CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 1 februari 2024, gemeente Utrecht42.451 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

29

van de depositie in nabij gelegen Natura 2000-gebieden. De gemaakte afspraken hebben tot gevolg dat tijdens van de aanlegfase een afname van de depositie wordt berekend tussen de 0,01 tot 1,78 mol N/ha/jaar in de Natura 2000-gebieden Zouweboezem, Uiterwaarden Lek, Oostelijke Vechtplassen, Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Naardermeer, Biesbosch, Loevestein Pompveld & Kornsche Boezem en Botshol. Op basis van de berekeningsresultaten kunnen significante negatieve effecten als gevolg van de aanlegfase met zekerheid uitgesloten worden. Geconcludeerd wordt dat een vergunning Wet natuurbescherming voor wat betreft stikstofdepositie niet noodzakelijk is en dat de Wet natuurbescherming vanuit het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor uitvoering van het project of vaststelling van het bestemmingsplan. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten. De Wnb en het beleid van de provincie Utrecht staan de ontwikkeling niet in de weg. 3.3.9

Water

Kader Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. De resultaten van de watertoets worden weergegeven in deze paragraaf. Deze paragraaf is opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR en het waterschap AGV (Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd.

Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Provinciale Omgevingsvisie (in werking getreden op 1 april 2021); Provinciale Interim Omgevingsverordening (in werking getreden op 1 april 2021); Gemeentelijk beleid: De visie Water en Riolering (in werking getreden februari 2022), de visie Klimaatadaptatie (in werking getreden februari 2022). De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater, het inzamelen en verwerken van overtollig hemelwater en het voorkomen van structurele grondwateroverlast. Het actuele beleid hiervoor is vastgelegd in de visie Water en Riolering. De ontwerpeisen zijn opgenomen in het Handboek Openbare Ruimte, onderdeel riolen, rioolgemalen en drainage, uitgave 2022, www.utrecht.nl). Daarnaast stelt de gemeente eisen aan het ontwerp van watergangen waarvan zij eigenaar of beheerder is of wordt. Waterschapsbeleid HDSR: Waterwet, Waterbeheerprogramma 2022-2027, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam HDSR, Beleidsregels Keur 2019 Het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft de zorg voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater in het plangebied.

Het beleid en de regels van het waterschap zijn vastgelegd in diverse wetten en verordeningen. De belangrijkste verordening is de keur (www.hdsr.nl). Watervergunning – onttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap HDSR (zie artikel 3.10 Keur 2019). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur 3 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

(lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald. Watervergunning - Keur Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk. Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Plangebied In het geohydrologische rapport (bijlage 10) zijn de lokale geohydrologische situatie, het te verwachten waterbezwaar en de effecten en mogelijke risico's van de bemaling beschouwd. Om constructietechnische- en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge werkputten en sleuven plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden op de locatie moet daartoe bemaling worden toegepast. Op het tracé Utrecht bevindt de onderzijde van de deklaag zich op circa NAP -4,0 m en bestaat uit klei en veen. Onder de deklaag is het eerste watervoerend pakket aanwezig. De bovenste meters van dit pakket bestaat uit fijn tot matig grof zand met daaronder grof tot zeer grof zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Utrecht varieert overwegend tussen 1,0 m -mv en 2,0 m -mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket varieert overwegend tussen NAP -0,30 m en NAP -0,60 m.

Onttrekking Voor de freatische bemaling kan worden volstaan met open bemaling. Om het opbarsten van de putbodems te voorkomen worden in de lokaal aanwezige zandtussenlagen verticale filters voorgesteld. Ten behoeve van de spanningsbemaling in het eerste watervoerend pakket wordt verticale bemaling tot een maximale diepte van 12 m-mv voorgesteld. Het maximaal berekende waterbezwaar bedraagt 1,8 miljoen m3 (worst case GHS situatie) en het maximale berekende debiet bedraagt 390 m³/uur. De onttrekking vindt plaats in het beheergebieden van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Bij beide waterschappen wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. De grondwateronttrekking is vergunningsplichtig en een m.e.r. beoordeling is noodzakelijk (zie paragraaf 3.3.3). Lozing Wanneer het grondwater wordt geloosd op oppervlaktewater in beheer bij Rijkswaterstaat wordt de lozingshoeveelheid van 5.000 m³/uur niet overschreden. Er is geen meld- of vergunningplicht. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is uitsluitend de zorgplicht van toepassing. Ten aanzien van de kwaliteit van het lozingswater moet een melding van de lozing in het kader van het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) plaatsvinden. Effecten Op het tracé zijn bij een verlaging van 0,50 m zettingen van 9 mm berekend.

Binnen de 0,50 m verlagingscontour is een aantal gebouwen gelegen die dateren van de jaren 1960 tot recent. Aanbevolen wordt om de funderingswijze van de betreffende panden te onderzoeken. Als gevolg van de bemalingen worden verder geen noemenswaardige effecten op de omgeving verwacht. De volgende aanbevelingen worden gedaan: Uitvoeren m.e.r. beoordeling (zie paragraaf 3.3.3); Aanvragen vergunning grondwateronttrekking en lozing op oppervlaktewater; Onderzoek funderingswijze bebouwing in Utrecht binnen de 0,50 m iso-verlagingslijn; Opstellen monitoringsadvies; Monitoren stijghoogteverlagingen; Aanvragen vergunningen voor onttrekken grondwater uit grondwaterbeschermingsgebieden; Monitoren grondwaterkwaliteit (ijzer, chloride, onopgeloste bestanddelen). In het kader van het bestemmingsplan van het gehele RTL-tracé is de m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De uitwerking van deze maatregelen (indien nodig) moet deels nog plaatsvinden, maar op basis van kennis en ervaring kan worden gesteld dat het altijd mogelijk is om belangrijke nadelige milieugevolgen in dit kader voldoende te reduceren om te komen tot aanvaardbare milieueffecten en om vergunningverlening mogelijk te maken. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

31

3.3.10 Archeologie Kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 2007 geratificeerd. Het doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Chw bestemmingplan Algemene regels Utrecht De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. De regels van het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht zijn overgenomen in dit bestemmingsplan, waaronder ook de archeologische gebiedsaanduidingen en bijhorende regels. Met de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de plankaart in het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Deze archeologische waardenkaart is gebaseerd op de bodemkaart, cultuurhistorische en archeologische waarden en verwachtingen en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad.

Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van zeer hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting, gebieden van middelhoge archeologische verwachting, gebieden van lage archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Op de archeologische waardenkaart zijn deze archeologische rijksmonumenten weergegeven als WA1a.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de gemeente bij meervoudige vergunningsaanvragen wel als bevoegd gezag aangewezen en heeft het Rijk advies- en instemmingsrecht. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historisch-topografische bronnen en landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht 3 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 30 cm. Gebieden zonder archeologische waarde (WA7) zijn gebieden waar geen archeologische waarden (meer) worden verwacht. Hier geldt geen vergunningsplicht. Plangebied Bij de inrichtingswerkzaamheden of het herstel van de terreinen naderhand vinden bodemingrepen plaats en daarbij kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Met het oog op de uitvoerbaarheid van het project is een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11.

Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek kan niet worden uitgesloten dat zich bij het noordelijke tracé (RTL Lage Weide) nog niet gekarteerde crevasses bevinden, waarop archeologische resten uit de periode paleolithicum tot en met de middeleeuwen aangetroffen kunnen worden. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het niet mogelijk om, zonder booronderzoek, de aan- of afwezigheid, ligging of precieze datering van dergelijke crevasses vast te stellen.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

33

Figuur 3.5 Uitsnede uit de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart Het plangebied van het noordelijke tracé van de gasleiding (RTL Lage Weide) is rood-omlijnd (niet op schaal) (bron: gemeente Utrecht, 2022). Het plangebied ligt grotendeels in een zone van lage archeologische verwachting (WA6) en voor een klein deel in een zone van hoge archeologische verwachting (WA4). Veldonderzoek d.m.v. boringen Het archeologisch booronderzoek heeft aangetoond dat ter plaatse van het RTL-tracé Utrecht Lage Weide de bodem over het algemeen tot minimaal 2 m-mv is verstoord (opgebrachte en / of omgewerkte grond). Deze verstoorde laag is waarschijnlijk ontstaan tijdens de industriële ontwikkeling van het gebied in de jaren 1950. De natuurlijke ondergrond bestaat uit komklei op veen. In boring 523 is in de diepere ondergrond (3,8 m-mv) dekzand aangetroffen. Het betreft enkel de A-horizont. In boring 531 bestaat de diepere ondergrond (2,65 m-mv) uit uiterst siltige, zwak zandige en matig gelaagde klei. Mogelijk betreft het de top van een bedding. Op basis van de archeologische boringen kan worden geconcludeerd dat de aanleg van het RTL-tracé Utrecht Lage Weide voor het overgrote deel in het ophogingspakket en geroerde grond zal plaatsvinden.

Op grotere diepte liggen wel beddingafzettingen, maar hierbij zijn geen oeverwallen of gerijpte dekafzettingen aangetroffen, noch andere indicatoren die op de eventuele aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen. De conclusie naar aanleiding van het veldonderzoek is dat er geen archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen en geen fysisch geografische elementen die de aanwezigheid van een vindplaats ondersteunen. De conclusie is dan ook dat er geen resten zullen worden geschaad bij de uitvoering van het project. Het selectieadvies luidde daarom dat het projectgebied kan worden vrijgegeven. Op 17 februari 2022 heeft het bevoegd gezag dit selectieadvies overgenomen in het selectiebesluit. Conclusie Verreweg het grootste deel van de gasleiding zal worden aangelegd in een gebied van lage archeologische verwachting. Slechts een zeer klein deel aan de westzijde van het tracé ligt in een gebied van hoge archeologische verwachting. Op grond van de resultaten van het archeologisch bureau- en booronderzoek worden er op voorhand geen belemmeringen voor het project verwacht ten aanzien van archeologie. De aanleg van het RTL-tracé Utrecht Lage Weide zal namelijk voor het overgrote deel in het ophogingspakket en geroerde grond plaatsvinden.

Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat echter altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische sporen en/of vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet moet zo spoedig mogelijk een melding worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Een vondstmelding bij de gemeentelijk archeoloog kan ook. 3.3.11 Bomen Kader Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1 e keus herplant op 3 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

locatie, 2 e keus herplant dichtbij locatie, 3 e keus herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. Soms mag er worden afgeweken van de herplantplicht. Dat kan als er sprake is van onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend. Het bomenbeleid van de gemeente Utrecht is vastgelegd in de nota 'Bomenbeleid Utrecht'. Hierin staan de ambities voor bomen in Utrecht. Hier wordt in paragraaf 2.3 aan getoetst. Plangebied en conclusie Bij de tracékeuze en aanlegmethodiek is als uitgangspunt het sparen van zo veel mogelijk bomen gehanteerd. Voor de werkzaamheden is een bomeneffectrapportage opgesteld waarbij de effecten van de aanlegwerkzaamheden op nabij gelegen bomen zijn beoordeeld. Deze rapportage is positief beoordeeld door de gemeente. Binnen het plangebied worden 3 bomen gekapt. Hiervan is 1 boom vergunningplichtig, hiervoor is een velvergunning aangevraagd. Deze boom bevindt zich aan de Plutoniumweg.

De gemeente Utrecht heeft aangegeven deze vergunning te verlenen wanneer het onderliggend bestemmingsplan is vastgesteld. Deze boom wordt opgesnoeid en er worden linten aan de takken gehangen. Hiermee wordt voorkomen dat broedvogels in deze boom hun nest maken. Voor de 3 te kappen bomen is een herplantplan opgesteld. Dit plan is afgestemd met en goedgekeurd door de gemeente Utrecht. In hoofdstuk 6 van de regels (Beheer van natuur, flora en fauna) is een vergunningsplicht voor het vellen van een houtopstand en de herplantplicht opgenomen. 3.3.12 Duurzaamheid Kader en plangebied De gemeente Utrecht heeft duurzaamheid onderverdeeld in drie verschillende onderwerpen: CO2-neutraal. Emissieneutraal en volledig over nieuwe hernieuwbare energie; Klimaatadaptatie. Voorbereid op hitte, droogte, wateroverlast en extreem weer; Circulair. Enkel gebruik maken van circulaire materialen en producten Het aanleggen van een gasleiding voor hoogcalorisch gas heeft met diverse duurzaamheidsaspecten te maken. Klimaatadaptie wordt besproken bij het onderdeel water. Het project zelf is een toevoeging op de weg naar C O2 neutraliteit. De bedrijven die nu nog zijn aangesloten op laagcalorisch gas worden verplicht om over te stappen naar hoog calorisch gas. Het gas vanuit Groningen zal niet meer door deze bedrijven gebruikt worden. Daarbij kan het een stap zijn op weg naar groen gas (alternatief gas).

