Agendabundel
Tekst van het document
2.4
Conclusie
De conclusie voor het plangebied is dat het relevante beleid de ontwikkeling van 9 woningen overeenkomstig de beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau is.
2 4 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande situatie
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft inzicht in de huidige situatie in het plangebied en analyseert de het plangebied in ruimtelijk en functioneel opzicht.
3.2
Beschrijving van het plangebied
3.2.1
Historische ontwikkeling
De wijk Rijnvliet ligt in de voormalige polder Oudenrijn. Ook Strijkviertel ligt in deze voormalige polder. Op een luchtfoto uit 1936, zie afbeelding 5, en uit diverse kadastrale kaarten uit de 19e en vroege twintigste eeuw is duidelijk de lintbebouwing en de haakse polderverkaveling op de Oude Rijn te zien. Langgerekte percelen begrensd door sloten liggen achter de historische lintbebouwing langs de Rijn. Op enkele plekken lagen achter de bebouwing wat boomgaarden, maar de meeste percelen waren polders. Wilgen en mogelijk af en toe een windsingel van andere boomsoorten kenmerken de vorm en begrenzen deze polders. Ook deze bomen zijn kenmerkend voor dit cultuurlandschap. De polders zijn niet of nauwelijks bebouwd geweest. In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig.
Afbeelding 5 Uitsnede luchtfoto 1936 3.2.2
Structuurbepalende elementen
Rijnvliet is omsloten door verschillende gebieden met allemaal een andere functie. In tegenstelling tot de andere wijken van Leidsche Rijn, sluit Rijnvliet nauwelijks aan op andere woongebieden. Ten noorden van het plangebied ligt langs de Leidsche Rijn de Rijksstraatweg. Aan de Rijksstraatweg staan een aantal monumentale gebouwen, waaronder de Metaalkathedraal. Deze voormalige kerk is nu in gebruik als culturele en ecologische broedplaats. De Rijksstraatweg vormt de informele entree tot Rijnvliet. Ten westen van het plangebied ligt bedrijventerrein Oudenrijn. Andere structuurbepalende elementen in de omgeving zijn de C.H. Letschertweg en de snelwegen A2 en A12. bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
25
Afbeelding 6 Structuurbepalende elementen, plangebied is aangegeven met een rode ster
3.3
Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied
Het plangebied bestaat nu nog uit grasland en braakliggende grond, zie afbeelding 1 in hoofdstuk 1. De aanwezige natuurwaarden staan beschreven in paragraaf 5.11. De opgaande begroeiing aan de westzijde van het plangebied wordt door verschillende vleermuissoorten gebruikt als cruciale vliegroute van noord- naar zuidelijke richting. Het open grasland met de aanwezigheid van verschillende bosschages en de aanwezigheid van natte gronden zijn belangrijke groene kwaliteiten voor Rijnvliet. Voor recreatie en gezondheid van de Utrechters had het plangebied geen specifieke waarde, het was voorheen minder toegankelijk. Voor het klimaat zijn de oppervlakte en het volume van groen belangrijke indicatoren. De oppervlakte aan groen was voornamelijk agrarisch gebruikt grasland. Het groenvolume is beperkt omdat het hoofdzakelijk weidegebied is.
3.4
Conclusie
De historie van Rijnvliet en de structuurbepalende elementen vormen de basis voor het vastgestelde Stedenbouwkundig Plan dat hoort bij het bestemmingsplan 'Rijnvliet' uit 2016. Bij dat bestemmingsplan is rekening met de waarden gehouden. Voor het plangebied van de 9 woningen zijn er geen knelpunten vanuit de historie die een belemmering geven.
2 6 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Projectbeschrijving
In deze paragraaf wordt ingegaan op de reden van de ruimtelijke ingreep. Wat wil de gemeente of de aanvrager bereiken met het plan en waarom. In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de inhoud van het stedenbouwkundig plan. 4.1.1
Programma
De woonwijk Rijnvliet is in aanbouw. In de gehele woonwijk Rijnvliet worden maximaal 1.100 woningen gebouwd. Het grootste deel van het totale programma bestaat uit grondgebonden woningen. Een klein deel bestaat uit appartementen. Ook is een klein deel van het programma bestemd voor bijzondere woonvormen. Er wordt een mix van eengezinswoningen en appartementen ontwikkeld in de categorieën sociale huurwoningen, goedkope, middeldure en dure koopwoningen. In het plangebied komen 9 dure koopwoningen. De typen woningen die in het plangebied komen zijn twee twee-onder-een-kapwoningen, drie vrijstaande woningen en vier rijwoningen. In bijlage 1 is de verkavelingskaart opgenomen. 4.1.2
Stedenbouwkundig plan
De hoofdstructuur van Rijnvliet deelt het gebied op in een aantal woonbuurten. De woonbuurten krijgen niet ieder een eigen thema of karakter, maar vormen juist samen een eenheid waardoor er één duidelijk beeld voor Rijnvliet ontstaat. De buurten hebben een intieme sfeer: woonstraten met een grasberm en bomenrij worden afgewisseld met smalle straatjes waar incidentele bomen in staan en intieme pleintjes en groene ruimtes met speelvoorzieningen voor de kleinste kinderen. In de straten komen verschillende typen woningen voor. Door deze mix ontstaat een divers en afwisselend straatbeeld. Voor een verdere toelichting op het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet verwijzen wij u naar hoofdstuk 4 van het bestemmingsplan 'Rijnvliet' uit 2016.
