20240613 vragenuur
Tekst van het document
2024 NOTULEN VRAGENUUR Vragenuur – 13 juni 2024 Vragenuur, gehouden op donderdag 13 juni 2024 te 17.00 uur. Voorzitter: mevrouw Stylianou. Aanwezig zijn de raadsleden: Al-Saqaff, Dada-Anthonij, Van Heuven, Hornsveld, Van Steeg en Vermeulen.
Voorts zijn aanwezig de commissieleden: Skori en Van Straalen. Namens het college zijn aanwezig: burgemeester Dijksma en de wethouders Schilderman en Eerenberg.
Griffier: de heer Corten.
Opening van het vragenuur. De voorzitter: Goedemiddag allemaal. Er zijn voor dit vragenuur vijf vragensets ingediend. We beginnen met de vragen van de Partij van de Dieren.
1. Mondelinge vragen van de fractie van de Partij voor de Dieren inzake Geen verkoop dieren in nieuwe dierenwinkel!
De heer Van Heuven (PvdD): Voorzitter. In het AD van 31 mei stond dat winkelketen Pet’s Place eind juni een nieuwe winkel opent in The Wall, waar ze van plan zijn in ieder geval knaagdieren, vissen, vogels en reptielen te verkopen. De Partij voor de Dieren is hier zeer verbaasd over, omdat de
landelijke trend juist richting mínder dierenverkoop gaat. Voormalig wethouder Dierenwelzijn Paulus Jansen ging op verzoek van de Partij voor de Dieren in gesprek met dierenwinkels en tuincentra om hen over te halen te stoppen met de verkoop van dieren. In ieder geval Intratuin Koningsweg
beloofde toen te stoppen met de verkoop van konijnen en knaagdieren. Ook Welkoop en een aantal andere vestigingen van Intratuin stopten vanwege dierenwelzijnsredenen met de verkoop van deze dieren.
Diverse dierenwinkels verwijzen nu naar opvangcentra voor deze dieren, die bomvol zitten met
bijvoorbeeld gedumpte konijnen. Voor zover wij weten worden in Utrecht al jaren geen reptielen meer verkocht in dierenwinkels, en dan zou Pet’s Place daar nu weer mee gaan beginnen? Ook
vinden wij dat vogels niet in kooitjes horen. We horen regelmatig dat heel veel vissen sterven in het handelscircuit, en zo zijn er nog meer voorbeelden te geven. Daarom hebben wij de volgende vragen.
Vragenuur van 13 juni 2024 1. Wat vindt het college ervan dat Pet’s Place in hun nieuwe winkel veel dieren wil gaan verkopen? 2. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat de verkoop van dieren in dierenwinkels impulsaankopen stimuleert, terwijl het dierenwelzijn hierdoor vaak in de knel komt? Zo nee, waarom niet?
3. Is het college bereid (eventueel samen met de Dierenbescherming en/of de Sophia Vereniging)
met Pet’s Place in gesprek te gaan voordat de winkel opent, dus zo spoedig mogelijk en uiterlijk eind juni, om hen te verzoeken geen levende dieren te gaan verkopen, waardoor ze op deze
manier juist een voorbeeld kunnen zijn van een diervriendelijke(r) dierenwinkel? Zo nee, waarom niet?
4. Indien het antwoord op vraag 3 ja is: is het college bereid om in het gesprek tevens Pet’s Place te vragen om geen kleine, ronde vissenkommen en kleine hokjes voor konijnen, knaagdieren en
vogels te verkopen, omdat die sowieso bij lange na niet voldoen aan de basisbehoeften van deze dieren? Zo nee, waarom niet?
Mevrouw Schilderman (wethouder): Voorzitter. Ik vervang nu de huidige wethouder Dierenwelzijn, mevrouw Voortman.
Het antwoord op vraag 1. We volgen hierin, zoals we meestal doen, het standpunt van de
Dierenbescherming, namelijk dat de verkoop van dieren in dierenspeciaalzaken op zich acceptabel kan zijn, wanneer detailhandel in de bestemming past en er geen vergunning nodig is om een
dierenspeciaalzaak te starten. Het adopteren van dieren uit opvangcentra heeft wat ons betreft wel de voorkeur, maar niet elk huishouden of elke eigenaar is hiervoor geschikt. De kwaliteit van de tentoonstelling, verzorging en verkoop in dierenspeciaalzaken is wel ontzettend belangrijk. Bijvoorbeeld is belangrijk dat er dierverantwoord gefokt is, dat er ingezet wordt op goede
voorlichting en dat er een match is tussen mens en dier. Wij vinden het belangrijk dat daar aandacht voor blijft. We hebben het afgelopen jaar onder andere het keurmerk Dierbaar onder de aandacht gebracht en gestimuleerd bij winkels in Utrecht. Dat zullen we ook blijven doen.
