CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsinformatiebijeenkomst 28 september 2021, gemeente Utrecht37.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Doorgaans beschikken grotere bedrijven vaker over een professionelere HR-afdeling die selectieprocessen meer gestandaardiseerd en geobjectiveerd kan hebben, waardoor (onbewuste) discriminatie voorkomen kan worden. De omvang van het bedrijf is daarom opgenomen in vijf categorieën: 1-9 werknemers, 10-50 werknemers, 51-100 werknemers, 101-500 werknemers, meer dan 500 werknemers en onbekend.5

Om ook andere mogelijke verschillen tussen de fictieve studenten uit te sluiten hebben we in de analyses een aantal controlevariabelen toegevoegd: z

De mbo-instelling waar de student studeert. Het kan zijn dat stagebedrijven een positiever beeld of ervaring hebben met een bepaalde mbo-instelling en daardoor studenten van die instelling positiever benaderen.

5 Voor meer informatie, zie de website: KIES MIJ. Tegen stagediscriminatie. Voor gelijke behandeling.

17

Op 12 november 2020 werd de landelijke campagne Kies mij3 tegen stagediscriminatie gelanceerd. Deze campagne is gericht op bewustwording en het verminderen van stagediscriminatie. In de analyses hebben we aanvullend gekeken of de uitkomsten van de praktijktests (de mate van discriminatie) verschillen voor en na lancering van de campagne (op de drie verschillende discriminatiegronden). Dat is niet het geval. Dit wil echter niet per definitie zeggen dat de campagne geen effect heeft; mogelijk duurt het langer voordat resultaten zichtbaar worden.

18

4

Uitkomsten van de praktijktests

Discriminatie op de Utrechtse mbo-stagemarkt In dit hoofdstuk beschrijven we de uitkomsten van de praktijktests. De methode is in hoofdstuk 3 toegelicht. We beginnen het hoofdstuk met de beschrijvende resultaten en gaan daarna over naar de uitkomsten van de analyses om antwoord te geven op de volgende vraag: In welke mate is er sprake van discriminatie op grond van gender, migratieachtergrond en religie op de Utrechtse mbo-stagemarkt?

4.1.

Beschrijvende resultaten

In de maanden oktober, november en december 2020 werden 5776 sollicitaties verstuurd naar 288 vacatures. De vacatures werden voornamelijk gevonden

6 Bij alle vacatures op een na zijn twee reacties gestuurd. Op een vacature zijn echter drie reacties verstuurd. De eerste twee fictieve studenten ontvingen op hun sollicitatie het verzoek om hun portfolio op te sturen. Daarop werd besloten de fictieve studenten een voor een hun sollicitatie te laten intrekken, omdat aan dit verzoek niet voldaan kon worden. Nadat de eerste sollicitant een afzegging had verstuurd kreeg de gekoppelde sollicitant toch een uitnodiging voor een gesprek. Daarmee ontstond een situatie van ongelijke behandeling. Maar het riep ook de vraag op of de eerste sollicitant anders ook uitgenodigd zou zijn, waarmee er dus wel een gelijke behandeling was. Om hier meer duidelijkheid over te krijgen is een derde sollicitatie gestuurd met dezelfde persoonskenmerken als de eerste sollicitant die zijn sollicitatie had ingetrokken. Ook de derde sollicitant ontving een verzoek tot het sturen van een portfolio, maar geen uitnodiging voor een gesprek. De conclusie is dat hier sprake is van ongelijke behandeling.

op de website stagemarkt.nl (281 vacatures), waar stagebedrijven hun vacante stageplekken posten. Daarnaast was een aantal vacatures afkomstig van de nationale vacaturebank of van een website van een specifiek bedrijf. Per vacature werden de cv’s en brieven van twee gelijkwaardige fictieve studenten verstuurd. De studenten waren altijd 17 of 18 jaar oud en zaten in het tweede of derde leerjaar van hun studie. Het leerjaar werd tussen de gekoppelde studenten gelijk gehouden. We hanteerden een gebalanceerd design, waarbij de helft van de sollicitaties afkomstig was van een vrouw (288), de andere helft van een man (289). Daarnaast had de ene helft van de studenten een migratieachtergrond en de andere helft niet. Zoals te zien is in tabel 4.1 hadden ongeveer evenveel vrouwelijke als mannelijke fictieve studenten een migratieachtergrond. Tabel 4.1. Verdeling van fictieve studenten over persoonskenmerken gender en migratieachtergrond Zonder migratieachtergrond

Met migratieachtergrond

Man

143

145

vrouw

145

144

Totaal

288

289

Van de studenten met een migratieachtergrond had de helft (144) als extra toevoeging een verwijzing naar een islamitische achtergrond. Tot slot waren de sollicitaties gelijkelijk verdeeld over de vier sectoren: ICT (145), zorg en welzijn (144), bouw en techniek (144) en zakelijke dienstverlening (144). Ook hierbinnen was er een gelijke verdeling naar etnische achtergrond, religieuze affiliatie en gender.

19

Type uitkomsten De fictieve studenten ontvingen op hun sollicitatiebrief diverse reacties, die zijn weergegeven in tabel 4.2. Een uitnodiging betekende dat een fictieve student een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek ontving. Bij een afwijzing werd de student afgewezen omdat er bijvoorbeeld al een stagiair was gevonden, omdat er door de corona-pandemie toch geen stageplaats beschikbaar was,7 of omdat het bedrijf de stagiair niet geschikt vond. Bij een vraag om meer informatie wordt de fictieve student gevraagd om naast de informatie die al in de brief en het cv wordt gegeven aanvullend informatie te verstrekken. Het gaat dan bijvoorbeeld om vragen over verduidelijking van de stageperiode, zoals precieze start- en einddata, om hoeveel uren het gaat of op welke dagen de student beschikbaar zou zijn. Waar mogelijk is antwoord gegeven en is deze aanvullende informatie verstrekt. In een aantal gevallen was het niet mogelijk, omdat bijvoorbeeld werd gevraagd om het opsturen van voorbeeldwerk of een portfolio of er werd gevraagd naar de specifieke invulling van de stageopdracht. Bij de categorie ‘afwijzing maar wel in bestand voor volgende keer’ werd de fictieve student afgewezen, maar werd er wel expliciet gevraagd of de gegevens van de student in het archief mochten worden bewaard.

Ook kwam het voor dat een fictieve student pas werd uitgenodigd nadat de andere fictieve student had afgezegd. Dit kwam bijvoorbeeld doordat het stagebedrijf op de dag van de sollicitatie de student direct uitnodigde voor een gesprek de volgende ochtend. De tweede student had dan nog niet gesolliciteerd, maar omdat het streven was om altijd een afmelding te sturen voordat het gesprek plaats zou vinden, moest de eerste student zich al afmelden voordat de tweede student überhaupt had gesolliciteerd. Ook kwam het voor dat beide studenten een tijdje terug hadden gesolliciteerd en maar één van hen een uitnodiging had ontvangen. Er werd dan nog gewacht met afmelden, maar wanneer de andere

7 48 fictieve studenten kregen als reactie op hun sollicitatie dat door de coronamaatregelen het niet mogelijk was stage te lopen.

student na een week nog geen uitnodiging had werd voor de student die wel een uitnodiging had gekregen de afzegmail verstuurd. Het is een aantal keer voorgekomen dat vrijwel direct na die afzegging de tweede student ineens wel een uitnodiging kreeg. Een gemiste oproep betekent dat er gebeld was zonder voicemailbericht achter te laten en dat de uitslag niet via de mail was gecommuniceerd, maar het nummer wel herleid kon worden naar het betreffende stagebedrijf. Ook kregen studenten een aantal keer als positieve reactie dat ze een erg mooie motivatiebrief en cv hadden, maar werd vermeld dat pas later gekeken zou worden naar sollicitaties en gevraagd tegen die tijd weer contact op te nemen. Soms was dit pas nadat het onderzoek al afgerond zou zijn, waardoor dit niet verder opgevolgd kon worden. Tot slot was er ook een grote groep studenten die nooit een reactie heeft ontvangen. Tabel 4.2. Frequentie van typen uitkomsten op de verstuurde sollicitaties van fictieve studenten Type uitkomst

Frequentie (n)

Uitnodiging.

162

Afwijzing.

220

Verzoek om meer informatie.

12

Afwijzing maar wel in bestand voor volgende keer.

6

Uitnodiging nadat andere fictieve student had afgezegd.

