Agendabundel
Tekst van het document
Voor de jaren 2027 en verder wordt een risico genomen om voor te sorteren op het verlagen van de kosten door de verbonden partij. Dit sluit aan op onze inzet om de verbonden partijen ook een besparing te laten realiseren als onderdeel van de hervormingsbezuinigingen. De VRU heeft hier nog geen invulling aan gegeven. 9. Licentiekosten toekomstig CAD-systeem Er is op dit moment geen goed systeem waarin CAD-bestanden (technische tekeningen) opgeslagen en beheerd kunnen worden. Dit systeem is nodig om te kunnen voldoen aan wet- en regelgeving omtrent informatiebeheer. 10. Resultaat nieuwe aanbesteding groenwerkzaamheden De aanbestedingen van de groencontracten leiden tot structureel hogere contractwaarden. De gemeentebrede indexering op basis van een gehanteerde GWW-index van 2% biedt hiervoor onvoldoende dekking. 11. Aanpak essentaksterfte In 2017 door de raad toegekende geld voor de uitvoering van het vastgestelde Plan van aanpak essentaksterfte is bijna volledig benut. Essentaksterfte is niet verdwenen. De maatregelen kunnen niet vanuit de reguliere begroting voor boomonderhoud worden gedekt. De incidentele middelen voor het monitoren van en behoud van de essen zijn uitgeput. Om behoud van de bomen te realiseren zijn extra middelen noodzakelijk.
In elk geval voor een jaar om zo de tussenliggende periode te gebruiken voor onderzoek naar alternatieve scenario’s en/of aanpassen van het beleidskader. 12. Exploitatie van de zwembaden Er is een tekort in financiële middelen om de programmering van de zwembaden op een verantwoorde manier te kunnen blijven draaien. Het knelpunt geldt voor 2026 en bestaat uit lagere inkomsten (van het Rijk), minder ruimte binnen andere budgetten en een tekort op de personeelsbegroting. Op de langere termijn is het mogelijk om maatregelen te nemen om te komen tot een sluitende exploitatie. Dit vraagt om aanpassing van huidige beleidskaders en/of tariefstelling. In de periode naar 2026 kunnen alternatieve scenario’s en bijsturingsmaatregelen worden uitgewerkt om tot een afgewogen keuze te komen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met het effect van de renovatie van de zwembaden (bijvoorbeeld lagere energiekosten als gevolg van duurzaamheidsmaatregelen). 19
13. Indexering Stadsbedrijven Bij de Voorjaarsnota 2024 is de keuze gemaakt om op een andere manier te indexeren. Dat bracht een risico met zich mee, dat de taakstellende budgetten voor specifieke contracten ontoereikend zijn. Voor de uitvoering van specifieke beheeractiviteiten, zoals groenonderhoud is dat het geval. Met de noodzakelijke extra middelen worden onveilige situaties, het niet volledig kunnen uitvoeren van de wettelijke taken, een teruglopend kwaliteitsbeeld en achterstallig onderhoud voorkomen. 14. Japanse duizendknoop verwijderen van begraafplaatsen Op begraafplaats Kovelswade is in het depot grondopslag Japanse duizendknoop geconstateerd. Het is de wettelijke taak van de gemeente verspreiding van deze plant te voorkomen en de plant structureel en definitief te vernietigen, waar deze opkomt. De gemeente overtreedt de Omgevingsverordening, als de aangetroffen planten niet worden verwijderd. 15. Uitvoering taken door RUD De gemeente is wettelijk verplicht om bepaalde vergunning-, toezicht en handhavingstaken uit te laten voeren door de RUD. Het pakket met verplicht over te dragen taken naar de omgevingsdienst is uitgebreid per 1 januari 2025 (Omgevingswet). Tegelijk zijn bestaande door de RUD uitgevoerde taken per 1 januari 2024 een beetje veranderd als gevolg van de komst van de omgevingswet.
De RUD rekent een hogere prijs voor de uitvoering van deze taken, met name veroorzaakt door overhead en dit betekent in 2026 extra lasten voor onze gemeente. Deze meerkosten kunnen niet worden opgevangen binnen de begroting van de opgave Gezond Leefklimaat. Voor de jaren 2027 en verder wordt een risico genomen door voor te sorteren op het verlagen van de kosten door de verbonden partij. Dit sluit aan op onze inzet om de verbonden partijen ook een besparing te laten realiseren als onderdeel van de hervormingsbezuinigingen. 16. Inburgering Het Rijk komt bestuurlijke afspraken over passende bekostiging van de Wet inburgering 2021 niet na. Hierover hebben wij met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag een brandbrief gestuurd aan de verantwoordelijke bewindspersonen. Het uitvoeringsbudget voor 2025 en 2026 is gebaseerd op de verwachte instroom in 2022. In werkelijkheid is de instroom voor zowel statushouders als gezinsmigranten op dit moment twee keer zo groot. Hier komt bij dat de middelen voor begeleiding naar werk of participatie voor statushouders via de Participatiewet ook ontoereikend zijn. Voor 2025 en 2026 is er hiermee sprake van een knelpunt. Vanwege de grote risico's door onzekerheid vanuit het Rijk trekken we dit uitvoeringsbudget door naar 2027. 17.
Opvang, begeleiding en activering ongedocumenteerde mensen Het knelpunt betreft het bewaken van de humanitaire ondergrens voor ongedocumenteerde mensen in Utrecht vanaf 2026. Het knelpunt is het gevolg van een tekort dat is ontstaan door de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingen Voorziening per 31 december 2024 en heeft als gevolg dat er vanaf 2025 geen Rijksbijdrage aan de LVV-steden beschikbaar zal zijn. Er is een wettelijke verplichting voor een minimale opvang, dit is bevestigd in gerechtelijke uitspraken. De extra middelen zijn nodig om te voorkomen dat deelnemers in zo’n situatie terechtkomen dat hun grondrechten volgens Europese mensenrechtenverdragen en de Europese Terugkeerrichtlijn geschonden worden. 18. Compensatie energie - stijging energielasten vanaf 2026 Hoewel de termijnmarkt voor energie de aflopen jaren enigszins genormaliseerd is, zijn de energieprijzen nog steeds aanzienlijk hoger dan voor de inval in Oekraïne en de explosie aan de Nordstreampijplijn. Naast de termijnmarkt zijn er echter nog andere factoren die een blijvend
20
prijsverhogend effect hebben, met name netcongestie en onbalanskosten (vanwege de sterke toename van zon- en windenergie). De stijgende prijzen voor energie zijn in de afgelopen periode opgevangen uit de tijdelijke compensatiemiddelen in de Voorjaarsnota 2023. We schatten in dat de prijzen niet structureel hoog blijven en nemen daarom een risico om de begroting t/m 2028 te verhogen en niet voor de periode daarna. 19. Meevaller project staatsloosheid Door de afronding van het project Statenloosheid vallen de restende bedragen voor het project vrij. 20. Gevolgen Netcongestie voor legesinkomsten Netwerkbeheerders kunnen op korte en middellange termijn niet voldoen aan de capaciteitsvraag en dus worden op dit moment geen grote projecten aangesloten op het elektriciteitsnet. Aanvragers voor grote bouwplannen stellen daarom de beslissing om een aanvraag in te dienen uit. Eind 2022 is in de Provincie Utrecht een wachtlijst ingesteld voor nieuwe grootverbruik-aansluitingen op het elektriciteitsnet. Dat heeft in het laatste kwartaal van 2024 geleid tot minder inkomsten bij de gemeente. Doordat grotere plannen niet langer aangesloten worden, worden er minder aanvragen voor een omgevingsvergunning ingediend voor grotere bouwplannen.
