Agendabundel
Tekst van het document
41
vastgoed kan hiermee onder druk komen te staan. Het kan zijn dat, als een huurder vertrekt, we geen invulling van een gebouw hebben, omdat er geen directe vraag is specifiek naar dit gebouw. We lopen het risico dat gebouwen gekraakt worden of dat er nog geen maatschappelijk initiatief gevonden en geplaatst is doordat er te weinig capaciteit is. Doordat het elektriciteitsnet overvol is hebben we last van netcongestie. Hierdoor zijn nieuwe elektriciteitsaansluitingen voor maatschappelijk vastgoed niet meer te realiseren. Dit betekent dat een nieuw te bouwen gebouw geen stroomaansluiting krijgt. Het risico is dat zich dit langer voordoet dan nu verwacht, of erger wordt.
Dit is een belangrijk risico omdat er dan geen maatschappelijke invulling is van ons vastgoed en leegstand geld kost.
‘Klassiek’ leegstandsbeheer en formatie op orde. Voor het wegvallen van huurinkomsten zetten we de reserve leegstandsbeheer in.
Dit is een belangrijk risico omdat de kans groot is dat de impact ervan groter wordt. Dit heeft gevolgen voor onze doelstelling Voldoende maatschappelijk vastgoed.
Stedin en TenneT, beheerders van het elektriciteitsnet, zijn druk bezig hiervoor oplossingen te vinden. Waar mogelijk en nodig werkt de gemeente mee.
Daarnaast is de beheersbaarheid uitermate lastig omdat de oplossing grote investeringen en een lange doorlooptijd vragen.
Per project kijken we naar wat (tijdelijk) mogelijk is.
Risico-opslagen Voor het berekenen van de te verwachte kosten bij het realiseren van nieuwe gebouwen hanteren we een vaste methode. In deze berekening zitten de geschatte kosten voor de bouw zelf, maar ook een vaste opslag voor risico’s, die horen bij de nieuwbouw bijvoorbeeld voor bouw- en ontwerpfouten. Voor de risico’s die samenhangen met de exploitatie van bestaande gebouwen rekenen we met een risico-opslag, die onderdeel is van de kostprijsdekkende huur per gebouw. De risico-opslag per gebouw is een optelsom van opslagen met verschillende grondslagen, zoals bijvoorbeeld voor leegstand, calamiteiten en wanbetaling. Deze opslag voegen we jaarlijks toe aan de risicoreserve leegstand en de risicoreserve calamiteiten. Zodra een financieel risico zich voordoet, onttrekken we dit uit de betreffende reserve.
42
C3. Financiën De financiële tabel hieronder is overgenomen uit de begroting. Deze cijfers zijn inschattingen van de toekomstige inkomsten en opbrengsten en kunnen door ontwikkelingen in de toekomst veranderen. De cijfers zijn afgerond op tienduizenden. Net als in de rest van deze beleidsnota laten we onderwijshuisvesting in deze tabel buiten beschouwing.
Financiën (in €1.000)
2025
2026
2027
2028
structureel jaarbedrag
Kosten Vastgoed
18.880
19.100
19.970
20.920
19.850
Kosten vastgoed Sportvoorzieningen
19.710
18.370
21.270
19.440
21.760
Kosten vastgoed Mobiliteitsgedrag
14.660
14.130
14.100
13.170
12.080
Onderhoud
25.880
23.090
23.800
22.760
19.060
(Bijna) energieneutraal
830 750
830 750
730 750
730
Toegankelijk
830 750
Totaal benodigd budget (A)
80.710
76.270
80.720
77.770
73.480
Levendige en gezonde stad (Vastgoed)
-3.930
-3.260
-2.390
-1.540
-4.530
Levendige en gezonde stad (Sport)
17.070
15.730
19.230
17.400
19.240
Duurzame bereikbaarheid
13.600
13.070
13.040
12.110
10.790
Voorziening onderhoud
10.290
8.050
8.770
7.720
6.650
Totaal in begroting gedekt (B)
37.030
33.590
38.650
35.690
32.150
Huuropbrengsten van derden (C)
42.930
41.930
41.320
41.330
41.330
Nog niet gedekte kosten (A-B-C)
750
750
750
750
0
Te dekken uit de reserve Toegankelijk Vastgoed
750
750
750
750
0
-
In begroting gedekt
Met de vastgoedkosten van Vastgoed, Toegankelijke sportvoorzieningen en Mobiliteitsgedrag bedoelen we de kosten die nodig zijn om de maatschappelijke gebouwen van de gemeente Utrecht de exploiteren. Deze kosten bestaan naast de belastingen en verzekeringen ook uit de kosten die nodig zijn om onderzoeken te doen naar de geschiktheid van het gebruik van gebouwen. Het onderhoud brengen we apart in beeld. De onttrekkingen en toevoegingen aan de reserves en voorzieningen zijn in deze tabel onderdeel van de exploitatiekosten. De kosten dekken we uit de huuropbrengsten (zie ook huuropbrengsten derden) en niet uit de begroting. Daarmee is de verhuur van de gebouwen grotendeels kostendekkend. Voor bovenstaande kosten is de dekking geregeld. Voor extra ambitie of bovenwettelijke eisen hebben we nog geen dekking. Dekking door een verhoging van de kostprijsdekkende huur zou tot onaanvaardbaar hoge huisvestingssubsidies leiden. 43
Voor het toegankelijk maken van het maatschappelijk vastgoed is eenmalig 3 miljoen beschikbaar ter dekking van de kosten. Deze kosten zijn toegevoegd aan de reserve Toegankelijk Vastgoed. De kosten die we maken om onze gebouwen toegankelijk te maken onttrekken we uit deze specifieke reserve. Naast de reserve in het exploitatieoverzicht en de risicoreserves, hebben we ook een reserve vastgoedbeheer. Deze reserve is bedoeld voor het egaliseren van het exploitatieresultaat van de vastgoedportefeuille. De komende jaren verwachten we deze volledig in te zetten. Dit heeft te maken met een verschil in hoe de indexatie wordt berekend. Het gemeentebrede indexpercentage is namelijk hoger dan dat wat in de huurcontracten is afgesproken. Oftewel, de gerealiseerde huuropbrengsten blijven achter bij de begrote huuropbrengsten. Als de index voor huurcontracten hoger is dan het gemeentebrede indexpercentage vullen we deze reserve aan. Voor het toekomstbestendig maken van ons vastgoed gaat onze ambitie op dit moment verder dan het beschikbare geld, specifiek voor het leidende principe ‘(Bijna) energieneutraal’. Om bijvoorbeeld het Klimaatakkoord 2050 te halen is extra geld nodig. Ter onderbouwing en om de eerdergenoemde lobby scherper te kunnen voeren, geven we een voorzichtige inschatting van het bedrag dat nodig is.
We baseren ons hierbij op bedragen uit de Sectorale Routekaart Gemeentelijk Maatschappelijk Vastgoed van de VNG. De totale investeringskosten die nodig zijn om het Klimaatakkoord te halen komen hierin uit op €53,12 miljard, dit is voor alle ruim 36.000 gebouwen in Nederland die in eigendom van gemeentes zijn. Als we dit naar de gemeente Utrecht vertalen (circa 700 gebouwen exclusief onderwijs) komen we uit op een bedrag van €1,027 miljard. Dit is nodig om te voldoen aan het Klimaatakkoord. Een deel van deze middelen kunnen we dekken uit de vrijval van kapitaallasten van oudere, volledig afgeschreven, gebouwen. Het is belangrijk om te realiseren dat we de vrijval van kapitaallasten niet alleen in kunnen zetten voor het verduurzamen van gebouwen. Als een gebouw bijvoorbeeld na veertig jaar aan het einde van de levensduur is en we het gaan slopen om er een nieuw gebouw neer te zetten, moeten uit de vrijval kapitaallasten alle kosten gedekt worden. Omdat het gebouw aan hogere eisen moet voldoen dan toen het veertig jaar geleden werd gebouwd zal er een hoger investeringsbedrag nodig zijn, waardoor het vernieuwingspercentage in de praktijk kan dalen. De verwachting is dat met hetzelfde budget in combinatie met hogere normen minder nieuwe gebouwen kunnen worden gerealiseerd.
