeenteraad is vastgesteld en het Uitvoerings programma Verduurzaming Bedrijventerreinen 2024-2028 dat zich richt op energiebesparing, verduurzaming van bedrijfsprocessen en naar oplossingen zoekt voor bedrijven die op dit moment niet kunnen verduurzamen ten gevolge van een vol elektriciteitsnet.
We gaan onze inspanningen intensiveren om de inzet van duurzame energiebronnen te vergroten, deze eerlijk te verdelen en efficiënt in te zetten De kaders voor grootschalige opwekking via wind, zon en geothermie zijn uitgewerkt in de beleidsnota ‘Opwekgebieden voor schone energie in Utrecht’.
Daarnaast willen we de kansen voor het gebruik van lokale duurzame energiebronnen voor warmte, zoals bodemenergie, aquathermie en lage temperatuur restwarmte, beter benutten en efficiënter inzetten. Deze bronnen zijn namelijk niet onbeperkt te gebruiken. In het Warmteprogramma brengen we in kaart waar deze bronnen en opslagmethoden in Utrecht toegepast kunnen worden, wat de potentie is en met welke effecten we rekening moeten houden. Ook werken we aan beleidskaders om te kunnen sturen op efficiënter gebruik en eerlijkere verdeling van zowel bodemenergie als aquathermie (zie hoofdstuk 4.2 & 4.3). We gaan onze inspanningen intensiveren op de realisatie van collectieve warmteoplossingen, seizoensopslag en slimme oplossingen om vraag en aanbod in het energiesysteem op elkaar af te stemmen Collectieve warmteoplossingen sluiten aan bij onze ambitie om te komen tot een integraal energiesysteem omdat: •
•
Ze ons in staat stellen om energievraag en -aanbod slim te koppelen, bijvoorbeeld door het creëren van collectieve opslag waarmee het verschil tussen de energievraag en het -aanbod in verschillende seizoenen overbrugd kan worden. Aangezien niet iedereen tegelijkertijd energie nodig heeft, kan het gebruik van een collectieve opslag minder groot zijn dan wanneer iedere gebruiker afzonderlijk opslag regelt. Ze de druk verminderen op het elektriciteitsnet. Met name collectieve warmteoplossingen ver bruiken minder elektriciteit op piekmomenten dan individuele warmteoplossingen en zijn daardoor netbewuster. Dit betekent dat minder investeringen nodig zijn voor uitbreiding van het elektriciteitsnet en dat daarmee de druk op schaarse ruimte in de stad vermindert. We zijn al gestart met het werken aan een netbewuste stad. Dit is uitgewerkt in
•
•
het Uitvoeringsprogramma elektriciteits infrastructuur en netcongestie 2023-2026. Ze voor minder gedoe achter de voordeur zorgen. Omdat collectieve oplossingen over het algemeen minder werkzaamheden en ruimte vragen in de woning dan een individuele oplossing, zoals een warmtepomp of individuele batterij. Dit sluit aan bij de voorkeur van bewoners die gedoe binnenshuis als een grotere belasting ervaren dan gedoe buitenshuis (Bron: bijlage 1 Participatie Transitievisie Warmte deel II). Ze meer mogelijkheden bieden dan individuele systemen om kosten eerlijk te herverdelen, waarmee we bijdragen aan het realiseren van een betaalbare energievoorziening voor iedereen. De investeringen hoeven niet door één gebouweigenaar te worden gedaan, maar worden bij een collectieve oplossing verdeeld over iedereen die is aangesloten.
