21 sept 2023 Toelichting Verordening raadgevend referendum DEF (incl. amendementen)
Tekst van het document
Informatieve toelichting bij Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht Algemeen Wettelijk kader Op grond van de bepalingen in de Grondwet en de Gemeentewet hebben gemeenten de mogelijkheid tot het houden van een referendum over een genomen besluit. Gemeenten zijn vrij in hoe ze dit regelen zolang dit niet tegen de wet, zoals de Grondwet en de Gemeentewet ingaat.
Correctief referendum: referendum na een raadsbesluit De termen ‘correctief’ en ‘niet correctief’ geven aan op welk moment in het
besluitvormingsproces het referendum plaatsvindt. Het raadgevend referendum in deze verordening is een referendum dat na besluitvorming in de raad plaatsvindt.
De gemeente Utrecht kiest daarmee voor een correctief referendum. Dat wil zeggen
dat in Utrecht een referendum kan worden gehouden over een genomen raadbesluit.
Geen bindende werking Een referendum is een advies van kiesgerechtigden aan de raad over een genomen besluit. Bindende referenda zijn niet toegestaan. De raad kan zich niet van tevoren binden aan de uitspraak van het referendum.
Bevoegdheid De bevoegdheid van de raad om een referendumverordening vast te stellen, vloeit
voort uit de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet. Deze bepalingen geven de raad een algemene verordenende bevoegdheid.
Samenloop met inspraak Onderwerpen waarover referenda kunnen worden gehouden, zijn vaak reeds via wettelijk bepaalde inspraakmogelijkheden aan de inwoners voorgelegd. Een
referendum kan niet in de plaats treden van voorgeschreven inspraakmogelijkheden. 1
Het wel of niet houden van een referendum heeft geen invloed op de voorgeschreven inspraakprocedures.
Initiatief tot het houden van een raadgevend referendum Kiesgerechtigden kunnen het initiatief nemen tot het indienen van een verzoek tot houden van een raadgevend referendum.
2
ARTIKELSGEWIJZE toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities
Kiesgerechtigde Degenen die kiesgerechtigd zijn voor de gemeenteraadsverkiezing zijn ook
gerechtigd om een inleidend en definitief verzoek in te dienen. Daarnaast mogen
kiesgerechtigden een ondersteuningsverklaring indienen ter ondersteuning van een verzoek. De artikelen B3 tot en met B6 en D1, D6, eerste lid, onderdeel a, D7, D8, D9 aanhef en onderdeel b en D10, Kieswet zijn hierbij van toepassing.
De Kieswet is op meer onderdelen van de verordening van toepassing. Zie daarvoor ook de toelichting bij hoofdstuk 3.
Raadgevend referendum Deze verordening gaat uit van een raadgevend referendum op initiatief van een
kiesgerechtigde over een genomen raadsbesluit. Dit geeft aan dat het moet gaan om besluiten die behoren tot de bevoegdheid van de raad. Een raadgevend referendum kan dus niet worden gehouden over besluiten die behoren tot de bevoegdheid van de burgemeester of van het college van burgemeester en wethouders. Een
raadgevend referendum kan evenmin worden gehouden indien daarmee een eventuele opgelegde geheimhouding wordt geschonden.
Raadsbesluit in de zin van deze verordening: een breed begrip Alleen schriftelijke beslissingen van de raad over een voorstel kunnen onderwerp
van een raadgevend referendum zijn. Dit is expliciet een bredere definitie dan het
besluitbegrip als vastgelegd in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet
van belang is of het besluit is gericht op een (rechts)gevolg. Ook een besluit van de raad over bijvoorbeeld een visiedocument is referendabel. . Moties en verworpen
(niet aangenomen) voorstellen vallen niet onder de definitie. Een motie is een korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken.
Zie ook de toelichting bij artikel 3:3.