44
C4. Voortgang en verantwoording Deze beleidsnota schetst de principes en randvoorwaarden waarbinnen we aan het maatschappelijk vastgoed willen werken. Om te voldoen aan onze doelstellingen voeren we projecten uit. In het Uitvoeringsprogramma Vastgoed maken we inzichtelijk welke projecten dit zijn voor de komende vier jaar. Daarnaast geven we een doorkijk voor de twaalf jaar daarna. Ieder jaar actualiseren we dit programma en kijken we één jaar verder vooruit. In dit Uitvoeringsprogramma blikken we ook terug en kijken we naar de voortgang van projecten. Verder rapporteren we hierin in ieder geval over: • Het gevoerde vastgoedbeleid in het afgelopen kalenderjaar, specifiek per leidend principe • De omvang en spreiding van de gemeentelijke vastgoedportefeuille • De voortgang van de aanpak (bijna) energieneutraal, circulair, toegankelijk en klimaatadaptief van de gemeentelijke gebouwen • De stand van zaken en bijstellingen in de investeringsplanning • De financiële positie van de vastgoedportefeuille voor de middellange en lange termijn, inclusief de stand van de reserves en voorzieningen Daarnaast rapporteert het college door aan te sluiten bij de structurele begrotingscyclus. Dit betekent dat we de voortgang op hoofddoelen en -indicatoren en hoe we deze willen meten, opnemen in de jaarlijkse programmabegroting en -verantwoording.
Hierin hebben we ook aandacht voor de risico’s en ontwikkelingen. Dit is onderdeel van programma Levendige en Gezonde Stad. Daarnaast verantwoorden we in de paragraaf Vastgoed over onze belangrijkste uitgangspunten, de financiën en relevante ontwikkelingen en actualiteiten van al ons maatschappelijk vastgoed.
45
D
46
Bijlagen
Bijlage 1: Definities Begrip
Definitie
Barcode
De Utrechtse barcode voor gezond stedelijk leven voor iedereen geeft in een schema weer wat de ruimtevraag is voor de stad. De barcode is de optelsom van alles dat de stad vormt: groen, wonen, werken, maatschappelijke voorzieningen, sport, energie, water en infrastructuur. De barcode is per functie opgebouwd uit normen, gebaseerd op het bestaande beleid, aangevuld met trends en ontwikkelingen.
Beleidsdoel
Dat wat de gemeente Utrecht met haar beleid wil bereiken.
Beleidsondersteunend
Een partij is beleidsondersteunend wanneer deze partij een bijdrage levert aan het bereiken van de effectdoelstellingen van de programmabegroting van de gemeente Utrecht, tenzij: a. de activiteiten niet gericht zijn op de gemeente Utrecht of niet aanwijsbaar ten goede komen aan de inwoners van de gemeente Utrecht; b. de activiteiten in onvoldoende mate bijdragen aan de doeleinden; c. de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met wettelijke bepalingen, het algemeen belang, de openbare orde of het beleid van de gemeente Utrecht
Beleidstarief
Een door het college vastgesteld tarief waarmee beleidsondersteunende activiteiten in gemeentelijk vastgoed (laagdrempelig) voor een specifieke doelgroep mogelijk worden gemaakt. Als het beleidstarief onder de kostprijsdekkende huur ligt, is het verschil vooraf afgedekt door het verantwoordelijke beleidsterrein.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Regels die aangeven hoe gebouwen in elkaar moeten zitten.
Circulair
De circulaire economie is een economisch systeem, ontworpen om zo min mogelijk eindige grondstoffen te gebruiken en de waarde van materialen en grondstoffen zo lang mogelijk te behouden in gesloten kringlopen. Daarbij wordt afval en vervuiling voorkomen en worden natuurlijke ecosystemen ondersteund. Het is daarmee een middel om in de behoefte van onze huidige en toekomstige generaties te kunnen voorzien, binnen de draagkracht van de planeet.
Cofinanciering
Een vorm van investeren waarbij verschillende partijen samen investeren in een project.
47
Erfgoed
De gemeente heeft oude gebouwen en gronden in eigendom met hoge cultuurhistorische waarde waarvoor zij een zorgplicht heeft en die we soms ook verhuren aan maatschappelijke partijen. Erfgoed is wezenlijk voor de identiteit van de stad. Een voorbeeld hiervan is de Domtoren.
Financieel urgent
Iets dat nu belangrijk is vanwege financiële redenen. Een voorbeeld hiervan is een project dat afhankelijk is van een subsidie vanuit het Rijk die verloopt als we niet op tijd iets bouwen.
Geaggregeerde conditiescore
De score van 1 t/m 6 die een gebouw krijgt na inspectie van alle afzonderlijke elementen. Een element is bijvoorbeeld het dak, of de voordeur. De kosten voor het vervangen van het element nemen we mee in de weging van de scores. Een dak weegt dan zwaarder dan de voordeur.
Gebruikswaarde
De waarde die een gebouw of perceel heeft als een huurder het gebruikt.
Integrale verkenning
Een breed onderzoek naar de beste invulling voor een gebouw of perceel waar de gemeente Utrecht eigenaar van is.
Kaderbrief 2017
De voorloper van deze Beleidsnota, door de Gemeenteraad vastgesteld.
Kostprijsdekkende huur
De huur die huurders betalen die genoeg is om de kosten van het vastgoed te betalen. Er is dus geen sprake van een winstoogmerk.
Maatschappelijk leegstandsbeheer
Gebouwen die leeg staan laten gebruiken door of verhuren aan organisaties die van waarde zijn voor de samenleving.
Maatschappelijke voorzieningen
Een gebouw gebruiken voor dingen die we als samenleving belangrijk vinden.
Maatschappelijke waarde
Wat we als samenleving belangrijk vinden.
Marktconforme huurprijs
De marktconforme huurprijs stellen we in beginsel vast aan de hand van een onafhankelijke taxatie door een erkend taxateur, waarbij we de beoogde functie meenemen. Als blijkt dat we op basis van de getaxeerde markthuurprijs geen huurder kunnen vinden, bepalen we de huurprijs op basis van de inschrijver die de hoogste huurprijs biedt. Voor relatief korte huurperioden tot 2 jaar, waarbij de kosten en doorlooptijd van de taxatie niet in verhouding staan tot de opbrengsten, wordt de huurprijs ambtelijk bepaald (naar redelijkheid) en gebaseerd op de marktprijzen van vergelijkbare objecten en soort huurder.
Meervoudig ruimtegebruik
Een ruimte door meer dan één huurder laten gebruiken.
Netcongestie
Het stroomnet is vol.
Omgevingsplan
In een omgevingsplan staan regels over het gebruik van grond en gebouwen. Er staat ook in waar en hoeveel er gebouwd mag worden. Iedereen moet zich daaraan houden.
48
Goed gespreid
Een spreiding die aansluit op het principe van de 10-minutenstad: binnen tien minuten wandelen, fietsen of met het openbaar vervoer heeft iedereen toegang tot bijvoorbeeld sportaccommodaties, culturele instellingen en buurthuizen.
Reserve
Een begrotingspost waarin een deel van de beschikbare begrotingsruimte apart wordt gezet om te gebruiken als financiële dekking voor toekomstige lasten. Daarmee voorkomen we dat het huidige beleid bij voorbaat beslag legt op de toekomst. Reserves horen bij het eigen vermogen.
Right to Bid
Een selectieprocedure waarbij één van de belangrijkste criteria de maatschappelijke waarde van het betreffende (lokale) initiatief is.
Toekomstbestendig
Klaar voor de toekomst.
Vastgoedportefeuille
De verzameling van gebouwen en percelen die hetzelfde doel dienen.
Vrijval kapitaallasten
Kapitaallasten zijn de rente en afschrijvingskosten van investeringen in gebouwen of grond. De vrijval van kapitaallasten wil zeggen dat een (deel van een) gebouw volledig is afgeschreven en waardoor ruimte in de begroting ontstaat om opnieuw te investeren.