Daarom sturen we in Utrecht op het realiseren van collectieve warmtesystemen. We maken daarbij een uitzondering voor gebieden waar de kosten voor het realiseren van een collectief systeem aanzienlijk hoger zijn dan voor een individueel systeem, of waar er geen ruimte beschikbaar is voor de benodigde voorzieningen van een collectief systeem. We gaan ruimte reserveren voor de energieinfrastructuur De transitie naar een toekomstig duurzaam energie systeem vraagt om extra ruimte, zowel boven- als ondergronds. De ruimte bovengronds is nodig voor bijvoorbeeld extra trafostations, warmteoverdracht stations, collectieve warmtepompen en warmtebuffers. In de ondergrond is ruimte nodig voor warmteleidingen om de warmte naar gebouwen te transporteren, aanleg van bodemenergiesystemen en andere vormen van energieopslag en verzwaring van het elektriciteitsnet. In een dichtbebouwde stad als Utrecht, met veel opgaven 18
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
die ruimte vragen wordt het een uitdaging deze extra ruimte te vinden. Het is daarom essentieel om het extra ruimtegebruik zoveel mogelijk te beperken en een integrale afweging te maken met andere opgaven en doelstellingen zoals verdichting en vergroening. We gaan samenwerking met lokale spelers verder vormgeven en buurtinitiatieven actief ondersteunen om op te groeien tot volwaardige warmtegemeenschappen De gemeente Utrecht versterkt haar regierol in het energiesysteem. We intensiveren onze samenwerking en ondersteunen lokale actoren die werken aan een duurzame lokale energievoorziening. Deze samen werking is essentieel voor het succes van de energie transitie, omdat 1) de energietransitie afhankelijk is van de bijdrage van steeds meer verschillende partijen, 2) de transitie grote lokale effecten heeft, en 3) impact heeft achter de voordeur van gebouweigenaren en huurders.
19
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
2
De warmtetransitie
2.1 De opgave In 2024 hadden nog 125.000 gebouwen in Utrecht een aardgasaansluiting, dit betekent dat nog ongeveer 70% van de woningen en ongeveer 50% van de utiliteitsgebouwen nog niet aardgasvrij zijn. Figuur 3 geeft een overzicht van het aantal gebouwen per buurt dat nog een aardgasaansluiting heeft. In 17 van de in totaal 111 buurten zijn nog minder dan 100 gebouwen aangesloten op aardgas voor ruimteverwarming. Van die 17 buurten gebruikt één buurt aardgas alleen nog om te koken en drie buurten zijn volledig aardgasvrij. Hierbij is het belangrijk op te merken dat het aantal gebouwen niet de enige indicator is om een beeld te krijgen van de opgave. Ook is het belangrijk om te kijken naar het verbruik per aansluiting. Bijvoorbeeld op bedrijventerreinen is het aantal gebouwen beperkt maar kan de opgave complex zijn. Door de grote omvang van het verbruik op sommige bedrijventerreinen (bijvoorbeeld het Utrecht Science Park USP) of het type productieproces waarvoor alternatieven voor vervanging van aardgas beperkt zijn of zeer kostbaar.
Aantal panden per buurt met een gasaansluiting A2
N230
panden per buurt 0 -Aantal 9 10met - 99 een gasaansluiting 100 - 499
A27
0-9
500 - 1999 2000+10 - 99
100 - 499 500 - 1999 2000+
N237
A28
A12
A12 N228
A2 A27
Figu u r 3: Over zicht van het aantal gebouwen per buur t met een aardgasaansluiting in 2023 Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma (Gemeente Utrecht, 2025a).
20
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Verder ligt er een opgave in het vergroten van de inzet van duurzame bronnen voor de productie van warmte. Figuur 4 laat zien dat in 2023 54% van geleverde warmte voor het stadsbrede warmtenet (stadswarmtenet) gepro duceerd werd met hernieuwbare bronnen. In 2024 was 51% van de in Nederland geproduceerde elektriciteit afkomstig van hernieuwbare bronnen.
100%
80%
60%
40%
20%
0 2018
2019
2020
% duurzame bronnen
2021
% hernieuwbaar
2022
2023
2024
% besparing uitstoot CO2 tov een gasketel
Bron: warmte-etiketten Eneco
100% 80% 60% % Kernenergie + Overig
40%
% Hernieuwbaar
20% 0%
% Fossiel 2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
Figuu r 4: Boven aandeel duur zaam geleverde warmte via het stadsver warmingsnet en onder aandeel duur zaam geproduceerde elek triciteit in Nederland. Bron: Eneco en CBS.