3
Voorzitter centraal stembureau De voorzitter van het centraal stembureau is krachtens publiekrecht ingesteld en
heeft middels attributie ook bevoegdheden gekregen. De voorzitter van het centraal stembureau is daarmee een bestuursorgaan. De voorzitter van het centraal
stembureau kan over enkele technisch-juridische zaken beslissingen nemen.
Artikel 1:2 Onderwerp Een raadgevend referendum kan zich niet uitstrekken tot buiten het grondgebied van de gemeente waarin een raadgevend referendum wordt gehouden.
Een aantal raadsbesluiten is uitgezonderd. Hierover kan dus geen raadgevend
referendum worden gehouden. Deze uitzonderingen staan in het tweede lid van dit artikel. Een aantal van de uitzonderingen behoeft een nadere toelichting.
Onderdeel a Aanwijzingsbesluiten waarin een concrete functionaris wordt aangewezen wordt eveneens gezien als een individuele kwestie en valt daarmee onder deze uitzonderingsgrond.
Onderdeel e In verband met het budgetrecht van de raad zijn raadsbesluiten in het kader van de gemeentelijke begroting, de voorjaarsnota en de gemeentelijke jaarrekening
uitgezonderd. Daarnaast is de vaststelling van de hoogte van gemeentelijke tarieven en belastingen opgenomen als uitzonderingsgrond. Een besluit over het afschaffen van een belasting is eveneens uitgezonderd omdat dat direct financiële gevolgen
heeft en van invloed is op de begroting. Een besluit over het vaststellen van beleid
over de invoering, wijziging of afschaffen van tarieven en belastingen komt ook niet in aanmerking voor een referendum, voor zover het gaat over belastingen.
Onderdeel f Onder bestemmingsplan wordt mede verstaan een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor zover het de ruimtelijke ordening betreft. Vooruitlopend op de komst van het omgevingsplan en de Omgevingswet kunnen gemeenten
experimenteren met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Het
4
bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is een experiment onder de werking van de Crisis- en herstelwet.
Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte betreft één integraal plan, waarin niet alleen regels over 'goede ruimtelijke ordening' zijn opgenomen, maar waar net als
onder de Omgevingswet de fysieke leefomgeving centraal staat. Dit betekent dat in het plan regels kunnen worden opgenomen over o.a. het waarborgen van de
veiligheid, gezondheid, milieu, welstand, natuurbescherming en duurzaamheid. Zo kan de overheid zich voorbereiden op de integrale aanpak die met het omgevingsplan zal zijn vereist.
Ook de besluiten van de raad op grond van de Omgevingswet zijn vooruitlopend op de inwerkingtreding van die wet al in de verordening opgenomen.
Onderdeel i Deze uitzondering regelt onder andere dat besluiten tot toetreding, uittreding,
wijziging en zienswijzen van een gemeenschappelijke regeling niet referendabel
zijn. Aangezien de gemeentelijke begroting en jaarrekening uitgesloten zijn van een raadgevend referendum (sub e) is het logisch ook de (financiële) stukken van
gemeenschappelijke regelingen uit te sluiten van een raadgevend referendum. Onderdeel i moet zodanig worden geïnterpreteerd dat alle stukken van
gemeenschappelijke regelingen waarvoor een raadsbesluit nodig is, onder de
uitzondering valt. Er heerst namelijk bij het bestuurlijk besluitvormingsproces van dergelijke stukken een zeer grote tijdsdruk die ook bij herhaling vraagt om maatwerk en medewerking van bestuurders.
Onderdeel k De raad neemt soms besluiten omdat hogere regelgeving dat vereist of mogelijk
maakt. Als de raad daarbij geen beleidsvrijheid heeft, dan is er ook geen ruimte om een raadgevend referendum over dergelijke besluiten te houden.