Het antwoord op vraag 2. We zijn het er niet mee eens dat de verkoop van dieren in dierenwinkels per definitie impulsaankopen stimuleert. Het ligt wat ons betreft iets genuanceerder. In
dierenspeciaalzaken is de kans groter dat er goede voorlichting wordt gegeven in vergelijking met
bijvoorbeeld verkoop via internet. Om die reden brengen we het keurmerk Dierbaar actief onder de aandacht.
Het antwoord op de vragen 3 en 4. De Dierenbescherming is wel in gesprek met diverse partijen over de stappen die dierenspeciaalzaken en andere handelsplaatsen kunnen nemen om het dierenwelzijn van huisdieren in de handel en verkoop verder te verbeteren. We hebben de Dierenbescherming op
de hoogte gesteld van de zorgen die u hierbij heeft. Ze ziet mogelijkheden om samen te werken met dierenspeciaalzaken, bijvoorbeeld door adoptie via opvangcentra mogelijk te maken.
Bij zorgen over dierenwelzijn kan er melding gemaakt worden bij de politie, de Landelijke
Inspectiedienst Dierenwelzijn of de Voedsel- en Warenautoriteit. Vanwege de genoemde redenen denken wij dat dierenwinkels meer expertise hebben dan internet of tuincentra en dat de
Dierenbescherming de geschiktere partij is. Wij zijn er dus niet voor om als gemeente daar zelf een gesprek over te voeren.
De heer Van Heuven (PvdD): Voorzitter. Ik vind het teleurstellend dat het college niet in gesprek wil gaan met deze winkel, juist omdat deze winkel ook in het AD zei dat ze, juist omdat ze aan de snelweg zit, gemakkelijk kan voorzien in aankopen, en dus ook in impulsaankopen. De vorige
wethouder wilde juist wel met winkels in gesprek. De huidige wethouder heeft nu uitgelegd waarom
2
Vragenuur van 13 juni 2024 het college dat niet wil doen. Ik heb daar geen vervolgvraag over, alleen vind ik het wel
teleurstellend. Het gaat hier immers om heel veel dieren die in kleine hokjes verkocht zullen worden. Mevrouw Schilderman (wethouder): De eerdere inzet van het college was erop gericht om juist het
gesprek aan te gaan met de winkels waar dieren meer als bijproduct verkocht worden – bijvoorbeeld als er planten verkocht worden en er daarnaast ook dieren verkocht worden - omdat we zien dat daar het risico het grootst is dat niet de juiste voorlichting wordt gegeven en daar niet de juiste omstandigheden voor de dieren zijn. In dit geval gaat het echt om een dierenspeciaalzaak.
2. Mondelinge vragen van de CDA-fractie, mede namens de fracties van D66 en PvdD, inzake Participatieflater in Lunettenpark?
De heer Van Steeg (CDA): Voorzitter. Afgelopen jaren is er veel contact geweest tussen de gebruikers van het terrein Voorland bij Lunet 1 en het Stadskantoor over de herinrichting van het Lunettenpark. Tijdens de overleggen die plaatsvonden, was met name de manier waarop het wandelpad rond het fort Lunet 1 zou moeten worden ingericht, onderwerp van gesprek. Verschillende opties werden
daarbij besproken, zoals een pad over het fort of over de rand van het terrein van de scouting. Groot was dan ook de verbazing dat de gemeente nu lijkt te kiezen voor een openstelling van het volledige terrein. Deze keuze zou grote gevolgen hebben voor de genoemde gebruikers, de aanwezige
scoutinggroep en de kinderopvang. De fracties van CDA, D66 en PvdD zijn verbaasd over de stappen die zijn gezet en hebben de volgende vragen:
1) Klopt het dat is gekozen voor openstelling van het volledige Voorlandterrein bij Lunet 1, waarbij alleen het terrein onder de gebouwen tegen een hogere huur wordt aangeboden aan de aanwezige gebruikers? Zo ja, hoe en waarom is deze keuze gemaakt?
2) Klopt het dat dit ontwerp gekozen is zonder input van de scouting? Zo nee, welke inspraak is er dan de laatste 5 maanden geweest om dat besluit samen met de scouting te nemen?
3) Deelt u de mening dat deze keuze in strijd is met de overleggen die afgelopen jaren hebben
plaatsgevonden met de aanwezige gebruikers in het gebied? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u deze keuze dan toch gemaakt?
4) Bent u bereid deze keuze te heroverwegen en opnieuw met de genoemde gebruikers in overleg te treden, om te komen tot goede werkafspraken en tot de beste oplossing voor alle partijen?