49
Bijlage 2: Juridische kaders In deze bijlage geven we een beknopte samenvatting van de belangrijkste juridische kaders. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat het recht constant in beweging en ontwikkeling is. Voor de meest actuele wet- en regelgeving verwijzen wij door naar de geldende wetteksten. Deze bijlage dient vooral om het juridische kader te schetsen waarbinnen deze nota op dit moment gezien kan worden en iedereen bewust te maken van dit kader. Didam-arrest Op 26 november 2021 is door de Hoge Raad het zogeheten “Didam-arrest” gewezen. In deze uitspraak gaat de Hoge Raad in op de manier waarop overheden marktpartijen moeten selecteren bij de verkoop van vastgoed. Indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van dit vastgoed of te verwachten is dat er meerdere gegadigden zijn, dan moet de gemeente de gelegenheid bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar de aankoop. Deze verplichting vloeit voort uit het gelijkheidsbeginsel en houdt in dat de gemeente de koper moet selecteren op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria.
Teneinde deze gelijkheid te creëren, moet de gemeente bovendien een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot: • De beschikbaarheid van de onroerende zaak • De selectieprocedure • Het tijdschema • De toe te passen selectiecriteria De informatie over deze selectieprocedure moet bovendien: • Tijdig bekend worden gemaakt • Op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen De Beleidsregel selectieproces bij uitgifte, verkoop, verhuur en ingebruikgeving gemeente Utrecht geeft hier invulling aan. Het bieden van bovengenoemde mededingingsruimte is niet vereist als vooraf vaststaat of te verwachten is dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. Dit moet dan toetsbaar zijn op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria. In dat geval dient de gemeente het voornemen bekend te maken op dusdanige wijze dat iedereen daarvan kennis kan nemen inclusief een onderbouwing waarom er naar het oordeel van de gemeente slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. In de Beleidsregel selectieproces bij uitgifte, verkoop, verhuur en ingebruikgeving gemeente Utrecht is een aantal categorieën/type uitgiften benoemd waarbij een één op één verkoop, verhuur of ingebruikgave logisch en te motiveren is.
Naar aanleiding van het arrest zijn zogeheten één-op-één verkopen of verhuringen door de gemeente aan een marktpartij dus in de basis uitgesloten. De gemeente moet altijd zorgen voor een vorm van mededinging; ook in situaties waarbij marktpartijen op eigen initiatief interesse tonen in gemeentelijk vastgoed en de gemeente geneigd is dit te verkopen of verhuren; zogeheten unsollicited proposals. Besluit bouwwerken leefomgeving Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan zowel bestaande als nieuwe bouwwerken op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Het Bbl geeft uitvoering aan de Omgevingswet. Het besluit bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, 50
de algemene regels waaraan iedereen zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Staatssteun Het als gemeente verlenen van zogeheten staatssteun kan ongeoorloofd zijn. Dit moet voorkomen worden. Staatssteun speelt ook een rol bij de verhuur van vastgoed door de gemeente. Het onder de marktprijs verhuren kan in strijd zijn met het staatssteunrecht omdat door de huurder hier een voordeel behaald kan worden ten opzichte van de markt. Ook door middel van onderhuurrelaties kan de gemeente onbedoeld staatssteun verlenen. Bijvoorbeeld als huurders het gebouw onderverhuren aan een andere huurder tegen een hogere huurprijs dan de gemeente aan de hoofdhuurder vraagt. Uitgangspunt is daarom dat het gehuurde minimaal voor 80% voor het primaire doel beschikbaar is, daarvoor wordt immers de kostprijsdekkende huur in rekening gebracht. Als de onderhuursituatie er voor zorgt dat de onderhuuractiviteit op jaarbasis, in tijd- of ruimtecapaciteit (oftewel oppervlakte), meer dan 20% betreft en de huurder daardoor een voordeel geniet, dan gaan de gemeente en huurder in overleg over een afdracht van de huurpenningen. Als er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 van het Verdrag werking van de Europese Unie, dan zijn de regels over de kostprijsdekkende huur van de Wet markt & overheid niet aan de orde.
Wet Markt en Overheid De gemeente moet zich houden aan de vier gedragsregels die voortvloeien uit de Wet Markt en Overheid. Eén van deze regels houdt in dat de gemeente alle kosten moet doorberekenen als zij een economische activiteit verricht. Dit betekent dat als de gemeente vastgoed verhuurt, de gemeente verplicht is minimaal de kostprijsdekkende huur in rekening te brengen. Hiervan kan de gemeente alleen afwijken als er door de gemeenteraad ten aanzien van een bepaalde activiteit een algemeen belang besluit is genomen. Onder de kostprijsdekkende huur verhuren is dus alleen mogelijk als er een algemeen belang besluit is. Dit is ook zo als de markthuur lager is dan de kostprijsdekkende huur. Bij de verhuur van woningen is het wettelijk puntenstelsel in beginsel leidend. Indien de kostprijs hoger is dan de huur die op grond van het puntenstelsel in rekening gebracht mag worden, gaat het puntenstelsel voor. Aanbestedingsrecht De voor het inkoop- en aanbestedingsbeleid meest relevante wet- en regelgeving is nader uitgewerkt in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid. Waar van toepassing wordt dit ook opgelegd aan private ontwikkelende partijen. Het gemeentelijk aanbestedingsbeleid formuleert regels voor wanneer en op welke wijze overheidsopdrachten aanbesteed moeten worden. Het aanbestedingsbeleid formuleert dit voor alle soorten overheidsopdrachten die de gemeente kent.
Binnen vastgoed is hiervan sprake als bijvoorbeeld werken worden gerealiseerd of diensten worden verricht in opdracht van de gemeente. Besluit begroting en verantwoording Provincies en Gemeenten Voor het financiële deel van het vastgoedbeleid is het zogeheten Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van belang. Specifiek is de door de commissie BBV uitgebrachte “Notitie Materiële Vaste Activa (2020)” van belang. Hierin zijn richtlijnen opgenomen waar gemeentelijke grondexploitaties aan moeten voldoen bij gebiedsontwikkelingen en hoe de gemeente om moet gaan met het activeren, waarderen, onderhouden en afschrijven van investeringen. Wet Bibob De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) heeft als doel te voorkomen dat een overheid indirect criminele activiteiten financiert mede als gevolg waarvan andere ondernemers benadeeld worden. In het vastgoedbeleid is deze wet van toepassing bij met name het door de overheid aangaan van een overeenkomst met betrekking tot vastgoed. Een “Bibob-toets” is dan aan de orde. Dit betekent dat de partij met wie de gemeente voornemens is een overeenkomst aan te gaan een vragenlijst moet invullen en de gemeente, mede op basis van eigen onderzoek,
51
beoordeelt of een overeenkomst kan worden aangegaan met de betreffende partij gezien de doelen van de Wet Bibob.
52
Bijlage 3: Toelichting indicatoren Toelichting per indicator % leegstand In het Meerjaren Perspectief Utrechts Vastgoed (MPUV) rapporteerden we jaarlijks over het leegstandspercentage, gemeten in vierkante meters bruto vloeroppervlak. Dit lag meestal tussen de 4% en 5%. We stellen voor om bij deze indicator ook het leegstandsbeheer mee te nemen. Feitelijk is dit geen leegstand, maar het is tegelijkertijd ook niet de langdurige beleidsmatige invulling die het meest gewenst is. Daarom nemen we als streefwaarde 7% op. % van de zoekvragen via het Makelpunt waar een match uit is gekomen Het Makelpunt brengt vraag en aanbod van vastgoed in de stad bij elkaar. Hiermee zorgt het Makelpunt ervoor dat ons vastgoed optimaal maatschappelijk gebruikt wordt. Omdat het aantal zoekvragen (sterk) kan fluctueren is het opnemen van een percentage als streefwaarde logischer. Over de afgelopen jaren zijn 34% van de zoekvragen gematcht. Als streefwaarde houden we 35% aan, dit is voor nu realistisch. Aandeel gebouwen verhuurd aan een maatschappelijke partij Maatschappelijke partijen zijn partijen die beleidsondersteunend zijn.