13

Gemiste oproep.

2

Interesse maar verzoek om later contact te hebben.

9

Geen reactie.

153

TOTAAL

577

De verschillende typen reacties zijn samengevoegd tot twee soorten reacties: een positieve reactie op de sollicitatie (waarbij er een kans bestaat dat de student de stageplek krijgt) en een negatieve reactie (geen kans op deze stageplek). In de wetenschappelijke literatuur wordt naar deze variabele vaak verwezen onder de naam ‘callback’. 20

Onder ‘positieve reactie’ hebben we geschaard: z z z z z

Uitnodiging. Verzoek om meer informatie. Uitnodiging nadat andere fictieve student had afgezegd. Gemiste oproep. Interesse, maar verzoek om later contact te hebben.

De negatieve uitkomst omvat: z z z

Afwijzing. Afwijzing, maar wel in bestand voor volgende keer. Geen reactie.

Wanneer we de uitkomsten op deze manier indelen heeft 34% van de fictieve studenten een positieve uitslag gekregen (198 sollicitaties) en 66% een negatieve uitslag (379 sollicitaties).

Uit onze statistische analyses blijkt er een significant verschil te zijn in de kans op een positieve reactie tussen mannelijke en vrouwelijke studenten. Dit verschil blijft bestaan als we in de analyses rekening houden met de sector van het stagebedrijf waar werd gesolliciteerd, de mbo-instelling waar de fictieve student studeert, de afstand tussen het fictieve woonadres van de student en de stageplek, de omvang van het bedrijf en het geschatte stagetekort voor de opleiding die de student volgt. In figuur 1 zijn de voorspelde kansen9 op een positieve reactie voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten weergegeven, waarbij rekening is gehouden met de controlevariabelen. Hierdoor verschilt dit iets van de hiervoor genoemde percentages waarbij geen rekening is gehouden met deze variabelen. Mannelijke mbo-studenten hebben met dezelfde kenmerken een kleinere kans uitgenodigd te worden voor een stageplek dan vrouwelijke mbo-studenten. Figuur 1. Voorspelde kansen op een positieve reactie,10 naar gender 40

30

4.2.

Positieve discriminatie van vrouwelijke studenten, vooral in bouw en techniek

Van de 289 mannelijke studenten die solliciteerden op een stageplaats kregen er 92 een positieve uitslag (32%); de overige mannelijke studenten ontvingen dus een negatieve reactie. Van de 288 vrouwelijke studenten die solliciteerden kregen er 106 (37%) een positieve reactie. Tussen mannelijke studenten en vrouwelijke studenten die per saldo met hetzelfde cv reageerden bestaat dus een verschil van 5 procentpunten. De vraag is nu of dit een statistisch significant verschil is: met 95% zekerheid uit te sluiten dat het geen toeval betreft.8

37

35 30

25 20 15 10 5 0

Mannen

Vrouwen

9 Op basis van een statistisch model voorspel je de kans op een gebeurtenis. Het gaat hier dus om de kans dat een man of vrouw een positieve reactie zal krijgen op een sollicitatie, gebaseerd op ons statistische model. 8 Hiervoor voerden we een logistische multi-level analyse uit met callback als afhankelijke variabele en gender als onafhankelijke variabele.

10 In deze analyses is gecontroleerd voor: cv-format, sector, mbo-instelling, afstand tot stageplek, omvang van het bedrijf en geschatte kans op stage.

21

Uit de literatuur blijkt dat het nadeel (in de literatuur ook wel penalty genoemd) voor mannen in typische vrouwensectoren hoger is dan het nadeel voor vrouwen in typische mannenberoepen op de arbeidsmarkt. We hebben daarom ook gekeken of in ons onderzoek de kansen voor mannen en vrouwen verschillen in de vier sectoren.11 Overall vinden we geen significant interactie-effect: de kansen van mannelijke studenten en vrouwelijke studenten verschillen niet naar sectoren. In alle sectoren liggen de kansen van vrouwelijke studenten om een positieve reactie te krijgen hoger of gelijk. Echter, de kansen in de sector bouw en techniek zijn wel heel verschillend voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten. Vrouwelijke studenten hebben daar 40 procent kans op een positieve reactie in die sector, voor mannelijke studenten met dezelfde kenmerken ligt dit op 22 procent. Een aparte toets op dit verschil laat wel een significant effect zien. Over het algemeen hebben vrouwelijke studenten in alle onderzochte sectoren dus meer kans op een positieve reactie op hun sollicitatie, maar in de sector bouw en techniek is het verschil extra groot. Mogelijk komt dit door het diversiteitsbeleid van verschillende bedrijven in deze sector waarbij bij gelijke geschiktheid een vrouw voorrang krijgt boven een man.

Een andere verklaring betreft subtyping: werkgevers kunnen vrouwen die in deze sector werkzaam zijn extra positieve eigenschappen toeschrijven, met de gedachte dat als je het als vrouwelijke student redt in die mannenwereld, je over flinke capaciteiten moet beschikken.

Figuur 2. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten, naar sector 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

4.3.

47 41

40 35

27

29

27

ICT

22

Zorg en welzijn

Bouw en techniek vrouwen

Zakelijke dienstverlening mannen

Minder kans op stage met migratieachtergrond

Ook tussen de studenten met en zonder migratieachtergrond vinden we een verschil van 5 procentpunten. Van de fictieve studenten zonder migratieachtergrond ontving 37 procent een positieve reactie, de fictieve studenten met migratieachtergrond die per saldo solliciteerden met hetzelfde cv kregen in 32 procent van de gevallen een positieve reactie. Het betreft hier een significant verschil, dat blijft bestaan als we controleren voor het cv-format, de mbo-instelling waar de fictieve studenten aan studeren, de sector van het stagebedrijf, de omvang van het bedrijf, de afstand tot de stageplek en het geschatte stagetekort bij de opleiding. Er is dus sprake van etnische discriminatie bij het zoeken naar een stage. De gecorrigeerde voorspelde kansen op een positieve reactie zijn weergegeven in figuur 3.

11 Hiervoor voerden we een logistische multi-levelanalyse uit op callback met een interactieterm van gender en sector. Als controlevariabelen werden meegenomen in de analyse: cv-format, de mboinstelling waar de student studeert, de afstand tot de stageplek, omvang van het bedrijf en het geschatte stagetekort.

22

Figuur 3. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor mbo-studenten met en zonder migratieachtergrond 36 35 34 33 32 31 30 29 28 27

35

30

Zonder migratie-achtergrond

Met migratie-achtergrond

Als we de kansen van studenten met en zonder migratieachtergrond uitsplitsen naar mannen en vrouwen, zien we (1) dat studenten zonder migratieachtergrond meer kans hebben op een positieve reactie dan studenten met een migratieachtergrond, of ze nu man of vrouw zijn, en (2) dat vrouwelijke studenten meer kans op een positieve reactie hebben dan mannelijke studenten, ongeacht hun migratieachtergrond.

Figuur 4. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage naar etnische achtergrond12 voor mannelijke en vrouwelijke studenten 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

40 32

27

mannen Zonder migratie-achtergrond

vrouwen Met migratie-achtergrond

Over het algemeen hebben studenten met een migratieachtergrond minder kans op een positieve reactie (figuur 4.3). Alleen in de sector zorg en welzijn zien we dat de etnische achtergrond van een student niet uitmaakt. Het kleine verschil dat we in deze sector vinden is niet significant.

12 Logistische multi-level analyses gecontroleerd voor cv-format, sector, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, omvang van het bedrijf en beschikbaarheid stages.