De heer Eerenberg (wethouder): Voorzitter. Om te beginnen wil ik verwijzen naar het
ontwikkelperspectief Maarschalkerweerd, in juni 2020 vastgesteld door uw raad, waarin een aantal uitgangspunten staan. Zowel in het algemeen als in het bijzonder voor Lunet 1 is zo veel mogelijk
voor openbaarheid gekozen. Het is openbare ruimte en het is een groen gebied, dus wij willen dat zo veel mogelijk Utrechters daar gebruik van kunnen maken. Ik ben de eerste om te onderkennen dat dit op gespannen voet staat, net zoals voor veel andere plekken in de stad geldt, met de belangen van partijen die om andere redenen van die openbare ruimte gebruik wensen te maken. Dit is volgens mij een voldoende antwoord op vraag 1.
U vraag ook naar de huur. De huidige partijen zitten op basis van een oud contract in het gebied. Op
het moment dat wij nieuwe afspraken gaan maken, wordt er een nieuw contract gesloten. Het college houdt zich daarbij enerzijds aan het vastgoedbeleid en anderzijds aan de grondprijzenbrief. Daarin staan gewoon de vastgestelde huurprijzen. Het klopt dat die hoger zijn dan de huurprijzen die nu gelden, maar dat is nu eenmaal het geldende kader.
3
Vragenuur van 13 juni 2024 Er is veel geparticipeerd. Er is in 2023 en 2024 drie keer overleg geweest, persoonlijk, en er zijn veel mailwisselingen geweest. Er zijn brieven geweest in het kader van de communicatie. Waar we nu
staan, is dat we het gesprek moeten voeren over het "hoe dan?". Ik heb aangeboden om persoonlijk
met zowel de scouting als Hof van Eden het gesprek aan te gaan en ook naar voorbeelden te kijken.
Er zijn voorbeelden, zowel in onze stad als op andere plekken, waar een scoutingterrein gedeeltelijk openbaar is op het moment dat de scouting er geen gebruik van maakt. Ik zou die plekken graag samen met de scouting willen bezoeken. Dat is dan ook de win-win.
Dan het antwoord op vraag 3. Ik denk dat wij ons steeds aan de uitgangspunten van Lunet 1 en Maarschalkerweerd hebben gehouden. Het was duidelijk voor alle partijen dat we vanuit die
openbaarheid en het gebruik van het terrein het gesprek gevoerd hebben. Maar natuurlijk snap ik – dat is misschien meteen het antwoord op vraag 4 – dat een partij als de scouting ook een beperkte eigen ruimte nodig heeft die ze moet kunnen afsluiten om op een veilige en verantwoorde manier
haar activiteiten vorm te kunnen geven. Ik zou dat graag willen verkennen graag in het gesprek dat
ik komende weken met de scouting heb. Hoe ziet dat eruit? Hoe groot is dat? Maar het uitgangspunt blijft de door u vastgestelde openbaarheid van het gebied.
De heer Van Heuven (PvdD): Voorzitter. Die volledige openstelling heeft natuurlijk niet alleen
negatieve gevolgen voor de scoutingvereniging en de mogelijkheden om materialen op te slaan. Het heeft ook een negatieve impact op flora en fauna in dit relatief rustige gebied. In hoeverre is bij de keuze voor het openbaar toegankelijk maken meegewogen dat de dieren en de planten hun leefgebied nu verstoord zien worden?
De heer Eerenberg (wethouder): Voorzitter. Ik verwijs dan toch echt terug naar de eerdere
raadsdebatten die daarover gevoerd zijn. Ik heb even niet paraat waar uw partij toen voor gekozen
heeft, maar de raad heeft uiteindelijk in meerderheid besloten dat juist in dit gebied aan de rand van de stad, waar veel woningen bij komen, het gebied en de historie van Lunetten opengesteld zou
moeten worden voor openbaar gebruik. Dat willen we uiteraard op een fatsoenlijke manier doen. Daar hoort ook het gesprek met de scouting en de Hof van Eden bij over welk beperkt gebied afgesloten zou moeten kunnen worden voor activiteiten, zodanig dat de rest van het gebied bruikbaar is voor de gehele stad.
De heer Van Steeg (CDA): Voorzitter. De wethouder gaat er heel makkelijk van uit dat er sprake zou zijn van een volledige openstelling, ook op basis van de visie Maarschalkerweerd. Volgens mij staat het iets in die visie genuanceerder dan de wethouder nu suggereert. Maar het opvallende is
natuurlijk dat de afgelopen jaren, ook in de contacten die wij hebben gehad met scouting, werd
gesproken over een pad dat langs het gebied of over het fort zou lopen. Hoe kan het nu dat er zulke verschillende beelden zijn over de invulling van die openstelling? De wethouder zegt: we hebben
altijd gesproken over een volledige openstelling van het Voorland. Dat is volgens mij niet het geval. Kan de wethouder daar nog een keer op ingaan?