Door stap voor stap van het aardgas af te gaan wordt de uitstoot van broeikasgassen verminderd. 3.3.13 Conclusie Uit dit hoofdstuk volgt dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Overige milieuthema's zijn voor de onderhavige ontwikkeling niet relevant en zijn daarom niet beschreven.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

35

3 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Als gevolg van de aardbevingen in Groningen werkt de Rijksoverheid aan een zo snel mogelijke afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld. Eén van de maatregelen om dit te realiseren, is de omschakeling van de grootste afnemers van laagcalorisch gas. Dit houdt in dat een groep van negen bedrijven verplicht moet omschakelen naar hoogcalorisch gas of een duurzaam alternatief voor oktober 2022. Gasunie Transport Services is verantwoordelijk om deze negen bedrijven aan te sluiten op het hoogcalorisch gasnet. De aanleg van de nieuwe leiding en de aansluitingen van de leiding worden aanbesteed. Gasunie Transport Services is zowel financieel als organisatorisch verantwoordelijk voor het project en ook het beheer van de leiding. De kosten van het gehele project komen volledig voor rekening van Gasunie Transport Services. Gasunie Transport Services is in staat om de werkzaamheden geheel uit eigen middelen te financieren. De economische uitvoerbaarheid is daarmee afdoende gewaarborgd. Voor wat betreft eventuele planschade die derden kunnen ondervinden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe leiding heeft Gasunie Transport Services een planschadeovereenkomst met de gemeente afgesloten. Eventuele kosten vanwege planschade zijn voor rekening van Gasunie Transport Services.

Daarnaast heeft Gasunie Transport Services met de zakelijk gerechtigden in de algemene voorwaarden een schadevergoedingsregeling opgenomen.

4.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. Hier hebben enkele vooroverlegpartners op gereageerd. Rijkswaterstaat heeft aandacht gevraagd voor een beschouwing op de raakvlakken met de A2. Daarnaast is verzocht om het bestemmingsplan aan te vullen met een verantwoording van het groepsrisico, het advies van de Veiligheidsregio en het Veiligheid, Gezondheid en Milieuplan (VGM-plan).

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

37

3 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening. Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt met regelmaat gewijzigd. Sinds de wijziging van 28 oktober 2016 beschikt de gemeente Utrecht juridisch gezien over één bestemmingsplan voor het gehele grondgebied, verder 'het bestemmingsplan van Utrecht' genoemd. Dat bestemmingsplan kan in zijn geheel of gedeeltelijk gewijzigd worden. Dit plan vervangt de algemene regels en de regels over de bescherming van de archeologie in de bodem, die in bestemmingsplannen staan. Als dit plan onherroepelijk wordt, gaat het op grond van artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet automatisch deel uitmaken van het bestemmingsplan van Utrecht. Op grond van artikel 7c van het hierboven genoemde Besluit kunnen onder andere regels in het bestemmingsplan worden opgenomen over het behouden of maken van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

In de vakliteratuur spreekt men van 'een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte'. Met 'verbreed' wordt dan bedoeld: niet alleen 'een goede ruimtelijke ordening' (bestemmingsplan), maar ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Met het opnemen van regels over het kappen van een boom is dit plan ook "breder" dan een gewoon bestemmingsplan.

5.2

Opbouw regels

De opzet van de bestemmingsregels is steeds gelijk: bestemmingsomschrijving (met ondergeschikte en nevengeschikte doeleinden); bouwregels; nadere eisen waar de bestemmingsregeling dat nodig maakt; afwijkingsregels van de bouwregels; waar nodig: een bijzondere gebruiksregel, bijvoorbeeld bij wonen een aan-huis-verbonden bedrijf. afwijkingsregels van de gebruiksregels; eventueel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter bescherming van aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden; waar nodig: een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Het gebruik van het woord of Wanneer in de regels van dit bestemmingsplan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten.

5.3

Begrippen en meten (hoofdstuk 1 van de regels)

Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die een verduidelijking nodig hebben verklaard. Deze lijst zal op termijn bij alle nieuwe bestemmingsplannen worden gevoegd. In de bijlage kunnen daarom ook begrippen staan die niet voorkomen in de regels van dit plan. Artikel 2 Wijze van meten De regels in dit artikel maken duidelijk hoe de gemeente gaat meten, als er in een regel een bepaalde maat, zoals een bouwhoogte, staat. De verplichte "Anti-dubbeltelregel" uit het Besluit ruimtelijke ordening is in artikel 2, lid 2.5, bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

39

opgenomen. Deze regel voorkomt dat steeds vanuit de feitelijke situatie van het heden wordt gemeten. Als een bewoner bijvoorbeeld 60% van zijn tuin mag volbouwen en dat ook heeft gedaan, ontstaat een nieuwe tuin. Deze regel verhindert dat de bewoner nu ook weer 60% van de nieuwe, kleinere tuin mag volbouwen.

5.4

Artikelsgewijze toelichting (hoofdstuk 2 van de regels)

Artikel 3 Bedrijventerrein - I Het plangebied is voornamelijk in gebruik als bedrijventerrein. Het merendeel van de bedrijven krijgt een bedrijventerreinbestemming die is gekoppeld aan de Lijst van Bedrijfsactiviteiten, die deel uitmaakt van de regels. Er wordt daarbij uitgegaan van interne milieuzonering. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in de regels voor het onder bepaalde voorwaarden toelaten van een bedrijf die 1 of 2 milieucategorieën hoger is gewaardeerd in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Ondergeschikte bij het bedrijf behorende kantooractiviteiten zijn toegestaan tot maximaal 30% van de brutovloeroppervlakte. De noodzaak van een dergelijke afwijking moet specifiek worden aangetoond. Bij afwijking mag het kantorendeel nooit meer zijn dan 50% van de brutovloeroppervlakte. Hieronder wordt hier uitgebreider op ingegaan. Op de gronden binnen deze bestemming zijn, naast bedrijfsvestigingen, fiets- en voetpaden, water, groen, parkeervoorzieningen, nutsgebouwtjes e.d. toegestaan. Artikel 4 Bedrijventerrein - II Binnen deze bestemming ligt het bedrijventerrein De Wetering Noord. Het is de bedoeling om deze functie in de toekomst te behouden. Het merendeel van de bedrijven krijgt een bedrijventerreinbestemming die is gekoppeld aan de Lijst van Bedrijfsactiviteiten, die deel uitmaakt van de regels.