21
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
2.2 Geanalyseerde alternatieven voor de warmtevoorziening 2.2.1 Vijf alternatieven naar aardgasvrij Voor Utrecht zijn vijf alternatieven naar een aardgasvrije warmtevoorziening geanalyseerd (zie Figuur 5a t/m e). 1. Middentemperatuur (MT) stadswarmtenet Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label C en worden verwarmd door Middentemperatuur (MT) (55-75ºC) warmte geleverd via een collectief stadswarmtenet. Deze warmte kan in het gebouw direct gebruikt worden voor ruimteverwarming en warm tapwater. Het warmtenet wordt gevoed door een mix van duurzame MT-warmtebronnen, zoals restwarmte en aquathermie en bevat warmtebuffers voor de tijdelijke opslag van warmte. 2. Middentemperatuur (MT) buurtwarmtenet Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label C en worden verwarmd door Middentemperatuur (MT) (55-75ºC) warmte geleverd via een collectief buurtwarmtenet. Deze warmte kan in het gebouw direct gebruikt worden voor ruimteverwarming en warm tapwater. Dit net wordt gevoed door lokale lage temperatuur (LT) bronnen zoals oppervlaktewater, restwarmte en lucht die collectief worden opgewaardeerd naar midden temperatuur (MT). Dit net maakt gebruik van seizoensopslag van energie in de bodem (Warmte Koude Opslag WKO).
Bron
Opslag
Infrastructuur Aansluiting
Figuu r 5 a: Illustratie middentemperatuur (MT ) stadwarmtenet.
Infrastructuur
Bron
Aansluiting Opslag
Figuu r 5 b: Illustratie middentemperatuur (MT ) buur t warmtenet.
22
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
3. Zeer-Lage-Temperatuur (ZLT) buurtwarmtenet Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label B en hebben een individuele warmtepomp die wordt gevoed door een Zeer-Lage-Temperatuur (ZLT) warmtenet (10-30ºC), waarmee gebouwen zowel verwarmd als gekoeld kunnen worden. Dit warmtenet maakt gebruik van lokale zeer lage temperatuur (ZLT) bronnen zoals water, restwarmte en lucht die in de woningen worden opgewaardeerd tot het juiste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater en maakt gebruik van seizoensopslag van energie in de bodem (WKO).
Infrastructuur
Bron
Aansluiting Opslag
Figuu r 5 c: Illustratie Zeer-L age -Temperatuur ( ZLT ) buur t warmtenet.
4. Individuele luchtwarmtepomp Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label B en worden verwarmd en eventueel gekoeld met een individuele luchtwarmtepomp waarbij een buitenunit warmte uit de lucht haalt.
Bron
Infra Aansluiting
Figuu r 5 d: Illustratie individuele lucht warmtepomp. 23
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
2,5 2,0 1,5
Een uitgebreide beschrijving van de alternatieven en gehanteerde veronderstellingen zijn opgenomen in Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleids nota Warmte en het Warmteprogramma (Gemeente Utrecht, 2025a).
1,0
Belangrijke veronderstellingen bij deze vijf alternatieven zijn:
G eo
0,5
Veel HT/MT bronnen
rm ie Pi ek bi (d om u as urz sa aa ,b m uf ga fe s rs , )
he nt Zo
bo ile rs tro
El ek
pp er (T vlak EO te )+ wa W te KO r Lu ch t( TE L) + W KO Re st w ar m Re te st M w ar T m te LT (2 0 + -45 W ˚C KO )
O
Af v
al w
at
er
(T
EA )
sa
er m ie th
Klaar voor verwarmen op middentemperatuur (MT) De veronderstelling is dat gebouwen in 2050 klaar zijn voor het gebruik van MT- of LT-warmte voor een comfortabele binnentemperatuur. Onderzoeken tonen aan (Energiepaleis (2024), Onderzoek Warming Up (2022): lage temperatuurverwarming in bestaande gebouwen) dat een groot aantal woningen nu al geschikt is voor gebruik van warmte op midden- of lage-temperatuur. Woningeneigenaren hebben al energiebesparende maatregelen getroffen en afgifte systemen hebben voldoende capaciteit voor het
Bron
Aansluiting
Figuu r 5 e: Illustratie individuele bodemwarmtepomp.
