CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 26 juni 2025, gemeente Utrecht30.953 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het aantal fietsstallingen komt voor de 3 nieuwe sportvelden (met een norm van 50 per hectare) uit op 92. De benodigde extra fietsstallingen worden op het sportpark zelf toegevoegd, verdeeld over locaties nabij de clubhuizen van hockey en rugby. o

De tekst onder ‘Herontwikkeling manage’ is geactualiseerd: Voor de paardrijvereniging is het belangrijk dat het parkeren voor onder andere paardentrailers en paardenvrachtwagens op een afgesloten deel van het terrein van de manege plaatsvindt, dit is een eis vanuit de hippische branche. Tot nu vond vindt het parkeren plaats op het (tijdelijke) parkeerterrein in eigendom van de gemeente, waarvoor een bruikleenovereenkomst is gesloten tussen de Voornruiters en de gemeente. Bij het sluiten bruikleenovereenkomst was al bekend dat dit een tijdelijke voorziening was totdat bedrijventerrein Strijkviertel werd ontwikkeld. Binnen het eigen terrein van de rijvereniging en mogelijk aan de westzijde zien we ruimte om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform een maatwerkberekening die is gemaakt door de gemeente Utrecht. Hiermee voldoet de vereniging aan de eisen die gelden vanuit de hippische branche. Het bezoekersparkeren (auto en fiets) voor de manege dient ook op eigen terrein plaats te vinden, dus binnen het afgesloten terrein. Voor deze ontwikkeling voorzien we in Deze betreft 101 parkeerplaatsen (11 voor grote vrachtwagens, 66 voor kleine vrachtwagens en auto's met trailers en 24 voor bezoekers) en 24 fietsstallingen op eigen terrein.

o

Onder ‘Invoeren betaald parkeren in de omgeving van Strijkviertel is de tekst geactualiseerd: Er bestaat een risico dat auto's uitwijken naar de omgeving van het bedrijventerrein, bijvoorbeeld naar het sportpark of de woonwijk Rijnvliet. Dit zou kunnen gebeuren als parkeervoorzieningenterreinen vol komen te staan. Wij zorgen ervoor dat de invoering van betaald parkeren in dit gebied gelijk oploopt met de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Het gebied staat op de planning voor invoering betaald parkeren in de periode 2026–2029.

17/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

In het gebied Rijnvliet, waar Strijkviertel, het sportpark en de woonwijk Rijnvliet

onderdeel van zijn zal volgens planning betaald parkeren worden ingevoerd in de

periode 2030– 2034. Het bedrijvenpark zal gefaseerd ontwikkeld worden, waardoor de eerste paar jaar de totale parkeerdruk laag zal zijn. Wij verwachten geen uitwijk naar deze wijk vanuit het bedrijventerrein, aangezien we voorzien in de

parkeerbehoefte op het bedrijventerrein en er op eigen terrein kan worden

geparkeerd. De afstand tot de woonwijk is bovendien vrij groot en er ligt nog een

parkeerterrein tussen van het sportpark. Eventuele uitwijk naar het parkeerterrein

voor sportpark Rijnvliet zal daar geen problemen opleveren, aangezien dat meestal overdag en door de week zal plaatsvinden, wanneer er nauwelijks parkeerders zijn voor de sportvoorzieningen. Mocht in de toekomst toch uitwijk plaatsvinden naar

de woonwijk, zal het betaald parkeren bij het sportpark en in de woonwijk alsnog eerder worden ingevoerd. •

Paragraaf 4.4 is de paragraaf Circulair Bouwen geactualiseerd: Utrecht wil in 2050 een circulaire stad zijn. Het Actieprogramma Utrecht Circulair 2020-

2023 en de visie Utrecht Circulair 2050 maken maakt onderdeel uit van de Omgevingsvisie. De beleidsnota Utrecht Circulair 2030 is in voorbereiding en wordt naar verwachting eind

2024 / begin 2025 ter besluitvorming voorgelegd. en is een eerste stap op weg naar 2050.

Het actieprogramma richt zich voor een belangrijk deel op de gebouwde omgeving, waarbij

de bouwopgave van groot belang is voor de circulaire ambitie: bestaande gebouwen worden circulair getransformeerd en nieuwe gebouwen zijn circulair te bouwen.

Een MPG van 0 voor alle soorten gebouwen, en een MKI van 0 bij de aanleg van openbare ruimte is het uiteindelijke doel bij circulaire nieuwbouw (2050). Om dit doel te bereiken

willen we tot en met 2023 vooral experimenteren, innoveren en leren hoe tot gemiddeld

een lagere MPG te komen. Belangrijk is dat er voor wordt gezorgd dat de bouwmaterialen van nu de grondstoffen van de toekomst zijn. Voorwaarde daarvoor is dat de oorsprong,

kwaliteit en eigenschappen ervan goed worden vastgelegd in een 'materialenpaspoort'. Bij

de gronduitgifte (in tenders) zal circulair bouwen (bijvoorbeeld blijkend uit een lage MPGscore, Paris proof CO2-effect, een hoog massapercentage biobased/hergebruikt

bouwmateriaal en/of een hoge losmaakbaarheidsindex) worden meegenomen als een

belangrijk selectiecriterium. Bij de aanbesteding van de aanleg van de openbare ruimte zal circulaire aanleg (bijvoorbeeld blijkend uit een lage MKI of een hoog massapercentage

biobased/hergebruikt bouwmateriaal) worden meegenomen in het kader van ons beleid voor het maatschappelijk verantwoord opdracht geven en inkopen (MVOI).

De circulaire economie gaat niet alleen om het nuttig gebruik van grondstoffen,

componenten en producten die hun levenseinde hebben bereikt. Een belangrijk onderdeel

is ook de manier waarop deze producten worden ontworpen, vervaardigd en toegepast met het oog op makkelijk (her)gebruik aan het einde van hun leven. Dit gebeurt met aandacht voor zowel het grondstoffengebruik als de benodigde energie en de milieu impact.

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden •

Paragraaf 5.2 ‘Milieueffectrapportage’ is geactualiseerd. Naar aanleiding van zienswijzen en

ambtshalve wijzigingen zijn verschillende milieuonderzoeken geactualiseerd. Ook heeft een uitspraak van de Raad van State ertoe geleid dat er een passende beoordeling nodig was

voor het thema stikstofdepositie. Een passende beoordeling leidt op basis van artikel 7.2a lid 1 van de Wet Milieubeheer en artikel 3 lid 1 onder a Besluit m.e.r tot een planmer-

beoordelingsplicht. Hiertoe is een oplegnotitie voor de mer-beoordeling opgesteld en door

18

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

het college van B&W op 3 juni een nieuw mer-beoordelingsbesluit genomen. De nieuwe mer-beoordeling en het mer-beoordelingsbesluit zijn toegevoegd als bijlage aan het bestemmingsplan. In paragraaf 5.2 is de volgende tekst toegevoegd:

Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft op 5 december 2023 besloten om voor dit bestemmingsplan geen mer-procedure te doorlopen. Naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerpplan is een aantal onderzoeken geactualiseerd. Aangezien deze onderzoeken belangrijk zijn voor de motivering van het mer-beoordelingsbesluit is een oplegnotitie gemaakt waarin de uitkomsten zijn toegelicht en meegewogen in de mer-beoordeling.

Plan-mer-beoordeling

Op 18 december 2024 heeft de Raad van State in haar uitspraken over Rendac en de Amercentrale geoordeeld dat intern salderen niet betrokken mag worden in de voortoets voor stikstofdepositie. Dit betekent dat significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en er een passende beoordeling gemaakt moet worden voor het bestemmingsplan. Een passende beoordeling betekent ook dat er in de basis een planmer-plicht geldt. Voor kleine gebieden kan volstaan worden met een plan-merbeoordeling. Dat is bij bestemmingsplan Strijkviertel het geval. Een plan-merbeoordelingsplicht betekent dat er getoetst moet worden aan de criteria van bijlage II van de smb-richtlijn. De inhoudelijke toetsingscriteria van de plan-mer-beoordeling en projectmer-beoordeling zijn nagenoeg gelijk. Wel is het verplicht om de plan-merbeoordeling voor vooroverleg toe te sturen naar de bestuursorganen en instanties die op grond van een wetttelijk adviseren over de besluiten waarvoor het plan een kader vormt. In dit geval zijn dit de provincie en het Waterschap. Ook moet de plan-mer-beoordeling voor vooroverleg gestuurd worden naar de Minister van IenW, de minister van Natuur en Stikstof en de minister van OCW. Dit is gebeurd in het voorjaar van 2025.