De heer Eerenberg (wethouder): Voorzitter. Ik heb gezegd: zo openbaar mogelijk. Ik denk dat daar
goede redenen voor zijn. Er zijn immers meer uren in het jaar dat er geen scoutingactiviteiten op het terrein zijn dan wel, dus dan is het toch fijn dat ook de rest van de stad op die uren van dat terrein
gebruik kan maken. Ik ben de eerste die zegt dat er, als je het goed wilt inpassen, ook een bepaalde
mate van private buitenruimte nodig is. Ik heb besloten om me er persoonlijk tegenaan te bemoeien, dus ik wil zelf het gesprek met de scouting voeren over hoe we die puzzel kunnen gaan leggen.
4
Vragenuur van 13 juni 2024
De voorzitter: Dank voor de beantwoording. Dan gaan we door naar de derde set vragen. 3. Mondelinge vragen van de GroenLinks-fractie, mede namens de fracties van PvdA, CDA,
Stadsbelang Utrecht, Volt, ChristenUnie, Utrecht Solidair en VVD, inzake Kapotte lift Bibliotheek Neude.
Mevrouw Hornsveld (GroenLinks): Voorzitter. Allereerst merk ik op dat ook de VVD-fractie zich heeft aangesloten bij deze vragen.
Naar aanleiding van het artikel In het AD over de kapotte lift in bibliotheek Neude en in overleg met Solgu, de belangenvereniging voor mensen met een beperking, het volgende.
Utrecht wil een inclusieve en toegankelijke stad zijn, ook voor mensen met een fysieke beperking. Wij hebben ons verbonden aan het VN-verdrag handicap en we hebben onze eigen UST - Utrecht standaard toegankelijk. Hoe onwenselijk is het dan dat de lift die naar de begane grond van de
bibliotheek op de Neude leidt het grootste deel van de tijd kapot is? De enige manier om dan binnen te komen voor iemand met rolstoel, rollator, scootmobiel of kinderwagen is via grote omwegen via
andere delen van het gebouw. Dat is niet op alle uren van de dag mogelijk, en tevens is dan de hulp nodig van medewerkers. Dit moet beter, vinden wij. Daarom stellen wij de volgende vragen. 1. Is het college op de hoogte van het feit dat de lift meestal kapot is?
2. Snapt het college dat zelfstandigheid voor alle mensen, dus ook voor mensen met een fysieke beperking, heel erg belangrijk is?
3. Wat is er tot nu toe gedaan om de lift werkend te houden?
4. Kan het college dit probleem zo snel mogelijk oplossen, of zorgen dat dit opgelost wordt?
5. Is het college het met ons eens dat de afhankelijkheid van één lift voor zo’n grote instelling wel heel groot is, op een belangrijke locatie waar zo veel mooie activiteiten worden georganiseerd waar iedereen aan zou willen deelnemen?
6. Beseft het college dat heel veel mensen heel blij worden als de kapotte lift gewoon weer werkt en het gebouw in de toekomst voor iedereen altijd zelfstandig toegankelijk is?
De heer Eerenberg (wethouder): Voorzitter. Het college is ervan uit de hoogte dat de lift – overigens
een heffer, in vakjargon – kapot is. Dat weet ik niet alleen als lid van het college, maar ook als vader van jonge kinderen, want ook ik heb dikwijls op zaterdag verzucht dat ik weer een andere route
moest nemen. Vanmiddag is de lift wederom gerepareerd. We vinden het enorm vervelend dat het
elke keer op deze manier moet. Maar zoals zo vaak, is de werkelijkheid vaak wat ingewikkelder dan wij met elkaar wensen - laat ik het bij mijzelf houden: ingewikkelder dan ik wens. Het betreft
namelijk een monumentaal pand. Dit betekent dat allerlei ingrepen om het pand toegankelijk te maken voor iedereen snel kunnen stuiten op de spelregels rondom het aanpassen van een monument.
Het is wel zo dat er meerdere alternatieve routes zijn, mocht de heffer stuk zijn. Er is bijvoorbeeld
een lift aan de achterkant van het gebouw. Zodra de heffer stuk is, zet de bibliotheek iemand ernaast om de mensen te begeleiden naar de alternatieve route. Dat is natuurlijk geen duurzame oplossing; dat ziet ook de bibliotheek. Daar heb ik vandaag contact over gehad met de bibliotheek, naar aanleiding van uw vragen. De bibliotheek treedt in overleg met de verhuurder – dat is niet de
gemeente Utrecht – om toch nog eens opnieuw te kijken hoe het pand zo kan worden aangepast dat men zonder lift of heffer kan. Onderzocht zal worden of er aan de kant van de Potterstraat toch nog een extra ingang gecreëerd zou kunnen worden. Dat onderzoek gaat nu lopen.