10 9 Totale warmtevraag in petajoule (PJ)
Energiebesparing en groei van de stad zorgen voor gelijkblijvende warmtevraag tot 2050 Figuur 6 geeft een overzicht van de warmtevraag in 2020 en een prognose voor 2050. De verwachte energie besparing bij de huidige gebouwen en bedrijfsprocessen samen met de toekomstige groei van de stad zorgen ervoor dat de totale warmtevraag in 2050 ongeveer op het niveau blijft van 2020. De voorziene groei van het aantal woningen (85.000) en bedrijventerreinen (ca. 70 hectare) leidt uiteindelijk tot een aanzienlijke energievraag. Hoewel nieuwbouwwoningen per woning twee tot drie keer minder energie verbruiken dan bestaande woningen en zonder aardgas verwarmd worden, blijft energie nodig.
Weinig HT/MT bronnen
Infrastructuur
0,0
Bi om as
5. Individuele bodemwarmtepomp Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label B en worden verwarmd en gekoeld met een individuele bodemwarmtepomp met bodemlussen die in de grond worden aangebracht.
8
35% Energiebesparing
7 6 5 4 3
Utiliteit - warmte
Nieuwbouw - utiliteit
2
Utiliteit - gas
Nieuwbouw - woningen
1
Woningen - warmte
Utiliteit
Woningen - gas
Woningen
0 2020 (bron: Utrecht Monitor)
2050
Figu u r 6: Warmtevraag in 2020 en prognose voor 2050 (Bron: Gemeente Utrecht, Bronnenstrategie Hernieuwbare Warmte, 2025). 24
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
gebruik van MT- of LT-warmte voor een comfortabele binnentemperatuur. Verlaging van temperatuur in huidige stadswarmte netten De temperatuur binnen het huidige stadsbrede warmtenet kan worden verlaagd, waardoor bestaande warmtebronnen beter kunnen worden benut. Dit sluit ook aan bij de strategie van Eneco om de temperatuur in het hele bestaande Utrechtse warmtenet naar beneden te brengen van hoge-temperatuur (HT) naar middentemperatuur (MT) (max 70 graden) (Eneco: Routekaart verduurzaming warmte(net) Utrecht en Nieuwegein 2022). Toenemende vraag naar koeling Deze beleidsnota richt zich in de eerste plaats op het isoleren en duurzaam verwarmen van gebouwen in de koude maanden. Door het veranderende klimaat, met langere warme periodes, is het van steeds groter belang dat gebouwen ook koel blijven in de zomermaanden. Zonder verdere maatregelen stijgt de temperatuur in gebouwen steeds vaker naar niveaus die als oncom fortabel wordt ervaren. Warmteoplossingen die naast verwarming ook koeling kunnen leveren, zijn daarom meegewogen in de keuze voor een voorkeursalternatief in buurten die gevoelig zijn voor hittestress.