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
27
Afbeelding 7 Impressies van de woningen in de wijk Rijnvliet
4.2
Verkeer en openbare ruimte
4.2.1
Verkeer
Het aspect verkeer is opgenomen in het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet. Zie hiervoor hoofdstuk 4 van het bestemmingsplan 'Rijnvliet'. In dit hoofdstuk is ingegaan op de bereikbaarheid van het plangebied met de auto, het openbaar vervoer, de fiets of te voet. Voor de ontwikkeling van 9 woningen geldt een verkeersaantrekkende werking van 7,2 voertuigen per woning per etmaal. Dit betekent dat er 9 x 7,2 = 64,8 verkeersbewegingen pet etmaal bij komen. Dit is goed af te wikkelen over het aangrenzende wegennetwerk. Hiermee is ook rekening gehouden bij de berekening van de stikstofdepositie. Zie hiervoor paragraaf 5.11. Daarbij is ook uitgegaan van het toegepast verkeersmodel VRU 3.4. 4.2.2
Parkeren
Ook het aspect parkeren is in het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet opgenomen. In hoofdstuk 4 van het bestemmingsplan 'Rijnvliet' is uitgelegd dat de parkeernormen uit het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet van toepassing zijn op alle woningen in Rijnvliet. Voor dit bestemmingsplan moet dan ook (conform het bestemmingsplan 'Rijnvliet') worden voldaan aan de parkeernormen uit onderstaande tabel. Dit betekent dat de parkeernormen uit de Nota stallen en Parkeren voor de woningen niet van toepassing zijn. Type woning sociale woning dure huur/goedkope koop
Parkeerplaats per woning minimale parkeernorm 1,25 1,45
maximale parkeernorm 1,35 1,55
2 8 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
dure koop bejaardenwoning seniorenwoning/klein appartement
1,65
1,75 0,6 1,1
In de Nota Stallen en Parkeren is namelijk opgenomen, dat voor stedenbouwkundige plannen (SP) die zijn vastgesteld vóór de vaststelling van de Nota Stallen en Parkeren, uitgegaan mag worden van de parkeernorm zoals die zijn opgenomen in het SP. Dat is hier aan de orde want het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet is vastgesteld in 2012 en de Nota Stallen en Parkeren in 2013. Doordat deze overgangsbepaling in de Nota Stallen en Parkeren is opgenomen en van toepassing is op deze situatie, is het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet, dan wel het bestemmingsplan 'Rijnvliet' in overeenstemming met de Nota Stallen en Parkeren 2013. Voor dit bestemmingsplan heeft dat tot gevolg dat de 9 woningen in het plangebied de volgende parkeerberekening hebben: Alle 9 woningen vallen in het dure koop segment. De minimale parkeernorm is 1,65 en de maximale parkeernorm is 1,75 parkeerplaats per woning. Dit houdt in dat voor deze ontwikkeling minimaal (1,65 x 9) 14,9 parkeerplaatsen en maximaal (1,75 x 9) 15,8 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Op basis van de Actualisatie Ontwikkelvisie 2003 wordt het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein overeenkomstig onderstaande tabel geteld. Deze hanteert een telwijze waarbij het aantal parkeerplaatsen op basis van de parkeernorm, wordt verdeeld in parkeerplaatsen op eigen terrein en parkeerplaatsen in openbaar gebied.
Wijze van parkeren garage met oprit (van voldoende lengte) garage zonder oprit carport tuinparkeerplaats
Telwijze van de parkeerplaats 1 0,5 0,85 0,5
Het wijzigingsplan maakt 9 woningen mogelijk. Het gaat om: 3 vrijstaande woningen met garage en oprit; 2 twee-onder-een-kap woningen met garage en oprit; 4 rijwoningen zonder eigen parkeerplaats. Gerealiseerde parkeerplaatsen op eigen terrein (na de telwijze, zie tabel) 3 vrijstaande woning met garage en oprit: 3 x 1 = 3 2 twee-onder-een-kap woningen met garage en oprit: 2 x 1 = 2 4 rijwoningen zonder eigen parkeerplaats: 4 x 0 = 0. Er worden volgens de telwijze 5 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De overige parkeerplaatsen worden in het openbaar gebied gerealiseerd. Het gaat dan om minimaal afgerond 10 (14,9 - 5) en maximaal afgerond 11 (15,9 - 5) parkeerplaatsen. Er zijn 12 parkeerplaatsen beschikbaar in de openbare ruimte voor deze ontwikkeling. De overige parkeerplaats is nodig voor de gehele ontwikkeling van Rijnvliet. Daarmee voldoet deze ontwikkeling aan het gemeentelijke parkeerbeleid. 4.2.3
Openbare ruimte en groen
In het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet is de openbare ruimte en het groen beschreven, zie hoofdstuk 4 van bestemmingsplan 'Rijnvliet' uit 2016. In het plangebied bestaat de openbare ruimte voornamelijk uit wegen, waaronder de Papiermoerbeilaan en parkeerplaatsen. In de openbare ruimte van de gehele woonwijk Rijnvliet wordt de aanleg van 15 hectare voedselbos met een divers aanbod aan beplanting voldoende compenserende maatregelen genomen, zie hiervoor bijlage 2: ambitiedocument 'Eetbare woonwijk Rijnvliet, Utrecht. Stedelijk voedselbos Urban Food Forestry'. Het voedselbos vormt een geïntegreerd onderdeel van de woonwijk Rijnvliet. Alle planten en bomen in de wijk produceren voedsel: voor de andere planten en bomen, dieren, bewoners en bezoekers. Het beplantingsplan is zeer divers opgezet, waarin alle lagen vertegenwoordigd zijn. Er wordt gebruik gemaakt van overwegend voedsel producerende beplantingssoorten. De eigenschappen van de verschillende soorten worden intelligent gebruikt om een stabiel en veerkrachtig ecosysteem te creëren. Vergeleken met de agrarische functie die het gebied grotendeels had, zal de biodiversiteit toenemen. De biodiversiteit die inheemse bomen opleveren is echter groter dan exoten. Inheemse soorten die hier voorkwamen zoals de wilg zijn soortenrijk.
Ook neemt de biodiversiteitswaarde van een gebied toe naarmate de beplanting (het systeem) ouder en stabieler is en wanneer er veel bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
29
soorten overgangen van nat en droog en begroeiingslagen zijn. Een nieuwe ontwikkeling vergt tijd om de natuurwaarden weer op peil te krijgen. Naast voedsel biedt het voedselbos ook een verscheidenheid aan ecologische diensten zoals habitat voor vele insecten en dieren, mitigatie van klimaatverandering en een prachtige plek om in te verblijven. Het plan voldoet hiermee aan het verbeteren van de groene kwaliteiten en versterking van de stedelijke groenstructuur. De afname van het oppervlakte groen in dit plangebied wordt ruimschoots gecompenseerd in andere delen van Rijnvliet. Het groenvolume was in de huidige functie als agrarisch grasland zeer beperkt en zal met het aanplanten van tientallen bomen en onderbeplanting in de loop van de jaren verbeteren. De afname van groen in het plangebied wordt opgevangen binnen het totale plan voor het woongebied Rijnvliet.
3 0 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1
Inleiding
In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.