Een partij is beleidsondersteunend wanneer deze partij een bijdrage levert aan het bereiken van de effectdoelstellingen van de programmabegroting van de gemeente Utrecht, tenzij: a) a.de activiteiten niet gericht zijn op de gemeente Utrecht of niet aanwijsbaar ten goede komen aan de inwoners van de gemeente Utrecht; b) b.de activiteiten in onvoldoende mate bijdragen aan de doeleinden; c) c.de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met wettelijke bepalingen, het algemeen belang, de openbare orde of het beleid van de gemeente Utrecht
De keuze voor een percentage van 75% stoelt op de verdeling van de verhuringen (Gekeken naar het aantal contracten) op basis van de oude definitie van wat beleidsondersteunend is, voordat amendement A78 aangenomen is. A78 gaat uit van een ruimere definitie van beleidsondersteunend. Klanttevredenheid Indicator is al opgenomen in de Beleidsnota Vastgoed, hiermee meten we, via een peiling onder onze huurders, in hoeverre huurders tevreden zijn over de dienstverlening. Het resultaat is een cijfer tussen de 1 en 10. Aandeel gebouwen op gewenst onderhoudsniveau Indicator is al opgenomen in de Beleidsnota Vastgoed, hiermee meten we hoeveel van onze gebouwen zich op het gewenste onderhoudsniveau bevinden, uitgedrukt in een percentage. Aandeel hernieuwbare en/of hergebruikte materialen in nieuwbouw en renovatie 53
Indicator is al opgenomen in de Beleidsnota Vastgoed, hiermee meten we de hoeveelheid hernieuwbare en/of hergebruikte materialen in nieuwbouw en renovatie, uitgedrukt in een percentage. In de beleidsnota hebben we hierover al het volgende opgenomen: “Voor doelstelling 3 geldt dat in de Beleidsnota Utrecht Circulair 2030 we hebben aangegeven dat we “de meetbaarheid van circulair bouwen vergroten door een circulair toetsingskader te ontwikkelen en hanteren, waarmee de milieubaten van circulair bouwen integraal worden meegewogen in nieuwbouw en renovatie van maatschappelijk vastgoed.” Zodra dit toetsingskader is ontwikkeld kunnen we de indicator specifiek invullen.” Gereduceerde CO2 uitstoot in tonnen Met het aannemen van A74 Gereduceerde uitstoot CO2 in tonnen nemen we deze indicator op. Cumulatief aantal gebouwen in eigendom van de gemeente met minimaal energielabel A+++ Momenteel hebben we 18 gebouwen in eigendom met energielabel A+++. Hiermee voldoen deze gebouwen aan de renovatiestandaard. Hiermee zijn deze gebouwen tot 2050 vrijgesteld van verdere verduurzamingseisen. Door te monitoren op het % gebouwen met minimaal label A+++ hebben we inzicht in het aantal gebouwen dat geen actie meer vereist voor 2050. De streefwaarde van 46 in 2030 komt neer op 11% van het kernvastgoed. Deze investeringsprojecten zijn al opgenomen in de investeringsplanning.
Dit betekent, over het algemeen, dat voor het aanpakken van deze gebouwen geld is. Cumulatief aantal gebouwen toegankelijk gemaakt van de 55 gebouwen Momenteel zijn er 4 gebouwen toegankelijk gemaakt, het streven is om de komende jaren tien gebouwen per jaar aan te pakken. Er is echter budget voor maximaal 34 panden, de streefwaarde voor 2028 wordt daarmee 34, en daarna nemen we PM op.
54
Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen Dossiernummer
4950
Vertrouwelijk
Nee
Vergaderdatum
4 december 2025
Agendapunt
3.3
Titel
Huurders in de knel door kosten van zonnepanelen
ID
5179
Behandelend ambtenaar Telefoon E-mail Datum collegebesluit Geocodering Thema Portefeuillehouder
Wethouder Maatoug
Beleidsveld
Energie en Klimaat
Referendabel Reden niet referendabel Raadsadviseur (lijst) Behandelvoorstel Resultaat commissiebehandeling Resultaat raadsbehandeling Geagendeerd
Vergaderdatum
Commissie Energie(transitie),
16 oktober 2025
Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen Voorgesteld besluit
4 december 2025
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2025, NUMMER 87
Datum Van Behandeld door E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
10 juli 2025 College B&W Noorman y.noorman@utrecht.nl 30652829/20250702/YN Energie en Klimaat
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2025 nummer 87 van Joachim Cornielje, Rick van der Zweth (Partij van de Arbeid), Cees Bos (Stadsbelang Utrecht), Rachel Heijne (GroenLinks), Miraç Usta, Mahmut Sungur (DENK), Pepijn Zwanenberg (Groep Zwanenberg) en Anneloes Krul en Maarten van Heuven (Partij voor de Dieren) over ‘Laat huurders geen geld toeleggen op zonne-energie’. De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Wat zijn de servicekosten voor zonnepanelen bij de verschillende woningbouwcorporaties in Utrecht? Antwoord 1 De verschillende corporaties geven hierover (op hun website of via de mail) het volgende aan: Woonin: € 3,- per zonnepaneel per maand. SSH: Momenteel zijn er geen servicekosten voor zonnepanelen, maar wellicht wel in de toekomst. Bo-EX: De meerderheid van de huurders met zonnepanelen betaalt rond de 2 euro. Bij een aantal nieuwe complexen ligt het rond de 3 euro per paneel (dit omdat dat nieuwere en efficiëntere panelen zijn volgens de corporatie). Habion: Habion legt geen zonnepanelen op individuele woningen. Wel leggen ze zonnepanelen ten behoeve van de algemene ruimte, maar vragen daarvoor geen servicekosten. De opbrengst van de zonnepanelen komt ten goede van de energierekeningen van de algemene ruimte.
Portaal: Tussen de 2 en 3 euro per zonnepaneel per maand (het exacte bedrag verschilt per woning en is afhankelijk van het aantal panelen). Cazaswonen: €2,58 per zonnepaneel per maand. Vraag 2 De woonbond concludeert dat servicekosten hoger dan €2,00 ervoor zorgen dat zonnepanelen meer kosten dan ze opleveren1. Is het college bereid het gesprek aan te gaan met woningbouwcorporaties over lagere servicekosten indien servicekosten hoger zijn dan €2,00?
Antwoord 2 Het kabinet heeft samen met de Woonbond en Aedes onderzoek gedaan naar de gevolgen van het stopzetten van de salderingsregeling voor huurders (zie bijlage 1). Hieruit blijkt dat een daling van de servicekosten een flinke inkomstenderving voor de corporaties zou zijn. Zonder financiële compensatie zal dit ook voor hen aanzienlijke gevolgen hebben. In onze ogen moet er daarom breder worden gekeken. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Vraag 3 Welke rol ziet de gemeente verder voor zichzelf weggelegd als het gaat om het bevorderen van zonnepanelen op sociale huurwoningen? Antwoord 3 Als gemeente vinden we het belangrijk om een stimulerende, ondersteunende en faciliterende rol te spelen bij projecten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan onze samenwerking met het bewonersinitiatief Wijk C Stroom waar recent een zonnedak is gerealiseerd bij WoonIn. We hebben Wijk C Stroom geholpen door ze te adviseren over kansrijke daken, ze te koppelen aan de eigenaren daarvan en ze te ondersteunen bij aanvraag van subsidieregelingen. Dergelijke successen benoemen we in onze overleggen met woningcorporaties [bijv. in de STUW] en nodigen hen ook uit om hun daken in Wijk C en daarbuiten beschikbaar te stellen voor hun huurders. We vinden het belangrijk dat bij het verdwijnen van de salderingsregeling zonnepanelen aantrekkelijk blijven voor huurders.
In de herijking van het programma zon op dak (verwacht in Q1 2026) zal er daarom ook meer aandacht zijn voor de ondersteuning van huurders. Over de exacte rol van de gemeente hierin, informeren we u dan uitgebreider. Vraag 4 Volgens de woonbond wil een op de drie huurders van hun zonnepanelen af. Hebben we in Utrecht ook deze signalen opgevangen? Zijn er ook gevallen bekend waarbij zonnepanelen weer zijn verwijderd? Antwoord 4 Nee, hier zijn ons geen gevallen van bekend in Utrecht, maar ongetwijfeld zijn er ook in Utrecht huurders die zich zorgen maken. Vraag 5 Is de gemeente bereid om bij de rijksoverheid aan te dringen op het afzien van een ondoordachte afschaffing van de salderingsregeling? Antwoord 5 Het afschaffen van de salderingsregeling moet in een bredere context worden gezien. De regeling kost erg veel geld, wat door de hele maatschappij betaald moet worden. Huishoudens zonder zonnepanelen betalen dus indirect mee aan de voordelen van de salderingsregeling voor bezitters van zonnepanelen. Daarnaast vergroot de salderingsregeling ook de congestieproblemen op het elektriciteitsnet. Minister Keijzer heeft aangegeven momenteel geen financiële ruimte te zien om aan de slag te gaan met de geboden oplossingsrichtingen uit het onderzoek van het kabinet, de Woonbond en Aedes.