In principe zijn er genoeg duurzame warmtebronnen om in de toekomstige warmtevraag van Utrecht te voorzien. Echter, veel bronnen moeten nog worden ontwikkeld en de temperatuur van de beschikbare warmte is te laag voor direct gebruik. Dit betekent dat elektriciteit nodig is om ze op de juiste temperatuur te krijgen. Figuur 7 geeft de jaarlijkse warmteproductie met duurzame bronnen om te voorzien in de verwachte warmtevraag in 2050. Voor deze inzet zijn twee scenario’s uitgewerkt die verschillen in gehanteerde veronderstellingen voor de beschikbaarheid van duur zame warmtebronnen: 1) een scenario met ruime beschikbaarheid van midden en hoge temperatuur bronnen (MT & HT) zoals MT-restwarmte en geothermie, en 2) een scenario met weinig MT- en HT-warmtebronnen. De scenario’s zijn uitgebreid beschreven in Bronnenstrategie Hernieuwbare Warmte (Gemeente Utrecht 2025b), zie bijlage 3: Overzicht externe bijlagen.
We sturen op het vergroten van de inzet van duurzame warmtebronnen, deze eerlijk te verdelen en efficiënt in te zetten.
De meeste bronnen worden ingezet als basislast en leveren ca 80% van de warmtevraag op jaarbasis. Zij vertegenwoordigen echter maximaal 30% van het opgetelde warmtevermogen op het moment dat warmte moet worden geleverd op koude dagen (op piekmomenten). Voor piek- en back-up vermogen geldt het omgekeerde, zij vertegenwoordigen ca 70% van het totaal benodigde vermogen en leveren op jaarbasis ca 20% van de totale warmteproductie. Figuur 8 geeft een overzicht van het opgesteld vermogen en de jaarlijkse warmteproductie van duurzame bronnen voor collectieve warmtenetten onderverdeeld naar piek- en basislast in 2050.
Dit doen we door in te zetten op de ontwikkeling van aquathermie, bodemenergie en (diepe) geothermie. Voor de piekvoorziening van het warmtenet op Lage Weide richten we ons op waterstof of groen gas.
Basislastbronnen Geothermie beschouwden we als een belangrijke bron voor collectieve warmtenetten om in de basis last te voorzien. De ondergrond in de gemeente
2.2.2 Scenario’s voor inzet van duurzame bronnen in bestaande en nieuwbouw
Utrecht blijkt echter ongeschikt voor toepassing van geothermie. De potentie buiten de gemeentegrenzen moet nog verder worden onderzocht. Hierdoor is de toepassing van geothermie als basislastbron voor collectieve warmtenetten de komende vijf jaar niet realistisch. De focus komt daarmee te liggen op het scenario met weinig MT- en HT-bronnen. Daarmee wordt aquathermie (energie uit oppervlaktewater en afvalwater) een belangrijke basislastbron voor collectieve warmtenetten, zowel in het stadswarmtenet, buurtwarmtenetten en in de nieuwbouw (in combinatie met energieopslag in de bodem). Omdat de potentie beperkt is, sturen we op efficiënte inzet en eerlijke verdeling van de beschikbare warmte uit water. Als geothermie en aquathermie beiden niet haalbaar blijken, is de inzet van grootschalige luchtwarmtepompen (Thermische Energie uit Lucht of TEL) een belangrijk alternatief. Deze vraagt om een grotere inzet van elektriciteit en zorgt voor grotere piekbelasting op het net. Wij sturen daarom pas actief op grootschalig inzetten van deze bron als duidelijk is dat zowel geothermie als aquathermie niet van de grond komen. Bij de ontwikkeling van buurtwarmtenetten worden vooral lage temperatuurbronnen ingezet (aquathermie, lage temperatuur restwarmte, kleinschalige zonthermie/ PVT of lucht) en is gebruik van de bodem voor opslag van energie essentieel.