Onderdeel l Een beroep op deze uitzonderingsgrond vergt een expliciete belangenafweging van de raad met een zware motiveringsplicht. Het belang van het raadsbesluit moet zwaarder wegen dan het belang van de mogelijkheid om een raadgevend
referendum te houden. De referendumcommissie heeft overigens een belangrijke rol 5
bij de advisering over de toepassing van met name deze uitzonderingsgrond. Omdat de raad beoordelingsvrijheid heeft, toetst de rechter terughoudend
(ECLI:NL:RVS:2014:1402). Zie verder voor de toepassing van een vergelijkbare maar
ruimere uitzonderingsgrond ECLI:NL:RVS:2017:2878: de raad kon in redelijkheid tot het oordeel komen dat het inleidend verzoek moest worden afgewezen. In
ECLI:NL:RBNHO:2017:11154 oordeelde de rechter dat de raad niet afdoende had gemotiveerd dat er dringende redenen waren. De vrees voor de gevolgen van de
uitslag werd niet als reden aanvaard. Ook in ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8972, had de
raad niet afdoende gemotiveerd waarom er zwaarwegende redenen waren om geen referendum te houden. De rechter overwoog bovendien dat het simpele ontbreken van politieke bereidheid om een referendum te houden zich niet verhoudt met de aard van het referendum.
Een dringende reden zou kunnen zijn dat het belang van het raadgevend
referendum naar oordeel van de raad niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving.
Raadsbesluiten waarbij deze verantwoordelijkheid speelt, vloeien vaak voort uit weten regelgeving waarin kwetsbare groepen de doelgroep zijn of waarin de raad een verantwoordelijkheid heeft voor de uitvoering van zorg, opvang en huisvesting en
een stelselverantwoordelijkheid heeft voor voorzieningen Bij kwetsbare groepen kan gedacht worden aan: -
Iedereen die zorg, opvang of groepshuisvesting nodig heeft op basis van de genoemde gemeentelijke regelgeving (en hogere wet- en regelgeving), waartoe te rekenen (niet limitatief): o o o
Vluchtelingen; Daklozen;
Kwetsbare personen waarbij sprake is van een combinatie van verslaving, licht verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek;
o
Uitstromers uit instituties (psychiatrie, verslavingsklinieken, detentie).
Een andere reden zou kunnen zijn dat de besluitvorming het uitstel van een
raadgevend referendum niet kan lijden, bijvoorbeeld omdat besluitvorming nodig is om het hoofd te kunnen bieden aan plotselinge (onwenselijke) ontwikkelingen of omdat besluitvorming noodzakelijkerwijs volgt uit eerdere besluitvorming.
Onder een dringende redenen wordt mede verstaan de situatie waarbij de uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege spoedeisende gemeentelijke belang.
6
Spoedeisendheid kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het kader van openbare orde en veiligheid. Denk hierbij aan de bekrachtiging van een noodverordening.
Het te laat beginnen met (de voorbereiding van) het besluitvormingsproces valt niet onder deze uitzonderingsgrond, tenzij sprake is van overmacht.
Onderdeel m De uitzonderingsgrond ziet toe op besluiten vanwege geheimhouding. Besluiten
alleen vanwege opleggen/opheffen/voortzetten van geheimhouding zijn hiermee
niet referendabel. Een referendum over een beslispunt dat geheim is kan evenmin.
Onderdeel o De uitzonderingsgrond ziet toe op bijvoorbeeld het reglement van orde,
gedragscodes en werkwijzen van raadscommissies. Deze uitzonderingsgrond omvat tenminste besluiten van de raad op grond van de volgende artikelen uit de
Gemeentewet: 15, derde lid, 16, 33, derde lid, 41c, tweede lid, 60, eerste lid, 69,
tweede lid, 81, eerste lid, 82, 83, 84, 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 97, 107, eerste lid, 107a, tweede lid, 155a.