5
Vragenuur van 13 juni 2024 Dan het antwoord op vraag 4. Het probleem is nu opgelost. We proberen zo snel mogelijk het
genoemde onderzoek te laten starten. Dat onderzoek moet worden gedaan door de bibliotheek en
de verhuurder. Wij gaan kijken of wij daar een beetje bij kunnen helpen. Wat ook zal helpen – daar is al het een en ander aan gedaan – is communicatie. De heffer gaat namelijk steeds stuk omdat
mensen hem verkeerd gebruiken. Het is een supergevoelig apparaat, heb ik begrepen. Als mensen ongeduldig zijn en tegen het deurtje duwen, vliegt de lift eruit, dus daar moeten de mensen mee stoppen. Er zijn nu opnieuw grote borden aangebracht waarop duidelijk gemaakt wordt dat men even moet wachten tot de deur opent en dan pas de heffer kan verlaten.
De vragen 5 en 6 beantwoord ik kortheidshalve met ja. Natuurlijk is het evident dat er meerdere
ingangen moeten zijn, omdat het gebouw voor iedereen bruikbaar moet zijn. Dat vindt het college buitengewoon belangrijk.
Mevrouw Hornsveld (GroenLinks): Voorzitter. Het is heel fijn om te horen dat er het nodige aan gedaan wordt en dat er ook wordt gezocht naar een structurele oplossing.
Ik wil heel kort even ingaan op de monumentale status van het pand. Ik snap dat. Ik hou heel erg van cultuur en van de historische status van Utrecht. Wij bestaan al 900 jaar of langer, dus Utrecht barst van de monumenten. Het zijn er ontzettend veel. Als gezegd zou worden dat je al die plekken niet
toegankelijk kan maken omdat daarmee niet aan de regels zou worden voldaan, zou ik daar nog wel een keer een gesprek over willen.
De voorzitter: Ik hoor geen vraag, maar meer een opmerking. Dan gaan wij door naar de volgende vragenset.
4. Mondelinge vragen van de VVD-fractie, mede ingediend door de fracties van UtrechtNu!, Horizon, CDA en ChristenUnie inzake Standplaatsen: betrek de wijk bij binding met de wijk.
Mevrouw Al-Saqaff (VVD): Voorzitter. Op 25 april van dit jaar heeft de gemeenteraad tijdens het
standplaatsendebat de motie "Betrek de wijk bij binding met de wijk" aangenomen. Hierin werd het
college opgeroepen om "In de nadere regel op te nemen dat er een inspanningsverplichting is vanuit het college om in ieder geval een branchevertegenwoordiger en wijkbewoners aan de
beoordelingscommissie toe te voegen." Nu horen de fracties van VVD, UtrechtNu!, Horizon, CDA en ChristenUnie dat niet voldaan wordt aan de oproep van de motie en dat de motie anders
geïnterpreteerd wordt op het stadskantoor dan bedoeld. De motie roept immers op om per wijk een inwoner te vinden. Om deze reden hebben wij de volgende vragen:
1. Is het college nog steeds van plan om uitvoering te geven aan bovengenoemde motie? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
2. Wat verstaat het college onder het opnemen van wijkbewoners? En hoe worden wijkbewoners benaderd?
3. Is het college het met de indieners eens dat een wijkbewoner uit bijvoorbeeld Oost niet goed in
staat zal zijn om te beoordelen of een standplaatshouder binding heeft met bijvoorbeeld de wijk Vleuten-De Meern?
4. Wat gaat het college doen om bewoners beter te betrekken bij het beoordelingsproces? Mevrouw Schilderman (wethouder): Voorzitter. Het antwoord op vraag 1. Wij geven uitvoering aan de genoemde motie. We hebben naar aanleiding van uw motie ook de nadere regel aangepast. Er is nu
opgenomen dat het college streeft naar een beoordelingscommissie waarin een lid met kennis van de
6
Vragenuur van 13 juni 2024 branche en een vertegenwoordiger van de wijk zitting neemt. Dit is in lijn met de opdracht die u met deze motie hebt meegegeven om een inspanningsverplichting op te nemen om
wijkbewoners toe te voegen aan de commissie. Ik heb maandag een concept gezien van de brief waarmee wij u hierover wilden informeren; ik verwacht dat die brief volgende week komt.
Het antwoord op vraag 2. Onder wijkbewoners verstaan wij wijkbewoners die zitting kunnen nemen
in de selectiecommissie. Wij zoeken naar een zo goed mogelijke representatie, maar ik heb al tijdens de raadsbehandeling aangegeven dat wij niet kunnen garanderen dat er ook in iedere wijk een wijkbewoner gevonden kan worden. Voor het benaderen van bewoners hebben we een profiel
opgesteld, alsook een beschrijving van wat er verwacht wordt van mensen. Op dit moment wordt de
werving voorbereid, samen met een bureau, om inwoners bereid te vinden om zitting te nemen in de beoordelingscommissie. De werving moet op dit moment nog starten.
Het antwoord op vraag 3. We hebben het profiel en de werkbeschrijving opgesteld om te zorgen dat de mensen ook weten waar ze aan beginnen, dat ze een onafhankelijk oordeel zullen moeten geven en dat dat ook gewaarborgd is. Het college streeft ernaar om wijkbewoners in de selectiecommissie
zitting te laten nemen en om die ook zo representatief mogelijk te laten zijn. Zo niet, dan kijken we in ieder geval naar blokjes of samenwerkingen van wijken die zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. Op de vierde vraag heb ik volgens mij zojuist antwoord gegeven.
