14. 19 juni 2020 Second opinion De Trip, DCMR.pdf
Tekst van het document
Parallelweg 1
Gemeente Utrecht T.a.v. de heer N. Bel Hadj nordin.belhadj@utrecht.nl
Postbus 843 3100 AV Schiedam T
010 - 246 80 00
F
010 - 246 82 83
E
info@dcmr.nl
W www.dcmr.nl
Ons kenmerk
Uw kenmerk
Datum
9999177115_9999799317
-
19 juni 2020
Contact
Afdeling
Bijlagen
info@dcmr.nl
Reguleren en Advies
-
Onderwerp
Second opinion De Trip Geachte heer Bel Hadj, Op 15 mei 2020 heeft de DCMR Milieudienst Rijnmond uw opdrachtbevestiging ontvangen voor het uitvoeren van een second opinion voor het bedrijf De Trip B.V. aan de Sophialaan 7 in Utrecht. In uw eerdere mail van 18 maart 2020 heeft u een aantal specifieke vragen gesteld die u beantwoord wenst te zien. Kader Voor dit advies is de aangepaste ruimtelijke onderbouwing (versie 6 maart 2020) getoetst aan de VNG-richtlijn ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ en het Besluit omgevingsrecht. Conclusie De activiteiten die in de ruimtelijke onderbouwing worden beschreven vallen onder categorie 4.2 van de VNG-richtlijn. Het bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning van De Trip zijn de Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht. De gemeente Utrecht moet een Verklaring van geen bedenkingen afgeven voor het afwijken op het vigerende bestemmingsplan. Er is (voor zover bekend) geen nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Hierdoor wijken de activiteiten in de aanvraag deels af van de activiteiten die zijn beschreven in de ruimtelijke onderbouwing. De ruimtelijke onderbouwing en de bijlagen zijn grotendeels identiek aan de eerder door ons beoordeelde versie. Ons eerdere advies van 19 april 2019 blijft daardoor onverminderd van toepassing.
Blad 1 van 4
Ons kenmerk
9999177115_9999799317
Beoordeling In uw mail van 18 maart 2020 gaf u aan dat de volgende wijzigingen in de ruimtelijke onderbouwing zijn doorgevoerd: Intrekken activiteit puinbreken; Intrekken activiteit vuiloverslagstation; Geen inname van gemengd afval en RKG-slib en beperktere opslag van gevaarlijk bouw- en sloopafval; Geen incidentele aanvoer van schepen in de avond- en nachtperiode. Naar aanleiding van deze wijziging heeft u een aantal gerichte vragen gesteld, die hieronder zullen worden behandeld. 1. Is het bedrijf na intrekking van bovenstaande activiteiten een milieuinrichting in de categorie 4.1? De vraag welke milieucategorie van toepassing is, hangt niet zozeer af van de activiteiten die niet (meer) worden aangevraagd, maar van de activiteiten die (nog) wel worden aangevraagd. In hoofdstuk 3 van de ruimtelijke onderbouwing is hierover het volgende opgenomen: ‘De inrichting van De Trip aan de Sophialaan 7 en 31, voorheen in gebruik door Gipsbouw BV en Eurosalt BV, wordt gebruikt voor de opslag, het opbulken en deels be-/verwerken van goederen, die worden toegepast of vrijkomen in de grond-, weg- en waterbouw en sport en cultuurtechniek. Na het opbulken en be-/verwerken worden de grondstoffen en materialen opnieuw ingezet of ingezet voor nuttige toepassing.
In de huidige situatie valt het bedrijf onder het Activiteitenbesluit de aanvraag voor de toekomstige situatie betreft het een vergunningsplichtige situatie. Dit komt onder andere door de inname, op- en overslag en bewerking van grotere en meer afvalstromen (ook van derden en ook gevaarlijkafval) die wordt aangevraagd. Het aan- en afvoeren van materialen vindt plaats middels vrachtwagens en schepen. Voor het laden en lossen van de schepen is een kraan in gebruik. De opslag van afvalstoffen vindt gescheiden van elkaar plaats om ongewenste menging en verontreiniging van onverenigbare stromen te voorkomen. De afvalstoffen en grond- en hulpstoffen worden los binnen de inrichting gestort en/of in containers opgeslagen. Dit is afhankelijk van de fysieke eigenschappen van de stoffen, zoals stofvorming, bodembedreigendheid, brandbaarheid, geur en schadelijkheid.
De voornaamste activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd zijn: Opbulken (waaronder verdichten) en samenvoegen (waaronder mengen en homogeniseren), waarbij materiaal van gelijke aard en samenstelling naar dezelfde afnemer worden afgezet; Scheiden (bijvoorbeeld zeven, handpicking, ontwateren van baggerspecie); Verkleinen, met name hout en houtachtig groenafval; Ontwateren; Naast genoemde activiteiten vindt ook opslag plaats van machines en materieel, aardolieproducten bedoeld voor inzet op eigen werken elders, de opslag van zout/pekel voor gladheidsbestrijding en handelsdoeleinden alsmede kantooractiviteiten. De meest ingenomen afvalstoffen kunnen door eenvoudige bewerkingen ingezet worden voor nuttige toepassing of vervolgbewerking buiten de inrichting door vergunde vervolgbewerkers. Bij bewerking van de afvalstoffen wordt gebruik gemaakt van apparatuur zoals een shovel, mobiele kraan, verkleiningsapparatuur (houtshredder) en een scheidingsinstallatie (zeefinstallatie). Het verkleinen van hout en houtachtig groenafval vindt thans plaats met een mobiele shredder die hiervoor tussen keerwanden wordt opgesteld.’