Ook bij nieuwbouw is de inzet van bodemenergie belangrijk om zowel koude als warmte te leveren. Voor het in stand houden van de energiebalans in de bodem vormen lage temperatuur restwarmte, PVT (photovoltaïsch-thermisch; zonnepanelen gecombineerd met warm water), aquathermie of lucht belangrijke regeneratiebronnen. Voor de biomassa sturen we aan op verschuiving van de inzet als basislastvoorziening naar de inzet als piekvoorziening, en volledige beëindiging van de inzet bij beperkte uitbreiding van het stadsbrede warmtenet
25
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Ook voor buurtwarmtenetten is een piek- en backupvoorziening noodzakelijk. Een mogelijk scenario is het op termijn koppelen van buurtwarmtenetten en/of koppeling van verschillende buurtwarmtenetten aan het huidige stadsverwarmingsnet. Dit biedt de mogelijkheid om piek- en back-upvoorzieningen en warmtebuffers te delen, waardoor de totale kosten voor realisatie van een CO2-vrij warmtenet kunnen worden verlaagd. Dit betekent dat lokale (buurt)warmtenetten naar verwachting niet meteen vanaf de start CO2-vrij zijn. Er wordt gestart met back-up en piekvoorziening op basis van aardgas en pas na koppeling van de (buurt) warmtenetten zijn deze volledig CO2-vrij. Met deze
2,0 1,5 1,0 0,5
rm ie Pi ek bi (d om u as urza sa a ,b m uff ga er s, s)
Zo nt he
O
pp
at er lw va Af
er (T vlak EO te )+ wa W te KO r Lu ch t( TE L) + W KO Re st w ar m Re te st M w T ar m te LT (2 0 + -45 W ˚C KO ) El ek tro bo ile rs
) (T EA
sa Bi om
as
ie
0,0
m
Piek- en back-up bronnen Groen gas en waterstof worden niet langer gezien als een serieuze optie voor de directe levering aan gebouwen. Dit sluit aan bij het advies van oud-minister De Jonge aan Colleges van B&W (Brief Rijksoverheid 2023: verduurzaming gebouwde omgeving). Wij voorzien alleen een rol voor groen gas en waterstof als pieken back-upvoorziening bij een stadsbreed collectief warmtesysteem. Wij maken ons daarom sterk voor een aftakking van de nationale waterstofbackbone tot aan Lage Weide. Ook de industrie krijgt daarmee toegang tot waterstof. Daarnaast spelen warmtebuffers en seizoensopslag een belangrijke rol in de piekvoorziening van een duurzaam warmtenet, zowel voor overbrugging van een dag als een volledig seizoen. Basislastbronnen kunnen met behulp van buffers een groter vermogen leveren op piekmomenten. Buffers hebben echter wel een aanzienlijk groter ruimtebeslag (boven- of ondergronds) dan piekketels.
2,5
G eo th er
en als er voldoende andere betaalbare bronnen beschikbaar komen. Dit sluit aan bij al bestaand beleid over biomassa op gemeentelijk (Raadsbrief Visie biomassagebruik in Utrecht) en regionaal niveau (Regionale Energie Strategie 1.0 van de regio U16).
Veel HT/MT bronnen
Weinig HT/MT bronnen
Piek
Piek
Figuu r 7: Scenario’s voor de jaarlijkse warmteproductie per duur zame warmtebron voor collectieve warmtenet ten in Utrecht in 2050.
Vermogen (MW)
Warmte (PJ)
0%
20%
40%
60%
Basislast
Pieklast
80%
100%
Figuu r 8 : Opgesteld vermogen en jaarlijkse warmteproductie van duur zame bronnen voor collectieve warmtenet ten onder verdeeld naar piek- en basislast in 2050.
26
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
aanpak vergroten we de kans op realisatie van deze netten, omdat investeringen in piekvoorzieningen grote impact hebben op haalbaarheid van de businesscase. Huidige situatie
2.3 Afwegingskader voor de voorkeursalternatieven per buurt
Effect op het elektriciteitssysteem
We zetten in op collectieve warmteoplossingen voor het merendeel van de buurten in Utrecht
Nationale kosten
Als het toekomstig duurzaam energiesysteem zoals geschetst in “Hoofdstuk 1 Transitie naar schone energie” de realiteit wordt, dan worden collectieve warmteoplossingen in Utrecht het voorkeursalternatief voor het merendeel van de buurten. In sommige (delen van) buurten is er echter onvoldoende ruimte om deze systemen in te passen, liggen de kosten van een collectief systeem veel hoger dan die van een individueel systeem, of hebben ze grote negatieve effecten op de leefomgeving. Daarom is per buurt een brede afweging gemaakt om te komen tot een voorkeursalternatief voor de warmteoplossing, zoals gevisualiseerd in figuur 9. De benoemde analyses zijn uitgebreid beschreven in “Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma” (Gemeente Utrecht, 2025a) en “Milieueffect rapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht” (Antea, 2025), zie bijlage 3: Overzicht externe bijlagen.