Er wordt daarbij enerzijds uitgegaan van de bestaande rechten uit het oude bestemmingsplan en anderzijds wordt uitgegaan van interne milieuzonering, waarbij rekening is gehouden met de gevoelige functies in de omgeving van het bedrijventerrein. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in de regels voor het onder bepaalde voorwaarden toelaten van een bedrijf die 1 of 2 milieucategorie hoger is gewaardeerd in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Op het bedrijventerrein zijn ondergeschikte bij het bedrijf behorende kantooractiviteiten toegestaan tot maximaal 30% van de brutovloeroppervlakte. Voor het grootste deel van het plangebied wordt uitgegaan van deze globale bestemming 'Bedrijventerrein'. Op de gronden binnen deze bestemming zijn, naast bedrijfsvestigingen, niet alleen wegen ter ontsluiting van de betreffende bedrijven toegestaan, maar ook fiets- en voetpaden, water, groen, parkeervoorzieningen, nutsgebouwtjes e.d. De hoofdontsluitingswegen en het structurele groen en water zijn apart bestemd. Artikel 5 Groen De verschillende soorten groenvoorzieningen zijn opgenomen in één bestemming. Binnen de bestemming Groen is ook waterbeheer, waterberging, sierwater toegestaan. De kleinere watergangen zijn dan ook niet apart bestemd. Daarnaast mogen er binnen deze bestemming ook voet- en fietspaden worden gerealiseerd.

Binnen de groenbestemming is het eveneens mogelijk om onbebouwde fietsparkeervoorzieningen te realiseren. Artikel 6 Leiding - Gas Het gehele plangebied bestaat uit de dubbelbestemming Leiding – Gas. Voor deze bestemming is bepaald dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht. Hiernaast is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. Deze twee bepalingen zijn voorgeschreven in artikel 14, lid 2, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Tevens is in dit artikel, in het eerste lid, voorgeschreven dat een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding, in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Deze belemmeringenstrook moet minimaal 4 meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, bedragen. Dit is in overeenstemming met artikel 5, lid b van de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Hierin staat dat voor buisleidingen voor aardgas met een druk van 1600 tot en met 4000 kPa in afwijking van artikel 14, lid 1 van het Bevb de belemmeringsstrook ten minste 4 meter aan weerszijden van de buisleiding moet zijn. In dit bestemmingsplan is deze belemmeringenstrook dan ook aangehouden en deze strook vormt de breedte van het plangebied. Artikel 7 Leiding - Hoogspanningsverbinding

4 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

De in het plangebied voorkomende hoogspanningleidingen hebben deze dubbelbestemming gekregen. Voor de andere bestemmingen van deze gronden gelden bijzondere bepalingen met het oog op de bescherming van en de veiligheidssituatie rond deze leiding. Het bouwen conform die andere bestemmingen is alleen toegestaan via een afwijkingsbevoegdheid. Dat om te kunnen beoordelen of door dat bouwen geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding. Essentieel is dat de beheerder van de betreffende leiding in die beoordeling wordt betrokken. Daarom is als voorwaarde gesteld dat per afwijking vooraf diens advies dient te worden ingewonnen. Artikel 8 Leiding - Riool De bestemming is opgenomen voor de in het plangebied aanwezige ondergrondse rioolpersleiding. Voor de leiding is zowel door de bestemming als door het in de planregels opgenomen aanlegvergunningenstelsel planologisch bescherming gegeven. Artikel 9 Milieuzone - Boringsvrije Zone Deze bestemming heeft als doel om de beschermende laag in de bodem (het grondwaterwingebied Leidsche Rijn) te beschermen. Daarom zijn er regels opgenomen die het roeren van gronden dieper dan 40 meter onder het maaiveld niet toestaan. Hiervan kan worden afgeweken indien er toestemming is verkregen van het bevoegd gezag (de provincie).

Artikel 10 Verkeer en Artikel 11 Verkeer - Rijkswegen Deze bestemming is van toepassing op de wegen waar de nadruk ligt op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. De bestemming Verkeer - Rijkswegen geldt ter plaatse van de A2. Artikel 12 Water Water is in het plangebied een structurerend element. De grotere watergangen zijn in de bestemming 'Water' opgenomen. De regeling uit de keur blijft onverkort naast het bestemmingsplan van kracht. Bij de bestemmingsomschrijving van onder andere verkeer staat onder andere het gebruik water en kruisingen met water. In het noordelijk deel van Lage Weide hebben de waterpartijen ten noorden van de Plutoniumweg de aanduiding 'ecologische waarde' gekregen. Daar wordt behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden en het ontstaan van ecologische verbindingszones beoogd. Artikel 13 Waterstaat - Waterkering De gronden aan weerszijden van het water hebben een waterkerende functie. Om deze functie veilig te stellen, is een dubbelbestemming opgenomen. Voor de andere bestemmingen van deze gronden gelden bijzondere bepalingen met het oog op de waterkering. Het bouwen conform die andere bestemmingen is alleen toegestaan via een afwijkingsbevoegdheid. Dat om te kunnen beoordelen of door dat bouwen geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de waterkering.