Dit heeft vanwege de kruisbestuiving (de grote aanvragen bekostigen de werkelijke kosten van de behandeling van de vele kleine aanvragen) een direct effect op de bekostiging van de kleine aanvragen. De verwachting is dat de trend van 2024 doorzet. Die kwam pas eind 2024 in beeld doordat de eerder ingediende aanvragen allemaal al over een aansluiting beschikten voordat aanvragen bij ons ingediend werden. Het effect van de beslissing in 2022 werd daardoor pas eind 2024 zichtbaar. De wachtlijst voor netcongestie resulteert in lagere vergunningsaanvragen en daarmee inkomsten uit vergunningen. Deze ontwikkeling is op de kortere termijn niet beïnvloedbaar. Voor de lange termijn is onzeker voor welke periode de netcongestie beperkingen geeft voor de Utrechtse grootverbruikers. Vooralsnog verlagen we de legesinkomsten voor 2 jaar. 21. Begroting VNG-bijdrage ophogen Dit betreft de verhoging van de bijdrage aan het Fonds Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering (GGU). Dit is besloten tijdens de algemene ledenvergadering van de VNG op 26 juni 2024. 22. Digitalisering Erfgoed We zijn sinds 2021 bezig met een monsteroperatie: het digitaliseren, ontsluiten en archiveren van 300 meter strekkende archief en vijf miljoen digitale bestanden. Deze Utrechtse erfgoeddata zijn het resultaat van meer dan 50 jaar onderzoek naar de archeologie, gebouwde monumenten en ruimtelijke ontwikkeling van de stad.
Dit materiaal vormt de basis voor uitvoering van de wettelijke taken in het kader van de monumentenzorg. Het dient ook als onderbouwing van publiekrechtelijke beperkingen ten aanzien van gebouwde monumenten en archeologische terreinen. Zeker met de nieuwe Omgevingswet moet dit materiaal kenbaar en toegankelijk zijn voor initiatiefnemers. Inmiddels zijn de meeste onderdelen conform planning en budget uitgevoerd dan wel ver gevorderd. Al in 2021 zijn enkele risico's benoemd, zoals de verwerkingssnelheid van het papieren archief en vervanging van software en de afrondende module van implementatie van de kaartviewer-annexdocumentenbibliotheek. Voor het afronden van dit project zijn daarom tot en met 2028 aanvullende middelen nodig. 23. Faciliteren demonstraties en preparatie op openbare ordeverstoringen Het aantal demonstraties is het afgelopen jaar gestegen van 388 naar 522. De verwachting is dat het aantal demonstraties ook de komende jaren zal toenemen. Demonstreren is een grondrecht dat bescherming verdient. Het faciliteren van demonstraties is een wettelijke taak van de burgemeester. 21
Extra capaciteit en budget voor materiële kosten in 2025 is noodzakelijk om aan de vereisten van de invulling van onze wettelijke taak te kunnen blijven voldoen en adequaat te kunnen optreden bij mogelijke verstoringen van de openbare orde. 24. JGZ-zorg aan nieuwkomers We krijgen onvoldoende geld voor Jeugdgezondheidszorg (JGZ) voor nieuwkomers, zowel voor kinderen die in Utrecht als in een van de regiogemeenten wonen. De instroom op de Ithaka-school (VO-school waar nieuwkomers tussen 12 en 18 jaar heen gaan) is naar verwachting in 2025 ongeveer gelijk aan 2024. Landelijk is afgesproken dat de zorg van de Jeugdgezondheidzorg wordt geboden door de JGZ in de gemeente waar de kinderen op school zitten en wij volgen deze lijn. We krijgen geld voor kinderen die van Oekraïense afkomst zijn, dan wel woonachtig zijn op een COA of een AMV (kleinschalige woonvoorziening). Voor de andere groep nieuwkomers krijgen we alleen bekostiging voor Utrechtse kinderen. Ruim de helft van de kinderen op de Ithaka-school komt niet uit Utrecht. Daarnaast is het tarief voor Utrechtse nieuwkomerskinderen te laag om deze groep de benodigde zorg te bieden. Wij hebben inmiddels opties onderzocht voor andere dekkingsbronnen, namelijk of de andere gemeenten in de regio of de GGDrU kunnen bijdragen. Ook zij ontvangen een te laag bedrag om de zorg van de JGZ aan de groep nieuwkomers te bekostigen.
Het bedrag dat we van de gemeenten moeten terugvorderen staat niet in verhouding tot de inspanningen, omdat het tarief dat zij ontvangen ook te laag is. Voor 2025 worden we geconfronteerd met extra lasten, maar we zetten verder in op dekking vanuit regiogemeenten en op mogelijkheden om de kosten meer in lijn te brengen met de vergoedingen op basis van het wettelijk minimum. 25. Inrichten huidige zorgorganisatie naar zorgwetgeving en kwaliteitseisen De organisatorische en juridische randvoorwaarden voor de primaire zorgprocessen vanuit de gemeente (jeugdgezondheidszorg en sociaal medische zorg aan kwetsbare volwassenen) zijn onvoldoende ingericht om (blijvend) aan zorgwetgeving en zorgkwaliteitseisen te voldoen. Dit is opgenomen als beleidsrisico in de Programmabegroting 2025. De stapeling van veranderingen in de zorgwetgeving en kwaliteitseisen in de afgelopen jaren, geven nu het besef en de noodzaak om deze uitvoeringsorganisaties als zorgentiteit te versterken. Bijsturingen 26. Werven: aanpassing methodiek Bij het vaststellen van het programmaplan Werk aan de Werf in 2021 is aangegeven dat de jaarlijkse kosten voor herstel in de eerste jaren hoger zijn dan in de latere jaren van de looptijd van het programma.
Dit komt doordat voor de veiligheid en het behoud van het erfgoed deze eerste jaren zowel de wal- en kluismuren als de kelders worden hersteld (de muren zijn over 10 jaar klaar) en omdat er gestart is met de slechtste muren en kelders met de meeste schade en daarmee ook de hoogste herstelkosten. Herstel van de schades is nu nodig voor behoud van het erfgoed en om onveilige situaties te voorkomen. In totaal blijft het programma binnen de financiële kaders. In het Raadsvoorstel Regeling Risicovolle Projecten wordt u voorgesteld hoe wij de kosten en beschikbare middelen per jaar in evenwicht brengen. In het te actualiseren uitvoeringsprogramma 2025-2028 zullen we een en ander verder uitwerken. 27. Aanpak voor verhogen vaccinatiegraad De vaccinatiegraad in Utrecht daalt (zie raadsbrief november 2024). We zien dat de verschillen tussen wijken toenemen. In Overvecht en Kanaleneiland ligt de vaccinatiegraad onder zuigelingen rond de 70%. Dit is veel lager dan de grens van 90% voor groepsimmuniteit. Ook zien we grote verschillen 22
naar land van herkomst, met name Marokkaanse en ook Turkse kinderen worden minder vaak gevaccineerd. Zij hebben hiermee grotere risico's op het oplopen van ernstige infectieziekten. Dit vraagt extra inzet en dus extra financiële middelen. Er loopt een actieve lobby richting het Rijk. Er is door de Tweede Kamer een amendement aangenomen voor extra middelen voor de G4 en voor 2025 verwachten we extra middelen via het gemeentefonds (decentralisatie uitkering). Voor 2026 en 2027 is dit onzeker, zetten we onze lobby voort, en gaan uit van een budgettair neutraal scenario. 28. Asiel en opvang: LVV We stellen voor de voorziening voor opvang van ongedocumenteerden in sobere vorm voort te zetten, zie paragraaf 3.2. De vorm waar we voor kiezen gaat verder dan de absolute ondergrens, zoals beschreven in knelpunt 17. Deze extra middelen zorgen ervoor dat we een realistischer aantal mensen op sobere manier kunnen opvangen en die bovendien ook (iets) meer perspectief kunnen bieden. 29. Netcongestie Vanwege de hoge mate van onzekerheid over de verdere ontwikkeling van netcongestie en het verwachte rijksbeleid om dit landelijke probleem aan te pakken, zetten we in deze voorjaarsnota een eerste stap voor de komende twee jaar.
Deze bestaat in het kort uit het beschikbaar hebben van voldoende opwekgeneratoren voor zowel nieuwbouw als renovatie, het faciliteren van de realisatie van extra trafostations, de inrichting van een doorbraakteam om onorthodoxe veranderingen mogelijk te maken en het organiseren van een crisisteam ter voorbereiding op stroomuitval. Zie verder hoofdstuk 3.4. 30. Binnensportcapaciteit We hebben te maken hebben met onvoldoende binnensportcapaciteit en het niet halen van het vastgestelde kengetal voor binnensport (1 sporthal op 15.000 inwoners). Door de groei van de stad komen we in 2030 een sporthal tekort en in 2040 vijf sporthallen. Een deel van de binnensportverenigingen kan nu al weinig of geen nieuwe leden meer aannemen, er zijn wachtlijsten en gewenste groei van de sport wordt beperkt. We zetten in op het verruimen van de capaciteit voor binnensport. 31. Jaarwisseling Om recht te doen aan de uitkomst van het burgerberaad en in relatie tot het verwachte landelijke vuurwerkverbod, willen wij een vervolg geven aan de feestelijke jaarwisseling. Tradities veranderen kost tijd. Het voorstel is om de feestelijke jaarwisseling voor de komende twee jaren voort te zetten in een sobere variant. De nieuwe coalitie kan daarna opnieuw een keuze maken. We stellen hiervoor twee jaar 500.000 euro beschikbaar (2024: 1,3 miljoen euro) en zetten in op meer samenwerking met partners in de stad.