23

Figuur 5. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor studenten met en zonder migratieachtergrond,13 naar sector 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

40

43 30

29 20

ICT

33 25

Zorg en Bouw en welzijn techniek Zonder migratie-achtergrond

24

Zakenlijke dienstverlening Met migratie-achtergrond

4.4. Moslimdiscriminatie in sector ICT, positieve discriminatie van moslims in zorg en welzijn Om te kijken of religieuze affiliatie een extra ‘penalty’ oplevert voor studenten met een migratieachtergrond, hebben we bij de helft van de studenten die een migratieachtergrond hebben in hun cv aangegeven dat zij vrijwilligerswerk verrichten bij een islamitische organisatie. Dit vrijwilligerswerk kan gezien worden als extra werkervaring. Daarom is bij de gekoppelde studenten zonder migratieachtergrond vergelijkbaar vrijwilligerswerk toegevoegd bij een religieus neutrale organisatie.

die hun vrijwilligerswerk verrichten in een islamitische organisatie. Er wordt daarmee geen verschil gemaakt tussen studenten zonder migratieachtergrond en studenten die als moslim gezien kunnen worden. In sommige onderzoeken blijkt dat vooral moslimvrouwen last hebben van discriminatie. In ons onderzoek vonden we wel een verschil naar gender (vrouwelijke studenten hebben meer kans op een positieve reactie dan mannelijke studenten), maar dit verschilt niet naar hun religieuze achtergrond. Met andere woorden: het maakt niet uit of een vrouwelijke student aangeeft moslim te zijn, hun kansen op een positieve reactie zijn hetzelfde en deze kansen zijn hoger dan de kansen voor mannelijke mbo-studenten, of zij nu moslim zijn of niet. Figuur 6. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage naar religieuze achtergrond14, voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten

45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

39 27

39

23

Mannen Zonder migratie-achtergrond

Met migratie-achtergrond en moslim

In totaal ontvingen de studenten zonder migratieachtergrond (met extra vrijwilligerswerk op hun cv) in 33% van de sollicitaties een positieve reactie. Dit percentage ligt ook op 33% voor de studenten met een migratieachtergrond

13 Logistische multi-level analyse met controle voor cv-format, gender, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, beschikbaarheid stage en de omvang van het bedrijf.

14 Logistische multi-level analyses gecontroleerd voor cv-format, sector, mbo-opleiding, afstand tot stageplek en beschikbaarheid stages en omvang van het bedrijf.

24

In de sector ICT hebben studenten die moslim zijn minder kans op een positieve reactie dan studenten zonder migratieachtergrond. In de sector zorg en welzijn ligt de kans voor studenten die aangeven moslim te zijn juist hoger dan voor studenten zonder migratieachtergrond. De kansen voor moslims en niet-moslims verschillen niet significant van elkaar in bouw en techniek en in de zakelijke dienstverlening.

4.5.

Met behulp van praktijktesten zijn we nagegaan of er sprake is van objectief vastgestelde discriminatie op de Utrechtse stagemarkt voor mbo-studenten. Dat blijkt zo te zijn. Samenvattend kunnen we stellen dat: 1.

Dat we eerder constateerden dat er over het algemeen geen verschil is tussen moslim- en niet-moslimstudenten maskeert dus de verschillen die er bestaan tussen sectoren. Binnen de sector ICT vinden we moslimdiscriminatie, binnen zorg en welzijn positieve discriminatie van moslims. Figuur 7. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor studenten met en zonder islamitische achtergrond15, naar sector 60 43

40 30 20

36

23

28

36 29

33

14

10 0

2.

53

50

Conclusie: discriminatie op de stagemarkt

3.

Er sprake is van discriminatie op grond van gender: vrouwelijke studenten hebben een grotere kans op een positieve reactie van een stagebedrijf dan mannelijke studenten die dezelfde productieve kenmerken hebben. Met name in de bouw en techniek is de positieve discriminatie van vrouwelijke studenten groot. Bij wet is deze vorm van positieve discriminatie toegestaan wanneer in een bepaalde functie binnen een bedrijf aanzienlijk minder vrouwen dan mannen werken. Er sprake is van discriminatie op grond van migratieachtergrond: studenten met een naam die verwijst naar een migratieachtergrond hebben minder kans op een positieve reactie dan studenten met dezelfde productieve kenmerken die geen migratieachtergrond hebben. In de sector zorg en welzijn is echter geen sprake van deze discriminatie. Er sprake is van discriminatie van moslimstudenten in de sector ICT, en er positieve discriminatie is van moslimstudenten in de sector zorg en welzijn.

Zorg en Bouw en Zakelijke techniek welzijn dienstverlening Zonder migratie-achtergrond Met migratie-achtergrond en moslim

ICT

15 Logistische multi-level analyse met controle voor cv-format, gender, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, beschikbaarheid stage en omvang van het bedrijf.

25

Deel B Ervaren discriminatie van mbo-studenten

5

Opzet van de vragenlijst en interviews

In dit hoofdstuk staat de manier waarop we ervaren discriminatie in kaart brengen centraal. We starten met een opzet van de vragenlijst (5.1), gevolgd door de verdiepende interviews met mbo-studenten (5.2).

5.1.

De vragenlijst

Het doel van de vragenlijst is om de ervaren discriminatie van mbo-studenten in Utrecht in kaart te brengen. In de vragenlijst is onderscheid gemaakt in het zoeken naar een stage en de stageperiode zelf. Studenten werd gevraagd naar hun ervaringen met hun laatste stage, zowel de zoektocht als de stage zelf. Op die manier wilden we een algemeen beeld schetsen van de ervaringen van mbo-studenten. Op basis van de SCP-vragenlijst over ervaren discriminatie (Andriessen et al., 2020) en eerdere onderzoeken naar stagediscriminatie, hebben we een korte vragenlijst opgesteld. Middels een pilot onder mbo-studenten hebben we de lijst aangepast en definitief gemaakt. De vragenlijst is digitaal afgenomen met behulp van Survalyzer. Studenten waren ongeveer 10 minuten bezig met invullen.

Werving De leden van de begeleidingscommissie die werkzaam zijn bij een mbo-instelling hebben de vragenlijst intern binnen hun mbo-instelling verspreid, bijvoorbeeld via opleidingsdirecteuren. Studenten hebben de vragenlijst bijvoorbeeld in een digitale les ingevuld. Om studenten te motiveren om deel te nemen aan de vragenlijst, hebben we vijf cadeaubonnen verloot van 50 euro. Respondenten: wie hebben de vragenlijst ingevuld? In totaal hebben 637 mbo-studenten de vragenlijst ingevuld. 605 studenten hebben hem volledig ingevuld, 32 studenten hebben hem gedeeltelijk ingevuld. We hebben de gedeeltelijk ingevulde vragenlijsten gebruikt als studenten in ieder geval een vraag over ervaren discriminatie hadden beantwoord. In de vragenlijst is gebruikgemaakt van routing (als vragen niet van toepassing waren, kregen studenten deze ook niet). Daardoor verschilt de totale respons per vraag. Opleiding van de respondenten Van de 637 studenten geven 338 (53%) aan dat ze aan ROC Midden Nederland studeren, 105 (17%) op Nimeto, 104 (16%) op MBO Utrecht en 90 (14%) op het Grafisch Lyceum. De meeste studenten zitten in het derde jaar van hun opleiding (231; 36%), gevolgd door tweedejaarsstudenten (192; 30%), vierdejaarsstudenten (134; 21%) en eerstejaarsstudenten (80; 13%).

27

De grote meerderheid volgt een mbo-opleiding op niveau 4 (537; 84%). Een veel kleinere groep studenten volgt een opleiding op niveau 3 (49; 8%) en niveau 2 (48; 8%). Slechts drie (1%) studenten volgen een opleiding op niveau 1. Meer dan 90% van de studenten volgt een bol-opleiding (577; 91%). Minder dan 10% (55 studenten; 9%) geeft aan een bbl-opleiding te volgen. Enkele studenten hebben deze vraag niet ingevuld of een ander antwoord gegeven.

De meerderheid van de respondenten geeft aan niet religieus te zijn (58%). De studenten die aangeven wel religieus te zijn, geven voornamelijk aan dat ze christelijk zijn (24%) of islamitisch (16%). Enkelen geven aan joods of hindoeïstisch te zijn of een ander geloof te hebben (zie tabel 5.1). 16 studenten (3%) willen geen antwoord geven op de vraag. Tabel 5.1. Tot wel geloof reken je jezelf? (N = 608)

Ongeveer de helft van de studenten (327; 51%) volgt een opleiding in de richting van Welzijn, zorg en sport.16 Daarnaast volgt ongeveer een kwart van de studenten (152; 24%) een opleiding in de richting Media, vormgeving en communicatie. Ook studenten van de richting Bouw & interieur (54; 9%) en Economie & ondernemen (45; 7%) zijn redelijk vertegenwoordigd. Andere studenten volgen opleidingen in de richting van ICT, Techniek en Beauty.

Geloof

Aantallen (percentages)a

Ik ben niet religieus.

350 (57,6%)

Christelijk. Islamitisch. Joods. Hindoeïstisch. Ander geloof.

143 (23,5%) 97 (16,0%) 1 (0,2%) 4 (0,7%) 14 (2,3%)

a Door afronding van de percentages komt het totaal percentage hoger uit dan 100%.