Onderdeel q Het gaat hierbij om raadsbesluiten waarbij op grond van artikel 6, tweede lid van de Huisvestingswet is vereist dat deze in regionaal verband zijn afgestemd. Denk
hierbij bijvoorbeeld aan de huisvestingsverordening. De Huisvestingswet vereist namelijk regionale afstemming bij de totstandkoming van de
huisvestingsverordening. De woningmarktregio Utrecht bestaat uit 17 gemeenten,
die werken met een gelijkluidende tekst van de Huisvestingsverordening, waardoor afwijkingen per gemeente onwenselijk zijn, met name voor de
uitvoeringsorganisaties. Bijvoorbeeld voor de woonruimteverdeling is het van belang dat een verordening of een wijziging daarvan in alle regiogemeenten gelijk in
werking treedt. Er is namelijk sprake van een samenhangend regionaal stelsel.
Derde lid
7
Als één van de uitzonderingsgronden van toepassing is op het hele raadsbesluit of
op onderdelen van het raadsbesluit, moet dit op het raadsbesluit zichtbaar worden vermeld. Wordt er geen uitzonderingsgrond in het raadsbesluit opgenomen, dan is het besluit in zijn geheel referendabel.
Artikel 1:3 Inwerkingtreding
Eerste lid Deze bepaling stelt de inwerkingtreding van een genomen raadsbesluit waarover een raadgevend referendum gehouden kan worden, uit.
Het raadsbesluit wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website in het openbare
gedeelte van het raadsinformatiesysteem. Iedereen kan er dan kennis van nemen en kiesgerechtigden krijgen de tijd om een eventueel inleidend verzoek tot het houden van een raadgevend referendum in te dienen. Komt er geen inleidend verzoek of
wordt dat verzoek afgewezen, dan treedt het besluit alsnog in werking 5 weken na de dag waarop het is gepubliceerd.
Tweede lid Dit lid regelt dat de inwerkingtreding van een raadsbesluit verder wordt uitgesteld (opgeschort) als een inleidend verzoek tot het houden van een raadgevend referendum is toegelaten.
Derde lid Op een aantal momenten waarop duidelijk is dat het referendumproces geen verder vervolg krijgt, kan een raadsbesluit alsnog in werking treden. De onderdelen a en b van dit lid voorzien hierin. Op het moment dat de opschorting van de
inwerkingtredingstermijn eindigt, treedt het betreffende raadsbesluit alsnog in
werking. Onderdeel c voorziet in inwerkingtreding als duidelijk is dat de uitslag van het raadgevend referendum niet heeft geleid tot een afwijzende uitspraak (ofwel er is ‘voor’ het raadsbesluit gestemd). In dat geval eindigt de opschorting niet
onmiddellijk nadat het centraal stembureau die uitslag heeft vastgesteld, maar pas nadat de raad van die uitslag in kennis is gesteld en de beëindiging van de opschorting bekend is gemaakt.
Indien een raadgevend referendum is gehouden en de uitspraak is afwijzend
(oftewel er is ‘tegen’ het raadsbesluit gestemd), dient gekeken te worden naar 8
artikel 3:5, tweede lid. In deze situatie is het namelijk aan de raad om te bepalen welk gevolg wordt gegeven aan de raadgevende uitspraak en kan de raad het
college vervolgens verzoeken om een nieuw te nemen raadsbesluit voor te bereiden.
Artikel 1:4 Directe inwerkingtreding van een referendabele raadsbesluiten Dit artikel regelt de directe inwerkingtreding van een raadsbesluit, maar waarbij het recht op het initiatief voor een raadgevend referendum blijft behouden. Een beroep op dit artikel kan worden gedaan indien er sprake is van een (uitzonderlijke)
omstandigheid waardoor de uitvoering van een besluit niet kan worden uitgesteld met vijf weken. Bijvoorbeeld omdat anders fatale termijnen zouden worden overschreden.
Hoofdstuk 2 Van verzoek tot besluit Artikel 2:1 Het inleidend verzoek Om een raadgevend referendum te kunnen houden is de eerste stap om een inleidend verzoek in te dienen dat wordt ondersteund door minimaal 1.000 ondersteuningsverklaringen.