32. Asiel en opvang: EU-arbeidsmigranten In lijn met het coalitieakkoord stellen we een coördinator aan voor de (preventieve) aanpak voor EU(arbeids)migranten met een werkbudget. Zie ook paragraaf 3.2. 33. ROM De (regionale) aandeelhouders van de ROM werken gezamenlijk toe naar een financieel stabiele ROM met een revolverend fondskapitaal. Dit om te kunnen blijven investeren in innovatieve startups en scale-ups in de regio, die bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. Deze afspraak is gemaakt bij oprichting van de ROM. Omdat het fonds nog niet revolverend is, wat gezien de korte looptijd ook niet de verwachting was, dreigt het fondskapitaal leeg te raken, waardoor geen
23
investeringen meer mogelijk zijn. Een aanvullende fondsstorting is noodzakelijk en gaat gepaard met rentelasten. 34. Leegstand en opkoopregeling Op basis van de Leegstandswet is de Leegstandsverordening ingevoerd in oktober 2023, in de overtuiging dat dit bestaande woningen beter benut wat helpt om de druk op de bestaande woningvoorraad te verlichten. In de context van de huidige (schaarste op de) woningmarkt zien we dit als onmisbaar. Beleid en handhaving op leegstand is een onherroepelijk gevolg van de vastgestelde Leegstandsverordening. Dit betreft eigen Utrechts beleid, waarvan de incidenteel toegekende middelen uit het coalitieakkoord aflopen. De gemeente Utrecht heeft op basis van de Wet opkoopbescherming de regeling voor opkoopbescherming ingevoerd in maart 2022. Door de opkoopbescherming worden woningen beschermd tegen het opkopen door ondernemingen of particulieren die dergelijke woningen willen omzetten in huurwoningen. Doel van de opkoopbescherming is de kansen voor met name starters en mensen met een middeninkomen op een koopwoning in Utrecht te vergroten. 35. Duurzame oplossing parkeren Vanwege het belang om in het parkeerdossier de basis op orde te brengen, stellen wij voor incidenteel 1,5 miljoen euro vrij te maken, om op korte termijn de benodigde acties en maatregelen in gang te zetten, waaronder het functioneel krijgen van het parkeermanagementsysteem.
En we reserveren incidenteel 3,5 miljoen euro om risico’s in de parkeerexploitatie af te dekken. Zie voor meer toelichting paragraaf 3.3.1. 36. Gebiedsontwikkeling: groei in balans In het MPR hebben we scherpe keuzes gemaakt om de uitvoerbaarheid te bewaken en om het financiële beeld sluitend te maken. Na een dip in de woningbouwproductie zien we een herstel in het aantal woningen dat in aanbouw wordt genomen. Tegelijkertijd zien we verschillende risico’s urgenter worden, zoals netcongestie, de betaalbaarheid van maatschappelijke voorzieningen en businesscases die onder druk staan. Bovendien besluit u in deze voorjaarsnota over een nieuwe bestendige bekostigingssystematiek voor investeringen in nieuwe woningen, buurten en voorzieningen. Vanwege de urgente opgaven die verband houden met gebiedsontwikkeling en de transitie naar een nieuwe bekostigingssystematiek voegen we incidenteel circa 5,5 miljoen euro toe aan de reserve grondexploitaties. Zie voor meer toelichting paragraaf 3.3.
2.4 Niet-ingepaste onderwerpen Sinds de vaststelling van de Voorjaarsnota 2024 in juli 2024 is een aantal beleidsnota’s en andere voorstellen door de raad vastgesteld of een motie aangenomen, waarin aan de raad is toegezegd om nadere benodigde middelen te betrekken bij de integrale afweging in de Voorjaarsnota 2025. Gelet op de financiële ontwikkelingen zijn alleen de noodzakelijke knelpunten en bijsturingen ingepast. De volgende wensen vanuit de raad zijn niet meegenomen in het financieel beeld: •
•
Ontzie plan Einstein (motie 360): "Terugdraaien bezuinigingen Plan Einstein en Samen stad maken”, draagt op om de bezuiniging op Plan Einstein en Samen de stad maken zoveel als mogelijk terug te draaien en daarvoor dekking te zoeken binnen de concessievergoeding voor laadpalen vanaf 2028 of binnen hetzelfde programma. Op dit moment wordt de financiële dekking niet haalbaar geacht; Maatschappelijk en betaalbaar leegstandsbeheer (motie 125): “Leegstandsbeheer goed borgen” hieraan wordt uitvoering gegeven met uitzondering van het waar mogelijk bruikleen te gebruiken gedurende 6 tot 24 maanden; 24
•
•
•
Wijkgerichte invoering verhuurvergunning (motie 48): “Een verhuurverordening met invoering van de verhuurvergunning te onderbouwen”, deze niet gelijk stadsbreed in te voeren en bij de invoering kostendekkende leges te hanteren. Hieraan wordt uitvoering gegeven, maar het is niet mogelijk een actieve handhavingsstrategie toe te passen; Beleidsnota Stadswater (vastgesteld 14 november 2024): wij zien voor de nog ongedekte kosten van uitvoering, toezicht en handhaving geen dekkingsmogelijkheden in de Voorjaarsnota 2025; Beleidsnota Utrecht circulair 2030 (vastgesteld 12 december 2024): voor de ongedekte kosten van activiteiten (structureel 1,4 miljoen euro vanaf 2025) zal de komende jaren nog dekking gevonden moeten worden. Pas wanneer dekking is gevonden, kunnen we de activiteiten ervoor starten of opschalen. Op dit moment zien we hiervoor geen mogelijkheden.
25
3. Inhoudelijke ontwikkelingen die aandacht en bijsturing vragen We hebben de afgelopen jaren met name ingezet op de uitvoering van de belangrijkste ambities uit het coalitieakkoord: kansengelijkheid, oplossingen voor de woningnood en het tegengaan van de klimaatcrisis. Deze opgaven zijn onverminderd van belang en blijven leidraad voor onze voorstellen in ons laatste jaar voor de gemeenteraadsverkiezingen 2026. Tegelijkertijd zorgen politieke keuzes door het Rijk, maatschappelijke ontwikkelingen én de verslechtering van de financiële uitgangspositie voor een aantal urgente vraagstukken in het sociaal domein en de ruimtelijke investeringen. Daarom leggen wij onderstaande bijsturingen voor.
3.1 Hervormingen sociaal domein In de Voorjaarsnota 2023 beschreven we de toenemende druk op het sociaal domein als gevolg van afnemende financiële middelen, arbeidsmarktkrapte in de zorg en gebrek aan zowel ruimte voor passende voorzieningen als woningen voor aandachtsgroepen. Destijds werd een structureel tekort van 21 miljoen euro vanaf 2026 voorzien, waarvan 16,1 miljoen euro als taakstelling werd gekoppeld aan hervormingen in het sociaal domein. Vorig jaar lichtten we toe dat we op schema zaten om de taakstelling te halen, met een onzekerheid op het gebied van jeugdzorg. In december 2024 hebben we u een nadere stand van zaken gestuurd. In de brief die parallel aan deze voorjaarsnota aan uw raad wordt verzonden, schetsen we de actuele stand van zaken en gaan we uitgebreid in op de hervormingen sociaal domein. Hieronder worden de belangrijkste financiële ontwikkelingen uitgelicht. Zorg en ondersteuning volwassenen We verwachten de bezuinigingstaakstelling voor het zorg- en ondersteuningsaanbod voor volwassenen te halen. Dat doen we door voort te bouwen op voortzetting van de maatregelen die zijn ingezet in 2024, het uitrollen en opschalen van de hervormingen die zijn uitgewerkt en verdere versterking van het opdrachtgeverschap.