Achtergrond van de respondenten De gemiddelde leeftijd van de mbo-studenten is 19,7 jaar (met een standaardafwijking van 4 jaar). De jongste student die de vragenlijst heeft ingevuld is 16, de oudste is 62 en geeft aan een zij-instromer te zijn. Driekwart van de studenten die de enquête hebben ingevuld is vrouw (471;78%) en 22% man (N = 134). Drie studenten (1%) geven aan dat ze zich geen vrouw of man voelen. 546 (90%) van de studenten is in Nederland geboren. In onze steekproef hebben 182 studenten (29%) een migratieachtergrond en 423 (66%) geen migratieachtergrond. Van 32 studenten (5%) hebben we hier geen informatie over. Binnen de groep studenten met een migratieachtergrond, kunnen er 121 (67%) gerekend worden tot de groep tweede generatie met een migratieachtergrond en 61 (34%) tot de eerste generatie migranten.17

16 Deze indeling in studierichtingen is gemaakt op basis van de college-/academienamen van de Utrechtse mbo’s.

Meer dan driekwart van de studenten geeft aan geen chronische aandoening te hebben (80%) (zie tabel 5.2). 14% geeft aan wel een chronische aandoening te hebben, met ongeveer een gelijke verdeling tussen lichamelijke aandoeningen (6%) en psychische aandoeningen (6%). Tabel 5.2. Heb je een langdurige aandoening? (N = 608) Langdurige aandoening Ja, vooral lichamelijk. Ja, vooral psychisch. Ja, zowel lichamelijk als psychisch. Wil ik geen antwoord op geven. Nee.

Aantallen (percentages) 34 (5,6%) 36 (5,9%) 16 (2,6%) 35 (5,8%) 487 (80,1%)

Op basis van een vraag naar de sekse waartoe studenten zich aangetrokken voelen en hun eigen geslacht, blijkt dat 57 (9,4%) studenten lesbisch, homoseksueel of biseksueel zijn en 78,6% heteroseksueel is. 1% van de studenten voelt zich tot niemand aangetrokken en 11% wil geen antwoord geven op de vraag.

17 We volgen hierbij de definitie van het CBS. Voor meer informatie zie: Migratieachtergrond (cbs.nl).

28

Vergelijking met totale populatie mbo-studenten Om te bepalen in hoeverre we een representatieve steekproef hebben, zullen we een beknopte vergelijking maken met de totale populatie mbo-studenten. In totaal volgen circa 27.500 studenten een opleiding op een Utrechtse mbo-instelling. De grootte van de instellingen is in aflopende volgorde ROC Midden Nederland (ca. 18.000 studenten), MBO Utrecht (ca. 5000 studenten), Grafisch Lyceum (ca. 2200 studenten) en Nimeto (ca. 1500 studenten). Hieruit volgt dat MBO Utrecht is ondervertegenwoordigd in de vragenlijststeekproef vergeleken met de Utrechtse mbo-populatie. Het aandeel mannen in het mbo ligt circa 5 procent hoger dan het aandeel vrouwen die een mbo-opleiding volgen. Dit is niet in lijn met onze steekproef, waarin een relatief hoog percentage vrouwen zit. Dit zou kunnen komen door het grote aandeel studenten die een mbo-niveau 4-opleiding volgen, omdat dit een opleiding is die vaker door vrouwen wordt gevolgd. Het percentage studenten dat een bbl-opleiding volgt in onze steekproef, ligt lager dan het landelijk gemiddelde (26%).18 Circa 55 procent van de studenten in het Utrechtse mbo heeft geen migratieachtergrond. Dit betekent dat er gemiddeld minder studenten met een migratieachtergrond in onze steekproef zijn dan in de totale populatie studenten.

5.2.

Semigestructureerde diepte-interviews

Opzet en werving Het doel van de semigestructureerde diepte-interviews was het verkrijgen van verdiepende informatie over de ervaringen van stagediscriminatie, de impact van de discriminatie en de ondersteuningsbehoeften van de mbo-studenten. We wilden studenten interviewen die discriminatie hadden ervaren op diverse

18 Voor meer informatie zie: Feiten en cijfers | SBB (s-bb.nl)

gronden, zoals huidskleur, culturele achtergrond, religie, chronische aandoening of opleidingsniveau. We hebben studenten geworven voor de interviews op basis van de respons op de vragenlijst. Aan het eind van de vragenlijst konden de studenten invullen of zij met ons in gesprek wilden gaan. Alleen de studenten die hier ‘ja’ hebben ingevuld zijn meegenomen in de selectie. Daarnaast hebben we zowel studenten geïncludeerd die discriminatie hadden ervaren als studenten die daarover twijfelden. We hebben bewust geen studenten geselecteerd die geen discriminatie hadden ervaren, omdat het doel van de interviews was met studenten de ervaren discriminatie en de gevolgen te bespreken. Uiteindelijk zijn studenten geselecteerd die aangegeven hadden discriminatie te hebben ervaren op basis van: gender, chronische beperking, opleidingsniveau en etniciteit. Als tegemoetkoming voor hun deelname aan de interviews ontvingen de geïnterviewden een cadeaubon van 10 euro. Participanten In totaal zijn vijftien interviews19 digitaal via Microsoft-Teams afgenomen. Bij één participant is het interview schriftelijk afgenomen. Dertien geïnterviewde studenten waren vrouw. De gemiddelde leeftijd van de participanten lag hoger dan het gemiddelde van de mbo-populatie, namelijk op 23 jaar. De jongste participant was 16 jaar en de oudste 35 jaar.

Het overgrote deel van de participanten volgde een mbo-niveau 4-opleiding (twaalf studenten). Deze opleiding werd het meest gevolgd op het ROC Midden Nederland of (het) Nimeto. De meest voorkomende sector is de sector Media, vormgeving en communicatie (zeven studenten) gevolgd door de sector Welzijn, zorg & sport (vier studenten).

19 In totaal zijn 16 digitale interviews afgenomen. Tijdens één van de interviews werd de respondent geëmotioneerd en vertelde een ongestructureerd verhaal. We hebben daarom besloten om dit interview niet mee te nemen in de analyses.

29

6

Ervaren discriminatie van mbo-studenten

In dit hoofdstuk beschrijven we de ervaringen met discriminatie vanuit het perspectief van mbo-studenten. We doen dit op basis van de vragenlijst die is uitgezet in vier verschillende Utrechtse mbo-instellingen. In totaal hebben 637 studenten deze vragenlijst ingevuld (zie hoofdstuk 5). Per thema geven we met behulp van de data uit de 16 afgenomen interviews verdieping aan de resultaten (zie paragraaf 5.2). Achtergrond We richten ons in dit hoofdstuk op discriminatie die studenten ervaren hebben bij het zoeken naar een stage (paragraaf 6.1) en tijdens de stage (paragraaf 6.2). Hierbij gaan we, anders dan bij de praktijktesten, uit van wat studenten zelf onder discriminatie verstaan. In de vragenlijst is een korte omschrijving gegeven van wat er doorgaans onder het concept wordt verstaan, maar het perspectief van de mbo-student staat in dit hoofdstuk nadrukkelijk centraal. De discriminatie die studenten ervaren hoeft dus niet (juridisch) bewijsbaar of zelfs strafbaar te zijn. Het gaat om de mate waarin studenten deze ervaringen hebben, hoe deze ervaringen eruit zien en wat de ervaringen voor gevolgen hebben. We verwijzen hierbij nogmaals naar het Thomas-theorema dat we ook in de inleiding van dit rapport aanhaalden: if men define situations as real, they are real in their consequences.

In de vragenlijst zijn concrete situaties aan studenten voorgelegd met de vraag of zij deze situatie hebben meegemaakt en zo ja, of zij dachten dat discriminatie daarbij een rol speelde (zie bijlage 3 voor de vragenlijst). Er is bijvoorbeeld aan studenten gevraagd ‘Heb je meegemaakt dat een bedrijf zei dat een stage niet meer beschikbaar was?’ Studenten die hierop bevestigend antwoordden kregen als vervolgvraag of zij dachten dat dit met discriminatie te maken had. Op deze wijze worden de situatie zelf en de beoordeling van de situatie uit elkaar getrokken. Door uit te gaan van concrete vraagstellingen zijn betere schattingen mogelijk van ervaren discriminatie dan door middel van abstracte vragen (Andriessen et al., 2015; Wittebrood, 2006). Studenten konden op de vraag naar discriminatie kiezen tussen drie antwoorden: ja, nee, ik twijfel. De laatste antwoordcategorie is toegevoegd om recht te kunnen doen aan de gevoelens van twijfel en onzekerheid die ervaringen met discriminatie omgeven. Het is vaak erg lastig zeker te weten of het gaat om discriminatie, waardoor studenten terughoudend kunnen zijn de eigen ervaringen als discriminatie te benoemen. Voor deze studenten biedt de ‘twijfelcategorie’ uitkomst. Opzet van het hoofdstuk We hebben het hoofdstuk onderverdeeld in vier paragrafen. Het zoeken naar een stage staat centraal in paragraaf 6.1.