5.2
Milieueffectrapportage
Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie De in het plan opgenomen activiteiten vallen onder categorie D11.2 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject) zoals deze is opgenomen in onderdeel D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit is in het Besluit m.e.r. een drempelwaarde opgenomen van 2.000 woningen, een projectgebied van 100 hectare en 200.000 m2 bvo aan bedrijfsoppervlakte of meer. Het plan blijft onder deze drempelwaarde en overschrijdt deze niet. Op grond van artikel 2, lid 5, sub b, van het Besluit m.e.r.
dient echter ook in 'overige gevallen' bekeken te worden of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (de vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) een besluit te nemen om voor het project wel of geen m.e.r.-procedure te volgen voor het project alvorens het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) opgesteld. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er derhalve geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. De gemeente heeft dan ook op 21 april 2021 besloten om voor dit plan geen m.e.r.-procedure toe te passen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 3. Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen door de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Kader In de gemeente Utrecht wordt gestreefd naar een situatie waarin wonen en werken in de stad op een goede manier samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook dient te worden voorkomen dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed heeft op de woonomgeving en andere gevoelige functies, of dat omgekeerd de milieubelastende activiteiten waaronder bedrijvigheid, wordt belemmerd door de aanwezigheid van woningen en andere gevoelige functies in de directe nabijheid. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Plansituatie Aan de hand van de VNG-systematiek Bedrijven en Milieuzonering zijn de verschillende bestemde bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
31
bedrijfscategorieën en feitelijk aanwezige bedrijven rond het plangebied Rijnvliet beschouwd. De meeste bedrijven(terreinen) hebben geen relevante milieu-invloed in het gebied. Enkele bedrijven geven wel aanleiding tot het aanhouden van een zekere afstand. Het bestemmingsplan voor Strijkviertel 68 is per 14 augustus 2020 onherroepelijk. Daarmee is de maximale bedrijfscategorie op het perceel Strijkviertel 68 verlaagd naar categorie 2. Op dit moment is hier nog een bedrijf met categorie 3.1 gevestigd. Dit bedrijf valt onder het overgangsrecht. Met de herontwikkeling van het bedrijventerrein Strijkviertelpark zal dit bedrijf niet op deze locatie terugkomen. Aanvankelijk was de afstand van de locatie Strijkviertel 68 tot Rijnvliet 50 meter. Nu de bedrijfscategorie is teruggebracht tot categorie 2 en als het bedrijf met categorie 3.1 weg is kan de afstand tot Rijnvliet ook geringer worden en de woningbouw worden ontwikkeld. Van der Tol en J&B Grijpers Ten noordwesten van het plangebied liggen de bedrijven Van der Tol en J&B Grijpers. Deze bedrijven vallen onder categorie 3.1 en hebben een aan te houden afstand van 50 meter. Het plangebied ligt alleen binnen de milieuzone van Van der Tol. Het milieuaspect geluid is de bepalende factor.
De grenswaarde voor geluid vanuit het Activiteitenbesluit is 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau en 70 dB(A) etmaalwaarde voor de maximale geluidsniveaus (piekgeluiden). Vanuit de ambitie om een rustige woonwijk te creëren, wordt voor het gemiddelde geluidsniveau echter een richtwaarde van 45 dB(A) gehanteerd. In het kader van dit plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidsbelasting van deze twee bedrijven. Zie bijlage 6 voor het akoestisch onderzoek. J&B Grijpers Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting vanwege J&B Grijpers voldoet aan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Van der Tol Het geluid van Van der Tol voldoet aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit maar komt wel boven de richtwaarde uit. Het geluid van vertrekkende kranen in de nachtperiode en het geluid van installaties op het dak is daar de oorzaak van. Piekgeluiden afkomstig van laden en lossen kunnen in de dagperiode boven de richtwaarde uitkomen. Voor laden en lossen in de dagperiode kent het Activiteitenbesluit een uitzondering van toetsing. Op de begane grond wordt wel overal aan de richtwaarde voldaan. In het akoestisch rapport is nader onderzoek gedaan naar de mogelijke maatregelen.
Door middel van dempende maatregelen aan de installaties op het dak kan op vrijwel alle woningen en elke verdieping aan de richtwaarde van 45 dB(A) worden voldaan. Op een drietal woningen zal alleen op de bovenste verdieping (zolder) nog een kleine overschrijding van maximaal 2 dB overblijven, zie afbeelding 8. De grenswaarde van het Activiteitenbesluit van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt echter niet overschreden.
Afbeelding 8 Overschrijding richtwaarde van 45 dB (A) 3 2 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Op de grens van het bedrijventerrein ter plaatse van de kranen bij Van der Tol is al een geluidsscherm van 53 meter lang en 7 meter hoog voorzien. Deze is al mogelijk op basis van het ter plaatste vigerende bestemmingsplan (bestemmingsplan 'Rijnvliet'). Om een verdere reductie te bewerkstelligen, om zoveel mogelijk te voldoen aan de richtwaarde, zijn maatregelen nodig om het geluid van de kranen te verminderen. Dat kan alleen door een forse uitbreiding van het al voorziene geluidsscherm op de grens van het bedrijfsterrein (verlengen met 14 meter en verhogen tot 8 meter). Deze maatregel zou ook nodig zijn om de piekgeluiden in de dagperiode tot onder de richtwaarde te brengen. Vanuit financieel oogpunt wordt dit niet meer als doelmatig beschouwd. We houden vast aan het scherm van 53 meter lang en 7 meter hoog. Conclusie Aan de westzijde van het woongebied Rijnvliet zal bij Van der Tol een geluidsreducerende maatregel aan de luchtbehandelingsinstallatie op het dak moeten worden getroffen om een aanvaardbaar woonklimaat te verkrijgen. Dit in combinatie met het al voorziene geluidscherm van 53 meter lang en 7 meter hoog op de grens van het bedrijfsterrein, ter plaatse van de kranen bij Van der Tol. De richtwaarde van 45 dB(A) wordt dan vrijwel overal gehaald. Voor het doen van deze maatregelen bij Van der Tol heeft de gemeente een overeenskomst gesloten met Van der Tol.
Aan de grenswaarde vanuit het Activiteitenbesluit wordt ruimschoots voldaan. De conclusie is dat met het treffen van bovengenoemde maatregelen bij het bedrijf Van de Tol aan de westzijde er geen belemmeringen zijn voor een volledige ontwikkeling in dit plangebied.