Een belangrijke stap is de inkoop aanvullende zorg Wmo, waarmee we per 2027 de Wmo-begeleiding eenvoudig en wijkgericht gaan organiseren, met één aanbieder. Omdat de afschaffing van het abonnementstarief Wmo is vertraagd, kent het Rijk in 2025 incidentele compensatie toe aan gemeenten. In onze verwachtingen zit nog wel een aantal onzekerheden. Zo is onzeker hoe de bekostiging vanuit het Rijk zich ontwikkelt, hoe de autonome groei eruitziet, hoeveel besparing we kunnen realiseren met de inkoop aanvullende zorg Wmo en wat de effecten van de hervormingen precies zullen zijn. In de begroting is een inschatting gemaakt van de compensatiemiddelen Wmo vergrijzing voor de komende jaren. Aangezien het prognoses zijn, kunnen de daadwerkelijke middelen daarvan afwijken. Daarom blijft het van belang daarop alert te zijn en waar nodig bij te sturen. Zorg en ondersteuning jeugdigen Bij de zorg en ondersteuning voor jeugdigen voorzien we een structureel tekort (zie paragraaf 2.3, Knelpunten) dat optreedt ondanks onze hervormingen en de verwachtingen dat het Rijk de financiële en inhoudelijke adviezen van de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd opvolgt. De vraag naar jeugdhulp blijft groeien, met name in intensiteit en duur, met oplopende wachttijden en wachtlijsten tot gevolg. We zien dat de financiële kaders structureel te krap zijn, wat wordt bevestigd door de Deskundigencommissie.
Hoewel de voorjaarsnota van het Rijk voor 2026 en 2027 de grootste financiële druk voor gemeenten de eerstkomende jaren wegneemt, zijn zeker niet alle problemen opgelost en resteert er een gat in de 26
duurzame bekostiging van de jeugdzorg. We gaan ervan uit dat het Rijk zijn financiële en inhoudelijke verplichtingen ook langjarig nakomt, zodat de druk van het tekort op jeugd op onze middelen vermindert. In het hoofdstuk Financiële strategie (paragraaf 4.3) gaan we hier nader op in. Transitiereserve In de Programmabegroting 2025 heeft u besloten om een transitiereserve voor de hervormingen in te stellen, met een maximum van 4 miljoen euro. Bij het instellen van de reserve is deze met 2 miljoen euro gevoed. Momenteel worden de voorstellen voor voeding en inzet van de transitiereserve uitgewerkt. Zie voor nadere toelichting de brief over de hervormingen in het sociaal domein, die u parallel aan de voorjaarsnota wordt gestuurd. Bij de tweede bestuursrapportage zullen we de voorstellen aan uw raad voorleggen.
3.2 Asiel en integratie Op het gebied van asiel en integratie staat het rijksbeleid op gespannen voet met het Utrechtse beleid, en op onderdelen ook met de uitgangspunten van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het kabinet heeft een ingrijpend asielprogramma, dat stevige gevolgen heeft voor de opgaven op het gebied van opvang van ongedocumenteerde mensen, EU-(arbeids)migranten en asielzoekers en op het gebied van inburgering. Omdat veel voornemens van het kabinet niet zijn omgezet in weten regelgeving is het onzeker wat de precieze gevolgen van het rijksprogramma zijn. Hieronder treft u per deelopgave de actuele ontwikkelingen en indien nodig ons voorstel tot bijsturing. LVV Per 1 januari 2025 heeft het Rijk de financiering van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) stopgezet. We vangen in de LVV 245 ongedocumenteerde mensen op en leiden hen naar perspectief. Met het stopzetten van deze voorziening verwachten we dat deze mensen op straat belanden. Dat is voor ons geen optie omdat dit grote gevolgen heeft voor zowel deze mensen als voor de veiligheid in de stad. Ook schatten we in dat de kosten van een toename van de onveiligheid en te laat behandelen van zieke mensen hoger zijn dan de kosten van de opvang.
In afwachting van de huidige juridische procedures, stellen we nu voor om naast de absolute ondergrens (knelpunt 17) ook een bedrag van 0,2 miljoen euro in 2026 en 1,5 miljoen euro structureel vanaf 2027 beschikbaar te stellen. Met deze middelen kunnen we de huidige voorziening in afgeslankte vorm voortzetten. Opvang asielzoekers De budgetten van het Rijk voor asiel en migratie worden vanaf 2027 sterk versoberd, met grote gevolgen voor het COA. Het is een risico dat het COA nieuwe of tijdelijke voorzieningen in Utrecht - op dit moment zes, waarvan twee specifiek voor alleenstaande minderjarigen - niet meer kan bekostigen. Daarnaast komen onze lokale beleidsuitgangspunten voor een kwalitatieve, duurzame en kleinschalige opvang, mede op basis van het Plan Einstein concept, onderdruk. We blijven inzetten op een opvang inclusief Plan Einstein. Dit is conform kaders van de raad en past bij Utrecht mensenrechtenstad. De taakstelling voor huisvesting van statushouders is onverminderd hoog, maar de uitvoering ervan wordt bemoeilijkt door het landelijke verbod op urgentie voor deze doelgroep bij woningtoewijzing. Vanuit de Voorjaarsnota 2023 en het Rijk (via het Faciliteitenbesluit) zijn er middelen beschikbaar voor de extra inzet die dit vraagt.
27
Afschaffen van de Spreidingswet betekent dat de wettelijke taken van gemeenten om asiellocaties te vinden en beschikbaar te stellen vervallen. Dat geldt ook voor de bijbehorende budgetten. Dat heeft tot gevolg dat we de ambtelijke inzet voor de zoektocht naar nieuwe locaties niet meer kunnen dekken. Inburgering Het Rijk komt bestuurlijke afspraken over passende financiering van de Wet inburgering 2021 niet na. Hierover hebben wij met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag een brandbrief gestuurd aan de verantwoordelijke bewindspersonen. Het uitvoeringsbudget voor 2025 en 2026 is gebaseerd op de verwachte instroom in 2022. In werkelijkheid is de instroom voor zowel statushouders als gezinsmigranten op dit moment twee keer zo groot. Hier komt bij dat de middelen voor begeleiding naar werk of participatie voor statushouders via de Participatiewet ook ontoereikend zijn. Voor 2025 en 2026 is er hiermee sprake van een knelpunt (16). Vanwege de grote risico's door onzekerheid vanuit het Rijk trekken we dit uitvoeringsbudget door naar 2027. Het Rijk voert dit jaar een bekostigingsonderzoek uit naar de kosten voor de uitvoering van de Wet Inburgering 2021. We verwachten dat het Rijk op basis daarvan in 2026 een besluit neemt over structurele bekostiging: ofwel door aanpassing van de middelen of door het aanpassen van de wettelijke taken.
Tegelijkertijd nemen we maatregelen om de kosten van onze dienstverlening te verminderen met 0,6 miljoen euro. Tijdige en passende ondersteuning blijft hierbij het uitgangspunt. Hierbij kijken we naar de duur en intensiteit van de begeleiding, meer differentiatie in de dienstverlening afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte én naar wat collectief kan. (Dakloze) EU – (arbeids)migranten Onze inzet is erop gericht een kleine, zeer kwetsbare, groep dakloze EU-arbeidsmigranten op te vangen vanuit het borgen van de humanitaire ondergrens op basis van internationale mensenrechten. Hiervoor zijn pilotmiddelen vanuit het Rijk tot en met eind 2025 beschikbaar en heeft uw raad in de Voorjaarsnota 2024 een aanvullend budget beschikbaar gesteld. Zeer recent hebben we vernomen dat het Rijk de middelen hiervoor voortzet, maar onzeker is of we als stad Utrecht extra middelen zullen ontvangen. De invulling door het Rijk wordt later bekend gemaakt. In 2024 heeft het Rijk de checklist gelijke behandeling EU-burgers gepubliceerd. Deze checklist maakt vanuit Europees recht duidelijk, dat een groep EU-arbeidsmigranten onder specifieke voorwaarden recht heeft op de Wmo en daarbinnen een beroep kan doen op de maatschappelijke opvang. Het kabinet ziet dit niet als een taakverzwaring en biedt gemeenten geen compensatie.