Mer-beoordelingsbesluit

Op 3 juni 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders op basis van de geactualiseerde notitie een nieuw mer-beoordelingsbesluit genomen. •

In het najaar van 2024 is een nieuw verkeersmodel vastgesteld. Het akoestisch onderzoek en het onderzoek naar luchtkwaliteit zijn gebaseerd op gegevens uit het verkeersmodel. Om deze reden zijn het akoestisch onderzoek en het onderzoek naar luchtkwaliteit geactualiseerd. De conclusie van beide onderzoeken wijzigt niet in het aangepaste onderzoek. Er is nog steeds sprake van een goede ruimtelijke ordening. De teksten in paragraaf 5.8 en paragraaf 5.9 zijn geactualiseerd.

•

De tekst onder paragraaf 5.11 Natuurbescherming Beschermde gebieden is als volgt

aangepast:

De verkeerstoenames in en rond het gebied Strijkviertel leiden in de gebruiksfase tot een toename van depositie van 0,02 mol/ha/jr in 2025 en 2035. De verkennende berekening

voor de bouwfase op basis van algemene kentallen leidt tot een toename 0,01 mol N/ha/jr op Oostelijke Vechtplassen.

Als gevolg van de ontwikkeling van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel wordt grasland aan het gebruik onttrokken. Na interne saldering met de uit gebruik genomen weilanden blijft er geen toename van de depositie over.

Voor de permanente gebruiksfase (opgeteld bij de bouwfase) wordt na toepassing van de interne saldering geen stikstofdepositie bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar berekend, waarmee significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura

19/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2000-gebieden ten gevolge van het gebruik van de beoogde ontwikkeling op voorhand

uitgesloten zijn. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het gebruik van de beoogde ontwikkeling.

De verkeerstoenames in en rond het gebied Strijkviertel leiden in de gebruiksfase tot een toename van depositie van 0,05 mol/ha/jr in 2025 en 2035. In de aanlegfase is er geen sprake van een planbijdrage.

Als gevolg van de ontwikkeling van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel wordt grasland aan

het gebruik onttrokken. Na interne saldering met de uit gebruik genomen weilanden blijft er geen toename van de depositie over. De positieve effecten van het beëindigen van deze

activiteit (verminderde stikstofdepositie) worden als (mitigerende) maatregelen ingezet om

het stikstofeffect van Strijkviertel te salderen. Met deze interne saldering is verzekerd dat er geen stikstofdepositietoename ontstaat op de relevante hexagonen in enig Natura 2000-

gebieden. In twee gebieden is zelfs sprake leidt het interne saldo zelfs tot een afname aan stikstofdepositie. In de Oostelijke Vechtplassen treedt na interne saldering een afname op van max 0,03 mol/ha/jr en in het Naardermeer een afname van 0,01 mol/ha/jr.

Aangezien er sprake is van interne saldering voor stikstof is er een passende beoordeling

uitgevoerd (zie Bijlage 10 Passende beoordeling). Op basis van deze passende beoordeling kan de zekerheid worden verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura

2000-gebieden niet zal aantasten. In de toets van het additionaliteitsvereiste is beschreven dat er landelijke en provinciale plannen zijn met maatregelen die een reductie aan

stikstofdepositie en natuurherstel realiseren in de beïnvloede Natura 2000-gebieden. Voor bronmaatregelen ten behoeve van stikstofreductie zijn zeer lokale bronnen (binnen 1 km) of regionale bronnen (binnen bijvoorbeeld 3 km) het meest doelmatig. De bronmaatregel voor Strijkviertel ligt op veel grotere afstand. De agrarische activiteit in het plangebied

betreft een het salderingsmaatregel die (gelet op de aard) weliswaar geschikt is om in te

zetten als mitigerende maatregel. Maar, gelet op de locatie van de salderingsmaatregel, de kosten in relatie tot de zeer geringe stikstofwinst is evenwel duidelijk dat deze agrarische activiteit nimmer als instandhoudings- of passende maatregel zou worden beëindigd.

Bovendien is – gelet op de zeer geringe effecten – de maatregel niet nodig om de blijvende

en noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden te realiseren,

ook gelet op de andere maatregelen die reeds in uitvoering zijn. Het additionaliteitsvereiste staat dan ook in dit geval niet in de weg aan de vaststelling van het bestemmingsplan. •

Sinds 1 september 2024 is de haas beschermd in de provincie Utrecht. In paragraaf 5.11 Natuurbescherming onder ‘Grondgebonden zoogdieren’ is een toelichting toegevoegd over de maatregelen die worden genomen voor de Haas. Als bijlage bij de toelichting zijn het Activiteitenplan en Monitoringsplan toegevoegd die onderdeel uitmaken van de aanvraag omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De nieuwe tekst luidt als volgt: Grondgebonden zoogdieren In het plangebied is een omvangrijke populatie hazen aanwezig. De haas is beschermd onder de Omgevingswet en is sinds september 2024 niet meer vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het veroorzaken van negatieve effecten zijn niet toegestaan. Om deze reden is het nodig om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aan te vragen voor haas. Voor de ontwikkeling van circulair bedrijvenpark Strijkviertel en de nabijgelegen woningbouwlocaties Groenewoud en Papendorp is een aanvraag omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit ingediend bij de provincie. Wanneer het bedrijvenpark volledig is ontwikkeld. 20

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

Om een vergunning te verkrijgen dienen een aantal mitigerende en compenseren maatregelen getroffen te worden. Compensatie binnen het project is beperkt mogelijk, vanwege het beperkte niet bebouwd terrein dat na de uitvoering resteert binnen het plangebied. De interne compensatie is er op gericht om het huidig leefgebied zo lang als redelijkerwijs mogelijk is geschikt te maken voor hazen, zodat er voldoende tijd over blijft om buiten het plangebied compensatie uit te voeren. Hiervoor worden de volgende maatregelen genomen: 

 

Het toevoegen van ruigtestroken die maximaal 1x per jaar worden gemaaid en (deels) ook in de wintermaanden beschikbaar zijn voor hazen. Ruigtestroken hebben net zoals graslanden als doel om te voorzien in schuilmogelijkheden voor haas. Het jaarlijks maaien zorgt er ook voor dat de vegetatie niet te dicht wordt voor haas. Het maaien dient buiten januari tot en met oktober plaats te vinden, omdat dan veelal jonge hazen geboren worden Het reduceren van sterfte door het plaatsen van rasters (langs de A12/A2) of andere verkeersmaatregelen (in het plangebied) Als de maximumsnelheid op de N198 omlaag wordt gebracht, kan een deel van de hazen op het terrein met grasland en bos tussen de N198 en de A12/A2 terecht. Deze strook dient ook als corridor naar de polder Rijnenburg te kunnen maken. Om aanwezigheid van (jonge) hazen tijdens werkzaamheden te voorkomen zijn maatregelen nodig. Alle maatregelen om het leefgebied ongeschikt te maken worden onder ecologische begeleiding uitgevoerd Het monitoren van de populaties haas in Strijkviertel, Papendorp en Groenewoud is noodzakelijk om het voortbestaan van de aanwezige populaties te beoordelen. Indien uit de monitoring blijkt dat de aanwezige populaties drastisch afnemen kan in een worst-case situatie overwogen worden dieren actief te gaan vangen en te verplaatsen naar een (nader te bepalen) extern compensatiegebied