Ruimtebeslag in woningen
Ruimtebeslag in wijk en ondergrond
Isolatieniveau gebouwen
Effecten op de leefomgeving • • • • • • • • •
aa
Tk WA
ief
nat
r alte
urs
rke
oo rt v
Geluid & Trillingen Bodem Lucht Water Natuur en biodiversiteit Circularitet Ruimtelijke kwaliteit Verkeer Archeologie & cultuurhistorie
Figuu r 9 : Af wegingskader voor de voorkeur sa lternatieven per buur t. 27
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Stap 1: Huidige situatie & bedrijventerreinen De veronderstelling is dat in buurten die al (bijna) aardgasvrij zijn of waar nog minder dan 100 gebouwen op aardgas zitten, gebouweigenaren meegaan in het aanwezige dominante warmtealternatief voor die buurt. Dit kan het bestaande warmtenet zijn, of een individuele warmtepomp met lage temperatuur bron. Verder is de veronderstelling dat 1) in buurten waar al een warmtenet ligt, de gebouwen die al zijn aangesloten op het warmtenet ook aangesloten blijven en 2) bedrijventerreinen overgaan naar collectieve of individuele lage temperatuur warmteoplossingen. Dit levert voor een aantal buurten een voorkeursalternatief: (i) buurten die of al aardgasvrij zijn (groen) en (ii) buurten met minder dan honderd gebouwen die nog op aardgas zitten. In deze buurten is aansluiting op een warmtenet of de overstap naar een individuele warmtepomp met lage temperatuur bron (gearceerd blauw of geel) (zie Figuur 10).
A2 N230 A27
N237
A28
A12
A12 N228
A27 A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT)
Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen)
Individuele warmtepomp (LT)
Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gasaansluitingen)
Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT)
Huidig stadswarmtenet
Figuu r 10 : Buur ten met een beoogd voorkeur salternatief na stap 1 – huidige situatie en bedrijventerreinen. 28
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Stap 2: Nationale kosten Vervolgens zijn de nationale kosten berekend voor de vijf alternatieven vanuit een greenfield situatie voor de hele stad. Dat wil zeggen dat is verondersteld dat alle gebouwen in Utrecht bij de start nog zijn aangesloten op het aardgasnet en overal in de stad nieuwe investeringen moeten worden gedaan om het alternatief naar aardgasvrij te realiseren. Hierdoor ontstaat een zuivere vergelijking tussen de verschillende alternatieven. Daarnaast is voor gebouwen die aan een bestaande warmteleiding liggen de nationale kosten bepaald waarbij het warmtenet niet meer hoeft te worden aangelegd. De nationale kosten omvatten alle uitgaven voor de realisatie van een bepaald alternatief, waaronder kosten voor aanleg of versterking van de infrastructuur, isolatie van gebouwen, installaties, jaarlijks onderhoud en uitgaven voor de productie van energie. Dit zijn dus de kosten zonder subsidies en belastingen. In die buurten waar de nationale kosten voor één alternatief naar aardgasvrij minimaal 20% lager liggen dan de kosten voor het volgende alternatief wordt dit het voorkeursalternatief voor deze buurt of delen van buurten. Op basis van deze stap wordt voor aantal buurten een individuele warmtepomp met lage temperatuur bron het voorkeursalternatief en voor delen van buurten een aansluiting op het bestaande stadswarmtenet (zie Figuur 11).