Voor ons betekent dit dat er onder meer 40 extra opvangplekken nodig zijn voor deze groep. In 2025 kunnen wij dit opvangen binnen de begroting. Doordat wij de checklist nader uitwerken dit jaar hebben we in de Voorjaarsnotabrief 2026 een beter zicht op eventuele knelpunten. In de tussentijd zetten wij onze lobby richting het Rijk voort. Als uitwerking van het coalitieakkoord werken we aan de uitwerking van een gecoördineerde (preventieve) aanpak voor EU-(arbeids)migranten. Dit is in lijn met motie 416. We stellen voor een coördinator aan te stellen die verantwoordelijk is voor de afstemming tussen de organisatieonderdelen, voor extra inzet (onderzoek, beleidsontwikkeling, opzetten van aanvullende uitvoering / regelingen) en de integrale communicatie naar Raad en College. Bij aanvullende regelingen kan gedacht worden aan vergunningen, handhaving voor woonoplossingen, specifieke mentale hulpverlening en vroegsignalering. We stellen voor hiervoor 150.000 euro beschikbaar te stellen voor 2025 en 400.000 euro voor 2026-2028.
28
3.3 Investeringen in de groei van de stad Utrecht is een snelgroeiende stad. Aan het begin van deze eeuw had Utrecht 250.000 inwoners. Inmiddels zijn dat er 375.000. We verwachten dat Utrecht in 2029 het aantal van 400.000 passeert. En ook in het volgende decennium voorzien we verdere groei. De afgelopen jaren stonden in het teken van groei in balans zodat de voorzieningen en dienstverlening meegroeien met het aantal inwoners. Die ambitie staat inmiddels onder druk vanwege een beperkte haalbaarheid van de uitvoering (door gebrek aan mensen en materialen, netcongestie, complexiteit en stapeling van ambities) en vanwege het feit dat we over minder geld beschikken dan eerder voorzien, met name vanwege bezuinigingen en aanpassing van de gemeentefondssystematiek door het Rijk. Hierdoor is de bekostiging vanuit het groeikader niet meer houdbaar. Ook de begrote parkeerinkomsten staan onder druk. Voor nu doen we er alles aan om ervoor te zorgen dat de geplande gebiedsontwikkelingen door blijven gaan, zoals met de Utrechtse Aanpak, oplossingen voor netcongestie en een lobby op de cofinanciering van grote (gebieds)ontwikkelingen. In deze voorjaarsnota stellen we een aantal bijsturingen voor.
Die hebben betrekking op achtereenvolgens het groeikader en de parkeerinkomsten, het Meerjarenprogramma Ruimte inclusief de bekostiging van de Merwedelijn en onze aanpak om meer grip te krijgen op de investeringen, in lijn met de motie grip op investeringen. Deze onderwerpen worden hieronder nader toegelicht. 3.3.1 Groeikader en parkeerinkomsten De ambitie om Utrecht in balans te laten groeien werd de afgelopen jaren voor een belangrijk deel bekostigd uit ons groeikader. Uitgangspunt bij dat groeikader was dat we inkomsten door toename van het aantal inwoners en woningen bestemden voor het opvangen van de gevolgen van de groei van de stad. De verwachte baten door toename van de algemene uitkering en OZB-inkomsten als gevolg van de verwachte groei op basis van de Utrechtse bevolkingsprognose werden jaarlijks bij de voorjaarsnota beschikbaar gesteld voor lasten die samenhangen met deze groei van de stad. Bij de Voorjaarsnota 2024 constateerden we al dat de manier van ramen geleidelijk steeds meer beslag is gaan leggen op de begrotingsruimte die de gemeente uit het gemeentefonds ontvangt. Daarom is voor de Programmabegroting 2025 een behoedzamere raming gehanteerd. Nu blijkt dat de huidige systematiek van het groeikader inderdaad niet langer houdbaar is. Het groeikader heeft ons in de afgelopen jaren van snelle groei geholpen om de basiskwaliteit van de stad in stand te houden.
Zo groeiden de uitgaven voor bijvoorbeeld beheer en onderhoud van de openbare ruimte en voor de bijzondere bijstand mee met het aantal inwoners. Het investeringspakket groeien in balans met onder andere extra groen en sportvoorzieningen, was mede mogelijk dankzij het investeringsdeel van het groeikader. We zetten daarom het groeikader in aangepaste vorm door. In deze paragraaf leggen we uit waarom het oude groeikader niet langer houdbaar is, welke aanpassingen noodzakelijk zijn en welke effecten dat heeft. Parkeren op orde Een andere belangrijke dekkingsbron voor de investeringen ten behoeve van groei in balans zijn de inkomsten uit de parkeerexploitatie. De Jaarstukken 2024 laten een hogere opbrengst van de parkeerexploitatie zien dan begroot, bestaande uit een tegenvaller bij het straatparkeren en een veel hogere meevaller op het parkeren in gemeentelijke garages. Dit voordeel is zoals gebruikelijk toegevoegd aan de reserve parkeren. In 2025 lijken de tegenvallende opbrengsten van het straatparkeren zich voort te zetten. Het beeld is zowel aan de uitgaven- als aan de inkomstenkant nog niet stabiel, mede doordat het parkeersysteem nog niet optimaal werkt. Wij werken aan verbetering van de ramingsfunctie en nemen de bredere parkeeropgave verder onder de loep, zoals toegelicht in 29
de Raadsbrief Stand van zaken uitvoering Parkeren. In samenhang daarmee zetten wij erop in het verdienpotentieel van de gemeentelijke parkeergarages te verbeteren. Mogelijkheden daartoe zijn onder andere het verbeteren van de bezettingsgraad, uitbreiding van het aantal parkeerproducten, meervoudig gebruik en aanpassing van de tarieven in relatie tot de straattarieven. Vanwege het belang om in het parkeerdossier de basis op orde te brengen, zetten wij op korte termijn de benodigde acties en maatregelen in gang. Wij stellen voor hiervoor incidenteel 1,5 miljoen euro vrij te maken en toe te voegen aan de reserve parkeerexploitatie. Hiermee willen wij op korte termijn de basisfunctionaliteiten en ‘bezoeker betaalt’ in het parkeermanagementsysteem functioneel maken en intensief werken aan parkeerbeleid dat duurzaam en uitvoerbaar is. Voor de langere termijn blijft de parkeerexploitatie risicovol en daarom stellen we voor de reserve parkeerexploitatie aan te vullen met 3,5 miljoen euro. Techniek van het groeikadermechanisme De groei van de stad brengt met zich mee dat de gemeente voor steeds meer Utrechters diensten verleent en voorzieningen aanbiedt. Om dienstverlening op peil te houden is het nodig dat exploitatiebudgetten meebewegen met het aantal inwoners. Voor de ontwikkeling van nieuwe woningen, buurten en voorzieningen is investeringsbudget nodig.
Tegelijkertijd levert de groei van de stad extra inkomsten op, uit het gemeentefonds en uit de OZB. Verwerking van de kosten van de groei naar de begroting gebeurt volgens het uitgangspunt “groei voor groei”. Inkomsten als gevolg van de groei van de stad worden bestemd voor uitgaven vanwege de groei van de stad. Dit uitgangspunt passen we niet alleen toe bij inkomsten uit woningbouw en gebiedsontwikkeling (denk aan grondexploitaties, kostenverhaal en erfpacht), maar ook in het groeikader. Het groeikader is het financiële mechanisme voor raming van inkomsten uit OZB die voortkomen uit groei van de stad, en van extra inkomsten uit de algemene uitkering uit het gemeentefonds, voor zover deze voortkomen uit groei. Ook biedt dit mechanisme een raamwerk voor verdeling van budget over groei-gerelateerde uitgaven (hogere dienstverleningskosten en investeringsuitgaven vanwege het groeiende aantal inwoners) en overige gemeentelijke activiteiten. Op deze manier hebben we de groei financieel ingekaderd om te investeren in groei in balans en om het kwaliteitsniveau van de gemeentelijke dienstverlening op niveau te houden. De laatste jaren zien we dat de uitkering uit het gemeentefonds fors achterblijft bij de groei van de stad. Dit heeft verscheidene redenen.