5.4
Geluidhinder
Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet "geluidsgevoelige bestemmingen" zoals wonen, zorg en onderwijs. Op grond van de Wet geluidhinder zijn rond bepaalde wegen (niet bij woonerven of wegen waarvoor de maximum snelheid van 30 km/u geldt) en bepaalde industrieterreinen aandachtsgebieden (zones) vastgelegd. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan: bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen een zone; bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe gezoneerde (spoor) wegen (niet zijnde rijkswegen of hoofdspoorwegen vallend onder de Wet milieubeheer); reconstructie van wegen (niet zijnde rijkswegen); bestemmen van gronden van gezoneerde industrieterreinen; wijzigen van grenzen van gezoneerde industrieterreinen of bijbehorende zones. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidsgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd.
Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidsgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-53 dB voor rijkswegen en 48-58 dB voor lokale wegen, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). Bij een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde dient akoestisch onderzoek uitsluitsel te geven over de te verwachten geluidsbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. Onder bepaalde voorwaarden, die zijn vastgelegd in de gemeentelijke geluidnota, kan door burgemeester en wethouders een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld (ontheffing).
De voorwaarden uit de Geluidnota Utrecht 2014-2018 op basis waarvan een hogere waarde kan worden vastgesteld, zijn: Iedere woning beschikt over een geluidsluwe gevel; De woning bevat voldoende verblijfsruimten aan de geluidsluwe gevel, te weten 30% van het aantal verblijfsruimten of 30% van de oppervlakte van het verblijfsgebied; Als de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag er in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan op de geluidsluwe gevel. bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
33
Plansituatie Het plangebied is alleen gelegen binnen de geluidszone van de Rijkswegen A2/A12. Uit het geluidsmodel - zoals gebruikt wordt voor de ontwikkeling van de Rijnvliet - blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuwe woningen niet meer dan 50 dB exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder bedraagt. Na toepassing van de wettelijke aftrek van 2 dB is de geluidsbelasting niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er is geen ontheffing (hogere waarde) nodig. Op onderstaande figuur zijn de maatgevende geluidsbelastingen weergegeven. Dit is op de derde bouwlaag.
Afbeel ding 9 De maatgevende geluidsbelastingen op de woningen Conclusie Omdat de geluidbelasting niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder kan worden gesproken over een goede ruimtelijke ordening.
5.5
Trillingen
Kader Het aspect trillingen is voor bedrijven geregeld in het Activiteitenbesluit. Kort gezegd staat daarin dat de trillingsniveaus moeten voldoen aan de streefwaarde uit de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B 'Hinder voor personen in gebouwen' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR), voor de gebouwfunctie wonen. Plansituatie De minimale afstand tussen de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden die de trillingen veroorzaken op het terrein van J&B Grijpers en de plek waar nieuwe woningen voorzien zijn in het bestemmingsplan bedraagt zo'n 75 – 80 meter. Zie daarvoor afbeelding 10. In de bestaande situatie zijn er binnen deze afstand woningen aanwezig uit het begin van de vorige eeuw die (naar alle waarschijnlijk) op staal gefundeerd zijn. Dit type woningen is aanzienlijk gevoeliger voor trillingen dan de nieuwe woningen die op palen gefundeerd zullen worden. Bij de bestaande woningen zijn geen klachten over trillingen bekend.
3 4 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 10 Afstand tussen bedrijf J&B Grijpers en plangebied Conclusie Gezien het incidentele karakter van de trillingen, de relatief grote afstand tot aan de nieuwe woningen en de bouw/fundering van de nieuwe woningen worden er basis van expert-judgement geen trillingen verwacht die de SBR-normen overschrijden. Met expert-judgement worden ervaringen uit andere trillingsprojecten bedoeld. Er is geen trillingsonderzoek vereist.
5.6
Geur
Kader Het algemene uitgangspunt van geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Voor bepaalde bedrijven is in de Wet milieubeheer (Wm) een richtwaarde aangegeven voor hoeveel geur (uitgedrukt in geureenheden/m3) acceptabel is in de omgeving van bedrijven/inrichtingen. Dit geldt voor bestaande woningen en voor nieuwe woningen. Voor nieuwe situaties is de norm strenger dan voor bestaande situaties. De mate van geurhinder is met name afhankelijk van de geurconcentratie en het karakter van de geur. Bij een hoge geurconcentratie in de omgeving zal meer geurhinder worden ervaren. Daarnaast is ook het karakter ofwel de mate van onaangenaamheid van een geur van invloed. Een aangename geur (bijvoorbeeld broodgeur van een bakker) wordt minder snel als hinderlijk ervaren dan een onaangename geur (bijvoorbeeld afvallucht). Daarom verschilt de toegestane geurbelasting per soort bedrijf/inrichting. Deze geuruitstoot heeft ruimtelijke consequenties. In de directe omgeving van een bedrijf/inrichting zijn vanuit de norm van de Wet milieubeheer beperkingen gesteld aan de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkelingen van gevoelige bebouwing met name wonen. Plansituatie Buiten het plangebied ligt de asfaltcentrale Asfaltcentrale Utrecht (KWS). KWS heeft sinds 2011 een nieuwe milieuvergunning.
De vergunning was enerzijds voor een hogere productiecapaciteit en anderzijds om het moderniseren van het productieproces teneinde de milieuhinder naar de omgeving te reduceren. In het najaar van 2016 is op initiatief van KWS overleg gestart over de mogelijkheid van het realiseren van woningbouw In Leeuwensteyn–Zuid. Dit is het gebied in de polder Papendorp ten noorden van de prins Clausbrug. Dat zou betekenen dat de asfaltcentrale de asfaltproductie zou moeten opheffen. In 2017 is een intentiedocument Groenewoud vastgesteld dat uitgaat van woningbouw ter plaatse van onder andere de asfaltcentrale. Naar verwachting wordt in 2021 een stedenbouwkundig plan van het gebied ‘Groenewoud’ door de gemeenteraad van Utrecht vastgesteld. Daarna volgt een bestemmingsplan. De ontwikkelaar verwacht eind 2021/2022 te kunnen starten met de eerste fase van de bouw aan de zuidzijde, het KWS-terrein volgt later. Zolang het bestemmingsplan Nedal KWS ruimte biedt aan een asfaltcentrale moet hiermee rekening gehouden worden. Geurhinder vanwege KWS is niet belemmerend geweest voor de realisering van Rijnvliet. De bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
35
geurcontour rond KWS is namelijk bepaald op basis van de dichtstbijzijnde woningen ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal. Deze liggen veel dichterbij dan het plangebied en bovendien in lijn met de overheersende zuidwestelijk windrichting. Voor dit plan is er ook geen belemmering van dit bedrijf voor de planontwikkeling. Conclusie In of nabij het plangebied zijn geen andere bedrijven die relevant zijn voor het aspect geur. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.7
Externe veiligheid
Kader Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in ruimtelijke plannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. De normen en richtlijnen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In alle drie besluiten wordt voorgeschreven dat kwetsbare bestemmingen voldoende afstand moeten houden tot risicobedrijven en transportroutes voor gevaarlijke stoffen, en tevens kunnen er op grond van die besluiten beperkingen aan de bebouwingsdichtheid wenselijk zijn. Het lokale wegverkeer van gevaarlijke stoffen mag volgens de gemeentelijk vastgestelde routeringsverordening uitsluitend plaatsvinden over enkele aangewezen wegen. Andere wegen mogen voor de bevoorrading van een aantal bedrijven slechts gebruikt worden indien daar een ontheffing voor verleend is. Voor externe veiligheid bestaan twee normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans op overlijden van een onbeschermd persoon die zich 24 uur nabij de ongevalslocatie bevindt.