Essentieel is dat de beheerder van de betreffende leiding in die beoordeling wordt betrokken. Daarom is als voorwaarde gesteld dat per afwijking vooraf diens advies dient te worden ingewonnen. Artikel 14 Gemengd - Uit te werken Deze uit te werken bestemming is opgenomen voor de nog niet uitgegeven kavels in De Wetering Zuid. Voor het bouwen geldt een bouwverbod totdat sprake is van een uitwerking. Dat bouwverbod kan via de 'interne anticipatie', afwijking op basis van een ontwerp-uitwerking, worden doorbroken, mits aan de in artikel 14.2 bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Door de gebruiksregel wordt voorkomen dat onduidelijkheid kan ontstaan over de vraag of, zolang nog geen uitwerking is vastgesteld, zonder meer wijzigingen in het gebruik kunnen plaatsvinden binnen de ruime bestemmingsomschrijving van dit artikel. Burgemeester en wethouders kunnen hiervan afwijken ten behoeve van het wijzigen van het gebruik voordat de bestemming is uitgewerkt, mits aan de in artikel 14.6 bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze gebruiksregels zijn van tijdelijke aard en zijn van toepassing totdat de bestemming is uitgewerkt.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

41

5.5

Algemene inleidinghoofdstukken 3 tot en met 7

5.5.1

Bijzondere en algemene regels

In bestemmingsplannen zijn twee soorten regels te vinden: bijzondere regels die alleen gelden voor locaties waar een bepaalde bestemming of functie geldt en algemene regels die voor alle bestemmingen of functies gelden. De bijzondere regels staan in hoofdstuk 2 van de regels van dit plan. De algemene regels staan, de begrippen en meetregels in hoofdstuk 1 buiten beschouwing gelaten, in vijf hoofdstukken: de hoofstukken 3 tot en met 7. In dit hoofdstuk noemen we de regels van die hoofdstukken 'de algemene regels'. De algemene regels over activiteiten staan in: hoofdstuk 3 Bouwen en slopen; hoofdstuk 4 Gebouwen en locaties gebruiken; hoofdstuk 5 Grondwerk en hoofdstuk 6 Beheer van natuur, flora en fauna. De algemene regels met het overgangsrecht zijn in hoofdstuk 7 te vinden. 5.5.2

Voortuitlopen op de Omgevingswet

5.5.2.1 Voorbereiding omgevingsplan, Crisis- en herstelwet De gemeente Utrecht is opgenomen in artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Daardoor mag de gemeente de experimenteerbepalingen uit artikel 7c van dat besluit gebruiken. Dit plan maakt beperkt gebruik van die mogelijkheid. Artikel 7c geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om in een bestemmingsplan een verbod op te nemen om zonder vergunning een bepaalde activiteit te verrichten. Die bevoegdheid, vergelijkbaar met die van de toekomstige Omgevingswet, is een verruiming van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. In dit plan wordt hiervan gebruik gemaakt in de gevallen die: 1. 2.

planologisch aanvaardbaar zijn, als de initiatiefnemer aan bepaalde voorwaarden voldoet, en waarbij het van belang is dat de gemeente het initiatief vooraf toetst.

Een toets vooraf is bijvoorbeeld wenselijk, als de regel een open norm bevat, zoals "het straatbeeld mag niet worden aangetast". De vergunningprocedure geeft aan burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de norm door deskundigen te laten toetsen, zoals een stedenbouwkundige of de commissie ruimtelijke kwaliteit, of om beleidsregels vast te stellen die de norm concreet maken. 5.5.2.2 Korte schets van de Omgevingswet De Omgevingswet vraagt, onder meer, om een integrale benadering van de leefomgeving, gericht op een doelmatig beheer en ontwikkeling van de 'fysieke leefomgeving' (in dit plan kortweg 'de leefomgeving' genoemd). De gemeente krijgt meer ruimte om zelf te besluiten wat in een gebied het belangrijkst is. Verder wil de wet het aantal regels verminderen, ervoor zorgen dat de regels makkelijker te vinden en te begrijpen zijn en dat de procedures korter zijn. Om dat te bereiken bundelt de Omgevingswet zo'n 26 wetten in één wet en 100 Algemene maatregelen van bestuur (verder: AMvB; een AMvB is een besluit van de regering dat ook wettelijke regels bevat) in 4 AMvB's. Vervolgens zijn provincies en gemeenten aan zet. De gemeenten moeten al hun bestemmingsplannen overhevelen naar één omgevingsplan. In het omgevingsplan moeten ook de regels over de leefomgeving worden opgenomen die nu nog in verordeningen staan, zoals regels uit de Apv over het kappen van een boom.

De Omgevingswet gaat over de leefomgeving, dus niet alleen over de ruimtelijke ordening, maar ook over milieuthema's en archeologie en over andere onderwerpen waar activiteiten bij horen die gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving, zoals windenergie of het beheersen van de gevolgen van de klimaatverandering. Die verbreding, van ruimtelijke ordening naar leefomgeving, geldt ook voor het omgevingsplan.

4 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

5.5.2.3 Nieuw in dit plan Het omgevingsplan krijgt het karakter van een verordening die regels stelt over activiteiten die effect kunnen hebben op de leefomgeving. Die verandering vraagt om nieuwe, andere regels. Dit plan is een eerste stap naar het omgevingsplan. De regeling van dit plan heeft namelijk een structuur die het overzetten van de regels naar het omgevingsplan dat bij de invoering van de Omgevingswet de bestemmingsplannen zal vervangen makkelijker maakt. De algemene regels in de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 kunnen bij de invoering van de Omgevingswet vrijwel ongewijzigd worden overgezet naar het omgevingsplan. Dit plan maakt een scherper onderscheid tussen regels die direct verband houden met een bepaalde functie (bestemming) en regels die over een activiteit gaan die ook in andere functies (bestemmingen) denkbaar is. De regels over de activiteit 'bouwen' zijn bijvoorbeeld niet meer enkel in het artikel over de functie geregeld. Het maakt voor het bouwen zelf niet uit of de functie Wonen of Industrie is. Uit het feit dat een locatie de functie Wonen heeft volgt bijvoorbeeld niet dat je maximaal 12 meter hoog mag bouwen.