Naast de algemene afname van het gemeentefonds is een van die redenen dat het gemeentefonds sinds 2024 is gekoppeld aan de Bbp-ontwikkeling. Die wijkt af van de landelijke inwonersontwikkeling. Wanneer het gemeentefonds in omvang toeneemt door de koppeling aan het Bbp, wordt deze toename verdeeld over alle gemeenten in Nederland, niet alleen over gemeenten met een groeiende bevolking. Voor Utrecht is dat relatief ongunstig. “Bevolkingsgroei”, waarop Utrecht goed scoort, is slechts een van de 49 maatstaven in de verdeling van het gemeentefonds. Andere verdeelmaatstaven werken voor Utrecht minder goed uit. Per saldo betekent dit dat de algemene uitkering achterblijft bij de groei van de stad, en dat herijking nodig is van het groeikader-mechanisme. Voortzetting van de huidige systematiek in de gewijzigde omstandigheden rondom het gemeentefonds zou ertoe leiden dat we in 2040 ongeveer een kwart van onze inkomsten inzetten voor het groeikader. Dit brengt de ontwikkeling van de gemeentelijke begroting uit balans.
30
Wijzigingen in groeikadersystematiek Voor een mechanisme dat ook financieel toekomstbestendig is, stellen we de volgende aanpassingen voor: A. Begrenzing van het referentiekader groei • Taken die autonoom met de ontwikkelingen van de stad groeien, laten we nog steeds budgettair mee-ademen met de groei van stad. Zo voorkomen we uitholling van het kwaliteitsniveau van de dienstverlening. • Nieuw is dat we de dekking voor het referentiekader we vanaf 2027 koppelen aan een deel (50%) van het accres voor reële groei in het gemeentefonds. Dit betekent dat we de middelen die beschikbaar worden gesteld voor het referentiekader jaarlijks maximeren. Hiermee sluiten we aan bij de nieuwe berekeningssystematiek van het Rijk met betrekking tot het gemeentefonds. De autonome groei van de OZB blijft beschikbaar voor het groeikader. • We herijken de budgetaanpassing via het referentiekader, zodat het beroep op deze autonome ontwikkelingen in lijn is met de dekking die hiervoor gemiddeld over de jaren verwacht wordt (uiterlijk Voorjaarsnota 2026). B. Bekostiging van groei-investeringen • De omvang van het budget voor investeringen die verband houden met de groei van de stad, koppelen we los van het groeikader. Dat betekent dat de groei-investeringen een zelfstandig onderdeel worden van de integrale afweging bij de voorjaarsnota.
• In aanloop naar de volgende raadsperiode werken we een bestendige bekostigingssystematiek uit voor investeringen in nieuwe woningen, buurten en voorzieningen. Deze kan vanaf 2027 en daarna worden toegepast bij de integrale afweging. • De tot en met 2028 geprogrammeerde groei-investeringen blijven in stand. • De bijdragen die de gemeente ontvangt uit de door de rijksoverheid aangekondigde ‘Realisatiestimulans woningbouw’ reserveren we binnen de reserve Grondexploitaties tot de raad over de bestendige bekostigingssystematiek heeft besloten. • Ook voegen we een bedrag van 5,483 miljoen euro toe aan de reserve Grondexploitaties ten behoeve van de transitie naar de nieuwe bestendige bekostigingssystematiek en de urgente opgaven verbonden aan gebiedsontwikkeling. Impact wijzigingen systematiek groeikader op Voorjaarsnota 2025 Tabel 6: Referentiekader groei Tabel: Referentiekader groei
Bedragen x € 1.000
2025
2026
2027
2028
Volumeaccres Gemeentefonds
0
0
0
0
0
0
Groeikader OZB
0
765
765
765
765
765
Subtotaal baten groei
0
765
765
765
765
765
Bedragen x € 1.000
2025
2026
2027
2028
2029
Structureel
Referentiekader Voorjaarsnota 2025
1.251
-723
-723
-723
-723
-723
Subtotaal lasten groei
1.251
-723
-723
-723
-723
-723
Totaal referentiekader groei
1.251
42
42
42
42
42
31
2029 Structureel
Toelichting tabel: − Volumeaccres Gemeentefonds: De geprognotiseerde volumegroei van het gemeentefonds (op Bbp gebaseerd volumeaccres) is tot en met 2028 reeds verwerkt in het meerjarenbeeld bij de Voorjaarsnota 2023 en 2024. Vanaf 2029 wordt het volumeaccres gemeentefonds gereserveerd als inkomsten voor het groeikader nieuwe stijl. − De berekende autonome groei OZB wordt in 2026 ingezet als dekking van het referentiekader. − Het referentiekader omvat de kosten voor uitvoering van taken die meebewegen met groei (en krimp) van de stad. Voor de begrotingsprogramma’s waarvan de omvang meebeweegt met het aantal inwoners betekent dit een aanpassing van de budgetten. − In de berekening van het groeikader gemeentefonds bij de Voorjaarsnota 2024 is uitgegaan van een groei van het aantal inwoners van 7.325 voor 2025. Hierbij werd rekening gehouden met een geprognotiseerd aantal inwoners per 1-1-2025 van 377.938. De werkelijke stand per 1-1-2025, is met 376.735 inwoners 1.203 lager dan geprognotiseerd. Door deze bijstelling van de aantallen is het noodzakelijk het referentiekader groei 2025 aan te passen. Immers de verwachting is dat we de bij de Voorjaarsnota 2024 geprognotiseerde baten uit het gemeentefonds niet realiseren. Het budget voor het referentiekader wordt daarom voor 2025 eveneens neerwaarts bijgesteld met 1,251 miljoen euro.
Tabel 7: Verdeling referentiekader groei Bedragen x € 1.000
2025
2026
2027
2028
2029
Structureel
Aantrekkelijke groene leefomgeving en erfgoed
-488
516
516
516
516
516
Betrouwbare overheid
-52
52
52
52
52
52
Duurzame bereikbaarheid
-2
2
2
2
2
2
Kansrijk opgroeien
-234
-205
-205
-205
-205
-205
Levendige en gezonde stad
-49
-178
-178
-178
-178
-178
Ontwikkelen en wonen voor iedereen
-33
33
33
33
33
33
Passende ondersteuning en opvang
-281
405
405
405
405
405
Veilige stad
-10
-3
-3
-3
-3
-3
Werk, toekomstbestendige economie en bestaanszekerheid
-101
101
101
101
101
101
-1.251
723
723
723
723
723
Totaal
A. Investeringsagenda De inzet van de middelen voor de investeringsagenda Groei worden toegelicht in het Meerjarenprogramma Ruimte (MPR). Bij het raadsbesluit over de RSU 2040 is bepaald dat het meerjarenbeeld van het investeringsdeel van het groeikader wordt betrokken bij afwegingen over de jaarlijkse investeringsopgave. Zoals hiervoor toegelicht stellen wij voor om het volume van het investeringskader los te koppelen van de ontwikkeling van het gemeentefonds. Daarmee ontstaat in principe vanaf 2025 een dekkingstekort in de geprogrammeerde groei-investeringen tot en met 2028. Het is niet mogelijk de programmering op korte termijn aan te passen. Niet alleen omdat dit ten koste zou gaan van groei in balans, maar ook omdat de programmering deel uitmaakt van lopende gebiedsontwikkelingen, zoals in de Merwedekanaalzone. Daarom blijft de dekking van deze investeringen in stand en wordt het financiële nadeel daarvan verwerkt in het financiële beeld, deels gedekt vanuit de verwachte toename van het gemeentefonds vanaf 2026. Voor de begrotingsjaren
32
vanaf 2027 zal een nieuwe bestendige bekostigingssystematiek uitgewerkt worden voor investeringen in nieuwe woningen, buurten en voorzieningen. Tabel 8: Investeringen Bedragen x € 1.000
2025
Investeringsagenda 2025*
-704
Investeringsagenda 2026 -2028 Actualisatie Gemeentefonds 2026 Totaal investeringen t.l.v. financieel beeld
2026
2027
-4.228
2028
2029** Structureel
-
-
-
-7.653
-7.653
-7.653
-
-1.938
-
1.749
1.966
1.514
1.419
1.419
-704
-189
-2.262
-6.139
-6.234
-6.234
*Neerwaartse bijstelling i.v.m. aanpassing in groei bevolkingsaantallen Utrecht voor 2025. ** Geen verhoging i.v.m. nieuwe jaarschijf 2029.