De normhoogte voor PR bedraagt 10-6/jaar voor gevoelige bebouwing. Het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar aan dat een groep personen van een bepaalde grootte kan overlijden als gevolg van een calamiteit. Voor het GR is een zogeheten oriënterende waarde vastgesteld. Plansituatie In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Dit heeft het volgende overzicht opgeleverd. Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en waterwegen In en rond Utrecht zijn diverse transportassen aangewezen ten behoeve van het transport van gevaarlijke stoffen (alle snelwegen, spoorlijn van Amsterdam richting Den Bosch en het Amsterdam Rijnkanaal), de zogenaamde basisnet transportassen. De A2 ligt op ongeveer 750 meter afstand van het plangebied. Deze afstand is te groot om van invloed te zijn op het plangebied. Alle andere basisnet transportassen liggen op meer dan een kilometer afstand van het plangebied. Nadere beschouwing is niet nodig. Ter plaatse van de planlocatie bevindt zich geen aangewezen route ten behoeve van het lokale transport. Ook vinden geen transporten plaats waarvoor ontheffingen zijn verleend. Vanwege het lokale transport is er dus geen PR contour en bestaat er geen groepsrisico. Nadere beschouwing is niet nodig.
Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Ook buiten het plangebied bevinden zich geen buisleidingen die van invloed zijn op het plangebied. Bedrijven die vallen onder het Bevi In het plangebied bevinden zich geen Bevi bedrijven. Buiten het plangebied, op het bedrijventerrein Oudenrijn, bevinden zich twee Bevi bedrijven: BASF en Videojet. De afstanden van deze bedrijven tot het plangebied zijn te groot om van invloed te zijn op het plangebied. De kortste afstand tussen het terrein van BASF en het plangebied is ongeveer 750 meter en bij Videojet bedraagt die afstand ongeveer 600 meter. Het invloedsgebied van BASF reikt tot maximaal 110 meter buiten de terreingrens, voor Videojet bedraagt die afstand ongeveer 90 meter. De invloed van beide bedrijven op het plangebied is daarmee verwaarloosbaar. Overige bedrijven met een veiligheidsafstand buiten de inrichtingsgrens In of nabij het plangebied bevinden zich geen bedrijven met dergelijke veiligheidsafstanden. Conclusie 3 6 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Op basis van voorgaande is de conclusie dat externe veiligheid geen belemmering is voor het plan.
5.8
Explosieven
Kader In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Conventionele Explosieven (CE) worden uitgevoerd. Plangebied en conclusie Op basis van historisch kaartmateriaal zijn er geen gegevens bekend van de aanwezigheid van conventionele explosieven. Uit het eerdere bodemonderzoek van bestemmingsplan 'Rijnvliet' uit 2016 is er ook niks naar voren gekomen over conventionele explosieven. Explosieven vormen geen belemmering voor het plan.
5.9
Luchtkwaliteit
Kader De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Bij lucht gaat het om de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Wegverkeer is, samen met de achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate bepalend voor de luchtkwaliteit. Door het plan neemt de intensiteit van het wegverkeer in de omgeving van het plangebied toe. De aanpassing van het bestemmingsplan is getoetst aan de Wet Milieubeheer. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) geeft een opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen, zoals bij bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien: Aannemelijk is gemaakt dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde (lid 1 onder a); Een project – al dan niet per saldo – niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit (lid 1 onder b); Aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkelingen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie PM10 (fijn stof) en NO2 (stikstofdioxide) in de buitenlucht (lid onder c); Het voorgenomen besluit is genoemd of is niet in strijd is met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) (lid 1 onder d).
Er moet aangetoond worden of op grond van artikel 5.16, lid 1 onder (a, b, c, en/of d) van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor de uitvoering van het plan. De Utrechtse gemeenteraad heeft bovendien in 2015 via een motie de opdracht gegeven om lagere waarde voor fijnstof te realiseren waarbij gekeken wordt naar de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) advieswaarden. Plangebied Toetsing aan de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) Met behulp van de NIBM-tool (Niet in betekenende mate-tool) is worst case de bijdrage van het plan aan de luchtkwaliteit berekend. Voor de te realiseren woningen wordt uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van 7,2 mvt per etmaal per woning, gebaseerd op CROW-kentallen voor de betreffende type woningen, dus in totaal 65 verkeersbewegingen.
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
37
Op basis van deze berekening kan worden geconstateerd dat voldaan wordt aan artikel 5.16 uit de Wet milieubeheer, lid 1 onder c. Het plan draagt Niet In Betekenende Mate bij aan de concentraties. In de huidige situatie liggen de concentraties NO2 en fijn stof in de omgeving van het plangebied Rijnvliet (langs de Stadsbaan Leidsche Rijn en Strijkviertel) ruim onder de grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5). Afbeelding 11 toont de ligging van de rekenpunten in de omgeving van het plangebied uit de NSL-Monitoringstool voor het jaar 2020.