Op 25 juni heeft een Kamermeerderheid echter een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden, en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. We wachten de reactie van de minister hierop af.
2
We betreuren dat er vooralsnog geen alternatieve oplossingen zijn geboden door het kabinet om wel stappen te blijven maken met de energietransitie, inclusief het stimuleren van zon op dak. We vinden het van groot belang dat er veel aandacht is voor de sociale gevolgen van de energietransitie en klimaatbeleid. Er moeten in onze ogen vanuit het rijk meer middelen beschikbaar komen voor groepen die daarbij achter (dreigen te) blijven. Samen met de G4 en de VNG voeren we met het rijk het gesprek over de energietransitie in de breedte. Het stimuleren van de zonnepanelen bij huurders is daar een onderdeel van, omdat we een rechtvaardige energietransitie willen. Vraag 6 Ziet de gemeente andere mogelijkheden om de businesscase van zonnepanelen in onze gemeente te verbeteren? Antwoord 6 Wij zien zonnepanelen in zijn algemeenheid nog steeds als een zinvolle en rendabele investering. Na de afschaffing van de salderingsregeling wordt het direct gebruiken van opgewekte energie financieel steeds aantrekkelijker. Dit zorgt voor kortere terugverdientijden voor de bewoners en (maatschappelijk) ondernemers, maar ook voor minder belasting van het net en een efficiënter gebruik van energie. Over de voordelen van het verhogen van het eigen verbruik van zelfopgewekte zonneenergie- en over manieren om dat te doen- gaan we eigenaren vanaf deze zomer actief informeren.
Voor huurders wordt het financiële probleem hierdoor echter maar gedeeltelijk opgelost. Uit berekeningen blijkt namelijk dat meer eigen gebruik de negatieve gevolgen niet volledig kan wegnemen. We nemen deze veranderende omstandigheden en een daarop aangepaste aanpak ook mee in de herijking van het programma Zon op dak. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht,
de secretaris,
de burgemeester,
3
Schriftelijke vragen: Laat huurders geen geld toeleggen op zonne-energie 19 mei 2025 Het plaatsen van zonnepanelen op sociale huurwoningen heeft veel voordelen. De huurder kan goedkoop stroom afnemen, we verduurzamen onze stroomvoorziening en worden bovendien ook nog eens energieonafhankelijk. Daarom is het noodzakelijk dat huurders ook daadwerkelijk de vruchten plukken van de zonnepanelen op hun eigen huis. Juist daar wringt de schoen: ondanks het feit dat het zowel vanuit economisch als duurzaamheidsstandpunt wenselijk is om zonnepanelen te plaatsen, gaat het huurders in de toekomst waarschijnlijk geld kosten om die op het dak te hebben liggen. Het afschaffen van de salderingsregeling, in combinatie met de servicekosten die huurders moeten betalen voor zonnepanelen, zorgt ervoor dat het plaatsen ervan niet langer rendabel is voor huurders. Aangezien we moeten doorgaan met het plaatsen van zonnepanelen op woningen, maar huurders daarbij niet de dupe mogen worden, hebben de fracties van de Partij van de Arbeid, Stadsbelang Utrecht, GroenLinks, DENK, Groep Zwanenberg en Partij voor de Dieren de volgende vragen: Vragen: 1. Wat zijn de servicekosten voor zonnepanelen bij de verschillende woningbouwcorporaties in Utrecht? 2. De woonbond concludeert dat servicekosten hoger dan €2,00 ervoor zorgen dat zonnepanelen meer kosten dan ze opleveren1.
Is het college bereid het gesprek aan te gaan met woningbouwcorporaties over lagere servicekosten indien servicekosten hoger zijn dan €2,00? 3. Welke rol ziet de gemeente verder voor zichzelf weggelegd als het gaat om het bevorderen van zonnepanelen op sociale huurwoningen? 4. Volgens de woonbond wil een op de drie huurders van hun zonnepanelen af. Hebben we in Utrecht ook deze signalen opgevangen? Zijn er ook gevallen bekend waarbij zonnepanelen weer zijn verwijderd? Nu het huidige kabinet de salderingsregeling afschaft wordt het minder rendabel om zonnepanelen op je huis te plaatsen. 5. Is de gemeente bereid om bij de rijksoverheid aan te dringen op het afzien van een ondoordachte afschaffing van de salderingsregeling? 6. Ziet de gemeente andere mogelijkheden om de businesscase van zonnepanelen in onze gemeente te verbeteren?
4
Gesteld door: • Joachim Cornielje – Rick van der Zweth, Partij van de Arbeid • Cees Bos, Stadsbelang Utrecht • Rachel Heijne, GroenLinks • Miraç Usta – Mahmut Sungur, DENK • Pepijn Zwanenberg, Groep Zwanenberg • Anneloes Krul – Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Bijlage 1 Het onderzoek afschaffing salderingsregeling is afgelopen mei aan de Tweede Kamer gepresenteerd.5 Hieronder een korte samenvatting. Binnen de groep huurders bevinden zich twee groepen: • Huurders die maandelijks servicekosten betalen voor hun zonnepanelen aan de verhuurder. Deze huurders hebben na het afschaffen van de saldering een financieel nadeel van tussen de 8 en 17 euro per maand t.o.v. van de huidige situatie. Een belangrijke noot is hierbij dat hun gemiddelde energierekening door de panelen wel nog altijd lager is dan huurders zonder panelen. Als dit wordt meegenomen dan is het financiële nadeel dat de huurders met zonnepanelen straks hebben t.o.v. huurders zonder panelen, 4 tot 8 euro per maand. • Huurders van woningen met een energieprestatievergoeding (EPV) die door de verhuurder maandelijks in rekening wordt gebracht (dit betreft 18.500 ofwel 1% van de corporatiewoningen). Vooral deze worden hard getroffen omdat ze gemiddeld 15 tot 20 zonnepanelen hebben. Deze huurders hebben na het afschaffen van de saldering een financieel nadeel van tussen de 37 en 45 euro per maand t.o.v. de huidige situatie. Voor huurders van corporatiewoningen met zonnepanelen zou de servicekostenvergoeding per zonnepaneel met ongeveer 1,25 euro per maand moeten dalen om kostenneutraal uit te komen – van 3,50 euro naar 2,25 euro per paneel per maand.
Deze beperking van servicekosten zou voor corporaties over een periode van 15 jaar leiden tot 541 miljoen euro minder inkomsten. Voor EPVwoningen zou een korting op de in rekening gebrachte EPV leiden tot circa 10 miljoen euro inkomstenderving per jaar voor woningcorporaties. Minister Keijzer ziet momenteel geen financiële ruimte om huurders te compenseren. Oplossingsrichtingen: Woonbond en Aedes hebben afgelopen februari al de tussentijdse onderzoeksresultaten mogen bekijken en toen een gezamenlijke reactie gegeven op het onderzoek. • Zij pleiten voor verlaging van de servicekosten bij huidige huurders met zonnepanelen, waarvoor woningcorporaties eenmalig gecompenseerd zouden moeten worden met 585 miljoen euro. • Voor EPV-woningen stellen zij een vergaande aanpassing van de maximale EPV-bedragen voor. • Daarnaast vragen zij om een investeringssubsidie voor de aanleg van nieuwe zonnepanelen op huurwoningen om de onrendabele top voor verhuurders weg te nemen, zodat kleinere installaties ook in de toekomst worden aangelegd.