In paragraaf 6.2 beschrijven we de ervaringen van studenten tijdens de stage. In beide paragrafen gaan we in op de gevolgen die deze ervaringen voor de student hebben (gehad). Vervolgens gaan we in op de ondersteuningsbehoeften van studenten en hoe ze de ondersteuning vanuit de onderwijsinstellingen ervaren (paragraaf 6.3). We sluiten het hoofdstuk af met de conclusies (paragraaf 6.4).

30

6.1.

Zoeken naar een stage

Tabel 6.1. Wat heb je allemaal gedaan om een stageplek te zoeken? (N=614) Antwoordmogelijkheden

Hoe zoeken studenten naar een stage? Studenten combineren verschillende methoden om een stage te vinden.20 Tabel 6.1 geeft verschillende methoden weer en de mate waarin studenten aangeven gebruik te maken van deze methoden. Meer dan de helft van de studenten (60%) zoekt op internet naar beschikbare stages, bijvoorbeeld via Stagemarkt. nl. Daarnaast bellen veel studenten (49%), schrijven ze brieven (35%) en vragen ze rond bij familie en bekenden (31%). Ook hebben mentoren/beroepspraktijkvorming (bpv)-docent (24%) of iemand anders van school (14%) studenten geholpen bij het zoeken van een stage. Bijna een op de zes studenten geeft aan langs te gaan bij bedrijven (17%). Bij de categorie ‘anders’ worden bijvoorbeeld netwerklunches en startpunt Amsterdam genoemd.

Aantallen (percentages)

Gezocht op internet naar beschikbare stages (bijv. stagemarkt.nl).

368 (59,9%)

Ik heb gebeld naar bedrijven om te vragen er een stageplek beschikbaar was.

303 (49,3%)

Ik heb brieven geschreven naar bedrijven om te vragen of er een stageplek beschikbaar was.

215 (35,0%)

Rondgevraagd bij mijn familie en bekenden.

190 (30,9%)

Ik heb contact opgenomen met bedrijven van de stageadressenlijst van school (van je bpv’er of mentor).

160 (26,1%)

Hulp gevraagd aan mijn mentor of bpv’er

137 (22,3%)

Ik ben bij bedrijven langsgegaan om te vragen of er een stageplek beschikbaar was.

105 (17,1%)

School heeft de stage gezocht.

84 (13,7%)

Via hetzelfde bedrijf als mijn vorige stage.

7 (1,7%)

Via mijn (huidige) werk(gever).

7 (1,7%)

Anders, namelijk...

15 (2,4%)

Noot: Bij deze vraag konden meerdere antwoorden gegeven worden.

20 23 studenten hebben aan de start van de vragenlijst aangegeven dat ze nog niet naar een stage hebben gezocht en hebben daarom alleen de achtergrondvragen beantwoord. Deze groep studenten is in de rest van de analyses niet meegenomen. Een kleine groep studenten (45; 7%) die de vragenlijst heeft ingevuld, heeft nog geen stage gevonden. (vervolg) Deze groep bestaat vooral uit tweede- en derdejaarsstudenten die een bol-opleiding volgen op niveau 4 in de richting Zorg, welzijn en sport. Ze geven aan wel een tijd op zoek te zijn/activiteiten ondernomen te hebben. Deze groep is dus wel meegenomen bij de ervaringen met stages zoeken, maar vanzelfsprekend niet bij de ervaringen tijdens de stage.

Ook in de interviews zien we deze verschillende methoden terugkomen. Hieruit blijkt dat studenten reflecteren op het succes van de gebruikte zoekmethode en deze waar nodig bijstellen. Als zij eerst een e-mail stuurden naar een potentieel stagebedrijf, besluiten ze bij uitblijven van een positief resultaat om bijvoorbeeld direct langs te gaan. De studenten zijn hiermee geneigd hun zoekhouding te veranderen richting een meer proactieve houding. Sommige studenten die discriminatie hebben ervaren bij het zoeken zijn selectiever gaan zoeken. Zo zien we dat studenten met een chronische aandoening een professioneel bedrijf zoeken dat expliciet rekening houdt met de chronische aandoeningen van de medewerkers. Ook zien we dat studenten die vanwege hun culturele achtergrond discriminatie ervaren bij het zoeken, eerder op zoek gaan naar bedrijven waarvan het personeelsbestand cultureel divers is en/of naar een bedrijf waarvan de eigenaar dezelfde (etnisch-culturele) achtergrond heeft als de student.

31

Algemene ervaringen met het zoeken van een stage

Zoekduur in aantal maanden en in aantal sollicitatiebrieven

Bijna de helft van de studenten (44%) vond het makkelijk om een stage te vinden. Ongeveer een kwart geeft aan het moeilijk te hebben gehad in de zoektocht naar een stage (26%). De overige studenten vonden het niet specifiek makkelijk of moeilijk (30%). Uit de interviews maken we op dat studenten die het moeilijk hebben gehad, aangeven dat het niet ontvangen van een reactie op hun sollicitatie bijdraagt aan de frustratie die ze ervaren en dat dat ook als een afwijzing voelt.

We vroegen studenten ook aan te geven hoeveel tijd het hun kostte een stageplek te vinden, hoeveel brieven ze hebben geschreven én hoeveel sollicitatiegesprekken ze hebben gevoerd. Ook hier ging het om de laatste stage die ze hebben gevolgd of nu nog steeds volgen. Ongeveer de helft van de studenten (47%) heeft minder dan een maand gezocht, een derde van de studenten (33%) heeft tussen de één en drie maanden nodig gehad en ongeveer een vijfde van de studenten (20%) had meer dan drie maanden nodig of heeft nog steeds geen plek kunnen vinden (zie Tabel 6.2).

“Ik vond het heel moeilijk, ik kreeg een paar keer geen antwoord of werd niet aangenomen.”

Tabel 6.2. Hoe lang heb je gezocht voordat je een stageplek vond? (N = 614)

„ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

Antwoordmogelijkheden

Tegelijkertijd is geen reactie krijgen op een sollicitatie voor veel studenten de realiteit die ze inmiddels hebben geaccepteerd. Veel studenten gaan er nog wel achteraan door nogmaals een e-mail te sturen of te bellen naar het bedrijf. Wanneer de studenten een negatief antwoord op hun sollicitatie ontvangen, wordt de reden van de afwijzing niet altijd benoemd door het bedrijf. Bij een afwijzing noemen bedrijven vaak algemene redenen waarom ze geen stagiair kunnen aannemen, zoals: geen tijd, geen vacature of de veranderde situatie vanwege corona. Persoonlijke redenen voor afwijzingen die we voorbij zien komen, zijn het gebrek aan ervaring van de student, gebrekkige taalvaardigheid en gezondheidsproblemen. Wanneer de studenten worden uitgenodigd voor een sollicitatie- of kennismakingsgesprek leidt dit in de meeste gevallen tot een positief resultaat.

Aantallen (percentage)

Minder dan 1 maand.

287 (46,7%)

1-3 maanden.

205 (33,4%)

Meer dan 3 maanden.

77 (12,5%)

Ik heb nog geen stageplek gevonden.

45 (7,3%)

Wat betreft het aantal sollicitatiebrieven zien we dat een groot deel van de studenten aangeeft een stageplek te hebben gevonden na het sturen van 1-5 brieven (40%) (zie tabel 6.3). 17% heeft 5-10 brieven gestuurd en 10% tussen de 10 en 20 brieven. Als studenten eenmaal op gesprek mogen komen, wordt 82% binnen vijf gesprekken aangenomen. Tabel 6.3. Hoeveel sollicitatiebrieven heb je verstuurd voordat je een stageplek vond? (N =569) Antwoordmogelijkheden

Aantallen (percentage)

1-5 brieven.

230 (40,4%)

5-10 brieven.