Afbeelding 11 Rekenpunten uit de NSL-Monitoringstool 2020 De maximale concentratie in 2020 voor NO2 bedraagt 29,2 µg/m3 en de maximale concentraties PM10 en PM2,5 zijn respectievelijk 19,5 en 11,9 µg/m3. Deze gehalten worden berekend op 10 m van de rand van de weg. In het plangebied Rijnvliet zijn de concentraties lager. In 2030 bedraagt de maximale concentratie voor NO2 18,5 µg/m3 en de maximale concentraties PM10 en PM2,5 zijn respectievelijk 16,9 en 9,6 µg/m3. Voldaan wordt aan artikel 5.16 uit de Wet milieubeheer, lid 1 onder a: er wordt voldaan aan de grenswaarden. In 2020 wordt wel voldaan aan de WHO advieswaarde voor PM10, maar nog niet aan die voor PM2,5 (respectievelijk 20 en 10 µg/m3). De gemeente Utrecht heeft het streven om in de toekomst te gaan voldoen aan de WHO advieswaarden voor PM10 en PM2,5. In het jaar 2030 liggen de concentraties PM10 en PM2,5 beiden onder de WHO advieswaarde. Conclusie Op basis van de uitgevoerde luchtbeoordeling is de conclusie dat in de toekomstige plansituatie aan het gestelde in artikel 5.16 eerste lid 1, onder a en onder c, van de Wet milieubeheer wordt voldaan. Daarom is er geen belemmering vanuit de Wet milieubeheer om dit bestemmingsplan vast te stellen.
3 8 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
5.10 Bodem Kader Bij het bestemmingsplan dient getoetst te worden of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functie(s). Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan is een "nieuw geval". De zogenoemde zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieu-hygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaats vinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een actueel bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht.
Op basis van dit onderzoek beoordelen we of de locatie geschikt is voor de geplande functie. Bij de uitgifte van kavels in Leidsche Rijn maakt een bodemrapport NEN 5740 deel uit van de notariële bescheiden. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet rekening gehouden worden met nabij gelegen grondwaterverontreinigingen. Plansituatie In opdracht van Gemeente Utrecht is een vooronderzoek (bijlage 2 van bestemmingsplan Rijnvliet), afgeleid van de NEN5725, uitgevoerd ter plaatse van de ontwikkelingslocatie Rijnvliet te Utrecht. Het doel van het vooronderzoek is: in kaart brengen van de huidige bodemkwaliteitsgegevens; bepalen waar actualiserend bodemonderzoek noodzakelijk is op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken; in kaart brengen deellocatie waar nog geen bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn. Op basis van de Nota bodembeheer 2017-2027 is het plangebied ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur voor wat betreft de ontgravingskwaliteit en toepassingseis. Het plangebied is hoofdzakelijk in gebruik voor veeteelt en landbouw. In het landbouwgebied zijn tussen 2004 en 2011 diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, waarbij hoofdzakelijk licht tot matige verontreinigingen zijn aangetroffen, die geen belemmering vormen voor de toekomstige woonsituatie. In watergangen zijn plaatselijk sterke verontreinigingen aangetoond.
Deze bodemonderzoeken zijn te oud om zonder meer gebruikt te worden voor een omgevingsvergunning. In het plangebied is een ophoging met grond voorzien, deze grond moet vrij toepasbaar zijn conform het Besluit Bodemkwaliteit. Voorafgaand aan de nieuwbouw moet de bodemkwaliteit zijn vastgelegd, bijvoorbeeld met bodemonderzoeken conform NEN 5740. Ten zuidwesten van het plangebied zijn in het (diepere) grondwater verontreinigingen met minerale olie en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen aanwezig. Indien grondwater wordt onttrokken ten behoeve van de bouw moet onderzocht worden of de onttrekking invloed heeft op deze mobiele verontreinigingen in de omgeving van de locatie of in het diepere grondwater. Als dit het geval is, is het noodzakelijk een saneringsplan op te stellen of aansluiting te zoeken bij het vastgestelde gebiedsplan voor een gebiedsgerichte aanpak van het grondwater (Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer en visie op duurzaam gebruik van de ondergrond, gemeente Utrecht, april 2015). In 2015 is onder andere in Rijnvliet onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de waterbodems (zie bijlage 38 van bestemmingsplan Rijnvliet). De conclusie luidt dat er in de onderzochte watergangen geen sprake is van verontreinigingen die de uitvoerbaarheid van het plan belemmeren. Actualiteit De bodemonderzoeken zijn wat ouder, maar geven voldoende beeld van de kwaliteit.
Er hebben zich recent geen ontwikkelingen voorgedaan in het plangebied. De onderzoeken zijn daarmee nog steeds actueel. Voor de aanvraag omgevingsvergunning is wel een actualiserend onderzoek noodzakelijk. Conclusie bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
39
Het projectgebied kan als onverdacht worden beschouwd. Het is steeds in gebruik geweest als grasof akkerland. Het merendeel van het projectgebied is op enig moment verkennend onderzocht (zie kaartmateriaal in bijlage 2 van bestemmingsplan Rijnvliet). Met in achtneming van bovenstaande voorwaarden voor aanvullend onderzoek en grondverzet en, indien nodig, saneringsmaatregelen, vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.11 Natuurbescherming Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Interim Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.
of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.
Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (artikelen 4.11 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Daarnaast moet er worden voldaan aan de Verordening Natuur en Landschap Provincie Utrecht 2017 (m.n. landschapselementen, art. 5.1.4 VNL). Plansituatie Beschermde dier- en plantensoorten In 2019 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Zie hiervoor 7: Quickscan Wet Natuurbescherming Rijnvliet Deelgebied 2. Ook is de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De Utrechtse soortenlijst is ook meegenomen in het onderzoek.
Uit de quickscan Wnb blijkt dat het voornemen om de te creëren watergang in dit deelgebied te verbinden met het huidige watersysteem mogelijk leidt tot aantasting of vernieling van het leefgebied van de grote modderkruiper. Daarnaast kunnen tijdens de realisatiefase en gebruiksfase mogelijk negatieve effecten optreden op vaste vliegroutes of essentieel foerageergebied van vleermuizen langs de elzensingel aan de westzijde van het plangebied. Voor de overige beschermde dieren en (potentiële) jaarrond beschermde verblijfplaatsen van flora, zoogdieren of andere soorten zijn negatieve effecten uitgesloten, met uitzondering van mogelijke effecten op broedvogels tijdens het broedseizoen. Uit de quickscan blijkt dat er nader onderzoek nodig was naar vleermuizen, zie hiervoor bijlage 8: Vleermuisonderzoek - vliegroute en foerageergebied Rijnvliet. Uit het nader onderzoek komen de volgende conclusies en adviezen: De opgaande begroeiing aan de westzijde van het plangebied wordt door verschillend vleermuissoorten gebruikt als cruciale vliegroute van noord- naar zuidelijke richting; De lijnvormige beplanting wordt gebruikt als cruciaal foerageergebied door de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis; Door het gebruik van verlichting aan de westzijde van het plangebied kan lichtverstoring optreden van een vaste vliegroute en belangrijk foerageergebied van vleermuizen.