5
Programma Zon op dak & netoplossingen 2022-2026 juni 2022
Utrecht.nl/ Zonopdak
Samenvatting Het gaat goed met het opwekken van zonne-energie op daken in Nederland en in Utrecht. Het voorgaande Utrechtse college heeft de doelstelling behaald om zonnepanelen te hebben liggen op 20% van de Utrechtse daken. In de overgenomen Motie 169 'Nieuwe doelstelling voor zon-op-dak' werd gevraagd een voorstel te doen voor een nieuwe doelstelling en nieuw uitvoeringsprogramma. Ondertussen is het Coalitieakkoord 2022 – 2026 gesloten. Het voorliggende Programma zon op dak & netoplossingen 2022-2026 sluit aan op het nieuwe coalitieakkoord. De doelstellingen die in het akkoord zijn opgenomen zijn: om in 2030 168 GWh op te wekken met zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te wekken met zonnepanelen op kleine daken. De doelstelling voor zon op grote daken is onderdeel van ons RES 1.0-bod. In het voorliggende programma staat hoe wij deze doelstellingen willen gaan behalen en hoe ingespeeld wordt op huidige en te verwachte ontwikkelingen. De aanpak ervan verloopt langs twee sporen: ‘Spoor A Stimulering achterblijvende doelgroepen’ en ‘Spoor B Individuele & collectieve net-oplossingen’. Spoor A Stimulering achterblijvende doelgroepen De aanpak via spoor A is gericht op het stimuleren van zonne-energie op kleine en grote daken. Zon op kleine daken Bij kleine daken is beperkte gemeentelijke ondersteuning nodig om de doelstelling van 120 GWh te behalen.
Onder de groep particuliere huiseigenaren en sociale huurwoningen blijft het zon op dakaandeel naar verwachting flink stijgen. Dit komt door de salderingsregeling en de goed ontwikkelde markt die eigenaren ontzorgt. Alleen bij VvE’s, eigenaren van monumentale woningen en bij eigenaren met een kleine beurs groeit het zon op dak aandeel niet snel. Deze doelgroepen krijgen extra ondersteuning: zij worden geïnformeerd en geadviseerd over zon op dak en financieringsmogelijkheden. Zon op grote daken Om de doelstelling voor grote daken van 168 GWh in 2030 te behalen, is een uitgebreide gemeentelijke aanpak nodig. De doelgroepen zijn vooral bedrijven en grote parkeerlocaties voor solar carports. Een solar carport is een overkapping met zonnepanelen op een groot parkeerterrein. Solar carports kunnen aan meerdere doelen een bijdrage leveren: aan opwekdoelstellingen, aan verduurzaming van naastgelegen (gemeentelijk) vastgoed en aan het laden van voertuigen. Solar carports zijn een nieuw doelgroep in het programma. Deze doelgroep kent belemmeringen in financiële haalbaarheid en ruimtelijke inpassing. De ondersteuning van de gemeente zal zich hierop richten, te beginnen bij gemeentelijk vastgoed, om drie solar carports te realiseren in 2025. De bedrijfsdaken op bedrijventerreinen kunnen in theorie erg veel elektriciteit opwekken met zon op dak.
De ondersteuning die de gemeente deze doelgroep van ondernemers en pandeigenaren al biedt, gaat daarom door. Dit gebeurt onder andere met het Bedrijven Zonnepact, de zon op dak-aanjagers en de adviseurspool. Spoor B Individuele & collectieve net-oplossingen De aanpak via spoor B is gericht op het toepassen van lokale netoplossingen om zon op grote daken mogelijk te maken. Netcongestie bij zon op grote daken Bij zon op grote daken speelt een grote structurele belemmering: de beperkte netcapaciteit en de huidige netbeperking voor teruglevering als gevolg hiervan. Deze problematiek speelt ook in andere delen van Nederland. Voor kleine daken met een kleine verbruikaansluiting, vooral bij particuliere huiseigenaren en kleine ondernemingen, gelden er geen beperkingen voor teruglevering. Tennet schat dat in de provincie Utrecht er tot 2029 maar capaciteit is voor ongeveer 10 á 25% van
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
1/29
alle RES’en. Eigenaren van grote daken die zonnepanelen willen plaatsen kunnen niet meer uitgaan van netlevering (opwekken zonder terug te leveren is nog wel mogelijk). Het behalen van de doelstelling voor grote daken is grotendeels afhankelijk van de genoemde netverzwaringen door Tennet. Andere belangrijke oplossingen voor netcongestie zijn het toepassen van congestiemanagement door de netbeheerders en het toepassen van lokale alternatieve oplossingen. Bij dat laatste, bij de toepassing van lokale netoplossingen, daar kan de gemeente een rol bij spelen. Lokale netoplossingen Hieraan gaan wij als gemeente een bijdrage via ‘Spoor B Individuele & collectieve net-oplossingen’. In opdracht van Gemeente Utrecht heeft RHDHV-onderzoek gedaan naar alternatieve individuele en collectieve oplossingen en de rol van de gemeente bij de toepassing ervan (zie bijlage). Er zijn laagdrempelige en individuele oplossingen beschikbaar die ondernemers met een groot dak kunnen nemen. Voorbeelden zijn: een kleine zon op dak-installatie waarbij de opwek overeenkomt met het elektriciteitsgebruik van het bedrijf. Daarnaast zijn er ook nieuwe en innovatieve oplossingen mogelijk, zoals het koppelen met slim laden, een batterij, of een deelname aan een E-hub. Bij een E-hub wordt onder andere capaciteit voor teruglevering en afname onderling uitgewisseld.
Deze innovatieve oplossingen kunnen nog niet grootschalig uitgerold worden. Regelgeving, business cases, de samenwerking tussen netbeheerders en marktpartijen en desbetreffende contracten zijn nog in ontwikkeling. De ontwikkeling van deze oplossingen gaat de gemeente met pilots verder ondersteunen. Deze innovatie(s) kunnen uiteindelijk opgeschaald worden voor grootschalige inzet na 2025. De aanpak van spoor B bestaat uit het informeren van bedrijven over de netproblematiek en het adviseren van individuele en collectieve oplossingen. De gemeente stelt hiervoor een adviseur ‘netcongestie’ beschikbaar en werkt nauw samen met de provincie. De pilots vinden plaats bij bedrijfsdaken op bedrijventerreinen, gemeentelijk vastgoed (waaronder zwembaden), parkeerterreinen, en VvE’s. Er wordt gestart met haalbaarheidsstudies en onderzoek naar financiering. De acties bij gemeentelijk vastgoed worden uitgevoerd in samenwerking met Vastgoedorganisatie Utrecht (VGU). De ervaringen van de pilots worden gebruikt voor toekomstige opschaling. Ook worden de ervaringen gebruikt in de afstemming met netbeheerders, bij lokale overheden RESU16, G4 VNG en voor lobby richting het rijk.
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
2/29
Programma Zon op dak & net-oplossingen 2022-2026 Het belangrijkste doel is om meer zonne-energie op te wekken met zonnepanelen op daken. Bij grote daken is netcongestie de grootste belemmering. De aanpak hiervan verloopt via Spoor B.
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
3/29
Programma Zon op dak & net-oplossingen 2022-2026 - Spoor B Net-oplossingen om zon op grote daken mogelijk te maken. Het toepassen van basisoplossingen verloopt via het geven van advies. Het toepassen van complexere oplossingen verloopt via een pilot-aanpak.
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
4/29
Inhoud Samenvatting Hoofdstuk 1
Beleidscontext 1.1 Aanleiding 1.2 De maatregel zon op dak 1.3 Coalitieakkoord 2022-2026 1.4 Doelstellingen 1.5 Monitoring
6 6 6 7 7 9
Hoofdstuk 2
Uitgangspunten nieuw programma 2.1 Evaluatie 2.2 Ontwikkelingen zon op dak: Terug & vooruit kijken 2.3 Instrumenten
10 10 11 19
Hoofdstuk 3
Nieuw programma ‘2022-2026’ 3.1 Hoofdlijnen programma 3.2 Spoor A stimulering achterblijvende doelgroepen Kleine daken - VvE’s & woningen met monumentale status Grote daken - Bedrijfsdaken op bedrijventerreinen Grote daken - Solar carports op parkeerterreinen 3.3 Spoor B Individuele & collectieve net-oplossingen Individuele oplossingen - advies Individuele oplossingen - onderzoek & pilot projecten Collectieve oplossingen - onderzoek & pilot projecten 3.4 Andere acties
20 20 23
RHDHV-onderzoek, netinpassing van grootschalige zon & wind
28
Bijlagen Bijlage 1:
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
24
26
5/29
1.