98 (17,2%)

10-20 brieven.

59 (10,4%)

Meer dan 20 brieven.

24 (4,2%)

Ik heb geen brieven geschreven, maar op een andere manier een stage gevonden.

158 (27,8%)

32

Verschillen tussen groepen in het zoeken naar een stage Uit de analyses van de vragenlijst blijkt dat er verschillen zijn in het zoeken naar een stage tussen groepen mbo-studenten (in bijlage 4 staan de analyses uitgewerkt). We vinden verschillen op basis van gender, chronische aandoening en opleidingsniveau. Vrouwen zijn langer bezig met zoeken dan mannen. Tegelijkertijd voeren mannen meer gesprekken dan vrouwen voordat ze een stageplek hebben gevonden. Studenten met een chronische aandoening zijn langer bezig met het vinden van een stage dan studenten zonder chronische aandoening. Wat betreft opleidingsniveau zien we dat studenten met een mbo-niveau 4-opleiding langer aan het zoeken zijn naar een stage dan studenten uit niveau 2 en 3. We vinden geen verschillen tussen studenten op basis van religie en seksuele oriëntatie in hun zoektocht naar een stage. Ook vinden we geen significante verschillen tussen studenten met en zonder migratieachtergrond in duur en het aantal opgestuurde brieven. Dit is niet in overeenstemming met eerdere onderzoeken waarin studenten met een migratieachtergrond langer op zoek waren naar een stage en meer brieven moesten schrijven (Van Engelshoven, 2018). Een mogelijke verklaring hiervoor is dat we in dit onderzoek gevraagd hebben naar de laatste stage.

In onze steekproef zitten vooral ouderejaars mbo-studenten, die mogelijk deels andere strategieën inzetten om een stage te vinden. 6.1.1.

Ervaren discriminatie bij het zoeken naar een stage

We hebben studenten situaties voorgelegd en gevraagd of bepaalde ervaringen die ze hadden naar hun idee/ervaring samenhangen met discriminatie (tabel 6.4.). Ongeveer een kwart van de mbo-studenten (150 individuele studenten van de 614 respondenten) in onze studie heeft aangegeven tijdens het zoeken van een stage bij een of meerdere situaties discriminatie te hebben ervaren óf hierover te twijfelen.

Tabel 6.4. Ervaringen van mbo-studenten bij het zoeken naar een stage en in hoeverre ze denken dat er sprake was van discriminatie (N=614) Ervaren als discriminatie

Twijfel of het discriminatie was

Meegemaakt, maar niet als discriminatie ervaren

Situatie niet meegemaakt

Geen antwoord op een brief/telefoontje toen je zocht naar een stage.

4,6%

11,7%

41,5%

42,2%

Meegemaakt dat een bedrijf zei dat een stage niet meer beschikbaar was.

5,7%

10,3%

42,3%

41,7%

Meegemaakt dat je niet op gesprek mocht komen.

3,7%

4,4%

15,6%

76,3%

We zien dat ongeveer een op de twintig studenten het uitblijven van een antwoord op hun sollicitatie in verband brengt met discriminatie. Dit aandeel is vergelijkbaar met de situatie dat een bedrijf zegt dat een stage niet meer beschikbaar is. Een aanzienlijk groter deel van de studenten (1 op de 10) geeft aan te twijfelen of er discriminatie in het spel is. Dit geeft aan dat studenten wel vermoedens hebben dat er zoiets aan de hand kan zijn, maar dat ze andere verklaringen niet uitsluiten. Ook vermoedens van discriminatie kunnen negatieve effecten hebben op het welbevinden van studenten (Andriessen et al., 2020). Bijna 4 procent van de studenten denkt dat zij niet op gesprek mochten komen vanwege discriminatie. Een ongeveer even groot deel twijfelt of dit te maken had met discriminatie. Met name studenten met een Nederlandse achtergrond die discriminatie ervaren (of twijfelen) vinden de definitie van discriminatie soms te zwaar en weten niet zo goed of ze de eigen ervaring wel als zodanig moeten categoriseren. Het begrip discriminatie wordt vaker gekoppeld aan uitsluiting op grond van de etnische of culturele achtergrond en racisme.

33

“Omdat je, denk ik, toch een soort van denkt dat je je aanstelt. En als ik aan discriminatie denk, denk ik toch meer aan op basis van achtergrond of geloof en dat heb ik niet. Daardoor voelt het een beetje alsof het niet ‘echt’ is voor ons. Dat er vast veel ergere vormen zijn, en dat dat van ons dan slechts vervelend is.” „ Derdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 25 jaar.

“Ik had het toen wel zo een beetje opgevat als discriminatie, maar ik vind het ook lastig. Ik denk dat ik makkelijker ergens voor word uitgenodigd of word aangenomen dan iemand van een andere cultuur en dat vind ik dan lastig met discriminatie. Als ik kijk naar hoe ik het ervaar dan is het dat het niet voelt alsof je echt gediscrimineerd bent. Meer alsof je aangevallen bent, maar meer niet.” „ Tweedejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 16 jaar.

De twijfel of een ervaring discriminatie is of niet, is minder vaak aanwezig wanneer we kijken naar de ervaringen bij de sollicitatiegesprekken (tabel 6.5.). Het aandeel studenten dat aangeeft discriminatie te hebben ervaren is iets hoger bij afwijzing na een sollicitatiegesprek dan bij de zoektocht naar een stage. Tabel 6.5. Ervaringen van mbo-studenten die een sollicitatiegesprek hebben gehad en in hoeverre ze denken dat er sprake was van discriminatie (N=358) Ervaren als discriminatie

Twijfel of het discriminatie was

Meegemaakt, maar niet als discriminatie ervaren

Situatie niet meegemaakt

Onvriendelijk behandeld tijdens het sollicitatiegesprek.

5,6%

1,7%

5,6%

87,1%

Afgewezen na het sollicitatiegesprek.

6,9%

5,3%

16,8%

71%

Discriminatiegronden Aan de studenten die aangeven discriminatie te hebben ervaren of daarover twijfelen, hebben we gevraagd op welke grond dat is geweest (zie tabel 6.6). Studenten konden bij deze vraag meerdere antwoorden geven. De meest voorkomende grond is het opleidingsniveau (40%). Daarnaast ervaren studenten discriminatie op basis van het land waar hun (groot)ouders geboren zijn (29%), geloof (28%), hun kleding en/of uiterlijk (27%) en huidskleur (21%). Bij ‘anders namelijk’ worden voorbeelden genoemd als het Nederlands taalgebruik. Tabel 6.6. Aard van de ervaren discriminatie1 (N=150) Niveau van je opleiding.

60 (40,0%)

Land waar jij of jouw (groot)ouders geboren zijn.

44 (29,3%)

Geloof.

42 (28,0%)

Kleding/uiterlijk.

40 (26,7%)

Huidskleur.

32 (21,3%)

Geslacht (bijvoorbeeld omdat je man, vrouw of transgender bent).

23 (15,3%)

Andere leerbehoefte (bijvoorbeeld door dyslexie).

10 (6,7%)

Chronische aandoening.

8 (5,3%)

Seksuele oriëntatie (bijvoorbeeld omdat je homoseksueel bent).

3 (2,0%)

Leeftijd.

3 (0,5%)

Overig (Anders, namelijk en weet ik niet).

(6,3%)

Noot: Bij deze vraag konden meerdere antwoorden gegeven worden, vandaar dat de percentages niet optellen tot 100.

Ter illustratie hebben we hieronder een aantal citaten opgenomen van studenten die we hebben gesproken tijdens de diepte-interviews. De respondenten beschrijven hun discriminatie-ervaring op basis van etniciteit, geloof en opleidingsniveau.

34

Deze student beschrijft haar ervaring met betrekking tot reacties die ze krijgt vanwege haar Marokkaanse achtergrond:

“Nee we doen het toch niet, want je hebt niveau 2 en dan ben je dom en dan moeten we je te veel begeleiden (…) en dat kost ons ook veel meer tijd.” „ Eerstejaars student, mbo niveau 2, vrouw, 18 jaar.

“Het is wel vaker gebeurd dat ik ergens niet werd aangenomen vanwege mijn naam. Of als ik langskom dat ze tegen mij zeggen ‘ow, gelukkig…je lijkt niet Marokkaans’. Dan is het alleen al de ‘gelukkig’….” „ Vierdejaarsstudent mbo niveau 4, vrouw, 19 jaar.