Het is noodzakelijk om compensatiemaatregelen te treffen buiten het projectgebied. Het nemen van (externe) maatregelen dient in beginsel te gebeuren zodra er ontwikkelingen gaan plaatsvinden in de plangebieden. Die maken immers dat het leefgebied van haas in het plangebied afneemt. In de eerste fases ondervangen de maatregelen die binnen het plangebied genomen worden voor het verlies aan leefgebied. Daar zit echter een limiet aan. Uiteindelijk zal een groot gedeelte van het leefgebied van haas verloren gaan in Strijkviertel (en Papendorp en Groenewoud). Om deze reden wordt op termijn een aanvullend plan ingediend bij het bevoegd gezag, waarin de externe compensatie beschreven staat. Externe compensatie bestaat in hoofdlijnen uit het geschikter maken van agrarische percelen door een aantal aanpassingen in de bedrijfsvoering. Daarbij moet men denken aan onder andere aan aanpassingen van maaibeheer, grondbewerking en aangepast beheer van kruidenstroken. Externe compensatie is niet mogelijk binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Utrecht, daarvoor is het areaal agrarisch gebied te beperkt in de provincie Utrecht. Om deze reden is voorgesteld dat de provincie in samenspraak met agrariërs en agrarische natuurcollectieven een compensatiefonds opricht en specifieke beheerpakketten opstelt voor haas.

Initiatiefnemers storten dan een financiële bijdrage in dit fonds waarmee de externe compensatie van aantasting van populaties van haas kan worden uitgevoerd. Het activiteitenplan en monitoringsplan voor de haas zijn toegevoegd in Bijlage 12 Activiteitenplan Haas en Bijlage 13 Monitoringsplan Haas. •

De laatste stand van zaken ten aanzien van de Grote Modderkruiper is toegevoegd.

In de Thematervelden is nieuw leefgebied aangelegd en ingericht voor de grote modderkruiper. In 2025 zouden de grote modderkruipers naar het nieuwe leefgebied worden overgezet. Uit intensief onderzoek is gebleken dat de grote modderkuiper in

21/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Strijkviertel niet meer aanwezig is. De soort wordt als lokaal uitgestorven beschouwd. Ondanks dat er geen overplaatsing van grote modderkruiper heeft plaatsgevonden is er aan de voorwaarden van de ontheffing voldaan. •

De conclusie van paragraaf 5.11 is aangepast:

Conclusie beschermde dier- en plantensoorten

Uit het nader onderzoek blijkt dat er geen ontheffing voor negatieve effecten op vleermuizen nodig is, mits er maatregelen worden getroffen in de uitvoering. Dit dient nader te worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol. Voor de grote modderkruiper is een ontheffing verkregen. Wanneer er aan de voorwaarden in de ontheffing wordt voldaan, kan het plan doorgang vinden. Voor de haas is een aanvraag omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit ingediend bij het bevoegd gezag. Bij de aanvraag is een activiteitenplan toegevoegd met mitigerende en compenserende maatregelen om negatieve effecten op de instandhouding te voorkomen. Het plangebied heeft geen betekenis voor andere streng beschermde soorten dier- en plantensoorten. Deze zijn niet aangetroffen in het plangebied. Utrechtse soortenlijst. Binnen het plangebied zijn tongvaren, grote kaardenbol en wilde reseda aangetroffen. Ook worden soorten verwacht die zijn opgenomen in de Utrechtse soortenlijst, zoals de bittervoorn, kleine modderkruiper, merel, de tjiftjaf en de egel. Negatieve effecten op het areaal aan geschikt leefgebied worden niet verwacht, mits er maatregelen worden getroffen in de uitvoering. Dit dient nader te worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol. •

•

In paragraaf 5.14 is het beleidskader gewijzigd vanwege de vaststelling van het Omgevingsplan Utrecht op 14 november 2024. Het oude beleidskader over het Chw plan algemene regels is verwijderd. Op 6 juni 2024 is het bestemmingsplan Windpark Rijnenburg en Reijerscop vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 4 windturbines mogelijk. In de paragraaf 5.16 Kwaliteit van de leefomgeving is een beoordeling van de slagschaduweffecten van de windmolens toegevoegd:

Slagschaduw van windturbines

Op 6 juni 2024 heeft de gemeenteraad van Utrecht het Chw bestemmingsplan Windpark Rijnenburg en Reijerscop vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van vier windturbines in de polder Rijnenburg mogelijk. Het bestemmingsplan Circulair Bedrijvenpark Strijkviertel ligt binnen de 0-uur slagschaduwcontour van het windpark. Om deze reden is aanvullend onderzoek4 gedaan naar de effecten van slagschaduw op het bedrijvenpark. Onderstaande figuur laat twee contouren zien: binnen de groene contour vindt gedurende het jaar 0 uur slagschaduw plaats. De rode lijn laat zien welk gebied er 5 uur en 40 minuten slagschaduw6 per jaar of meer plaatsvindt zonder dat er mitigerende maatregelen worden genomen. 5 uur en 50 minuten per jaar is de maximale norm slagschaduw per jaar op gevoelige objecten. Kantoren worden ook beschouwd als gevoelige objecten. Bestemmingsplan circulair bedrijvenpark Strijkviertel maakt geen zelfstandige kantoren mogelijk, maar wel ondergeschikte kantoorruimte bij de bedrijfsbestemming.

22

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

Slagschaduw kan gemitigeerd worden door een stilstandsvoorziening in te bouwen. In het onderzoek is berekend hoeveel stilstand er nodig is om aan de normen te voldoen en welk opbrengstverlies voor elektriciteit dit tot gevolg heeft. Hieruit blijkt dat de benodigde stilstand om aan de slagschaduwnorm te voldoen slechts 1:38 uur per jaar is en leidt tot een opbrengstverlies van 0,005%. Dit is een zeer beperkt effect en leidt niet tot belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. •

Paragraaf 5.20 Energie is geactualiseerd. De nieuwe tekst luidt als volgt: Kader Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn. Klimaatneutraliteit houdt in dat er op jaarbasis net zoveel energie in het gebied wordt opgewekt als gebruikt. Dit geldt voor:  de gebouwgebonden energievraag;  de gebruiksgebonden energievraag;  het energiegebruik in de openbare ruimte. Het is daarbij de ambitie de energievraag zo laag mogelijk te houden en de benodigde energie op te wekken met duurzame energiebronnen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos gebouwd. Het met de bewoners van Utrecht opgestelde Energieplan en de bestuurlijke duiding hiervan uit 2016 vormen nog de basis van het stedelijk energiebeleid. BENG Sinds 1 januari 2021 zijn de BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw) en TOjuli wettelijk verplicht voor alle nieuwbouw die per die datum wordt ontwikkeld en gebouwd. De BENG indicatoren zijn de nieuwe toetsingscriteria om nieuwbouw gebouwen te beoordelen. De indicatoren zijn opgesplitst in drie onderdelen: deze kennen we als de BENG 1, 2 en 3.

23/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

  

BENG 1 gaat over de maximale energiebehoefte (kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar). We willen dat deze zo laag mogelijk is. BENG 2 gaat over het maximale primair fossiel energiegebruik (kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar). BENG 3 gaat over het minimale aandeel hernieuwbare energie (procenten).

De ambitie van de gemeente Utrecht is zo snel mogelijk energieneutraal te worden. . Daarvoor is het nodig dat de nieuwbouw zo weinig mogelijk energie gebruikt. We streven daarbij naar een BENG 2 norm van 0 en een BENG 3 norm van 100%. Visie op de warmtevoorziening (2017), Transitievisie Warmte (2021) en Regionale Energiestrategie (2021) Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Om te kunnen voldoen aan de verplichting uit het Klimaatakkoord dat door de VNG is ondertekend, heeft de gemeente Utrecht in 2021 een tweedelige Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) vastgesteld. Deel 1 van de TVW bevat de strategie en visie over hoe de bestaande huizen en gebouwen in Utrecht geleidelijk, buurt-voor-buurt, over kunnen gaan naar nieuwe vormen van verwarmen en koken. Hierin is ook vastgelegd dat de schaarse capaciteit van het hoge temperatuur stadswarmtenet niet voor nieuwbouw ingezet mag worden. Deel II van de Transitievisie Warmte geeft aan wanneer en in welke buurten we aan de slag gaan met de voorbereidingen om aardgasvrij te worden.