Beleidscontext
1.1
Aanleiding
Vorig jaar (2021) lag op 24 procent van alle daken in de stad zonnepanelen, hiermee is de doelstelling om in 2025 op 20 procent te zitten ruimschoots behaald. In de overgenomen Motie 169 'Nieuwe doelstelling voor zon-op-dak' werd gevraagd een voorstel te doen voor een nieuwe doelstelling zon op dak. Een doelstelling die zowel lokaal als regionaal gebruikt kan worden. Ook werd gevraagd om een nieuw uitvoeringsprogramma op te stellen om die doelstellingen te realiseren. In de Raadsbrief Jaarplan 2022 Energietransitie is aangekondigd om u in Q2 het nieuw programma zon op dak toe te sturen. In het voorliggend programma Zon op dak & netoplossingen 2022 – 2026 nemen we u mee in hoe wij de komende collegeperiode uitvoering gaan geven aan de nieuwe doelstellingen. Hierin zijn o.a. de resultaten van het Rekenkamer onderzoek en het onderzoek naar netoplossingen in meegenomen.
1.2
De maatregel zon op dak
Zon op dak is een decentrale opwek maatregel. In het klimaatakkoord valt zon op grote daken zowel onder de sector gebouwde omgeving als onder de sector elektriciteit. Zon op kleine daken valt onder de sector gebouwde omgeving. De groei van zon op dak is in grote mate afhankelijk van beleid en subsidies vanuit de Rijksoverheid1. Ook spelen internationale ontwikkelingen en energieprijzen een rol bij die groei. We focussen ons in dit programma op de maatregel Zon op dak. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in grote daken en kleine daken. Daarnaast wordt binnen dit programma een koppeling gemaakt tussen zon op dak en maatregelen die de kans op zon op grote daken vergroten ondanks de huidige netbeperkingen. Deze maatregelen worden netinpassingsoplossingen of kortweg ‘net-oplossingen’ genoemd. De netbeperkingen zijn een structureel probleem en de koppeling tussen maatregelen, zien we als een van de oplossingen voor de verdere groei van zon op grote daken (c.q. nieuwe netoplossingen).
Dit programma is dus afgebakend op basis van de volgende maatregelen (of installaties): kleine PV-installaties (<15 KWp) op bestaande gebouwen (kleine daken) grote PV-installaties (≥ 15 KWp) op bestaande gebouwen en solar carports (grote daken) nieuwe oplossingen: de koppeling tussen zon op dak en energiegebruik (net-oplossingen) De ontwikkeling van zonnevelden, windparken, de maatregel zonneboilers en zon op dak bij nieuwbouw vallen buiten dit programma. Zon op dak bij nieuwbouw wordt via afspraken tussen de gemeente en ontwikkelaars gestimuleerd. Zonthermie valt ook buiten dit programma. In de raadsbrief Raadsbrief Uitvoeringsvraagstukken warmtetransitie van 24 mei 2022 is toegelicht wat de kansen zijn voor kleinschalige zonthermie. Dit programma focust zich op de maatregel zon-pv op dak bij bestaande bouw.
1
Overheid bevordert groei zonne-energie | Rijksoverheid.nl
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
6/29
Zonnewarmte vs zonne-elektriciteit De zon produceert energie. Deze energie kan omgezet worden in warmte met een zonnecollector of in elektriciteit met een pv-zonnepaneel. Een combinatie van beide is ook mogelijk via zogenaamde PVT-panelen. De uitdaging is om zoveel mogelijk van deze energie nuttig en kostenefficiënt te benutten. Het omzetten van zonne-energie naar warmte is efficiënter dan de omzetting naar elektriciteit. Toch worden pv-zonnepanelen op een veel grotere schaal toegepast dan zonnecollectoren. Dat heeft drie redenen. Een zonnepaneelsysteem is goedkoper dan een zonnewarmtesysteem (bestaande uit collector en een opslagvat). Bovendien vraagt een zonnewarmtesysteem meer ruimte en deze ruimte is vaak niet in een woning beschikbaar. De voornaamste reden is dat overtollige opgevangen warmte niet ingezet kan worden. Een vat dat op temperatuur is gebracht kan niet nog warmer worden gemaakt. Of deze warmte kan niet worden ingevoed op een warmtenet. Deze warmte gaat dan verloren. Een zonnepaneelsysteem is daardoor een goedkoper, compacter en flexibeler systeem.
1.3
Coalitieakkoord 2022-2026
Op 1 juni 2022 is het Coalitieakkoord 2022 - 2026 ‘Investeren in Utrecht: kiezen voor gelijke kansen, betaalbaar wonen en klimaat’ gesloten. Het nieuwe programma zon op dak & net-oplossingen sluit op meerdere ambities aan uit het coalitieakkoord, onder onderdeel ‘Energie en klimaat’. De meest richtinggevende ambitie voor het programma zijn het behalen van de opgenomen doelstellingen. Specifiekere ambities die terugkomen in het nieuwe programma of waar het programma raakvlakken mee heeft zijn o.a.: het tempo maken van nieuwe energieproductie ondanks congestie (via Spoor B ‘net-oplossingen’), het juridisch onderzoeken om zon op dak te verplichten bij utiliteitsgebouwen, de verduurzaming van VvE’s, woningen met monumentale woningen en het gemeentelijk vastgoed (via het solar carport project), het onderzoeken van een mogelijke gemeentelijke energieontwikkelbedrijf, en elektrische auto’s die dienstdoen als batterij (via Spoor B ‘net-oplossingen). Energieambities die gericht zijn op de doelgroepen particulieren huiseigenaren, woningcorporaties, VvE’s en bewonersinitiatieven worden voornamelijk via het deelprogramma Wonen georganiseerd. De aanpak ervan wordt uitgewerkt onder het programma besparen.
1.4
Doelstellingen
Doelstelling zon op grote en kleine daken In het Utrechtse bod voor de Regionale Energie Strategie U16 (RES U16) 1.0 is voor zon op grote daken 168 GWh vastgesteld. Het realiseren van deze ambitie is een belangrijke doelstelling voor dit programma. De doelstellingen voor grote daken en voor de kleine daken zijn: 1. In 2030 wordt er in Utrecht 168 GWh opgewekt via zon op grote daken en carports 2. In 2030 wordt er in Utrecht 120 GWh opgewekt via zon op kleine daken Na het vaststellen van het nieuwe programma (eind juni), worden deze nieuwe doelstellingen in de nieuwe begroting meegenomen. De nieuwe indicator voor deze doelstellingen wordt GWh/jaar. Onderbouwing van de doelstellingen De doelstellingen zijn gebaseerd op de prognoses uit twee CE Delft-rapportages, een gericht op de groei van grote daken en het andere gericht op kleine daken. In deze onderzoeken zijn prognoses en scenario’s richting 2030 onder elkaar gezet. In deze studies is rekening gehouden met factoren als de verwachte investeringsbereidheid van eigenaren, het rendement van panelen en de ontwikkelingen in energieprijzen. In de raadsbrieven ‘Zon op dak - stand van zaken’ van november 2021 en de brief ‘Potentie zon op dak in RES conceptbod’ van maart 2021 zijn de keuze voor doelstellingen op basis van deze prognoses toegelicht en zijn de onderzoeken als bijlage meegestuurd.
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
7/29
Zon op grote daken De studies gingen uit van drie scenario’s. In het ‘meest waarschijnlijke’ scenario voor grote daken, stijgt de opwek van 75 GWh/jaar (in 2020) naar 260 GWh/jaar in 2030. Bij het RES 1.0 bod is voor zon op grote daken uitgegaan van een minder optimistische groei richting 2030, namelijk 168 GWh 2. In Nederland kwam netcongestie voor, maar nog niet in Utrecht. Tennet is onlangs gestart met het netcongestiemanagement-onderzoek, waarmee zij kenbaar gaan maken welke capaciteit beschikbaar komt voor teruglevering in de Provincie Utrecht. Zon op kleine daken Ook bij de studie naar de groei van kleine daken zijn drie scenario’s opgesteld. In het ‘meest waarschijnlijke’ scenario in het onderzoek van CE delft, stijgt de opwek van kleine daken van 51 GWh/jaar (in 2020) naar 119 GWh/jaar in 2030. Op basis hiervan is gekozen voor een doelstelling van 120 GWh/jaar in 2030. Verwachte ontwikkelingen bij uitvoering van doelstellingen De doelstellingen hebben een horizon tot 2030, zie ook onderstaande tabel. Het programma heeft dezelfde horizon, maar de uitvoering ervan loopt tot einde van de huidige collegeperiode, van 2022 tot en met 2026. Het programma richt zich op zowel (1) de stimulering van zon op dak tot en met 2026 (korte termijn), als op (2) de nodige voorbereidingen richting 2030 (lange termijn).