Deze student beschrijft haar ervaring tijdens de sollicitatieprocedure in verband met haar religieuze achtergrond: “Het gesprek ging heel goed en achteraf zei de stagebegeleidster: ‘Ik denk dat je bent aangenomen’. Daarna kreeg ik een mail met ‘mag ik je nog een aantal vragen via Facetime vragen?’ Tijdens dit gesprek vroeg ze ‘we hebben hier ook homo’s werken’. Ik was best verbaasd, want ik heb daar helemaal geen probleem mee en dat heb ik ook aangegeven. Die mevrouw zei ook nog ‘we hebben hier ook een Turk werken en die zegt ook dingen over zijn eigen volk’. (…) Verder vroeg ze naar mijn kleding en ik had aangegeven dat ik lange rokken draag tot mijn enkels, vanwege mijn geloof. Toen vroeg ze ook ‘draag je ook blote voeten’. Ik draag gewoon schoenen en in de zomer misschien slippers, dan heb ik blote voeten, ja. Bij dat bedrijf moest ik netjes aangekleed zijn, want de klanten zouden de stagiaires als eerste zien bij binnenkomst in de zaak. In dat gesprek zei ze ‘we gaan vragen of het lukt met de stage’. Wat ik toen zag was een vrouw op de achtergrond van de Facetime en zij wist niet dat ik haar zag, maar zij knikte ‘nee’ naar de collega met wie ik sprak. De mevrouw met wie ik had gesproken belde mij terug en vertelde dat ik toch niet beschikte over de juiste vaardigheden.

Dit was een gekke reactie, want ik had (in dat gesprek, red.) nooit over mijn vaardigheden gesproken.” „ Vierdejaars student mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

Deze student werd verteld dat ze vanwege haar opleidingsniveau veel begeleiding nodig zou hebben en om die reden werd afgewezen:

Gevolgen ervaren discriminatie bij het zoeken naar een stage We hebben onze respondenten gevraagd wat de impact is geweest van de ervaren discriminatie op de voortgang van hun opleiding en hun welbevinden. Een op de vijf de studenten die discriminatie heeft ervaren bij het zoeken naar een stage geeft aan studievertraging te hebben opgelopen (19%). Enkele studenten zijn gestopt met hun opleiding (1%) (tabel 6.7.). De discriminatie-ervaring zorgt voor gevoelens van eenzaamheid bij ongeveer een vierde van de studenten (23%). De ervaring heeft voor een deel van de studenten ook impact op het toekomstbeeld. Bijna de helft van de studenten (46%) heeft minder vertrouwen in het vinden van een baan na ervaren discriminatie bij het zoeken naar een stage. We zien dat een deel van de studenten (20%) gedemotiveerd raakt en hierdoor minder zin heeft om hun best te doen op school. Daartegenover staat dat meer dan de helft van de studenten (53%) meer hun best is gaan doen op school nadat ze geconfronteerd zijn met discriminatie (tabel 6.8.). Uit de interviews zien we voorbeelden van studenten die de handdoek in de ring gooien omdat ze lang naar een stage op zoek zijn geweest en nergens zijn aangenomen. Dit zorgt ervoor dat studenten een deuk oplopen in hun zelfvertrouwen. “(…) ik ben een jaar bezig geweest met zoeken. Ik heb dertig bedrijven benaderd en ben nergens aangenomen.

Uiteindelijk dacht ik ‘ik wil geen stage meer lopen’.” „ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

35

“Ik raakte gedemotiveerd omdat ik steeds geen reactie terug kreeg en de laatste keer dat ik langs was geweest kreeg ik te horen ‘je bent niet degene die we zoeken en je bent niet goed genoeg’, dus toen dacht ik nu wil ik liever niet meer langs gaan.” „ Tweedejaarsstudent mbo niveau 4, vrouw, 16 jaar.

6.2.

Ervaringen tijdens de stageperiode

Aan de mbo-studenten (N=553) die aangeven dat ze nu met een stage bezig zijn of stage hebben gelopen, hebben we een aantal vragen gesteld over hoe ze hun stage ervaren. Daarnaast hebben we gevraagd of ze discriminatie op hun stageplek hebben ervaren en wat de impact van die ervaringen is.

Tabel 6.7. Als gevolg van discriminatie … (N = 144) Ja

Nee

Heb ik studievertraging opgelopen .

28 (19,4%)

116 (80,6%)

Ben ik gestopt met mijn opleiding.

4 (0,6%)

140 (97,2%)

Volg ik een opleiding onder mijn niveau.

19 (13,2%)

125 (86,8%)

Tabel 6.8. Als gevolg van discriminatie … (N = 136) (Helemaal) mee oneens

Neutraal

(Helemaal) mee eens

Doe ik minder goed mijn best.

79 (58,1%)

30 (22,1%)

27 (19,9%)

Voel ik me minder veilig op mijn opleiding.

86 (63,2%)

25 (18,4%)

25 (18,3%)

Voel ik me meer verbonden met mensen die dezelfde achtergrond hebben als ik.

37 (27,2%)

30 (22,1%)

69 (50,7%)

Ben ik meer mijn best gaan doen voor mijn opleiding.

33 (24,3%)

31 (22,8%)

72 (52,9%)

Denk ik minder kans te maken op een baan.

47 (34,6%)

27 (19,9%)

62 (45,6%)

Voel ik me eenzaam.

70 (51,4%)

35 (25,7%)

31 (22,8%)

6.2.1.

Algemeen oordeel over de stage

Studenten beoordelen hun stage over het algemeen met een ruime voldoende (7,4). Zij zijn ook tevreden over de mate waarin hun stage aansluit bij hun opleiding (82%). Maar een klein deel van de studenten beoordeelt deze aansluiting als negatief (4%). Een ruime meerderheid is tevreden over de werkzaamheden die ze tijdens hun stage doen (70%). Een kleine groep studenten is daar ontevreden over (11%). Ook wat betreft de begeleiding die ze krijgen tijdens hun stage vanuit het leerwerkbedrijf geeft ongeveer driekwart van de studenten (76%) aan daar tevreden over te zijn. Een belangrijk deel van de studenten voelt zich echter niet helemaal thuis op de stage. Bijna een derde van de studenten (31%) geeft aan dat ze op stage niet zichzelf kunnen zijn. Een geïnterviewde respondent beschrijft dit als volgt: “Ik kon totaal niet mijzelf zijn. Voor mij was het zwaar en uitputtend. Je moet de hele dag lachen. Ik moest met ze praten en ik vond het helemaal niet leuk met ze.” „ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 19 jaar.

6.2.2. Ervaren discriminatie tijdens de stage Net als bij het zoeken naar een stage, hebben we studenten een aantal situaties voorgelegd die ze mogelijk hebben meegemaakt tijdens hun stage. Daarna

36

hebben we gevraagd in hoeverre ze denken dat dit te maken heeft met discriminatie (tabel 6.9.). Tabel 6.9. Ervaringen van mbo-studenten tijdens de stage en in hoeverre ze denken dat er sprake was van discriminatie Ervaren als discriminatie

Twijfel of het discriminatie was

Meegemaakt, maar niet als discriminatie ervaren 1.5%

Situatie niet meegemaakt

Uitgescholden of gepest door andere werknemers of je stagebegeleider. (N = 547)

1.8%

0.5%

Werknemers of stagebegeleider hebben kwetsende grappen gemaakt. (N = 547)

4,0%

0,7%

4,9%

90,4%

Onvriendelijk behandeld door andere werknemers of je stagebegeleider. (N = 547)

2,7%

2,9%

11,2%

83,2%

Vervelende of saaie werkzaamheden doen. (N = 546)

2,7%

4,9%

31,0%

61,4%

Werkzaamheden werden vaker gecontroleerd dan die van andere stagiairs of werknemers. (N = 546)

2,9%

3,5%

8,8%

84,8%

96.2%

Ongeveer een achtste van de mbo-studenten (68 individuele studenten van de 546 respondenten) in onze studie heeft aangegeven tijdens hun stage in één of meerdere situaties discriminatie te hebben ervaren óf hierover te twijfelen. Het gaat vooral om kwetsende grappen, beledigende opmerkingen en uitgescholden worden. Een participant vertelt over een ervaring die ze heeft meegemaakt met haar stagebegeleider:

“Ik heb kader gedaan en kan niet zo goed leren. Moet het vooral hebben van mijn handen en creativiteit. Toen kreeg ik te horen van mijn stagebegeleider dat het vaker zo is dat Marokkaanse mensen vaak minder scoren. (…) Dus omdat ik Marokkaans ben, heb ik een lager IQ en ben ik dommer volgens hem...” „ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 19 jaar.