3.3.2 Meerjarenprogramma Ruimte (MPR) In het MPR komen de verschillende ruimtelijke opgaven samen. Per opgave geven we in het MPR aan wat onze ambities en doelstellingen zijn, hoe ver we daarmee zijn en wat onze concrete plannen zijn voor de komende jaren. Zo worden in de opgaven duurzame mobiliteit en groen een aantal knelpunten in de uitvoering van projecten opgelost en nieuwe projecten ingepast. Naast de in de vorige paragraaf beschreven ontwikkelingen van het investeringsdeel van het groeikader en de parkeerinkomsten zijn relevant: − −
Inkomsten uit woningbouw en gebiedsontwikkeling Verlaging structurele middelen voor investeringsprojecten Duurzame mobiliteit
Het investeringsdeel van het groeikader is nu met name de dekkingsbron voor nieuwe investeringen in maatschappelijke voorzieningen. De laatste jaren zijn er geen nieuwe financiële middelen beschikbaar gesteld voor het investeringsdeel, terwijl de kosten van het bestaande programma voor maatschappelijke voorzieningen toenamen. Dit betekent dat we om de geprogrammeerde maatschappelijke voorzieningen in stand te houden, voorstellen het budget “investeringen randvoorwaardelijk voor woningbouw op de korte termijn” in te zetten. Zoals eerder beschreven, wordt gewerkt aan een nieuwe robuuste systematiek om de uitgaven verbonden aan de groei van de stad (inclusief bijbehorende noodzakelijke investeringen zoals die in de OV-schaalsprong en maatschappelijke voorzieningen) te kunnen betalen. Wij houden nog geen rekening met extra inkomsten uit woningbouw en gebiedsontwikkeling die nu ingezet kunnen worden voor ruimtelijke investeringen. Wel wordt door de rijksoverheid gewerkt aan de zogeheten realisatiestimulans woningbouw: met de realisatiestimulans ontvangen gemeenten straks een vast bedrag per betaalbare woning op het moment dat de woningen gerealiseerd zijn. De bijdragen die de gemeente hieruit ontvangt, reserveren we binnen de reserve Grondexploitaties tot de raad over de bestendige bekostigingssystematiek heeft besloten.
Vanuit het traject van de hervormingsbezuinigingen is bezuinigd op de investeringsmiddelen voor Duurzame mobiliteit. In dit MPR 2025 bedraagt de structurele bezuiniging jaarlijks 1,76 miljoen euro. Merwedelijn Groot-Merwede en Rijnenburg vormen samen de grootste woningbouwlocatie van Nederland met 75.000 nieuwe woningen. De aanleg van de Merwedelijn is nodig om deze woningbouw te kunnen realiseren. Bij het BO-MIRT in het najaar 2025 worden naar verwachting afspraken gemaakt over een voorkeurs-alternatief voor de Merwedelijn t/m Nieuwegein (onderdeel MIRT-verkenning ov en wonen). Daarvoor is méér budget nodig dan de 1,2 miljard euro die tot nu toe is toegezegd door de rijksoverheid, provincie en gemeenten. Daarvoor doen we een beroep op het Rijk, maar gaan we ook 33
zelf op zoek naar een verhoging van de gemeentelijke cofinanciering voor de Merwedelijn met 100 miljoen euro (raadsbrief van 12 november 2024), bovenop de eerder toegezegde 200 miljoen euro. Voor onze bijdrage aan de Merwedelijn kunnen we 10 miljoen euro per jaar beschikbaar stellen binnen het Meerjarenprogramma Bereikbaarheid (onderdeel van het MPR). Daarmee kunnen we de eerder toegezegde 200 miljoen euro bekostigen plus een gedeelte van de verhoging met 100 miljoen euro. Welk gedeelte van de 100 miljoen euro hiermee kan worden gedekt, kan nog niet worden bepaald. Dat is afhankelijk van externe factoren (zoals renteontwikkeling) en van afspraken over aanleg, toekomstig eigendom en financieringsconstructies, die nog moeten worden uitgewerkt. Per saldo is er nog geen volledig zekere dekking in beeld voor deze extra 100 miljoen euro. We nemen dit mee bij de uitwerking van een bestendige bekostigingssystematiek voor de groei van de stad. 3.3.3 Grip op investeringen Utrecht is een gemeente met een grote investeringsambitie. We investeren veel in voorzieningen voor een groeiend aantal inwoners (denk aan onderwijshuisvesting, sport, cultuur, mobiliteitsinfrastructuur en groen). We doen in toenemende mate vervangingsinvesteringen, met name in de naoorlogse uitbreidingswijken. En we staan voor nieuwe investeringsopgaven, zoals klimaatadaptatie, energietransitie en de ov-schaalsprong.
De gemeentelijke investeringsprogrammering is opgesteld met een scherp oog voor betaalbaarheid en dekking, onder andere uit de parkeerexploitatie (zie ook paragraaf 3.3.1). We nemen alleen investeringen op in onze meerjaren-investeringsprogramma’s als daarvoor voldoende budget beschikbaar is in de meerjarenbegroting, zoals voor rente en afschrijving van de investeringen. Daarmee komen we uit op een investeringsuitgavenraming van gemiddeld 380 miljoen euro per jaar in de periode 2025-2027 en daarna circa 200 miljoen euro per jaar. In de periode 2025-2029 heeft de actuele totale investeringsprogrammering een omvang van circa 1,6 miljard euro. Deze bedragen zijn niet gecorrigeerd voor beperkingen in uitvoerbaarheid. De omvang van het investeringspakket is zo groot dat dit merkbare gevolgen heeft voor financiële kengetallen van de gemeente. Voor een goede raming van financiële kengetallen is een inschatting nodig van de daadwerkelijke investeringsuitgaven in de komende jaren. Dit vergt een inschatting van de uitvoerbaarheid van investeringen. In de ervaringscijfers zien we dat de gerealiseerde investeringsuitgaven van jaar op jaar gestaag toenemen. In de periode 2017-2024 nam het volume jaarlijks met gemiddeld 18 miljoen euro toe. We gaan ervan uit dat we deze lijn kunnen voorzetten. Deze stijging gebruiken we als uitgangspunt voor de berekening van financiële kengetallen.
In vergelijking met de investeringsuitgavenraming voor 2025-2027 komt dit overeen met een realisatiepercentage van 65%. Dit komt overeen met het realisatiepercentage over 2024. In onderstaande grafiek is de realisatie tot en met 2024 weergegeven en vanaf 2025 de ongecorrigeerde actuele totale investeringsvolumes voor de komende jaren en de gecorrigeerde investeringsvolumes die in lijn zijn met de realistische verwachtingen.
34
Bij grote investeringsportefeuilles is een lagere gemiddelde realisatie dan 100% een bekend fenomeen. Dat geldt ook voor Utrecht. Een realisatiepercentage lager dan 100% wil zeggen dat de gemiddelde doorlooptijd van investeringen langer is dan in de programmering is opgenomen. Aan die langere doorlooptijden liggen veel verschillende redenen ten grondslag. Ze kunnen bijvoorbeeld ontstaan door externe factoren (capaciteitstekorten in de bouwsector), juridische procedures, scopewijzigingen en beperkt beschikbare capaciteit in de eigen organisatie. Verder kan ook netcongestie leiden tot langere doorlooptijd. Van tevoren is niet goed in te schatten bij welke investeringsprojecten de langere doorlooptijden precies gaan optreden en in hoeverre dat veroorzaakt zal zijn door externe of interne factoren. De correctie voor langere doorlooptijden (passend bij een verwacht realisatiepercentage lager dan 100%) is niet direct reden om minder projecten te programmeren. De programmering van investeringsprojecten baseren we op inhoudelijke doelstellingen zoals vastgelegd in visiedocumenten en beleidsnota’s en op de beschikbaarheid van budget in de betreffende begrotingsprogramma’s. Pas gedurende het begrotingsjaar blijkt bij welke projecten vertraging optreedt.