Vleermuizen raken door het gebruik van licht gedesoriënteerd en verblind waardoor zij een makkelijker prooi zijn voor predatoren. Daarnaast raken ook insecten gedesoriënteerd waardoor zij op de grond vallen en buiten bereik van vleermuizen belanden. Lichtverstoring leidt tot het overtreden van Artikel 3.5 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Lichtverstoring dient te worden voorkomen om de functionaliteit voor vleermuizen te behouden. Is dit niet mogelijk of gewenst dan is een 4 0 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
ontheffing voor verbodsbepaling Artikel 3.5 lid 2 Wet natuurbescherming met goedgekeurd activiteitenplan nodig; Lichtverstoring en dus negatieve effecten zijn bijvoorbeeld te voorkomen door het plaatsen van aangepaste armaturen of speciale amberkleurige ‘batlampen’ langs de weg aan de westzijde van het plangebied. Deze lampen dienen ten alle tijden niet gericht te zijn op de boomkronen. Zorg dat binnen een straal van 20 meter rondom de begroeiing een aangepast verlichtingsregime wordt toegepast. Leg deze maatregelen vast in een verlichtingsplan; Werk buiten de actieve periode van vleermuizen om verstoring tijdens de ontwikkeling te voorkomen. De actieve periode van vleermuizen is globaal van april tot december tussen zonsondergang en zonsopkomst; Wanneer werken buiten de nachtelijke uren niet te voorkomen is dient te worden gebruik gemaakt van bouwlampen met aangepaste armaturen. Ten alle tijden dienen de bouwlampen van de singel af te zijn gericht. Utrechtse soortenlijst Van de Utrechtse Soortenlijst zijn de merel en de tjiftjaf bekend binnen Rijnvliet. Een negatief effect op de staat van instandhouding van de soorten wordt niet verwacht. Voor de soorten geldt dat er genoeg alternatieven in de omgeving van het deelgebied aanwezig zijn.
Ter mitigatie dienen werkzaamheden buiten het broedseizoen dienen te worden uitgevoerd of gestart zodat ouders niet permanent hun nest verlaten. Verder worden de vissoorten bittervoorn en kleine modderkruiper verwacht in het gebied. Deze soort kunnen tijdelijke negatieve effecten ondervinden door het vergraven en deels dempen van de watergangen. Mitigatie vindt plaats door de werkzaamheden niet uit te voeren tijdens de kwetsbare periode van de soorten, tijdens de paarperiode en tijdens koude perioden. Compensatie wordt uitgevoerd door in het noordelijke deel 1.200 meter aan watergang gerealiseerd die geschikt leefgebied vormen voor niet alleen de grote modderkruiper maar ook de bittervoorn en de kleine modderkruiper. Andere Utrechtse soorten zijn niet waargenomen in het plangebied. Diervriendelijk bouwen Vijf woningen zijn voorzien van bijenstenen in het metselwerk. De andere vier woningen zijn voorzien van vleermuizenverblijf in de schoorsteen en nestkasten voor mussen en mezen in de voorgevels. Beschermde gebieden Natura 2000-gebied In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie.
Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. De meest nabije Natura 2000-gebieden zijn: Oostelijke Vechtplassen (ongeveer 6 km noordoostelijk); Uiterwaarden Lek (ongeveer 13 km zuidelijk); Zouweboezem (ongeveer 15 km zuidelijk); Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (ongeveer 18 km noordwestelijk). Uit het onderzoek blijkt dat de depositiebijdrage van de ontwikkeling in zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen significante verslechtering plaatsvindt in de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour.
Conclusie Het initiatief heeft effect op de wettelijk beschermde soorten grote modderkruiper, vleermuizen, broedvogels en op de Utrechtse soorten merel, tjiftjaf, kleine modderkruiper, bittervoorn. De volgende aanbevelingen worden gedaan om de effecten te mitigeren of compenseren: Voor de grote modderkruiper: De grote modderkruiper komt voor binnen het plangebied van de wijk Rijnvliet. De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot het verstoren van de soort en het vernielen van voortplantings- en rustplaatsen. Voor deze negatieve effecten en het vangen van de soort is een ontheffing nodig. bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
41
Voor de ontwikkeling van Rijnvliet is in 2017 de bestaande ontheffing voor de grote modderkruiper verlengd tot december 2022; Volg de voorschriften uit de ontheffing en het acitiviteitenplan op om negatieve effecten op de grote modderkruiper zoveel mogelijk te voorkomen en te voldoen aan de ontheffing. Voor de kleine modderkruiper en bittervoorn: De werkzaamheden aan de watergangen moeten worden uitgevoerd van augustus - november. De in te richten watergangen voor de grote modderkruiper zijn ook geschikt voor de kleine modderkruiper en de bittervoorn en kunnen dus als compensatie dienen. Voor algemene broedvogels en de merel en tjiftjaf: Tijdens het broedseizoen bestaat de kans op broedgevallen van algemene broedvogels in de begroeiing rondom het plangebied en de oevers van de sloten aan de zuidzijde. Negatieve effecten worden verwacht door de verstorende werking van de werkzaamheden. Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen, buiten het broedseizoen te starten of preventieve maatregelen te treffen zodat broedgevallen zich niet zullen vestigen in de begroeiing en oevers; Van belang is of broedgevallen daadwerkelijk aanwezig zijn in de begroeiing wanneer deze niet aanwezig zijn worden negatieve effecten niet verwacht en kan gewerkt worden in het broedseizoen.
Om vast te stellen of broedgevallen aan- of afwezig zijn is een broedvogelcheck noodzakelijk. Deze check dient maximaal 3 dagen voor de start van de werkzaamheden te worden uitgevoerd. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode, uitsluitend van belang is aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Indicatief wordt vaak de periode half maart - half augustus gehanteerd omdat in deze periode de kans op broedgevallen het grootst is. Voor de zorgplicht en calamiteiten: Voor alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de ‘Algemene zorgplicht’, Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Er wordt geadviseerd om te werken volgens een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen; Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.