Onder de nodige voorbereidingen valt bijvoorbeeld de pilot-aanpak t.b.v. de netbeperkingen. Verder op in het document wordt op de pilot-aanpak ingegaan. Flexibiliteit binnen het programma en binnen de pilots is van belang, omdat de ontwikkelingen rondom de netbeperkingen snel gaan. Het is lastig te voorspellen hoe de netproblematiek zich ontwikkelt en hoe de bestaande capaciteit verdeeld zal geworden. Tegelijkertijd kunnen zich oplossingen en ondersteunend Rijksbeleid aandienen, waar wij op dit moment nog onvoldoende zicht op hebben. Deze dynamiek zorgt ervoor dat zon op grote daken niet lineair zal doorgroeien richting 2030 3. Voor kleine daken geldt deze beperking niet en kennen geen andere grote belemmeringen. Kleine daken groeien wel lineair door 4. Tabel 1. Doelstellingen zon op dak 2030
2020 (GWh)1
2020
2030 (GWh)
Telt mee in RES
Indicator
+75% SDE’s2
Zon op kleine daken (≤15 kW)
40
n.v.t.
120
Nee
GWh/jaar
Zon op grote daken, incl. solar carports (>15 kW)
45
75
168
Ja
GWh/jaar
1CBS/Klimaatmonitor, 2022. 2 CE Delft rapport, 2021. Hier werd de huidige opwek + een schatte realisatiegraad van 75% van de huidige SDE-
beschikkingen genomen (ook wel de pipeline genoemd).
2
Raadsvoorstel Regionale Energiestrategie 1.0 (oktober 2021) Ce Delft, 2021. Scenario’s zon op grote daken 4 Ce Delft, 2021. Scenario’s zon op kleine daken en solar carports 3
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
8/29
1.5
Monitoring
In lijn met de overgenomen Motie 169 'Nieuwe doelstelling voor zon-op-dak' kan bovenstaande doelstelling regionaal (via RES U16) en lokaal gehanteerd worden. Bij de toekomstige monitoring zal aangesloten worden bij de monitoring vanuit RES U16. De monitoring zal o.a. gebruik maken van de cijfers van de klimaatmonitor van het CBS, zie ook bovenstaande tabel (onder het jaar 2020). Er zijn nog geen actuelere cijfers beschikbaar dan van het jaar 2020. De publicatie van deze cijfers loopt meer dan anderhalf jaar achter, omdat na een volledig jaar de data nog verwerkt dient te worden. De monitoring in het voorgaande zon op dak-programma werd uitgedrukt in zon op dak-percentages. In dit nieuwe programma is de indicator in lijn met de doelstelling, namelijk de duurzame opwek van elektriciteit en dat uitgedrukt in GWh per jaar.
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
9/29
2. Uitgangspunten nieuw programma In dit hoofdstuk benoemen wij onze uitgangspunten voor het nieuwe programma. Een van de uitgangspunten zijn de aanbevelingen van de Rekenkamer. Daarna volgt een paragraaf waar wij terugkijken op het oude programma en beschrijven daarin onze ervaringen. Op basis hiervan wordt beoordeeld welke acties worden doorgezet naar het nieuwe programma, omdat zij succesvol blijken en nodig blijven. Andere (afgeronde) acties kunnen worden stopgezet omdat zij niet meer nodig zijn of omdat zij niet meer passen bij de huidige opgaven en ontwikkelingen. Ook kijken we in dit hoofdstuk vooruit op basis van landelijke en lokale ontwikkelingen. Hierin komt het Rijksbeleid en de huidige netproblematiek aan bod. We eindigen dit hoofdstuk met de instrumenten die wij tot onze beschikking hebben om een nieuw programma uit te kunnen voeren. Op basis van deze uitgangspunten is een nieuw programma met acties en projecten opgesteld (hoofdstuk 3).
2.1
Evaluatie
In het Rekenkamer onderzoek ‘Grip op energietransitie’ is de ‘Zon op dak Aanpak 2019-2022’ geëvalueerd. De zon op dak-aanpak richtte zich op een aantal doelgroepen met een relatieve laag percentage zon op dak. De acties ter ondersteuning van die doelgroepen zijn inmiddels uitgevoerd en het voorgaande college heeft de doelstelling 20% zon op dak behaald. In het onderzoek van de Rekenkamer is een uitgebreid overzicht te vinden van de uitgevoerde acties. Het onderzoek van de Rekenkamer deed niet alleen onderzoek naar zon op dak. Het was breed opgezet, de Rekenkamer deed eerst onderzoek naar de Opgave Energie in brede zin. Zon op dak was vervolgens onderdeel van het onderzoek als een van twee concrete projecten. Onderstaand zijn een aantal belangrijke conclusies en aanbevelingen benoemd, en op welke manier de aanbevelingen zijn overgenomen in dit programma. Tabel 2 Overgenomen conclusies & aanbevelingen Rekenkamer – onderdeel zon op dak Conclusies & aanbevelingen Overgenomen ‘Het doel en de bijbehorende prestatie-indicator Een duidelijk prestatie-indicator (output) is kunnen specifieker worden geformuleerd’. vastgesteld, namelijk voor zon op grote daken 168 GWh en voor zon op kleine daken 120 GWh in 2030. “Het project neemt belemmeringen weg die Type aanpak wordt doorgezet. doelgroepen hebben en biedt hen producten aan om stappen te zetten”.
“Het beleid voldoet aan punten die Type aanpak wordt doorgezet, mede door het (ervarings)deskundigen hebben genoemd blijven betrekken van deskundigen. waaraan succesvol beleid moet voldoen”. Een compleet overzicht van de conclusies is in het Rekenkamer onderzoek zelf te vinden, onder Deel II Onderzoeksrapport, Hoofdstuk 2 Zon op dak 5. In de Raadsbrief ‘Plan van aanpak n.a.v. advies Rekenkamer opgave Energie’4 is een overzicht gegeven hoe de aanbevelingen zijn overgenomen in breder zin voor de gehele Energie-opgave. Deze algemene aanbevelingen zijn ook in dit programma overgenomen, met o.a.: Bij de acties en projecten wordt benoemd of zij onderdeel zijn van andere projecten en programma’s. Bij de acties worden benoemd op welke manier zij bijdragen aan de doelstellingen. Gaat om een uitvoerend project dat op de korte termijn bijdraagt aan de opwek doelstellingen. Of gaat 5 Raadsbrief Rekenkamer onderzoek, 2022
Meer Zon, minder netcapaciteit, hoe doen we dat? |
10/29
het om projecten en acties die bijdragen aan de doelstelling op een wat langere termijn, bijvoorbeeld of het gaat om beleidsvorming, een project dat nieuwe innovaties mogelijk maakt, of het netwerk in de stad stimuleert.
2.2
Ontwikkelingen zon op dak: Terug & vooruit kijken
Naast de aanbevelingen van de Rekenkamer, geven wij richting aan het nieuwe programma op basis van nieuwe ontwikkelingen. Dit zijn ook de ontwikkelingen die zich al voordeden tijdens de uitvoering van het voorgaande programma. We nemen in deze paragraaf ook ontwikkelingen mee die verwacht worden, op de korte termijn en die spelen richting onze doelstelling in 2030. We benoemen de ontwikkelingen voor zowel kleine als grote daken, en nemen daar ook de netproblematiek mee. De onderstaande beschrijving van de ontwikkelingen voor kleine en grote daken zijn mede gebaseerd op onze Zonnemonitor, op de eerdergenoemde CE- Delft onderzoeksrapportages en op het rapport van RHDHV over netcongestie. De algemene ontwikkeling van zon op dak In 2019, bij de start van het voorgaande programma, was het percentage zon op dak 13%. Zon op dak groeide, maar nog niet zo sterk als dat het vandaag de dag doet, zie onderstaande afbeelding. Destijds hadden een aantal doelgroepen een relatieve laag percentage zon op dak. De eerdere aanpak richtte zich daarom toen op een groot aantal kansrijke doelgroepen, namelijk: sociale huurwoningen, particuliere koopwoningen, bedrijven en kantoren, sportaccommodaties, onderwijsvastgoed en gemeentelijk kernvastgoed. Nu is zon op dak flink toegenomen naar 24% zon op dak in 2021. De sector rondom zon op dak is echt volwassen geworden.