De heer Van Straalen (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de wethouder voor de beantwoording.
Volgens mij leek haar beantwoording heel erg op zoals wij de motie bedoeld hadden. Even voor de volledigheid: het klopt dus dat straks een wijkbewoner uit Oost in de selectiecommissie voor Oost zit.
Mevrouw Schilderman (wethouder): De motie roept op een inspanning te leveren om ervoor te zorgen dat dit zo mogelijk gebeurt. Ik heb bij de behandeling van de motie ook aangegeven dat het zou
kunnen zijn dat je misschien een samenvoeging maakt van een paar wijken. Het zou dus kunnen zijn dat er een bewoner van Oost zit die ook over Noordoost spreekt. Dat zou de situatie kunnen zijn. Mevrouw Al-Saqaff (VVD): Voorzitter. Ook ik dank de wethouder voor haar antwoorden. Het uitgangspunt, ook van het college, is dus nog steeds dat als het lukt, er straks per wijk een wijkbewoner in de beoordelingscommissie zit.
Mevrouw Schilderman (wethouder): Zoals in de motie staat, streven wij ernaar om wijkbewoners toe
te voegen. We gaan kijken hoe goed dat lukt. Maar het zou kunnen zijn dat in een wijk mensen zich niet inschrijven. Dan kan ik me voorstellen dat het misschien verstandig is om een paar wijken samen te voegen, bijvoorbeeld wijken die naast elkaar liggen, zodat je een beetje tot een
vergelijkbaar werkpakketje komt en een goede afweging zou kunnen maken. Maar wij streven er nog
steeds naar om zo veel als mogelijk is per wijk een wijkbewoner in de beoordelingscommissie zitting te laten nemen. We zullen dat volgende week nog even bevestigen in de brief. De voorzitter: Dan gaan we nu naar de laatste set vragen van vandaag. 5. Mondelinge vragen, ingediend door de D66-fractie, mede namens ChristenUnie, CDA, GroenLinks, DENK, Student & Starter, PvdD en BIJ1 inzake Wéér een bangalijst.
Mevrouw Dada-Anthonij (D66): Voorzitter. Helaas werd gisteren duidelijk dat bangalijsten en
7
Vragenuur van 13 juni 2024 grietenpresentaties niet alleen rondcirculeren onder studenten, maar dat er ook een dergelijke lijst onder leerlingen van het Leidsche Rijn College rondgaat. Een schokkende ontwikkeling, die haaks staat op een gewenst schoolklimaat in Utrecht. De lijst is een voorbeeld van de negatieve
ontwikkelingen omtrent de sociale veiligheid op scholen, zichtbaar gemaakt door de monitoring van de Inspectie van het Onderwijs en de uitkomsten van het onderzoek uitgevoerd door RTL, waar D66 met een aantal partijen ook vragen over heeft gesteld.
Over de specifieke situatie op het Leidsche Rijn College hebben de fracties D66, ChristenUnie, CDA, GroenLinks, DENK, Student & Starter, PvdA en BIJ1 de volgende vragen:
1. Met deze bangalijst lijkt het alsof "shamen" en privacyschending door het verspreiden van
seksistische en beschadigende informatie geen incident, maar een brede ontwikkeling is. Deelt het college deze aanname en vindt zij dit ook onwenselijk, ook vanwege de minderjarige betrokkenen?
2. Heeft het college contact met het Leidsche Rijn College over deze lijst? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit contact?
3. Welke andere stappen gaat het college ondernemen om de sociale veiligheid op scholen in het algemeen te verbeteren en welke partijen gaat het college hierbij betrekken? Net als bij de
“Gossip Girl”-accounts is hier ook het risico op “copycat”-gedrag aanwezig. Misschien is dit zelfs wel een resultaat daarvan.
4. Heeft het college er een beeld bij hoe scholen dit risico verkleinen en kan het scholen daarin
ondersteunen? Op jonge leeftijd met zoiets als een bangalijst geconfronteerd worden, kan flinke impact hebben op zowel leerlingen als hun ouders. Op RTV Utrecht is te lezen dat leerlingen in ieder geval ondersteuning zullen krijgen.
5. Weet het college of het Leidsche Rijn College over professionele nazorg heeft nagedacht en kan zij toezeggen aan de school voor te stellen daar eventueel organisaties met ervaring op gebied van nazorg in dit soort situaties in te schakelen?