Een regel met een maximum bouwhoogte kan wel nodig zijn om aan te sluiten op de hoogte van de bebouwing in de omgeving of om te voorkomen dat woonruimtes ontstaan die niet goed zijn voor de gezondheid, bijvoorbeeld omdat er boven die hoogte te veel verkeerslawaai is. Door de nieuwe opzet zijn er veel minder regels nodig. Het systeem van de Omgevingswet biedt die mogelijkheid. Als iemand een activiteit wil ondernemen die niet in strijd is met de wet, maar wel in strijd is met het omgevingsplan, dan kan hij of zij een vergunning aanvragen om toestemming voor die activiteit te vragen. Een verbod in het omgevingsplan, zoals 'het is verboden om hoofdgebouwen te bouwen', heeft dus geen absoluut karakter. Maar het zal duidelijk zijn dat de gemeente geen vergunning zal verlenen voor het bouwen van een huis midden op de openbare weg en wel voor de vervanging van een afgebrand huis. 5.5.2.4 Nieuwe termen, vrijwel geen verbrede reikwijdte De Omgevingswet gebruikt nieuwe termen. Een 'bestemming' wordt in die wet 'functie' genoemd en 'gebruik' is straks een 'activiteit'. Om te oefenen met de nieuwe termen en om er alvast aan te wennen, zijn deze termen al gebruikt in de regels van de algemene regels. De term 'functie' betekent in dit plan: bestemming, gebruiksdoel; de term 'locaties' betekent hetzelfde als 'gronden' in het bestemmingsplan.

'Activiteit' kan doen, maar ook laten doen of nalaten betekenen. De Omgevingswet hanteert ook de term 'fysieke leefomgeving'. In dit plan spreken we van 'leefomgeving'. De term 'omgevingsvergunning' is in dit plan vervangen door 'vergunning', als het gaat om de omgevingsvergunning die de gemeente op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en straks op grond van de Omgevingswet kan vragen. De regels van het plan zouden de formele term moeten hanteren, bijvoorbeeld "omgevingsvergunning voor de activiteit zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder b" of "omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit". Via artikel 1.46 heeft de eenvoudige term 'vergunning' wel die formele lading gekregen. Dit plan bevat verder kapregels uit de Apv. Ook de regels voor de bescherming van de archeologische waarden zijn opgenomen, omdat de gemeente de bestemmingsplanregels en de regels uit de Verordening op de archeologische monumentenzorg voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wil samenvoegen tot één regeling en de archeologische vergunning wil onderbrengen onder het systeem van de Wabo en de Omgevingswet. 5.5.3

Afwijken van het bestemmingsplan

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan met een vergunning afgeweken worden van de regels van het bestemmingsplan. De Wabo geeft in artikel 2.12 drie methodes voor het verlenen van de vergunning om te mogen afwijken: 1.

2. 3.

de reguliere procedure voor het afwijken op grond van regels die in het bestemmingsplan zelf staan (Wet ruimtelijke ordening) en voor de vergunning voor een activiteit die op grond van de regels vergunbaar is (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet); de reguliere procedure voor het afwijken voor een activiteit die valt onder een categorie van de lijst van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; als het bovenstaande niet van toepassing is: er moet een ruimtelijke onderbouwing gemaakt worden en de uniforme, openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gevolgd.

Het is dus altijd mogelijk om een vergunning aan te vragen om van regels van het bestemmingsplan af te mogen wijken. Onder de Omgevingswet blijft deze systematiek min of meer gehandhaafd, waarbij het volgen van de reguliere vergunningprocedure, het uitgangspunt is. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

43

Er is een duidelijk verschil tussen methode 1 enerzijds en de methodes 2 en 3 anderzijds. Bij de vergunningverlening volgens methode 1 toetst het college van burgemeester en wethouders de aanvraag alleen aan de regels van het bestemmingsplan. Als de aanvraag past, wordt de vergunning verleend. Het college bekijkt dus niet of de aanvraag voldoet aan de Wet ruimtelijke ordening, omdat de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan die toets al gedaan heeft. Bij de methodes 2 en 3 is dat anders en zal het college uitgebreider onderzoeken of het afwijken wel wenselijk is. Hieronder wordt dit met een voorbeeld verduidelijkt. Bij het opstellen van de regels van dit plan is rekening gehouden met de afwijkingsmogelijkheid onder 1 en met de andere methodes van afwijking. De regels verbieden veel activiteiten die tot verandering van de leefomgeving kunnen leiden, omdat dit plan in de eerste plaats wil zorgen voor een goed beheer van het plangebied. De regels verbieden bijvoorbeeld het zonder vergunning bouwen van hoofdgebouwen op locaties met de aanduiding 'overige zone - Omgevingskwaliteit'. Het idee hierachter is dat alle hoofdgebouwen die in die zone gebouwd mochten worden al gebouwd zijn en dat er geen plaats is voor nieuwe hoofdgebouwen. Maar het kan zijn dat een gebouw afbrandt of dat de eigenaar een gebouw wil vervangen.

De regels van het plan bieden voor zo'n geval de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen: de hierboven beschreven methode 1 wordt dan gevolgd. Dat is logisch, omdat bij vervanging van een hoofdgebouw niet hoeft te worden getoetst of het gebouw planologisch aanvaardbaar is. Het kan ook zijn dat de eigenaar van een schoolgebouw een hotel wil vestigen in die school. Het plan staat dat niet toe, maar via methode 2 kan toch een vergunning verleend worden. Of er komt een plan om een bedrijf af te breken voor het bouwen van een flat, wat vergund kan worden met de derde methode. Bij dit soort initiatieven geeft het plan geen antwoord op de vraag of de ontwikkeling past in de omgeving. Dan moet de gemeente bijvoorbeeld onderzoeken of het initiatief in het gemeentelijke beleid past, in het eerste voorbeeld in ieder geval in het hotelbeleid en het verkeersbeleid. Het belang van het initiatief wordt uiteindelijk afgewogen tegen alle andere belangen die in het geding zijn, waaronder uiteraard de belangen van omwonenden. En de gemeente toetst natuurlijk ook of zo'n initiatief voldoet aan de wet en aan de verordening van de provincie.