In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen, hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt en welke duurzame warmtebronnen te gebruiken zijn zodat buurten van het aardgas af kunnen. Plansituatie De gemeente heeft een technische studie uitgevoerd of circulair Bedrijvenpark Strijkviertel energieneutraal ontwikkeld kan worden voor elektriciteit, verwarmen en verkoelen. De financiële aspecten van het energiesysteem zijn heel globaal meegenomen, de organisatorische aspecten nog niet. Zowel de toekomstige energievraag als ook het aanbod van energie zijn in beeld gebracht. Het (toekomstige) elektriciteitsverbruik in Strijkviertel bestaat uit drie onderdelen: 1. de gebouwgebonden elektriciteitsvraag: de elektriciteitsvraag van installaties voor verwarming en koeling van ruimtes, ventilatie, warmtapwater en verlichting. 2. de gebruiksgebonden elektriciteitsvraag: het verbruik voor 'huishoudelijke' apparatuur (keuken- en kantineapparatuur, computers, kopieerapparaten, printers enz.), bedrijfsapparatuur en machines. Dat wil zeggen: al het energieverbruik binnen het gebouw en op de kavel, exclusief verlichting. 3.

de gebiedsgebonden elektriciteitsvraag: het energieverbruik in de openbare ruimte, zoals verkeersregelinstallaties en straatverlichting (maar niet oplaadpunten voor elektrisch vervoer). Het programma in circulair Bedrijvenpark Strijkviertel kenmerkt zich waarschijnlijk door een hoge gebruiksgebonden elektriciteitsvraag voor de productieprocessen van de toekomstige bedrijven. Deze is lastig van tevoren in te schatten, omdat het energieverbruik voor productieprocessen bedrijfsspecifiek is. Daarom is er een laag en hoog scenario voor de elektriciteitsvraag uitgewerkt. De schattingen voor de totale elektriciteitsvraag variëren tussen de 20 en 106 GWh per jaar, 24

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

dat is een groot verschil. Om klimaatneutraal te zijn, wordt de elektriciteitsvraag duurzaam geproduceerd in het gebied. Door de grote onzekerheid in de energievraag, is gekeken naar het energieaanbod. Het leeuwendeel van het aanbod bestaat uit beschikbaar (dak)oppervlak voor zonnepanelen (PV-panelen). Voor het gehele plangebied komt daar waarschijnlijk nog een elektriciteitsvraag van ongeveer 21 GWh per jaar bij voor oplaadpunten voor elektrisch vervoer. Deze elektriciteitsvraag is in het Utrechts Energie Protocol niet opgenomen in de definitie van een klimaatneutraal gebied. Op grond van het energieaanbod is een klimaatneutraal bedrijvenpark Strijkviertel niet mogelijk. Er is een tekort aan dakoppervlak voor zonnepanelen. De verhouding tussen benodigd oppervlak zonnepanelen en uitgeefbaar oppervlak kavels varieert tussen circa 60% en 300%. Het dakoppervlak kan maximaal 60% worden gebruikt voor zonnepanelen. In het meest energiezuinige scenario zou het beschikbare dakoppervlak net genoeg zijn voor de behoefte aan stroom. Het dak ligt dan 'vol' met zonnepanelen. Op het bedrijvenpark wordt geen ruimte gemaakt voor opwek van duurzame energie. Dat betekent dat de ambitie van energieneutraal binnen het plangebied waarschijnlijk niet gehaald kan worden. Eventueel kan het bedrijvenpark wel gebruik maken van de duurzame energie die opgewekt wordt in Rijnenburg.

Bij de planuitwerking wordt uitgegaan van een lage temperatuur warmte-koudesysteem. Er is in het gebied geen gasinfrastructuur aanwezig en er wordt ook geen ruimte wordt gemaakt voor hoge temperatuur warmtenetten. De warmte en koude moeten komen van oplossingen die elektriciteit gebruiken, zoals warmtepompen, airco's, infra roodpanelen en elektrische kachels. Voor gebouwen(clusters) waarbij de warmte- en koudevraag groot genoeg is, wordt gebruik gemaakt van bodemenergie. Daarvoor is er genoeg ruimte in het plangebied. Er geldt wel een beperking voor het opslaan van warmte en koude tot circa 50 meter diepte. Netcongestie Tot 2031 kan niet gerekend worden op grootverbruikersaansluitingen voor gebouwen binnen het plangebied. Het is niet zeker of dat na 2031 wel het geval is. Het is ook niet zeker of er op het moment dat de gebouwen aangesloten moeten worden nog wel kleinverbruikersaansluitingen beschikbaar zijn. Met deze onzekerheid wordt als volgt opgegaan: 1. Via de uitgifte van grond wordt gestuurd op plannen met netbewuste energiesystemen, die een zo laag mogelijke piekbelasting van het elektriciteitsnet geven en mogelijk genoeg hebben aan een kleinverbruikersaansluiting. 2. De mogelijkheid wordt onderzocht om de in Rijnenburg opgewekte energie direct te gebruiken voor Strijkviertel (directe lijn), zodat het net minder belast wordt. 3.

Als nodig wordt er ruimte gemaakt voor tijdelijk lokale elektriciteitsproductie; omdat dit strijdig is met dit bestemmingsplan, wordt hiervoor een BOPA-procedure doorlopen. Voor netbewuste energiesystemen is het belangrijk om (1) het energiegebruik zoveel mogelijk te beperken, (2) energiemanagementsystemen toe te passen die het elektriciteitsverbruik spreiden over de dag, (3) seizoensopslag toe te passen waarmee de zomerse zonne-energie in de winter gebruikt kan worden voor verwarming en (4) dagopslag (bijvoorbeeld batterijen en warmtebuffers) toe te passen om de resteren pieken over de dag te spreiden. Conclusie Het plangebied wordt niet aangesloten op een gasleiding of een hoge temperatuur warmtenet. Via de uitgifte van grond sturen we op duurzame netbewuste nieuwbouwbouw. Dat betekent dat we inzetten op: 1.

Op hoogwaardige schilisolatie en gebouwinstallaties met hoge energieprestatie;

25/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2. 3.

Maximale benutting van daken voor zonne-energie (PV-panelen en eventueel ook thermische panelen voor de regeneratie van warmte-koudesystemen), eventueel in combinatie met andere functies zoals groen of waterberging. Netbudget (maximale piekbelasting van het net) per te ontwikkelen gebouwcluster, zodat er een maximale prikkel ontstaat voor toepassing van energiemanagementsystemen, seizoensopslag en dagopslag, waardoor de inzet van tijdelijk lokale elektriciteitsproductie zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Hoofdstuk 7 Juridische plantoelichting • • •

Hoofdstuk 7 Juridische plantoelichting is afgestemd op de aanpassing van de regels. Paragraaf 7.4.2 is verwijderd. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het niet meer mogelijk om nadere eisen te stellen. In de toelichting op de regels is artikel 4.4.1 beter uitgelegd met behulp van afbeeldingen uit het beeldkwaliteitplan.