Mevrouw Dijksma (burgemeester): Voorzitter. Ik dank mevrouw Dada-Anthonij en de andere
indieners voor deze vragen. Ik vind het ontzettend triest – ik heb dat al gezegd in de media – dat er wederom een nieuwe lijst opduikt, vooral ook omdat het dit keer een middelbare school betreft. Ik heb al gezegd dat ik het idee heb dat de mensen die dit gedaan hebben, niet alleen een heel
verkeerd voorbeeld hebben gehad, maar zich vermoedelijk ook niet realiseren wat dit doet met de
slachtoffers. We zien inderdaad dat dit iets is wat geen incident op zichzelf is, maar iets wat breder speelt in de samenleving. Het gaat om een maatschappelijk vraagstuk dat landelijk speelt.
Gelukkig is vanaf 1 juni jongstleden seksueel grensoverschrijdend gedrag strafbaar gesteld op grond van de Wet seksuele misdrijven. Wij zijn als gemeente bij de consultatiefase van die wet betrokken. Dat biedt misschien wat nieuw perspectief in de komende periode om hier vanuit de landelijke trendvorming iets mee te doen.
We hebben contact gehad met het Leidsche Rijn College en het schoolbestuur, NUOVO, over het
incident. Het bestuur heeft aangifte gedaan – ik heb gezegd dat ik dat een goede zaak vind – en de
zaak is nu in onderzoek bij de politie. Er is ook nazorg aangeboden aan de getroffen leerlingen. Er is een statement op de website van de school gekomen. Met de school is afgesproken om op een later moment te bespreken hoe we specifiek de school nog beter kunnen ondersteunen met bijvoorbeeld preventieve maatregelen op online pestgedrag.
Dan de antwoorden op de vragen 3 en 4. Zoals gezegd hebben scholen een wettelijke verplichting voor het zorgdragen voor veiligheid en aandacht voor seksuele vorming. Dat is een enorme
uitdaging waar de scholen voor gesteld staan. Ze kunnen dat niet alleen. Vanuit mijn positie zou ik
8
Vragenuur van 13 juni 2024 ook tegen ouders willen zeggen: wees er alert op en praat erover, ook thuis. Leg ook uit wat het betekent als dit soort dingen gebeuren, zodat je vanuit je rol als opvoeder misschien ook daadwerkelijk een bijdrage kunt leveren. Die is soms groter dan je zelf misschien denkt.
Wij doen heel veel - de wethouder van Onderwijs kan daar van alles over vertellen – om scholen te ondersteunen, met het jongerenwerk, met zorgprofessionals, een hele ketenaanpak, enzovoort
enzovoort. We hebben ook een convenant op het terrein van school en veiligheid. Dat convenant wordt nu geactualiseerd. Daarbij zal dit onderwerp ongetwijfeld ook aandacht krijgen.
Het Leidsche Rijn College heeft direct aandacht gegeven aan nazorg van de leerlingen. De jeugdverpleegkundige denkt daarbij met de school mee. Het Buurtteam Jeugd is ook betrokken. En wij
blijven zoals gezegd in contact met de school over wat wij nog kunnen doen om de school te helpen. De heer Van Steeg (CDA): Voorzitter. Ik dank de burgemeester voor haar antwoorden. Zij ging in het begin van haar betoog in op de Wet seksuele misdrijven en merkte op dat we wellicht daar nog iets mee kunnen doen, juist als het gaat om dit soort fenomenen. Kan zij iets specifieker aangeven wat
wij op basis van deze wet zouden kunnen doen, juist omdat we in Utrecht nu al een paar keer achter elkaar deze praktijken hebben gezien? Gaat Utrecht op dit vlak ook het voortouw nemen?
Mevrouw Dijksma (burgemeester): Wat het laatste betreft: daar zijn we over het algemeen heel goed in op veel onderwerpen. Ik moet dit verder verkennen met onze eigen experts, maar ook met het OM, want het is natuurlijk niet alleen aan de gemeente om hierin te handelen. Het Openbaar
Ministerie zal daar een belangrijke rol in spelen. Het lijkt mij heel goed om dit onderwerp ook te
agenderen voor een vergadering van de driehoek, zodat wij in de driehoek kunnen beslissen wat wij straks met de nieuwe wetgeving in de hand eventueel nog zouden kunnen doen. Daarvoor moeten wij gewoon juridische expertise raadplegen.
Mevrouw Vermeulen (GroenLinks): Voorzitter. Het gaat hier om jonge meisjes, een kwetsbare groep
waarvan wij uit verschillende onderzoeken weten dat hun mentaal welzijn onder druk staat. Deelt de burgemeester dat wij voor deze specifieke groep wat meer aandacht moeten hebben?