Iedere kiesgerechtigde kan een inleidend verzoek indienen. Zowel het inleidend
verzoek als de daarbij behorende ondersteuningsverklaringen kunnen schriftelijk of
elektronisch worden ingediend. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een ondersteuningsverklaring op papier of digitale ondersteuningsverklaring via
bijvoorbeeld petities.nl. Er wordt in de referendumverordening geen keuze gemaakt voor een specifieke methode.
Een inleidend verzoek, inclusief de daarbij behorende ondersteuningsverklaringen, moet uiterlijk drie weken na de dag dat het formele raadsbesluit is gepubliceerd, zijn ingediend. Hiermee wordt het raadsbesluit bedoeld dat is voorzien van de handtekeningen van de griffier en de voorzitter van de raad.
Het raadsbesluit wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website
(utrecht.bestuurlijkeinformatie.nl) in het openbare gedeelte van het raadsinformatiesysteem. Rekenvoorbeeld:
9
1 maart: raad neemt raadsbesluit tijdens de raadsvergadering. Vanaf dit moment kunnen de ondersteuningsverklaringen worden verzameld.
3 maart: publicatie van het formele raadsbesluit zichtbaar via
utrecht.bestuurlijkeinformatie.nl (zie raadsbesluit met een datum in de titel). 4 maart: start indieningstermijn inleidend verzoek. 25 maart: laatste mogelijkheid om het inleidend verzoek met bijbehorende ondersteuningsverklaringen in te dienen (gelijk aan 3 weken na publicatie raadsbesluit).
De ondersteuningsverklaringen zijn onderdeel van het inleidend verzoek.
Artikel 2:2 Het definitieve verzoek Indien het inleidend verzoek is toegelaten, kan een definitief verzoek worden
ingediend. Het definitieve verzoek hoeft niet te worden ingediend door dezelfde
indiener die het inleidend verzoek heeft ingediend. Het definitieve verzoek dient te
worden ondersteund door minimaal 10.000 ondersteuningsverklaringen. De geldige ondersteuningsverklaringen van het inleidende verzoek mogen hierbij worden
meegenomen. Dat betekent dat de ondersteuningsverklaringen behorende bij het inleidend verzoek meetellen voor de ondersteuning van het definitief verzoek. De
kiesgerechtigden die het inleidende verzoek gesteund hebben hoeven derhalve niet opnieuw hun steun te betuigen en opnieuw een ondersteuningsverklaring in te
dienen. Iemand moet kiesgerechtigd zijn gedurende de periode van de dag dat het
raadsbesluit is gepubliceerd en de einddatum van de mogelijkheid tot het indienen van het definitieve verzoek.
Een definitief verzoek, inclusief de daarbij behorende ondersteuningsverklaringen,
moet uiterlijk zes weken nadat het besluit tot het toelaten van het inleidend verzoek is bekendgemaakt, worden ingediend. De datum van bekendmaking is de dag nadat het besluit is verzonden naar de indiener(s) van het definitieve verzoek.
Rekenvoorbeeld: 1 april: besluit tot toelaten is verzonden naar de indiener(s) van het inleidend verzoek.
2 april: start indieningstermijn definitief verzoek. 10
14 mei: laatste mogelijkheid om het definitieve verzoek in te dienen.
Verder gelden dezelfde opmerkingen zoals genoemd in de toelichting bij artikel 2:1.
Artikel 2:3 De ondersteuningsverklaringen Iedere kiesgerechtigde mag één ondersteuningsverklaring indienen ter ondersteuning van een inleidend en een definitief verzoek. Omdat de
ondersteuningsverklaring van een kiesgerechtigde bij een inleidend verzoek ook
geldt voor een daarop volgens definitief verzoek, mag een kiesgerechtigde die een inleidend verzoek heeft gesteund, niet een opnieuw een ondersteuningsverklaring
indienen bij een daarop volgend definitief verzoek. Om tevens geldend te zijn voor het definitieve verzoek moet deze tevens kiesgerechtigd zijn in de periode tot de einddatum van de mogelijkheid tot het indienen van het definitieve verzoek. De ingevulde persoonsgegevens moeten precies overeenkomen met de
persoonsgegevens zoals in het paspoort of een daaraan gelijkgesteld document zijn vermeld.