A2 N230 A27
N237
A28
A12
A12 N228
A27 A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT)
Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen)
Individuele warmtepomp (LT)
Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gasaansluitingen)
Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT)
Huidig stadswarmtenet
Figuu r 11: Buur ten met een beoogd voorkeur salternatief na stap 2 – nationale kosten. 29
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Stap 3: Ruimte in de woning, boven en ondergrond Als de hoogte van de nationale kosten niet leidt tot een voorkeursalternatief, dan wordt de beschikbare ruimte in woningen voor de installatie van een warmtepomp en ruimte in zowel de onder- als bovengrond voor aanleg van bijv. een warmtenet meegewogen. Zoals toegelicht in 1.2 hebben collectieve warmteoplossingen in Utrecht de voorkeur vanuit betaalbaarheid en betrouwbaarheid. Daarom krijgt een buurt het voorkeursalternatief ‘individuele warmtepomp met een lage temperatuurbron’ alleen als de kosten voor inpassing van een warmtenet in de ondergrond relatief hoog zijn en een individuele oplossing eenvoudig inpasbaar is in de woningen. Dit levert de kaart op zoals in Figuur 12, waaruit blijkt dat veel buurten op basis van ruimtegebruik als voorkeursalternatief een MT stadswarmtenet of buurtwarmtenet krijgen. Eén buurt krijgt een individuele warmtepomp met lage temperatuur bron als voorkeursalternatief.
A2
N230
A27
N237 A28
A12
A12 N228
A27 A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT) Aansluiting op stadswarmtenet (MT) of buurtwarmtenet (MT) Individuele warmtepomp (LT)
Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT)
Huidig stadswarmtenet
Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen) Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gasaansluitingen)
Figuur 12: Buur ten met een beoogd voorkeursalternatief na stap 3 – Ruimte in de woning, boven en ondergrond. 30
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Stap 4: Gemiddeld isolatieniveau Voor buurten waar een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief is, wordt gekeken of er buurten zijn waar een duidelijke keuze voor een ZLT-net (zeer lage temperatuur-net) kan worden gemaakt boven een MT-net. Een ZLT-net biedt ook de mogelijkheid tot koeling en verminderd daarmee hittestress. Maar om te kunnen koelen moet het afgiftesysteem in de woning geschikt zijn (vloerverwarming), dit gaat vaak samen met woningisolatie. Als indicator voor de geschiktheid van een buurt voor ZLT wordt de huidige mate van isolatie van de woningen in een buurt gebruikt. Als de meerderheid van de gebouwen al klaar is om op lage temperatuur te worden verwarmd, wordt een ZLT-net het voorkeursalternatief. Deze analyse levert geen wijzigingen op in de kaart, omdat er geen buurten zijn waar de meerderheid van de woningen al klaar is voor lage temperatuurverwarming. Stap 5: Effecten op de leefomgeving Op basis van het voorlopige voorkeursalternatief wordt vervolgens per buurt bekeken in hoeverre op basis van de resultaten uit het planMER negatieve effecten op de leefomgeving zijn te verwachten waardoor het voorkeursalternatief voor een buurt wijzigt (Antea, 2025). In dit planMER is het advies van de Commissie mer meegenomen. •
•
In de aanlegfase zijn in de meeste buurten nega tieve effecten te verwachten op het gebied van geluid en voor hoogstedelijke buurten op het gebied van trillingen en verkeershinder die voor collectieve warmteoplossingen groter zijn dan voor individuele oplossingen. Omdat deze fase echter van kortere duur is dan de gebruiksfase, worden deze effecten als acceptabel gezien en waar mogelijk gemitigeerd. In de gebruiksfase zijn in buurten waar een individuele warmtepomp het voorlopige voorkeursalternatief is negatieve effecten te verwachten, zowel bij toepassing van een luchtwarmtepomp als bij een