Bijlagen bij de toelichting •

In de bijlagen van de toelichting is opgenomen o Een geactualiseerde Rapportage Verkeer (bijlage 3) o Een geactualiseerde plan- en projectmer-beoordeling (bijlage 5) o Een passende beoordeling (bijlage 10) o Een Activiteitenplan haas (bijlage 14) o Een Monitoringsplan haas (bijlage 15) o Een rapport over slagschaduw van windturbines (bijlage 21)

2.3.4 Ambtshalve wijzigingen van de plankaart •

•

•

De gronden die in het bestemmingsplan Actualisering diverse gebieden, Leidsche Rijn e.o. de bestemming Sport-Manege hebben, worden buiten het Chw bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel gelaten. Het Chw bestemmingsplan blijft daarmee beperkt tot waar ontwikkelingen plaatsvinden voor Strijkviertel en de aanleg van sportvelden. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is een rijvereniging op de betreffende locatie toegestaan. Op de plankaart is de functieaanduiding “Specifieke vorm van bedrijventerrein-1” verwijderd. Deze functieaanduiding was toegevoegd om een om horeca in de vorm van een proeflokaal mogelijk te maken. Sec het mogelijk maken van een proeflokaal sluit echter niet aan bij de Utrechtse systematiek van horecacategorieën. De gebiedsaanduidingen voor een archeologische verwachting zijn verwijderd van de plankaart, omdat de bescherming van archeologische waarden al via het Omgevingsplan Utrecht is geregeld.

26

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

3 Beoordeling van de zienswijzen Zienswijze 1

Indiener vindt de beoogde ontwikkeling zonde van het groen. Er worden op Strijkviertel 52 al bedrijfspanden gebouwd en er staan nog veel bedrijfsgebouwen in Utrecht te huur. Het zou daarom nog meer circulair zijn als eerst bestaande gebouwen in gebruik worden genomen. Nog beter zou het zijn om van het stuk weiland een bos te maken. Waarom een nieuw bedrijvenpark Reactie

Vanuit het Rijk en de Provincie wordt aangestuurd op zuinig ruimtegebruik, hetgeen neerkomt op het zoveel mogelijk benutten van het stedelijk gebied voor functies die thuishoren in een bebouwde omgeving. Al lange tijd wordt binnen het plangebied nagedacht over een stedelijke ontwikkeling. Met de vaststelling van het bestemmingsplan Actualisering diverse gebieden, Leidsche Rijn e.o. in oktober 2013 is voor een groot deel van het plangebied al een uit te werken bestemming opgenomen. Destijds is al geanticipeerd op een invulling als bedrijfslocatie. Ook vanwege de ligging in de oksel van twee snelwegen, is het plangebied een aantrekkelijke locatie voor bedrijven. In paragraaf 2.1.3 is met de toets aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking aangegeven dat er in Utrecht nog steeds behoefte is aan bedrijfskavels (zie ook de passage hieronder uit de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan). Dit wordt ingegeven door een verdere groei van de beroepsbevolking en ook het al bestaande tekort aan bedrijfsruimte in de stad. Utrecht kenmerkt zich door een zeer aantrekkelijke woon- en werkomgeving en centrale ligging. Het is één van de snelst groeiende steden van het land. In 2040 telt Utrecht naar verwachting meer dan 450.000 inwoners. Dat zijn er 90.000 meer dan de 360.000 die de stad begin 2021 telde.

De ambitie van de gemeente Utrecht is dat de werkgelegenheid meegroeit met het toenemende aantal inwoners. Rond 2040 zijn ruim 70.000 banen nodig om dit waar te maken, waarvan 13.000 op bedrijventerreinen. Boven op de bestaande capaciteit en plannen in de stad (waaronder circulair Bedrijvenpark Strijkviertel), is er behoefte aan 74 hectare bedrijventerrein tot 2040. Door verdichting op bestaande terreinen, focus op arbeidsintensieve bedrijven op circulair Bedrijvenpark Strijkviertel en functiemenging in de wijken kan hier deels in worden voorzien. Maar zowel in de stad als in de regio is een tekort aan werklocaties.

Grote vraag naar bedrijfslocaties

In de stad Utrecht is de afgelopen jaren gemiddeld 1,5 tot 2 ha per jaar aan nieuwe bedrijfskavels uitgegeven. Die zijn uitgegeven op de terreinen De Wetering en Haarrijn. Inmiddels zijn deze terreinen vrijwel geheel gerealiseerd. Naast nieuw uit te geven kavels is er ook aanbod door herontwikkeling op bestaande kavels op bedrijventerreinen, zoals op Lage Weide en Werkspoorkwartier. In de vraag naar grotere bedrijfskavels (van minstens één hectare) kunnen we als gemeente (en in de regio) niet meer voorzien. Met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB), met een ruimtebehoefte van 1.000 m² tot 5.000 m² bruto oppervlak, is het belangrijk dat er nieuwe bedrijfskavels beschikbaar komen. Zij worden steeds meer verdrongen door grote (logistieke) bedrijven als gevolg van stijgende grond- en huurprijzen. Start- en scale-ups, creatieve bedrijven, circulaire en duurzame bedrijven en de maakindustrie wil de gemeente behouden op de bedrijventerreinen en daarvoor de juiste ruimte op de juiste plek blijven bieden. Met name op Lage Weide zijn veel bestaande bedrijfskavels al herontwikkeld ten behoeve van nieuwe bedrijvigheid. Het Circulaire

27/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

bedrijvenpark Strijkviertel is voorlopig de laatste grote locatie in Utrecht waar bedrijfskavels worden uitgegeven. Circulair Bedrijvenpark Strijkviertel wordt een bedrijventerrein dat geschikt is voor kleinere bedrijven (MKB) en circulaire maakbedrijven die maximaal vallen in categorie 3.1 van de bedrijvenlijst van de VNG. Het accent ligt op werkgelegenheid op MBO-niveau (Middelbaar Beroeps Onderwijs). Het zijn bedrijven die maximaal zo'n 5.000 m² vloeroppervlak nodig hebben. Daarnaast bieden we ruimte voor enkele bedrijfsverzamelgebouwen voor creatieve bedrijven en voor startende en/of kleinere bedrijven. Binnen Circulair bedrijvenpark Strijkviertel is er ongeveer 18 ha aan gemeentelijke uitgeefbare bedrijfskavels.

Aanvullend wordt opgemerkt dat het percentage aan bedrijfsruimte dat op dit moment in Utrecht leegstaat slechts 1,6% is. Voor een gezonde markt en om goed te kunnen inspelen op de kwantitatieve en kwalitatieve vraag en de dynamiek op de markt voor bedrijfsruimte is een leegstand van 5% noodzakelijk. De grote vraag vanuit de logistieke sector en beperkte ruimte heeft ertoe geleid dat de afgelopen jaren met name op Lage Weide veel bedrijfskavels zijn benut voor (stads)logistiek waarmee de ruimte voor het midden- en klein bedrijf (MKB) verder werd beperkt. Het MKB is een belangrijke speler en banenmotor voor Utrecht en heeft ongewenst als gevolg van druk op de ruimte en prijsopdrijving onvoldoende vestigingsmogelijkheden in de stad. Op circulair Bedrijvenpark Strijkviertel wordt ruimte gegeven aan het MKB. Aansluitend bij de vraag vanuit de markt, de ambities van de stad en de circulaire transitie van het MKB zetten we specifiek in op circulaire bedrijven en circulaire bedrijfspanden. In het eerste kwartaal 2024 hadden we in Utrecht nog circa 4,6 hectare aan vrij beschikbare bedrijfskavels. Ruim 4 hectare is bestemd voor medisch gerelateerde bedrijven op de Wetering Zuid. Het overige deel van dit terrein is voor de toekomstige ontwikkeling van het ziekenhuis en tijdelijke wonen. Op Haarrijn is slechts 4.300 m² beschikbaar voor het bredere segment.