5.6

Bouwen en slopen (hoofdstuk 3 van de regels)

5.6.1

Inleiding

Alle regels over het bouwen en slopen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Deze regels gelden voor de hele gemeente gelden. De regels houden rekening met het feit dat ze in combinatie met een ouder bestemmingsplan gelden of die, zoals in dit plan, deel uitmaken van een bestemmingsplan, een 'Chw-plan' (Chw staat voor: Crisis- en herstelwet, zie paragraaf: 5.5.2.1 Voorbereiding omgevingsplan, Crisis- en herstelwet, dat anticipeert op de Omgevingswet). De artikelen in hoofdstuk 3 van de regels zijn als volgt ingedeeld: inleidende en algemene bepalingen (Artikel 15); bijzondere regels over bouwen (Artikel 16) bouwen is toegestaan op grond van het plan (Artikel 17); vergunning nodig voor het bouwen (Artikel 18); bouwen is niet toegestaan(Artikel 19) vergunning nodig voor het slopen (Artikel 20). 5.6.2

Inleidende bepalingen over het bouwen en het slopen

Artikel 15 Met de regel in lid 15.1 blijven de regels die in hoofdstuk 2 Bestemmingsregels staan van toepassing, naast de regels die in Hoofdstuk 3 Bouwen en slopen van dit plan staan. Dat is logisch, want het is een juridisch principe (het 'lex specialis'-beginsel) dat een bijzondere regel voorgaat op een algemene regel. De regel in lid 15.2 verbindt het bouwen met de functie van het gebouw. Als de functie van het gebouw niet past bij de functie van de locatie, mag het bouwen ook niet. Een bedrijfspand past bijvoorbeeld wel op een locatie met de functie Bedrijf, maar niet op een locatie met de functie Groen. Een vergunningaanvraag voor een bedrijf op zo'n locatie zal op grond van lid 15.2 moeten worden geweigerd. Lid 15.3 dient twee doelen. Allereerst wordt onder 1 zeker gesteld dat een bestaand, legaal bouwwerk (een gebouw is ook een bouwwerk) in dit plan als een legaal bouwwerk wordt gezien, ook al bepaalt een regel in dit artikel dat zo'n bouwwerk niet gebouwd mag worden. Het legale bouwwerk wordt geacht in overeenstemming te zijn met de regels die dit bestemmingsplan over de activiteit bouwen stelt. Met legaal wordt bedoeld: 4 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

toen het bouwwerk gebouwd werd, beschikte de eigenaar over de vergunningen die toen verplicht waren en was het bouwen op grond van de wet toegestaan of het gebouw is later gelegaliseerd of mocht op grond van latere regelgeving gebouwd of in stand gelaten worden. De regel onder 2 is bedoeld voor bouwwerken die gebouwd zijn om te voldoen aan een voorwaardelijke verplichting. Dergelijke gebouwen mogen niet afgebroken worden. In lid 15.4 staat een regel die uit de bouwverordening komt en die in het omgevingsplan thuishoort. Het is een praktische regel die ervoor moet zorgen dat de bouw op een zorgvuldige manier start, namelijk op de juiste hoogte en op de juiste plek. De woorden "in ieder geval" maken duidelijk dat er andere redenen kunnen zijn om nog niet met de bouw te beginnen. De voorschriften in de omgevingsvergunning kunnen de start bijvoorbeeld verbieden zolang nog niet aan een bepaalde voorwaarde is voldaan en is ook mogelijk dat er voor de bouw nog meer vergunningen nodig zijn. Het aangeven van het peil of het uitzetten van rooilijnen is niet altijd nodig. De gemeente kan in zo'n geval aangeven dat de bouwer kan starten met de bouw. 5.6.3

Bijzondere regels over bouwen (artikel 15)

Lid 16.1 Voorwaardelijke verplichting over parkeren Dit lid zorgt voor de uitvoering van het parkeerbeleid. De regel onder 1 en 3 zorgen ervoor dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Dat betekent dat de aanvrager moet zorgen voor voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen. Wat voldoende is, hangt natuurlijk af van wat er gebouwd wordt. Het college gebruikt beleidsregels om te toetsen of een bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Bij de vaststelling van dit plan staan die beleidsregels in de Beleidsregel parkeernormen fiets 2021 gemeente Utrecht en de Beleidsregel parkeernormen auto 2021 gemeente Utrecht. In die beleidsregels staan de normen waarmee de parkeerbehoefte berekend wordt, de mogelijkheden voor maatwerk en hoe het aantal te realiseren parkeerplaatsen bij het gebruik van die mogelijkheden wordt berekend. De constructie in dit lid vloeit voort uit artikel 3.1.2, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en uit de vergelijkbare bepaling in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, artikel 7c, zesde lid. Die wettelijke regelingen staan toe dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening "vage regels" bevat die concreet worden gemaakt met beleidsregels.

Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2017 (201605713/1/R3) over het bestemmingsplan "Facetherziening parkeren" van de gemeente Groningen volgt dat de gemeente een dynamische verwijzing naar parkeernormen in de regels mag opnemen. In deze uitspraak overweegt de Afdeling: "Wel moet duidelijk zijn naar welke beleidsregels wordt verwezen. Hoewel in artikel 4, lid 4.4, van de planregels niet wordt verwezen naar specifieke beleidsregels, kan er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen onduidelijkheid over bestaan dat ten tijde van de vaststelling van het plan hiermee de "Beleidsregels Parkeernormen 2012" van de gemeente Groningen worden bedoeld. Er zijn in de gemeente Groningen immers geen andere beleidsregels met betrekking tot parkeren." Lid 16.2 Woningvorming en omzetting Deze regel heeft vooral een signaalfunctie. De regel is strikt genomen niet nodig, omdat artikel 22 sowieso van toepassing is. De beleidsmatige toelichting staat bij dat artikel. 5.6.4

Bouwen is toegestaan (artikel 16)

Voor de duidelijkheid: het "bouwen is toegestaan" in de kop van artikel 17 wil zeggen dat op grond van hoofdstuk 3 van de regels geen vergunning nodig is. Vaak is op grond van de wet wel een omgevingsvergunning nodig of brengt de bouwactiviteit ook een vergunningplichtige activiteit met zich mee, bijvoorbeeld het bouwen bij een gasleiding. Het eerste lid, lid 17.1 beschrijft de gevallen waarin geen vergunning nodig is. Onder 1 worden de bouwwerken bedoeld die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zonder vergunning, zelfs zonder bouwvergunning, gebouwd mogen worden. De regel onder 2a spreekt voor zich. Onderdeel 2b verwijst naar bouwregels die bij de regels bij een functie (bestemming) staan, bij traditionele bestemmingsplannen zijn dat de bouwregels in hoofdstuk 2. Als de regels die een functie horen een bouwwerk toestaan, dan is het bouwen op grond van dit onderdeel toegestaan. Als een aanvrager bijvoorbeeld een gebouw van 8 meter hoog wil bouwen en bij de functie (bestemming) of op de plankaart (verbeelding) staat dat daar bebouwing tot 9 meter is toegestaan, dan is het bouwen toegestaan. De bouwer moet op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wel een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aanvragen en de bouwer moet ook voldoen aan artikel 21.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