Mevrouw Dijksma (burgemeester): Sowieso. Naar aanleiding van de eerdere lijsten heb ik ook met studentes gesproken die slachtoffer waren, doordat zij op een van die lijsten van de
studentenverenigingen stonden. Dan zie je ook – dat heeft mij best wel aangegrepen – welke enorme impact dat heeft, zelfs weken of maanden nadat het gebeurd is. Bijvoorbeeld worden zij nog steeds gebeld door wildvreemden, als zij geen ander telefoonnummer hebben genomen. Of zij hebben,
overal waar zij komen, toch het gevoel - ongeacht of dit terecht is of niet - dat er iemand naar hen
kijkt en daarbij allerlei dingen denkt die ooit op die lijst als commentaar op haar verschenen zijn. Het heeft dus een enorme mentale impact. Dat is ook precies de reden waarom de nazorg zo belangrijk is. Maar het beste is natuurlijk dat dit soort incidenten voorkomen wordt.
Mevrouw Al-Saqaff (VVD): Voorzitter! De naam van onze fractie staat niet onder de vragen, omdat wij even in de war waren met SV en MV, maar de VVD had ook onder de vragen kunnen staan.
De woorden van de burgemeester doen ons goed. Die lijsten lijken een trend te worden. Wij vragen ons af of er vanuit de scholen richting het college het signaal gekomen is dat zij op dit onderwerp bepaalde hulp nodig hebben die zij nog niet eerder hebben gekregen.
Mevrouw Dijksma (burgemeester): Dat durf ik nu niet te zeggen. Ik heb nog niet gehoord dat er
9
Vragenuur van 13 juni 2024 vanuit scholen een signaal gekomen is dat er iets extra nodig is. Maar ik kan mij voorstellen dat er naar aanleiding van de actualisatie van het convenant, dat eind 2024 opnieuw zal worden
vastgesteld, goed gekeken zal worden op dit domein of wij al doen wat nodig is en of er eventueel
iets meer gedaan moet worden. Daar zal ook de wethouder Onderwijs een belangrijke rol in moeten spelen. Ik kan mij niet voorstellen dat wij dit aspect onderbelicht laten. De actualisatie van het
convenant is een geode gelegenheid om samen met de scholen vast te stellen wat er nodig is en wat de gemeente kan doen.
Overigens ken ik uw fractie als een belangrijke voorvechter van vrouwenrechten en van het
aanpakken van straatintimidatie. Dus of de naam van uw fractie nu wel of niet ergens onder staat, wij weten waar uw fractie staat.
De heer Skori (DENK): Voorzitter. Wat kan het college doen om potentiële daders, opstellers van
dergelijke bangalijsten, zeker minderjarigen, scholieren, aan te spreken op dit soort gedrag en hen te wijze, op de impact die dit heeft op de slachtoffers, om op die manier bij hen het bewustzijn hierover te vergroten? Kan het college scholen bij dergelijke bewustwording ondersteunen?
Mevrouw Dijksma (burgemeester): Over de laatste vraag heb ik zojuist al iets gezegd. Dat moeten we inderdaad met de scholen bespreken.
Het aanspreken van daders ligt in de eerste plaats bij de politie en het OM. Het is niet de eerste rol van de gemeente om dat op te pakken. Wel kunnen wij op enig moment, bijvoorbeeld als het gaat om mensen die meer op hun kerfstok hebben en een spoor van misdragingen laten zien, hen een
plek geven in onze PGA-aanpak. Maar dan moet je daar wel echt voor kwalificeren. Dat gebeurt pas nadat alle onderzoek achter de rug is, als we beter weten om wie het gaat en we ons er ook van hebben vergewist dat de strafrechtelijke kant van de zaak voldoende afgedaan is.
Mevrouw Dada-Anthonij (D66): Voorzitter. Het is fijn dat er meteen contact is gezocht en dat er
stappen zijn ondernomen. Tegelijkertijd is het zorgelijk dat dit toch weer gebeurt, ondanks dat er veel aan preventie wordt gedaan.
Dan een laatste hartenkreet. Ik wens de school, de ouders – aan allebei de kanten – en alle betrokken leerlingen heel veel sterkte.
Mevrouw Dijksma (burgemeester): Die hartenkreet kan ik alleen maar onderschrijven. Ik denk dat dat ook nodig is. Ik begon al met de opmerking dat ik niet het idee heb dat degenen die dit gedaan
hebben, zich realiseren wat de impact daarvan is. Daar moeten we met elkaar als samenleving verder over spreken, want je merkt heel vaak dat mensen geen idee hebben wat hun handelen soms
teweegbrengt. Dat besef is niet alleen een taak van de overheid of de school, maar ook van de
ouders. Dat moeten we beter laten landen. Ik heb nog niet de sleutel gevonden om de deur naar een oplossing te openen; anders had ik die sleutel allang in het slot gestoken. Maar ik ben het ermee eens dat dit onderwerp nog niet klaar is; daar moeten we met elkaar verder over spreken. De voorzitter: Ik zie instemmend geknik.
Ik wil de raadsleden, de burgemeester en de wethouders bedanken voor de vragen en de
beantwoording. Ik wens hen, en ook iedereen die meegekeken of meegeluisterd heeft, een fijne avond.
De voorzitter sluit hierna, te 17.37 uur, het vragenuur.
10