Met de realistische verwachtingen voor daadwerkelijke investeringsuitgaven beweegt de solvabiliteitsratio de komende jaren richting de signaalwaarde van 20% (zie onderstaande tabel). De netto schuldquote ligt weliswaar nog niet in de buurt van de grenswaarde voor de meest risicovolle categorie (meer dan 130%), maar de schuldquote neemt in de komende jaren wel fors toe. Daarmee kan financierbaarheid van de investeringsopgave in de volgende raadsperiode een knellende factor gaan worden. Tabel 9: Prognose solvabiliteitsratio en netto schuldenquote 2025
2026
2027
2028
2029
Solvabiliteit
23,5%
21,5%
21,4%
20,5%
19,8%
Netto schuldquote
79,2%
92,1%
94,5%
104,3%
106,3%
Toepassing van realistische uitgangspunten voor ontwikkeling van investeringsuitgaven heeft ook gevolgen voor lasten in de programmabegroting. In sommige gevallen leidt vertraging van investeringsprojecten tot een besparing van de kapitaallasten. Vertraging kan ook leiden tot hogere kosten voor beheer en onderhoud of tot andere bijkomende kosten, zoals kosten voor het gebruik van noodlokalen bij vertraging van de bouw van een extra school. Bij de Voorjaarsnota 2024 is al een verlaging van de kapitaallasten ingeboekt in het kader van reëel ramen. Besparingen op kapitaallasten door grip op investeringen en in samenhang daarmee vermindering van planningsoptimisme zijn in deze voorjaarsnota meegenomen in de hervormingsbezuinigingen, oplopend naar 4,1 miljoen euro structureel (zie bijlage 2 - Hervormingen en bezuinigingen: per maatregel toegelicht; Thema 2: Scherper prioriteren in beleid en werk; 11. Algemene middelen en overhead). Met bovenstaande inschattingen zetten we een stap in de richting van een hard investeringsplafond, om college en raad in staat te stellen om ook in de volgende raadsperiode scherp te sturen op duurzaam gezonde gemeentefinanciën. Implementatie van een hard investeringsplafond betekent dat de gemeentelijke investeringsprogrammering bestuurlijk wordt ingekaderd.
Die kaders worden bepaald op basis van economische criteria als betaalbaarheid, financierbaarheid en uitvoerbaarheid en inhoudelijke criteria (gewenste ontwikkeling van onze stad). Binnen die kaders zal integraal moeten worden afgewogen welke (typen) investeringen de hoogste prioriteit verdienen.
35
3.4 Netcongestie De belasting van het elektriciteitsnet in Utrecht nadert een kritische grens. Er is tekort aan capaciteit voor stroomtransport op piekmomenten. Daardoor is er al een wachtlijst voor stroomaansluitingen voor grootverbruikers en dreigt er een wachtlijst voor kleinverbruikers. Zonder onmiddellijke aanvullende maatregelen komen veel ontwikkelingen tot stilstand. En daarmee de ontwikkeling van woningen en voorzieningen, de vestiging van bedrijven, verduurzaming. Ook neemt het risico op frequente stroomuitval aanzienlijk toe. Dit alles kan grote impact hebben op het woon- en werkklimaat, de werkgelegenheid en de leefbaarheid in Utrecht. Daarnaast heeft de dreigende stilstand grote financiële consequenties voor de gemeente. Om verdere netcongestie en verlies aan inkomsten te voorkomen, ontwikkelingen mogelijk te maken en voorbereidingen te treffen voor geval van stroomuitval stellen we een pakket van maatregelen voor. Die maatregelen kosten geld, maar voorkomen hogere kosten of lagere inkomsten. Vanwege de hoge mate van onzekerheid over de verdere ontwikkeling van netcongestie en het verwachte rijksbeleid om dit landelijke probleem aan te pakken, zetten we in deze voorjaarsnota een eerste stap voor de komende twee jaar, waarbij wel structurele verplichtingen worden aangegaan terwijl de financiële dekking incidenteel van aard is.
Dit betekent dat er een overwogen risico wordt genomen, dat deels verwerkt is in het weerstandsvermogen. Hieronder worden de voorgestelde maatregelen toegelicht. •
•
•
Fysieke maatregelen: maatregelen die nodig zijn om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en de stroomvraag in de piek op te vangen. Bijvoorbeeld oplossingen die nodig zijn voor de nieuwbouw of renovatie van gemeentelijk vastgoed, voor gebiedsontwikkelingen en de inpassing van elektriciteitshuisjes. De kosten ramen we op 3,1 miljoen euro in 2025 en 4,1 miljoen euro in 2026, Doorbraakteam: noodzakelijke onorthodoxe veranderingen mogelijk maken, het organiseren van doorbraakdossiers en escaleren als noodzakelijke maatregelen stagneren. De kosten, vooral onderzoek en personeel, ramen we op 1,5 miljoen euro in 2025 en 1,8 miljoen euro in 2026. Voorbereiding op stroomuitval: voorbereiding van de gemeentelijke crisisorganisatie op frequente, langdurige en grootschalige uitval van stroom die kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting. De kosten hiervoor ramen we op 1 miljoen euro in 2025 en 0,8 miljoen euro in 2026.
Een deel van deze kosten wordt gedekt door het inzetten van middelen die in de vorige voorjaarsnota beschikbaar zijn gesteld. Daarnaast is er binnen het programma Klimaatvriendelijke stad incidenteel 1 miljoen euro vrijgemaakt. Ook hevelen we middelen over vanuit het project Overvecht Noord Aardgasvrij. Door een andere aanpak van dit project, wordt het projectbudget van 8,5 miljoen euro voorlopig niet ingezet, waarvan 3,7 miljoen euro aan middelen van de gemeente zelf. Aanvullend maken we voor 2025 en 2026 incidenteel dekking vrij voor respectievelijk 2 en 1,8 miljoen euro. Vanaf 2026 nemen we een risico op, uitgaande van compensatie van de fysieke maatregelen door projectontwikkelaars of Rijk en compensatie van de personele kosten van het doorbraakteam door het Rijk. Onderdeel van dit risico zijn de verplichtingen die we na besluitvorming aangaan voor de fysieke maatregelen voor het gemeentelijke vastgoed. Deze leiden tot structurele (kapitaal) lasten, die na 2026 verder toenemen tot een bedrag van circa 1,6 miljoen euro in 2028. Onderstaande twee tabellen zetten respectievelijk de kosten van de voorgestelde maatregelen en voorgestelde dekking op een rij.
36
Tabel 10 kosten van de voorgestelde maatregelen Bedragen x € 1.000
2025
2026
Fysieke maatregelen
3.100
4.100
Doorbraakteam
1.500
1.800
Voorbereiding op stroomuitval
1.000
800
Totaal kosten
5.600
6.700
2025
2026
-750
-750
Kosten van de maatregelen
Tabel 11 voorgestelde dekking Bedragen x € 1.000 Dekking Middelen uit Voorjaarsnota 2024 Budget programma Klimaatvriendelijke stad / Energie
-1.000
Vrijval warmtenet Overvecht Noord
-1.850
-1.850
Totaal dekking
-3.600
-2.600
0
-2.300
2.000
1.800
Risico nemen op compensatie door Rijk en of projectontwikkelaars Resterende tekort (bijsturing)
37
4. Financiële strategie Het financiële vertrekpunt van de voorjaarsnota vraagt om keuzes om het structureel tekort op te lossen. De financiële strategie die we hebben uitgewerkt om weer tot een sluitend financieel beeld te komen, bestaat uit onderstaande onderdelen: 1. 2. 3. 4.
Financieel-technisch beleid Hervormingen en bezuinigingen Inschattingen inkomsten Rijk Kasschuif
Tabel 12: Financiële strategie Bedragen x € 1.000
2025
2026
2027
2028
2029
Structureel
Startsaldo Voorjaarsnota 2025
-19.314
-38.682
-36.997
-35.431
-29.806
-27.942
1. Financieel-technisch beleid
5.836
0
0
0
0
0
858
3.168
6.629
8.822
9.062
8.820
3. Inschattingen inkomsten Rijk
25.094
31.501
30.952
19.186
19.122
19.122
4. Kasschuif
-12.474
4.013
-584
7.423
1.622
0
Financiële strategie
19.314
38.682
36.997
35.431
29.806
27.942
0
0
0
0
0
0
2. Hervormingen en bezuinigingen
Eindsaldo Voorjaarsnota 2025
Het verwachte overschot in 2025 wordt niet direct besteed voor wensen van dit college, maar gebruikt om de meerjarenbegroting op orde te brengen voor de volgende raadsperiode. Dit gebeurt door middel van de zogenaamde kasschuif. De kasschuif verrekent overschotten en tekorten in de afzonderlijke jaren en werkt neutraal over de jaren. Daarom lichten wij de kasschuif hieronder niet verder toe.