De verzamelde ondersteuningsverklaringen maken onderdeel uit van het verzoek en worden als één geheel ingediend bij de voorzitter van het centraal stembureau. Als een verzoek is ingediend, maar binnen de gestelde indieningstermijn er toch nog ondersteuningsverklaringen volgen, mogen deze apart worden nagestuurd.
Artikel 2:4 Beoordeling van het inleidend verzoek en definitieve verzoek Zowel het verzoek als de ondersteuningsverklaringen worden beoordeeld. Indien sprake is van één van de situaties genoemd in het eerste lid, wordt het verzoek
afgewezen en is de beoordeling van de ondersteuningsverklaringen niet aan de orde.
De ondersteuningsverklaring moet volledig en feitelijk juist zijn ingevuld. Een
spelfout in bijvoorbeeld het adres is geen feitelijke onjuistheid. Een volledig en
feitelijk juist ingevulde ondersteuningsverklaring is niet automatisch een geldige
ondersteuningsverklaring. De persoonsgegevens moeten wel helemaal correct zijn ingevuld.
11
Artikel 2:5 Steekproef ondersteuningsverklaringen definitieve verzoek Voor de beoordeling van de ondersteuningsverklaringen behorende bij het
definitieve verzoek, wordt een steekproef onder de ondersteuningsverklaringen gehouden. De verschillende mogelijkheden voor een ondersteuningsverklaring,
elektronisch of op papier, moet dezelfde kans hebben deel uit te maken van de
steekproef. De grootte van de steekproef wordt zodanig bepaald zodat met 99%
zekerheid bij een foutmarge van 2% met de steekproef een uitspraak kan worden gedaan over het totaal van de ondersteuningsverklaringen.
De ondersteuningsverklaringen die niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend zijn ongeldig en worden niet meegenomen in de steekproef. Stel er zijn dan nog
12.000 op tijd ingediende ondersteuningsverklaringen over, dan ziet de berekening er als volgt uit. (4147,36 x 12.000) / (4146.36 + 12.000) = 3083. Een steekproef wordt dus gehouden onder minimaal 3083 ondersteuningsverklaringen.
Stel, van de 3083 ondersteuningsverklaringen zijn er 2700 geldig verklaard. Met 99% zekerheid kan er worden geconcludeerd dat er 10.509 geldige
ondersteuningsverklaringen zijn, bij een fout van 210 (2% van 10.509). Dit is
berekend aan de hand van de volgende formule: 2700 / 3083 x 12.000 = 10.509.
Dus het aantal geldige ondersteuningsverklaringen na de beoordeling gedeeld door het aantal ondersteuningsverklaringen geselecteerd voor de steekproef
vermenigvuldigd met het totaal aantal tijdig ingediende ondersteuningsverklaringen.
In de fase van het inleidend verzoek is er niet gekozen voor een steekproef. Het gaat daarbij immers om een beperkt aantal van 1000 geldige
ondersteuningsverklaringen. In de situatie waarbij bijvoorbeeld 2000
ondersteuningsverklaringen worden ingediend, kan de controle worden gestopt zodra is geconstateerd dat er 1000 geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend.
Artikel 2:6 Het besluit op het inleidend verzoek en definitieve verzoek De voorzitter van het centraal stembureau kan een verzoek alleen toelaten of
afwijzen op grond van de regels zoals vastgesteld in deze verordening. Er is dus geen inhoudelijke afwegingsruimte. Het besluit is dus alleen gebaseerd op de
geldigheid van het verzoek en het aantal geldige ondersteuningsverklaringen. 12
Het besluit wordt bekendgemaakt aan de indiener(s) van het verzoek. Nadat het
besluit is bekendgemaakt, wordt op de gemeentelijke website gecommuniceerd over het besluit zodat eenieder kennis kan nemen van het besluit.