Op het circulair Bedrijvenpark Strijkviertel kunnen zich pas in 2027/28 de eerste bedrijven vestigen. Daartussen zit dus een periode waarin geen uitgeefbaar bedrijventerrein beschikbaar is en de druk op de bestaande bedrijfsruimte nog verder zal toenemen. I Er is dan ook nog steeds een tekort aan nieuwe bedrijfskavels. Waarom geen bos in plaats van bedrijvenpark Reactie

Voor de realisatie van bos gaat de voorkeur uit naar gebieden buiten de stad, waar mens en dier kunnen genieten van een groene omgeving zonder dat het geluid van verkeer overheerst. Het plangebied leent zich meer voor invulling met functies die thuishoren in het stedelijk gebied, zoals bedrijven en sportvoorzieningen. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 2

Indiener is van mening dat er meer behoefte is aan betaalbare woningen en sport dan nog meer bedrijventerrein. Daarbij wordt gewezen op de leegstand op Strijkviertel en het gebruik van bedrijfsgrond voor de bouw van opslagloodsen. Reactie

In de gemeente Utrecht en de regio is behoefte aan alle genoemde functies: wonen, sport en bedrijven. We zoeken daarbij naar de beste plek voor elke functie en zijn van mening dat Strijkviertel gelet op de ligging nabij rijkswegen het meest geschikt is voor bedrijven. Er is in het bestemmingsplan ook rekening gehouden met de uitbreiding van het aangrenzende sportpark. Op de onderdelen leegstand en het gebruik van bedrijfskavels voor de bouw van opslagloodsen is in 28

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

de reactie op zienswijze 1 al ingegaan. Het bouwen en gebruiken van bedrijfsgebouwen voor opslag is op reguliere bedrijventerreinen planologisch toegestaan. Op het circulair Bedrijvenpark Strijkviertal wordt de vestiging van dit soort bedrijven tegengaan door gerichter te sturen op vestigingsmogelijkheden voor creatieve bedrijven en startende en/of kleinere bedrijven (in het Chw bestemmingsplan) en de uitstraling van de gebouwen (in het beeldkwaliteitsplan). Gebouwen mogen alleen voor opslag worden gebruikt door bedrijven die op circulair Bedrijvenpark Strijkviertel gevestigd zijn. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 3

Indiener wijst op het gebrek aan essentiële voorzieningen in Rijnvliet. Supermarkten en horecagelegenheden bevinden zich op aanzienlijke afstand. Het toevoegen van deze functies op Strijkviertel draagt niet alleen bij aan het welzijn van de bewoners maar ook aan de leefbaarheid van de stad Utrecht als geheel. Nu zijn bewoners van Rijnvliet gedwongen zich met de auto te verplaatsen voor een eerste levensbehoefte zoals een supermarkt. Dit heeft een negatief effect op de leefbaarheid en het milieu. Reactie

Op Strijkviertel wordt een bedrijvenpark gerealiseerd. Het vestigen van een supermarkt op bedrijventerreinen past niet binnen het beleid van de gemeente Utrecht. In zowel het detailhandelsbeleid (Ontwikkelingskader Detailhandel (2012) en Detailhandel Utrecht (2015)) als in de Bedrijventerreinen Strategie Utrecht 2012 is vastgelegd dat winkels in principe thuishoren in winkelgebieden. Supermarkten dragen bij aan het functioneren van en passen bij de uitstraling van winkelgebieden, en horen dan ook thuis in winkelgebieden en niet op bedrijventerreinen. Al in het stedenbouwkundig plan voor Rijnvliet, zoals vastgesteld in april 2012, staat geschreven dat de bewoners van Rijnvliet voor de dagelijkse boodschappen zijn aangewezen op De Meern, het winkelcentrum Parkwijk in Leidsche Rijn Centrum of Lombok. Ook voor een hapje of drankje liggen De Meern of de karakteristieke Utrechtse wijk Lombok op fietsafstand, net als Leidsche Rijn Centrum. Het Chw bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel bevat wel de mogelijkheid voor de vestiging van enkele horecagelegenheden op Strijkviertel. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 4

Indiener geeft aan dat er meer woningen nodig zijn en bestaande bedrijfspanden opnieuw kunnen worden ingericht. Rijnvliet ligt al ingeklemd tussen bedrijventerreinen en de wegen rond de wijk lopen elke ochtend al vol. Een nieuw bedrijvenpark is niet wenselijk. Als de economie afkoelt en de rente stijgt, zullen veel panden niet worden verhuurd of verkocht.

Reactie In de reactie op zienswijze 1 is aangegeven dat er grote behoefte is aan zowel woningen als nieuwe bedrijfskavels. We hebben begrip voor de zorg van indiener over de verkeersdruk in de wijk. In de zuidwesthoek van Utrecht vinden veel ontwikkelingen plaats wat kan zorgen voor meer verkeersdrukte. We gaan ervan uit dat het gemeentelijk mobiliteitsbeleid dat gericht is op het stimuleren van de alternatieven voor (eigen) autogebruik in de komende jaren effect zal hebben op de verkeersintensiteiten in en om de stad. Dat is ook de reden dat we niet direct overgaan tot maatregelen maar dat er monitoring

29/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

plaats gaat vinden. Deze monitoring vindt in afstemming met Rijkswaterstaat plaats. Uit de monitoring moet blijken of het noodzakelijk is om alsnog maatregelen te treffen. Uit het verkeersonderzoek voor Strijkviertel blijkt dat de ontwikkeling van circulair bedrijvenpark Strijkviertel maar beperkte invloed heeft op de verkeersdrukte. In het verkeersonderzoek zijn maatregelen benoemd die de gemeente kan nemen wanneer de opstopping op de kruispunten te groot wordt. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 5

Indiener doet een dringend beroep op de gemeente om zich in te zetten voor de realisatie van basisvoorzieningen zoals een supermarkt. Rijnvliet groeit gestaag en zou samen met De Meern gebaat zijn bij eigen voorzieningen. De gemeente heeft duidelijke milieu eisen en de bewegingen van bewoners om zich naar deze voorzieningen buiten de wijk te verplaatsen, dragen daar niet aan bij.

Reactie Zie reactie op zienswijze 3. De ambities van de gemeente zijn niet gericht op een ongewenste spreiding van voorzieningen. Clustering van voorzieningen zoals winkels en horeca draagt juist bij aan een goed woon- en leefklimaat in de woonwijken en goed functionerende en levendige winkel- en horecagebieden. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 6

Indiener vindt het een slecht plan om naast zijn woonwijk (Rijnvliet) nog een bedrijventerrein te ontwikkelen. Daar is geen behoefte aan, noch aan de Mc Donalds recht tegenover de uitgang van de wijk. Er is behoefte aan speeltuinen voor kinderen 6+. Bijvoorbeeld een skatebaan of grotere klimrekken. Een buurtsuper. Maar vooral een beetje gezelligheid. Dus een gezellig restaurantje of koffiebar.

Reactie In de reactie op zienswijze 1 is aangegeven dat er grote behoefte is aan nieuwe bedrijfskavels. De locatie van de Mc Donalds is geen onderdeel van het plangebied van het Chw bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel dus geen onderwerp waarover in deze procedure een zienswijze kan worden ingediend. Voor wat betreft de wens om een buurtsuper en een restaurantje of koffiebar wordt verwezen naar de reactie op zienswijze 3. Binnen de functie Groen is het gebruik als speelvoorziening en de bouw van speelvoorzieningen toegestaan. Speelvoorzieningen horen echter niet thuis op een bedrijventerrein. De gronden aansluitend aan de Strijkviertelplas (het balkon) komen daarvoor mogelijk wel in aanmerking. De inrichting van het balkon wordt na de vaststelling van het bestemmingsplan nader uitgewerkt. Afwatering Zorg voor een goede afwatering. Tuinen en kruipruimtes van woningen in Rijnvliet staan het hele jaar door vol met water, omdat de afwatering slecht is aangelegd.

30

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

Reactie In het kader van de beoogde ontwikkeling is een watertoets opgesteld, waarin de huidige waterhuishoudkundige situatie in beeld is gebracht. Voor de aanleg van voldoende waterberging is een regeling opgenomen in artikel 14.2. Er wordt ruim voldaan aan de vereiste drooglegging volgens de watertoets. In het gebied wordt het hemelwater afgevoerd naar oppervlaktewater om overlast te voorkomen. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 7

Indiener zou het fijn vinden als er wat horeca (café/restaurants) en supermarkt in Strijkviertel zouden komen.

Reactie Zie reactie op zienswijze 3. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 8

Indiener heeft vragen over de behoefte aan extra/uitbreiding bedrijventerrein (met huidige bedrijventerrein Strijkviertel om de hoek) ten opzichte van de huidige woningbehoefte. Hier is (op het oog) redelijk wat leegstand en zeker mogelijkheden tot “interne” bouw/groei.