Blad 2 van 4
Ons kenmerk
9999177115_9999799317
Ten opzichte van de vorige versie van de ruimtelijke onderbouwing is alleen het puinbreken uit de opsomming verdwenen. De overige activiteiten zijn ongewijzigd overgenomen. Gelet op deze opsomming zijn de volgende SBI-codes van toepassing: -
SBI 383202 (C): Afvalscheidingsinstallaties, VNG 4.2 SBI 381 (B): Gemeentewerven (afvalinzameldepots) SBI 381 (C): Vuiloverslagstations, VNG 4.2 2 SBI 41, 42, 43: Aannemers-/ bouwbedrijven b.o. > 2.000 m , VNG 3.2
Opvallend hierbij is dat weliswaar in de inleiding van de ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat de activiteit ‘Vuiloverslagstations’ wordt ingetrokken, maar dat dit niet blijkt uit de in de ruimtelijke onderbouwing vermelde activiteiten. Immers het inzamelen, op- en overslaan en bewerken van buiten de inrichting afkomstige afvalstromen zijn activiteiten die moeten worden gekwalificeerd als activiteiten behorende bij een vuiloverslagstation, dat tot milieucategorie 4.2 behoort. 2. Wie is het bevoegd gezag bij milieuinrichting in de categorie 4.1? De vraag wie voor de inrichting het bevoegd gezag is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is niet afhankelijk van de VNG milieucategorie. Op grond van de Wabo (er van uitgaande dat tot de inrichting van De Trip een IPPC-installatie behoort) zijn in het geval van het op- of overslaan van afval gedeputeerde staten (onder andere) bevoegd bij een opslagcapaciteit van 3 1.000 m of meer. 3
Uit de opsomming in de Aanmeldnotitie blijkt dat de capaciteit ruimschoots meer is dan 1.000 m , zodat gedeputeerde staten bevoegd zijn voor het beslissen op de aanvraag. 3. Is er bij milieuinrichting in de categorie 4.1 dan nog steeds een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) van de gemeenteraad van Utrecht noodzakelijk? Of een Verklaring van geen bedenkingen (vvgb) nodig is, hangt samen met de vraag of het initiatief in het bestemmingsplan past en zo niet, op welke wijze deze strijdigheid kan worden vergund. In artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo worden de drie mogelijke wijzen beschreven, te weten: 1° - binnenplanse afwijking, of wel het bestemmingsplan voorziet zelf in een mogelijkheid en toetsingskader 2° - in het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen categorieën van gevallen ook wel ‘kruimelgeval’ genoemd; 3° - buitenplanse afwijking met een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ met in beginsel een vvgb van de gemeenteraad (o.g.v. artikel 6.5, eerste lid van het Bor). Opgemerkt wordt dat een vvgb niet is vereist, indien de gemeenteraad (thans eerder) met een delegatiebesluit heeft verklaard dat een vvgb voor het betreffende (categorie van) geval niet is vereist (zie artikel 6.5 derde lid, van het Bor). Ons is niet bekend of een degelijk delegatiebesluit reeds genomen is.
Zo lang de strijdigheid met het bestemmingsplan niet via 1° of 2° vergund kan worden, blijft variant 3° (de variant met een GRO en vvgb) over. Het maakt daarbij niet uit in welke VNG categorie het bedrijf valt. Ook maakt het geen verschil wie het Wabo bevoegd gezag is (GS of B&W), dus ook niet voor de vraag of er een vvgb vereist is of niet.
Blad 3 van 4
Ons kenmerk
9999177115_9999799317
4. Zijn de uitgangspunten die in de ruimtelijke onderbouwing zijn opgenomen correct? Voor zover bij de DCMR bekend is, is geen nieuwe aanvraag ingediend. Daardoor sluit de ruimtelijke onderbouwing niet meer aan bij de aanvraag van 30 mei 2016. In de aanvraag blijft immers wel sprake van de activiteiten die uit de ruimtelijke onderbouwing zijn geschrapt. Geluid Net als in de voorgaande versie van de ruimtelijke onderbouwing wordt de betekenis van het begrip ‘gemengd gebied’ verkeerd geïnterpreteerd. Als een gebied als gemengd gebied wordt getypeerd, mag niet de geluidbelasting van het bedrijf toenemen, maar mag de richtafstand tot gevoelige bestemmingen worden verkleind, waardoor de geluidbelasting op deze gevoelige bestemmingen hoger wordt. Oftewel: de gebiedstypering zegt niets over de geluidemissie van een bedrijf, maar iets over de geluidimmissie op de gevels van woningen. Om vergelijkbaar te zijn met categorie 4.1 geldt dus een geluidniveau op 200 meter van 45 dB(A). Er is geen nieuw akoestisch onderzoek bijgevoegd. Onze opmerkingen in de brief van 19 april 2019 blijven derhalve onverminderd van toepassing. Geur In de paragraaf over geur is de activiteit ‘Vuiloverslagstation’ weggelaten. Gezien de beschreven activiteiten is dit niet terecht. Er is geen nieuw geurrapport bijgevoegd, zodat onze conclusie in het advies van 19 april 2019 onverminderd van toepassing blijft.
Voor de overige milieuaspecten is geen nieuwe informatie aangeleverd. Ook hiervoor blijft ons eerdere advies dan ook onverminderd van toepassing. Nadere informatie Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met mevrouw L.C. Luijendijk telefoonnummer 010 246 8107 of e-mailadres loes.luijendijk@dcmr.nl.
Hoogachtend, namens de directeur DCMR Milieudienst Rijnmond, G. Doezeman coördinator afdeling Reguleren en Advies
Blad 4 van 4