Het besluit van de voorzitter van het centraal stembureau is een besluit in de zin
van 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat bezwaar en/of beroep tegen het besluit kan worden ingediend. De reguliere procedure uit de Awb wordt hierbij gevolgd.
Als een definitief verzoek is toegelaten, wordt een raadgevend referendum gehouden. Zie ook artikel 1:2, eerste lid.
Hoofdstuk 3 Procedure voorbereiding, stemming en uitslag Artikel 3:1 Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de voorbereiding, stemming en uitslag van een raadgevend referendum aan te sluiten bij de Kieswet, waar dat
mogelijk is. Vandaar dat een aantal onderdelen uit de Kieswet zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard, voor zover de verordening niet anders regelt. Het gaat onder andere om relevante bepalingen over: -
de instelling en bemensing van stembureaus (hoofdstuk E);
-
de stemming, waaronder de inrichting van het stemlokaal en het uitbrengen van de stem (hoofdstuk J);
-
de mogelijkheid om te stemmen bij volmacht (hoofdstuk L);
-
de telling van de stemmen (hoofdstuk N);
-
de taken van het gemeentelijk stembureau (hoofdstuk Na);
-
de werkzaamheden van het centraal stembureau ten behoeve van de vaststelling en bekendmaking van de uitslag (hoofdstuk P).
Het van overeenkomstige toepassing zijn van onderdelen van de Kieswet, betekent dat de relevante bepalingen gelezen moeten worden in het kader van deze
verordening. Vaak ligt dat voor de hand. Zo wordt in het kader van deze verordening ‘raadgevend referendum’ bedoeld waar de Kieswet verwijst naar ‘verkiezing’. Alleen ligt dit minder voor de hand daar waar ‘de dag van de kandidaatstelling’ gelezen
moet worden als ‘de vierenveertigste dag voor de dag van stemming’, vandaar dat die leeswijze expliciet is vermeld in het artikel.
13
Artikel 3:2 Datum stemming Een referendum wordt zo veel mogelijk gecombineerd met een al geplande
verkiezing. Op die manier kunnen de kosten zo laag mogelijk worden gehouden. Ook is de kans groter dat mensen dan gaan stemmen. Het college heeft zelf de
bevoegdheid niet om een referendum met een andere verkiezing te combineren; de raad wel (artikel J6 Kieswet). Daarom bepaalt de raad de dag van de stemming, in overleg met het college.
Bij het bepalen van de datum wordt rekening gehouden met praktische aspecten,
bijvoorbeeld dat het organiseren van een referendum tijd kost. Er zijn minimaal vier maanden nodig (gerekend vanaf het moment na het toelaten van het definitieve
verzoek door de voorzitter van het centraal stembureau) om een referendum voor te bereiden. Als het niet mogelijk is om een referendum te combineren met een al geplande verkiezing, bijvoorbeeld omdat die verkiezing binnen vier maanden
plaatsvindt of pas over meer dan een jaar plaatsvindt, vindt het referendum plaats
binnen vier tot zes maanden na de toelating van het definitieve verzoek. De datum
van het referendum is in ieder geval niet in juli of augustus en ook niet op algemeen erkende feestdagen.
Artikel 3:3 Referendumvraag De referendumvraag wordt door de raad vastgesteld. De referendumvraag kan luiden: bent u ‘voor’ of ‘tegen’ gevolgd door de titel van het raadsbesluit. De
referendumvraag kan ook betrekking hebben op een gedeelte van het raadsbesluit, bijvoorbeeld een specifiek onderdeel van een door de raad vastgestelde visie. De antwoorden staan vast, namelijk ‘voor’ of ‘tegen’.