Een andere student moest bepaalde klusjes vaker doen omdat werd verondersteld dat zij daar goed in zou zijn vanwege haar huidskleur. “Bijvoorbeeld klusjes die ik moest doen. Ik moest meer schoonmaken dan anderen, want daar waren ‘wij’ goed in. Ik was sowieso boos want er zijn genoeg donkere mensen (die geen schoonmaker zijn, red.) en toch wordt er gepraat met ‘jullie’.” „ Derdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 23 jaar.

We zien verder dat studenten vervelende ervaringen niet per definitie toeschrijven aan discriminatie. Het grootste deel geeft aan dat deze ervaringen niet gerelateerd zijn aan discriminatie. Wanneer het gaat om kwetsende grappen en uitgescholden worden, door andere werknemers of de stagebegeleider, zien we dat studenten dit ongeveer even vaak als discriminatie en als geen discriminatie categoriseren. Een deel van de studenten heeft te maken gehad met vervelende situaties, maar weet niet zeker of dat discriminatie was. Ze vinden het woord ergens te zwaar en weten niet zo goed of wat ze hebben meegemaakt ook op die manier moet worden geduid (zie ook 6.1.2.). Harde en/of openlijke discriminatie komen de studenten nauwelijks tegen. Vaak blijft er na een vervelende situatie bij de studenten de twijfel in hoeverre de reactie van de ander te maken heeft met de culturele achtergrond, huidskleur, geslacht of een ander identiteitskenmerk.

37

“Ik heb het er met mijn mede-stagiaires over gehad dat ik me anders behandeld voelde dan hen qua nare ervaringen. Die zeiden dat zij ook zagen dat het bij mij erger was (…). Toen pas dacht ik: wow, is dit discriminatie?”

Tabel 6.10. Aard van de ervaren discriminatie1 (N = 68)

„ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

Een vrouwelijke participant die stage liep in een typisch mannenberoep beschrijft haar ervaring als volgt:

Land waar jij of jouw (groot)ouders geboren zijn.

23 (33,8%)

Niveau van je opleiding.

19 (27,9%)

Kleding/uiterlijk.

19 (27,9%)

Geloof.

19 (27,9%)

Huidskleur.

15 (22,1%)

Geslacht (bijvoorbeeld omdat je man, vrouw of transgender bent).

11 (16,2%)

Andere leerbehoefte (bijvoorbeeld door dyslexie, autisme, ADHD).

10 (14,7%)

“Ik had het idee dat er weinig aandacht aan mijn stage werd geschonken. (…) Ik weet niet of het echt met discriminatie te maken had, omdat dat niet recht in je gezicht tegen je wordt gezegd. Wel had ik het gevoel dat ik er niet helemaal toe deed bij deze ‘mannen onder elkaar’.”

Het zijn van een stagiair.

6 (8,8%)

Chronische aandoening (bijvoorbeeld lichamelijk).

4 (5,9%)

„ Derdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 25 jaar.

Noot: Bij deze vraag konden meerdere antwoorden gegeven worden, vandaar dat de percentages niet optellen tot 100.

Discriminatiegronden tijdens de stage

Gevolgen ervaren discriminatie tijdens de stage

Aan studenten die discriminatie hebben ervaren tijdens hun stage, hebben we gevraagd om welke discriminatiegrond(en) het daarbij ging (tabel 6.10.). ‘Het land waar mijn (groot)ouders zijn geboren’ (34%) werd het vaakst genoemd door de respondenten. De overige gronden die veel worden genoemd, zijn het niveau van de opleiding (28%), kleding/uiterlijk (28%), geloof (28%) en huidskleur (22%). Bij ‘anders namelijk’ worden voorbeelden genoemd als ‘gedrag’, ‘omdat je nieuw bent’ en de Nederlandse taal.

Ook hier hebben we onze respondenten gevraagd wat de impact is geweest van de ervaren discriminatie tijdens de stage op de voortgang van hun opleiding/stage en hun welbevinden.

Seksuele oriëntatie (bijvoorbeeld omdat je homoseksueel bent).

2 (2,9%)

Overig (Anders, namelijk en weet ik niet).

10 (12,1%)

Ongeveer een op de vijf studenten geeft aan dat zij studievertraging hebben opgelopen vanwege discriminatie tijdens de stage. Ongeveer 15% is gestopt met zijn of haar stage als gevolg van de discriminatie-ervaring. Twee studenten zijn gestopt met hun opleiding (tabel 6.11.). Tabel 6.11. Als gevolg van discriminatie … (N = 68) Ja

Nee

Heb ik studievertraging opgelopen.

14 (20,6%)

54 (79,4%)

Ben ik gestopt met mijn stage.

10 (14,7%)

58 (85,3%)

Ben ik gestopt met mijn opleiding.

2 (2,9%)

66 (97,1%)

Volg ik een opleiding onder mijn niveau.

7 (10,3%)

61 (89,7%)

38

Een belangrijk deel van de studenten (35%) die discriminatie ervaart tijdens de stage, voelt zich door deze ervaring minder veilig op de stage (zie tabel 6.12.). Verder veroorzaakt deze ervaring bij ongeveer 40 procent van de studenten gevoelens van eenzaamheid. De ervaring heeft voor de studenten ook impact op het toekomstbeeld. Zo heeft 29 procent minder vertrouwen in het vinden van een baan. Verder zien we dat een belangrijk deel van de studenten (26%) gedemotiveerd raakt en hierdoor minder zin heeft om hun best te doen op hun stageplek. Daartegenover staat dat de helft van de studenten (50%) meer hun best gaat doen op de stage nadat ze geconfronteerd zijn met discriminatie. Tabel 6.12. Als gevolg van discriminatie … (N = 68)

Doe ik minder goed mijn best. Voel ik me minder veilig op mijn stage. Voel ik me meer verbonden met mensen die dezelfde achtergrond hebben als ik . Werk ik harder op mijn stage. Denk ik minder kans te maken op een baan. Voel ik me eenzaam.

Neutraal

De gevolgen op de stage laten zich op verschillende manieren zien: minder plezier in het werk, veel stress, afname van motivatie, jezelf ertoe moeten zetten om op te staan en naar stage te gaan, ingetogen en minder sociaal in de werkomgeving, meer frustraties en bij sommigen ook impact op de werkzaamheden (minder productief). Ook in het vervolg van hun opleiding kan het ertoe leiden dat studenten de eigen leerdoelen aanpassen en minder ambitieus de volgende stage beginnen. Deze ervaringen zorgen ervoor dat jongeren zich niet thuis voelen bij het stagebedrijf. Een participant beschrijft dat ze een ‘masker’ opzet wanneer ze op haar stageplek is, om daarmee haar gevoelens over de ervaringen te kunnen verhullen. Dit werd echter opgemerkt door mensen die haar goed kennen en toevallig langskwamen bij haar stagebedrijf.

(Helemaal) mee oneens 38 (57,6%) 29 (43,9%) 13 (19,7%)

11 (16,7%) 14 (21,2%) 18 (27,3%)

(Helemaal) mee eens 17 (25,8%) 23 (34,9%) 35 (53,1%)

18 (27,3%) 31 (47,0%)

15 (22,7%) 16 (24,2%)

33 (50%) 19 (28,8%)

„ Tweedejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 16 jaar.

27 (40,9%)

13 (19,7%)

26 (39,4%)

Over het algemeen krijgen jongeren ook het beeld dat het vinden van werk dat bij je past later lastiger zal worden dan ze aanvankelijk dachten. Dit gaf een aantal studenten het idee om dan een eigen onderneming te beginnen.

De inzichten uit de interviews versterken de bovengenoemde gevolgen van discriminatie-ervaring op de studenten. We zien dat deze ervaringen een negatieve impact hebben op het psychologisch welbevinden van de studenten. Een student die vanwege zijn huidskleur discriminatie heeft meegemaakt op stage beschrijft dat gevoel als volgt: “Het was zwaar qua gevoel. Het heeft heel lang geduurd voordat ik het los kon laten. Ik bleef er maar over denken en of ik iets niet goed had gedaan. Het was psychologisch zwaar. Na een paar maanden heb ik het pas losgelaten, want ik kon er niks aan veranderen.”

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=90947e83-6d82-451c-bb89-5a2ddcb2e2c4