Reactie Zie reactie op zienswijze 1. Indiener geeft aan dat bij bewoners van Rijnvliet sterk behoefte is aan enige vorm van (1) horecagelegenheden (al is het maar een koffietentje/lunchroom, en niet in de vorm fast food ketens zoals nu voorzien bij de ingang van de wijk :)) en (2) voorzieningen om boodschappen te kunnen doen. Zowel Parkwijk, De Meern als Kanaleneiland zijn lopend te ver en per fiets ~10 minuten. Mogelijk kan hier iets gecombineerd worden?

Reactie Zie reactie op zienswijze 3. Indiener verzoekt om verdere ontwikkeling van recreatiegebied Strijkviertel, een beetje zoals bij Haarrijnse Plas.

Reactie Ten zuidwesten van Rijnvliet ligt de Strijkviertelplas en tussen Rijnvliet en circulair Bedrijvenpark Strijkviertel zijn een paardrijvereniging en sportvoorzieningen aanwezig. Het bestemmingsplan biedt ruimte aan de uitbreiding van de sportvoorzieningen. De Strijkviertelplas ligt buiten het plangebied en zal blijven bestaan. Aan de noordkant van de Strijkviertelplas zijn mogelijkheden om de recreatiemogelijkheden te versterken en mogelijk horeca toe te voegen (zie ok par. 4.1.2 van de toelichting van het bestemmingsplan). Mochten voor het faciliteren van daarmee samenhangende aanvullende bouw- en gebruiksmogelijkheden nodig zijn, zal hiervoor een aparte procedure worden gevolgd. Voorafgaand zullen bewoners van Rijnvliet hiervan op de hoogte worden gebracht in het participatieproces.

31/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 9

Rijkswaterstaat pleit voor een integrale benadering van het gehele gebied Strijkviertel, Papendorp en Oudenrijn. De ontwikkeling van bedrijvenpark Strijkviertel zorgt voor extra mobiliteit en is daardoor van invloed op het functioneren van de autosnelweg. Het vraagstuk hieromtrent beperkt zich niet tot alleen deze ontwikkeling maar tot een samenloop van ontwikkelingen die van invloed zijn op de zuidwestelijke aansluitingen op het rijkswegennet. Rijkwaterstaat wijst daarbij op Bus Rapid Transit en het deelproject HOV-ontsluiting Papendorp op A2 en pleit voor een onderzoek met een dynamisch verkeersmodel. Rijkswaterstaat wil voorkomen dat zij eigen maatregelen moet nemen om de toestroom naar het hoofdwegennet te beperken. Daarnaast wijst Rijkswaterstaat erop dat het beoogde extra wandelpad tussen de A12 en C.H. Letschertweg niet mogelijk is omdat zij deze grond binnen afzienbare tijd zelf nodig heeft. Dynamisch verkeersmodel

Wij voeren geen onderzoek met een dynamisch verkeersmodel uit. Op basis van de uitgevoerde (statische) analyses weten we dat er in de autonome situatie al knelpunten kunnen ontstaan op de aansluiting met het Rijkswegennet. Het opstellen van een dynamisch verkeersmodel leidt niet tot andere conclusies. In plaats daarvan zet de gemeente in op monitoring om grip te houden op de ontwikkeling van het verkeer. Het proces om te komen tot de aangekondigde monitoring is inmiddels gestart. Het gaat om de monitoringsaanpak voor het gebied Groot Merwede. Strijkviertel is daar een onderdeel van. Rijkswaterstaat wordt door de gemeente nauw betrokken in het monitoringsproject. Dat is voor de gemeente essentieel om tot een gedragen aanpak te komen. In Q1 2025 is het monitoringsplan voor het gebied Groot Merwede vastgesteld. Medio 2025 wordt er een nulmeting gedaan. Daarna start de periodieke monitoring. Op basis van deze periodieke monitor kan worden bezien of ontwikkelingen in lijn liggen met de ontwikkelingen die we op basis van de modeldoorrekening verwachten. Als blijkt dat maatregelen nodig zijn, zal het goed mogelijk zijn om die tijdens de planrealisatie te treffen. Zoals in de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven, verwachten we dat aanpassingen aan of in de omgeving van de aansluiting De Meern op de A12 nodig zullen zijn.

Om het karakter van de eventuele aanpassingen te kunnen bepalen, wachten we de ontwikkelingen binnen en in de omgeving van het plangebied af. Het onderzoek naar de Bus Rapid Transit kent nog diverse varianten. De effecten daarvan op de verkeersafwikkeling zullen in het kader van dat onderzoek in beeld moeten worden gebracht, waarbij rekening moet worden gehouden met de ontwikkelingen in Groot Merwede. Extra wandelpad

Reactie Op de laatste inrichtingsschetsen is het wandelpad tussen de A12 en de C.H. Letschertweg niet meer ingetekend. De tekstpassage over het wandelpad is uit de toelichting verwijderd. De zone tussen de A12 en de C.H. Letschertweg behoort ook niet tot het plangebied van het bestemmingsplan. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

32

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

Zienswijze 10

Indiener is van mening dat de plannen voor de herontwikkeling van de rijvereniging een enorm negatieve impact hebben op het voortbestaan van de rijvereniging vanwege het verdwijnen van het parkeerterrein aan de zuidwestkant van de rijvereniging. Om deze parkeerplaatsen te compenseren moeten zij hun huidige springtuin omzetten naar een parkeerterrein, waarmee de vereniging de mogelijkheid verliest om in de buitenruimte trainingen en wedstrijden te organiseren. Ook is een gedeelte van de springtuin in het bestemmingsplan toegewezen aan de uitbreiding van een rugbyveld. De Voornruiters geeft juist aan meer (parkeer)ruimte nodig te hebben.

Reactie Sinds 2010 is rijvereniging De Voornruiters gevestigd bij sportpark Rijnvliet in Leidsche Rijn. Op de huidige locatie hebben vereniging en de gemeente een HARVO (huurafhankelijk recht van opstal) afgesloten die loopt tot 2041. Voor het parkeren maakt de Voornruiters gebruik van een tijdelijk aangelegde parkeerplaats, in eigendom van de gemeente. Zij kregen die (om niet) in bruikleen van de gemeente. De gemeente legde die in 2010 aan als tijdelijke openbare parkeerplek vooruitlopend op de plannen voor de ontwikkeling van bedrijvenpark Strijkviertel. In de bruikleenovereenkomst is de tijdelijkheid benoemd en aangegeven dat de situatie verandert bij ontwikkeling van het bedrijventerrein. Nu de uitvoering van bedrijvenpark Strijkviertel wordt voorbereid, is het definitief inrichten van de toegang en parkeersituatie bij de Voornruiters nodig. De gemeente is van mening juridisch niet gebonden te zijn om de huidige, tijdelijke parkeervoorziening te compenseren, ook niet financieel. Wel willen we met de vereniging zoeken naar een oplossing om een goede parkeervoorziening te realiseren binnen de ruimte die er is. Beschikbare parkeerruimte Als niet gesubsidieerde sport is de vereniging voor circa 60% afhankelijk van de inkomsten uit de organisatie van wedstrijden.

Op wedstrijddagen is de parkeerbehoefte vele malen groter dan staat vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan. In gesprekken met de gemeente Utrecht is eerder al aangegeven dat er dan behoefte is aan parkeergelegenheid voor 40 grote vrachtwagens, 40 2-paards vrachtwagens en 35 auto’s met trailer. Nu zijn slechts 101 (standaard)parkeerplaatsen ingetekend waarbij geen rekening is gehouden met het in-/uitladen van paarden, waarvoor een vuistregel geldt van 1,5 ‘reguliere’ parkeerplek per paardenwagen.