45

In lid 17.2 staan de kleine afwijkingen van regels over het bouwen, afwijkingen die normaal gesproken geen effect hebben op de planologische of stedenbouwkundige invulling van een gebied en de leefbaarheid niet aantasten. Meestal is voor de genoemde bouwwerken wel een omgevingsvergunning nodig. Dit lid bepaalt slechts dat voor de afwijking (namelijk de overschrijding van de bouwgrens) geen vergunning nodig is. Lid 17.3 regelt dat dakopbouwen op een hoofdgebouw die voldoen aan de voorwaarden van dat lid, op dit moment alleen enige woningen in de buurten Veldhuizen-Balije, geen nadere toets aan het plan nodig hebben. Er is wel een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een dakopbouw die aan de voorwaarden voldoet, voldoet ook aan de welstandsaspecten. Die zijn namelijk vertaald in de voorwaarden over het uiterlijk en het materiaalgebruik. De voorwaarden komen er eigenlijk op neer dat een dakopbouw moet aansluiten bij de eerder gerealiseerde dakopbouwen in een bouwblok of in een straat. Die eerdere dakopbouwen zijn al op welstand getoetst en fungeren als "trendsetter". Als er geen trendsetter is of de gewenste dakopbouw past niet in de voorwaarden, dan kan een dakopbouw vergund worden op grond van lid 17.3 onder 2 of artikel 7 of met een omgevingsvergunning waarmee van het plan mag worden afgeweken.

Met een rij woningen van hetzelfde type worden aan elkaar gebouwde woningen in dezelfde stijl en met dezelfde architectonische opbouw en uitvoering bedoeld. Dit kan een zelfstandig rij woningen zijn of een rij woningen binnen een langere rij woningen.

Afbeelding: voorbeeld van hoe de regeling werkt bij een rij met twee woningtypen

De regel onder 7 maakt, wellicht ten overvloede, duidelijk dat een dakopbouw niet hetzelfde is als 4 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

een extra verdieping (bouwlaag). Uit de vorm en grootte van de dakopbouw moet blijken dat de dakopbouw aan deze regel voldoet. Lid 17.4 biedt een beperkte mogelijkheid voor het maken van een dakterras, zonder dat er een planologische toets hoeft plaats te vinden. Die mogelijkheid is beperkt, omdat een dakterras nogal wat impact heeft op de omringende percelen. In onderdeel 3 dat staat het maken van dakterrassen op een aan- of uitbouw toe in de daar genoemde zone onder voorwaarden is toegestaan, wat betekent dat de regeling op dit moment alleen in de buurten Veldhuizen, De Balije en Voordorp gelden. Dakterrassen kunnen een belangrijke meerwaarde hebben voor bewoners die geen tuin of plaatsje hebben. De nadelen van een dakterras zijn de vermindering van de privacy en de geluidsoverlast voor de buren. Die nadelen wegen in een wijk als Voordorp - Voorveldsepolder met veel tuinen en veel groen, zwaarder dan de voordelen. Daarom zijn dakterrassen op woningen niet toegestaan (dat volgt uit artikel 18, lid 18.4, waarin geen ruimte aan dakterrassen wordt geboden). De zinsnede "op het deel van het hoofdgebouw dat alleen één bouwlaag op de begane grond heeft " moet voorkomen dat er discussie ontstaat over de vraag of de aanbouw of uitbouw een deel is van het hoofdgebouw. Een oorspronkelijk aangebouwde keuken kan bijvoorbeeld als deel van het hoofdgebouw gezien worden.

Als dat zo is, dan mag ook op dat deel van het hoofdgebouw een dakterras gemaakt worden, zolang dat dakterras maar niet op een tweede bouwlaag wordt gemaakt. Dakterrassen kunnen een gezondheidsrisico met zich meebrengen. Een uitmonding of dakdoorvoer van een ontspanningsleiding kan stank veroorzaken en daardoor een gezondheidsrisico vormen bij (langdurig) verblijf op een dak. In NEN 3215-2018, hoofdstuk 4 en 10 is een afstandseis gesteld voor een uitmonding van een ontspanningsleiding van de gebouwriolering ten opzichte van een voorgeschreven buitenruimte, dan wel een uitwendige verblijfsruimte. Deze afstand moet minimaal 6 meter bedragen. Een dakterras en het gebruik daarvan (verblijf) vormt mogelijk ook een gezondheidsrisico door stank afkomstig van uitmondingen van ontspanningsleidingen van naastgelegen bouwwerken. Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk is onder voorwaarden geheel vergunningvrij (zie hierboven bij lid 17.1). De voorwaarde waar lid 17.5 naar verwijst luidt: "c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn". Met deze voorwaarde wil de wetgever voorkomen dat bijbehorende bouwwerken die invloed hebben op de beleving van de openbare ruimte zonder welstandstoets gebouwd mogen worden.

Er zijn echter gevallen waarin het bijbehorende bouwwerk zonder bezwaar of zelfs bij voorkeur op de grens van het openbare gebied gebouwd kan worden. De regels in lid 17.5 beschrijven die gevallen en zorgen dat voor die gevallen snel een vergunning voor de activiteit bouwen verleend kan worden. Het begrip "openbaar toegankelijk gebied" is uit de regeling in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht overgenomen. De regel onder 1 gaat over wat men een gesloten bouwblok noemt. Een bijhorend bouwwerk op de grens van het perceel is daar geen bezwaar. "Aan alle zijden omgeven [..] door hoofdgebouwen", betekent niet dat er geen openingen in de bebouwing mag zitten, bijvoorbeeld openingen om verkeer naar een binnenterrein toe te laten. Het gaat erom dat aan alle zijden min of meer gesloten bebouwing staat die een duidelijk binnenterrein vormt voor de bewoners van die gebouwen.

Afbeelding: openbaar gebied dat "omgeven is door hoofdgebouwen"

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=047ab333-46d6-499a-b963-ec4ce599be33