5.12 Bomen In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Bomen vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. In het plangebied komen waarschijnlijk nieuwe bomen. De locatie en de soort bomen is nog niet bekend, daarvoor wordt nog een inrichtings- en beplantingsplan gemaakt.
5.13 Water Door een ruimtelijk plan kunnen de belangen en het functioneren van het watersysteem en de waterketen onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van watergerelateerd beleid en beheer door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van een plan vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerder opgenomen. Door afstemming met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Deze waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de watertoets voor het bestemmingsplan waarin 9 woningen mogelijk worden gemaakt.
Kader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het 4 2 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
waterschap HDSR en het waterschap AGV(Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Provinciaal beleid: Nota Planbeoordeling, Waterhuishoudingsplan, Beleidsplan Milieu en Water, Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028, Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021, Provinciale verordening en de provinciale milieuverordening; Gemeentelijk beleid: Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019; Waterschapsbeleid HDSR: Waterwet, Waterbeheerplan “Waterkoers 2016-2021”, Beleidsregels Keur 2019. Plansituatie Voor het bestemmingsplan Rijnvliet is door de gemeente Utrecht in samenwerking met het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden een Waterhuishoudingsplan opgesteld, waar een watertoets op is uitgevoerd. De wateropgave voortvloeiend uit de watertoets bestond in het bestemmingsplan Rijnvliet uit het graven van minimaal 42.000 m2 open water, om te voldoen aan het standstill beginsel.
In het plangebied is dit op de volgende manier ingekleed: in peilgebied -0,50 m NAP was 37.555 m2 open water gerealiseerd; in peilgebied -0,40 m NAP was 4.920 m2 open water gerealiseerd. In totaal was er aan open water binnen het bestemmingsplan Rijnvliet 37.555 m2 + 4.920 m2 = 42.475 m2 gerealiseerd. Dat is 475 m2 open water meer dan noodzakelijk, om aan het standstill beginsel te voldoen. In 2020 heeft een herberekening plaatsgevonden op basis van een aantal wijzigingen in de inrichtingsplannen: in peilgebied -0,50 m NAP is 37.130 m2 open water gerealiseerd; in peilgebied -0,40 m NAP is 7.081 m2 open water gerealiseerd. In totaal is er aan open water binnen het bestemmingsplan Rijnvliet 37.130 m2 + 7.081 m2 = 44.211 m2 gerealiseerd. De verschillen tussen de situatie in 2016 en 2020 zijn als volgt: in peilgebied -0,50 m is 425 m2 te weinig gerealiseerd; in peilgebied -0,40 m is 2.161 m2 te veel gerealiseerd. Een gunstige ontwikkeling, in totaal is er 2.161 m2 - 425 m2 = 1.736 m2 overcompensatie gerealiseerd. Doordat er in het basisplan in 2016 al 475 m2 meer oppervlaktewater zat, dan noodzakelijk voor het standstill beginsel, komt de totale overcompensatie anno 2020, op 1.736 m2 + 475 m2 = 2.211 m2. Een overzichtskaart van het open water en een toelichting op de berekening van de watercompensaties zijn in bijlage 4 en 5 opgenomen.
In 2021 wordt er één bestemmingsplan doorgevoerd en twee wijzigingsplannen. Hoek Papiermoerbeilaan Monardastraat, Rijnvliet betreft het bestemmingsplan. Wateropgave In onderstaande tabel is de bestaande en de nieuwe situatie van het plangebied weergegeven. Groen Water Weg in water passerende verharding Uitgeefbaar/tuin Dakoppervlak Totaal onverhard Totaal verhard
Bestaande situatie 3.037 m2 105 m2 -
Nieuwe situatie 344 m2 105 m2 100% onverhard: 786 m2
-
60% onverhard: 705 m2 40% verhard: 470 m2 100% verhard: 732 m2 1.940 m2 1.202 m2
3.142 m2 0 m2
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
43
Dit betekent dat 1.202 m2 (toename verharding) x 15% = 180 m2 oppervlaktewater moet worden gecompenseerd. De toename aan verhard oppervlak kan opgevangen worden binnen de reeds gerealiseerde wateropgave van het bestemmingsplan Rijnvliet. Vanuit de herberekening in 2020 wordt er in peilgebied -0,40 m NAP, 180 m2 het plangebied afgehaald van de totaalhoeveelheid. Dat maakt dat er 7.081 m2 - 466 m2 (Rijnvliet, wijzigingsplan Papiermoerbeilaan) – 180 m2 (Hoek Papiermoerbeilaan Monardastraat, Rijnvliet) = 6.435 m2 over blijft in peilgebied -0,40 m NAP. De totaal balans blijft hiermee (2.211 m2 – 466 m2 - 180 m2 = 1.565 m2) in de plus. Het nieuwe watersysteem moet voldoende bergings- en afvoercapaciteit hebben om het afstromend hemelwater in en vanaf het toekomstige plangebied zonder wateroverlast te kunnen bufferen en afvoeren. Deze bergingscapaciteit kan ingevuld worden door: parkeerplaatsen voorzien van halfverharding (grasbetontegels), waardoor hemelwater in de bodem kan infiltreren; hemelwater vasthouden op bijvoorbeeld een groen dak. Groene daken worden voor 60% verhard gezien en 40% onverhard. Tenzij aangetoond kan worden dat de daken 45 mm water kunnen bergen. Dan zijn de daken volledig onverhard; het water kan ook geïnfiltreerd worden in de bodem (waardoor versnelde afvoer wordt voorkomen, vasthouden van water); hemelwater bergen door extra oppervlaktewater te graven.
Dit kan door de bestaande watergang te verbreden, eventueel in combinatie met de aanleg van een natuurvriendelijke oever. Water en klimaatadaptatie Voor water en klimaatadaptatie worden binnen de gemeente Utrecht de volgende uitgangspunten gehanteerd: de vloerpeilen van panden liggen minimaal 0,15 m boven straatpeil; het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Hieraan wordt voldaan, als een extreme bui van 80 mm in één uur, verwerkt kan worden zonder dat er schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen, door instromend regenwater en er ook geen gezond- en veiligheidsrisico's kunnen optreden, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels; daarvan wordt dus 45 mm binnen het plangebied vastgehouden en verwerkt; ledigingstijd van infiltratievoorzieningen bedraagt maximaal 48 uur. De buffer moet hierna weer volledig beschikbaar zijn voor nieuwe buien. Conclusie Als gevolg van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe, maar kan de hoeveelheid verrekend worden met overcompensatie binnen geheel Rijnvliet.