Reactie Door de ontwikkeling van circulair Bedrijvenpark Strijkviertel krijgt de parkeerplaats aan de zuidwestzijde een andere bestemming, namelijk groen en water. Voor een robuuste waterstructuur en klimaatadaptieve inrichting is het noodzakelijk dat er meer open water in het plangebied wordt gerealiseerd. De watergang op de locatie van het zuidwestelijke parkeerplaats draagt hier in belangrijke mate aan bij. De aantallen die de indiener noemt zijn meer parkeerplaatsen dan in de huidige situatie aanwezig zijn, want in de huidige situatie zijn er op de zuidwestelijke parkeerplaats 31 parkeerplaatsen voor personenauto’s, 52 voor kleine vrachtwagens en 11 voor grote vrachtwagens aanwezig. De druk op de ruimte in de stad Utrecht is groot. De gemeente Utrecht geeft op deze locatie in de stad prioriteit aan werkgelegenheid en uitbreiding van sportvelden. Dit is opgenomen in Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040. Het is daarom in ongewenst om op deze locatie meer (parkeer)ruimte te bieden aan een rijvereniging. Daarnaast geldt dat er net als bij andere (sport)functies er geen parkeergelegenheid wordt aangelegd voor piekbelasting. Dat betekent dat er op wedstrijddagen, net als in de huidige situatie, moet worden uitgeweken naar beschikbare ruimte in de directe omgeving. Financieel Bij verlies van de omzet uit wedstrijden is het voortbestaan van de vereniging niet mogelijk.

De Voornruiters pleit voor haar positie als paardensportaccommodatie in de regio Utrecht en het belang van de hippische sport in ons land. Dat wordt niet bereikt met eventuele financiële

33/39

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

compensatie en is dan ook niet het doel van de vereniging. De vereniging heeft ook geen middelen om een (met het bestemmingsplan opgelegde) herontwikkeling te bekostigen.

Reactie De gemeente is juridisch niet gebonden om de huidige, tijdelijke parkeervoorziening te compenseren, ook niet financieel, omdat bij het sluiten van de bruikleenovereenkomst al duidelijk was dat het ging om een tijdelijke parkeervoorziening en de gronden op termijn nodig zijn voor de ontwikkeling van Strijkviertel. Wel begrijpen wij de zorgen van de rijvereniging en daarover gaan we met de rijvereniging in gesprek. Alternatief Indiener geeft aan dat er verschillende alternatieven zijn die met een kleine aanpassing van het bestemmingsplan leiden tot een oplossing die geen invloed heeft op het voortbestaan van de vereniging. Met het creëren van een groenstrook op de huidige parkeerplaats is dat niet het geval. De Voornruiters verzoeken dan ook het bestemmingsplan op dit punt aan te passen in lijn met het sportbeleid van de gemeente Utrecht en zo het voortbestaan van de vereniging mogelijk te maken.

Reactie Hierbij verwijzen wij naar de beantwoording onder het kopje ‘financieel’. Bij het sluiten van de bruikleenovereenkomst was het al duidelijk dat het ging om een tijdelijke parkeervoorziening en de gronden op termijn werden ingezet voor de ontwikkeling van Strijkviertel. Het is daarom ook ongewenst hierbij concessies te doen. Conclusie Op grond van deze zienswijze zijn geen wijzigingen aangebracht.

Zienswijze 11

Deze zienswijze is niet gericht tegen de beoogde herontwikkeling van Strijkviertel, maar om te voorkomen dat een onvoldoende integrale afweging van de omliggende gebieden en de congestieproblematiek ter plaatse (zowel elektriciteit als verkeer) bij de ontwikkeling van Rijnenburg tot problemen gaat leiden. Indiener verzoekt niet over te gaan tot het vaststellen van het bestemmingsplan voordat een integrale afweging heeft plaatsgevonden. Herontwikkeling Rijnenburg Indiener is van oordeel dat in het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de beoogde herontwikkeling van Rijnenburg als synergielandschap voor wonen, werken, groen, water en energie volgens het coalitieakkoord en de oplegger RSU 2040. Er ontbreekt een geïntegreerde aanpak waarbij rekening is gehouden met de herontwikkeling van Rijnenburg, de congestieproblematiek in het elektriciteitsnetwerk, de verkeerscongestie en de ontsluiting van de ontwikkelgebieden.

In het coalitieakkoord is opgenomen dat vanwege de vele uitdagingen, waaronder een goede bereikbaarheid, de bouw van de stadswijk Rijnenburg niet voor 2035 zal starten. In het najaar van 2024 is de Programmatische Verkenning Rijnenburg vastgesteld door het college. Momenteel wordt gewerkt aan een Uitgangspuntennotitie, de planning is om de Uitgangspuntennotitie medio 2026 aan te bieden aan de raad ter vaststelling. Consortium Rijnenburg wordt als grondeigenaar betrokken bij het opstellen van de Uitgangspuntennotitie. Na besluitvorming kan pas worden gewerkt aan een Masterplan voor het gehele gebied. Vervolgens moet dit plan nog nader worden uitgewerkt in één of meer Stedenbouwkundige Programma’s van Eisen en Stedenbouwkundige Plannen. De planologische verankering hiervan in het omgevingsplan laat dus nog jaren op zich wachten. Om deze reden hoeft bij de vaststelling van het Chw bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel geen rekening te worden gehouden met deze ontwikkeling. 34

Datum Rapport

definitief 20 mei 2025 Vaststellingsrapport

Alternatief voor 4 windturbines Rijnenburg Voortbouwend op de RSU 2040 en het coalitieakkoord is door indiener een alternatief plan ontwikkeld met een betere opstelling van de windturbines. Deze opzet is ten onrechte niet in de integrale afweging van de herontwikkeling van Strijkviertel betrokken.

Voor de bouw van 4 windturbines ten zuiden van de A12 is door de gemeenteraad van Utrecht het Chw bestemmingsplan Windpark Rijnenburg en Reijerscop op 6 juni 2024 vastgesteld. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op het windplan van de geselecteerde initiatiefnemer Rijne Energie cs. De gemeente is op de hoogte van het alternatief plan voor windmolens van het consortium. Rijne Energie cs heeft het ontwikkelrecht voor de ontwikkeling van een windpark in de polders Rijnenburg en Reijerscop. Zij geven aan geen verbetering te zien in dit alternatieve plan. Onzorgvuldig besluit Het bestemmingsplan is in strijd is met de oplegger RSU 2040, het Mobiliteitsplan Utrecht en de Omgevingsvisie Utrecht. Er is sprake van strijd met artikel 4:84 Awb, omdat wordt afgeweken van beleid zonder dat er bijzondere omstandigheden zijn die een dergelijke afwijking vergen. Het bestemmingsplan is niet uitvoerbaar, er is geen mogelijkheid het plan energieneutraal te realiseren. Er is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening in het licht van artikel 3.1 Wro en in dat kader is geen zorgvuldige en deugdelijke onderbouwing aan het plan ten grondslag gelegd als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro. Het bestemmingsplan is tot stand gekomen en het besluit geen MER op te stellen, is niet naar behoren gemotiveerd.

Er is sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb), het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb), het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb) en het rechtszekerheidsbeginsel. Het voorgaande wordt door indiener aan de hand van verschillende onderdelen onderbouwd. Hierna wordt ingegaan op de onderwerpen die zijn benoemd in de zienswijze. • Schaalsprong OV/bereikbaarheid In het bestemmingsplan ontbreekt een adequate mobiliteitstoets waarin rekening is gehouden met de integrale kernwaarden voor mobiliteit in de stad Utrecht. In het mobiliteitsplan, dat ter onderbouwing van het bedrijvenpark is gemaakt, is onvoldoende rekening gehouden met de ontwikkeling van Rijnenburg en de eventuele gevolgen van de schaalsprong voor het openbaar vervoer. Met de schaalsprong in het OV-netwerk en de daarmee verbonden (enorme) overheidsinvesteringen is beoogd de belangrijke deelgebieden en knooppunten in de stad direct met elkaar te verbinden door hoogwaardig en duurzaam openbaar vervoer. Een adequate HOV structuur of het faciliteren van de aanleg daarvan ontbreekt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=1015d194-1bf7-4964-89f6-1e43109b35b4