Het komt voor dat een raadsvoorstel uit meerdere beslispunten bestaat. Deze beslispunten zijn afzonderlijke raadsbesluiten en kunnen dus afzonderlijk
referendabel zijn. Per beslispunt moet daarom aan de hand van de criteria uit de verordening beoordeeld en aangegeven worden of het besluit al dan niet referendabel is. Waar dat nodig is, zal bij het aanbieden aan de raad een
raadsvoorstel opgesplitst worden in referendabele en niet-referendabele besluiten. Als alle beslispunten in een raadsvoorstel referendabel zijn, wat in de meeste
gevallen zo zal zijn, is het niet nodig een raadsvoorstel op te splitsen. In de praktijk komt het voor dat er meerdere raadsbesluiten in één document staan. Als dit om
‘losse’ raadsbesluiten gaat, kan het raadgevend referendum zien op één van deze raadsbesluiten.
14
Voordat de raad de referendumvraag vaststelt, verzoekt de raad de
referendumcommissie om hierover te adviseren. Zie over de adviestaak van de referendumcommissie ook artikel 4:2.
De referendumvraag wordt gecommuniceerd via de gemeentelijke
communicatiekanalen zoals www.utrecht.nl. Ook worden de indiener(s) op de hoogte gebracht van de referendumvraag.
De referendumvraag en antwoordmogelijkheden worden ook aan het adres van de kiesgerechtigden gestuurd.
Artikel 3:4 Vaststelling uitslag Het centraal stembureau berekent de uitslag en brengt het proces-verbaal met de uitslag over aan de raad.
De uitslag en het proces-verbaal worden zo spoedig mogelijk, indien mogelijk dezelfde dag, gepubliceerd op de gemeentelijke website.
Artikel 3:5 Vervolg uitslag
Eerste lid Zie de toelichting bij artikel 1:3, derde lid, onderdeel c.
Tweede lid Is er ‘tegen’ de referendumvraag gestemd, dan zal de raad hierover zo spoedig
mogelijk vergaderen en bepalen of en zo ja welk vervolg dit zou moeten krijgen. Het
is dan aan de raad om een besluit te nemen over het al dan niet inwerkingtreden van het betreffende raadsbesluit. De raad kan het college opdracht geven tot het voorbereiden van een nieuw te nemen raadsbesluit.
Hoofdstuk 4 De referendumcommissie Artikelen 4:1 tot en met 4:4 De referendumcommissie is een commissie van advies en toezicht die bestaat uit externen en fungeert als onafhankelijke instantie. De referendumcommissie
15
ontvangt op grond van het rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers een vergoeding.
De referendumcommissie kan zowel gevraagd als ongevraagd de raad, het college en de voorzitter van het centraal stembureau adviseren. De adviezen van de
referendumcommissie zijn niet bindend, maar wel zwaarwegend. In ieder geval
adviseert de referendumcommissie de raad met betrekking tot de referendumvraag (artikel 3:3, eerste lid). Ook houdt de referendumcommissie toezicht op het referendumproces.
De referendumcommissie legt zich, conform artikel 4.3 toe op behandeling van
klachten die gaan over 1) de uitvoering van de referendumverordening en 2) het neutrale karakter van de door het college te verstrekken voorlichting over het raadgevend referendum. Bij de behandeling van de klacht toetst de
referendumcommissie aan de eisen van fair-play (bijvoorbeeld ten aanzien van de campagne) en objectiviteit (bijvoorbeeld ten aanzien van de gemeentelijke
voorlichting). De behandeling van een klacht door de referendumcommissie zou
ertoe kunnen leiden dat ‘de gedraging of de publicatie waarop de klacht betrekking heeft, moet worden gestaakt’. Het gaat hier om een gedraging of publicatie van de gemeente in het kader van het referendumproces. Indien de klacht moet worden
aangemerkt als een bezwaarschrift als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, zendt de referendumcommissie de klacht door naar de commissie belast met de
behandeling van bezwaarschriften. Indien de klacht geen betrekking heeft op zaken die tot de bovengenoemde competentie en taak van de referendumcommissie
behoren, zendt de secretaris van de referendumcommissie de klacht door naar de
centrale klachtcoördinator van de gemeente en dient de klacht verder behandeld te worden als klacht in de zin van hoofdstuk 9 Awb en de gemeentelijke klachtenregeling.
16