Technisch PvE
Tekst van het document
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Concept voorbereid op de toekomst ●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Technisch Programma van Eisen - Brede School Zeeheldenwijk Urk
Opdrachtgever Project Datum Referentie Auteur(s)
Begeleiding nieuwbouw Brede School Zeeheldenwijk 22 juni 2021 1650602-0032.0.3 de heer ir. R.J.W. Kersten - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●● ●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Statenlaan 8
Postbus 70501
T +31 (0)73 6 409 409
info@hevo.nl
KvK Brabant 16029774
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
5223 LA 's-Hertogenbosch
5201 CB 's-Hertogenbosch
F +31 (0)73 6 410 118
ISO 9001-gecertificeerd
BTW 0011.60.461.B01
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Inhoudsopgave 1.
Algemeen
5
2. 2.1. 2.1.1. 2.2. 2.2.1. 2.2.2. 2.2.3. 2.2.4. 2.3. 2.3.1. 2.3.2. 2.3.3. 2.4. 2.4.1. 2.4.2. 2.4.3. 2.4.4.
Gezondheid Luchtkwaliteit Ruimtevolume (plafondhoogte) Visueel comfort Reflectiepercentages Kunstlicht Helderheidswering Individuele regelbaarheid Akoestisch comfort Installatiegeluid Nagalmtijd Lucht- en contactgeluidsisolatie binnen het gebouw Thermisch comfort Temperatuuroverschrijdingsberekening (TOB) Verblijfsruimten Vloertemperatuur Stralingsasymmetrie
7 7 7 7 7 7 8 8 8 8 9 9 10 10 10 11 11
3. 3.1. 3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.1.4. 3.1.5. 3.1.6. 3.1.7. 3.1.8. 3.1.9. 3.1.10. 3.1.11. 3.1.12. 3.1.13. 3.1.14. 3.1.15. 3.1.16. 3.1.17. 3.1.18. 3.1.19.
Bruikbaarheid Veiligheid Brandveiligheid Aanvalsplan Ontruimingsinstallatie Noodverlichting Vluchtwegaanduiding Bliksembeveiliging Overspanningsbeveiliging Uitval van elektriciteit (noodstroomvoorziening) (Door)valbeveiliging Oproep mindervalidentoilet Camerabewaking (CCTV) Toegangscontrole Aanwezigheids- of persoonsregistratie Inbraakbeveiliging Nacht- c.q. waakverlichting Schrikverlichting Buitenverlichting Legionella Nood- en oogdouches
12 12 12 12 12 13 13 13 13 13 13 13 14 14 14 14 14 14 14 15 15
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 2 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.20. 3.2. 3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.2.4. 3.2.5. 3.3. 3.4. 3.4.1. 3.4.2. 3.4.3. 3.4.4. 3.4.5. 3.4.6. 3.4.7. 3.4.8. 3.4.9. 3.4.10.
Terreinafscheiding Toegankelijkheid Toegankelijkheid voor mindervaliden Entrees Horizontaal verkeer Verticaal verkeer Techniek Groenvoorzieningen Materialen Duurzame en onderhoudsvriendelijke materialen en materiaaltoepassingen Vloeren en vloerafwerking Daken, dakafwerkingen en daklichten Buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen Binnenwanden, binnenwandafwerking en binnenwandopeningen Hang- en sluitwerk Trappen, balustrades en leuningen Plafondafwerking Bestrating Grondbalans
4. 4.1. 4.1.1. 4.2. 4.3. 4.3.1. 4.3.2. 4.3.3. 4.3.4. 4.3.5. 4.4. 4.5. 4.5.1. 4.5.2. 4.6. 4.6.1. 4.6.2. 4.6.3. 4.7. 4.7.1. 4.7.2. 4.7.3. 4.7.4. 4.7.5.
Energie en water Energie Energieprestatie Regelinstallatie Verwarming Warmteopwekking Warmteafgifte en -distributie Regeling verwarming Energiezuinige verwarming Beperking warmtelast Koeling Ventilatie Regeling ventilatie Energiezuinige ventilatie Elektra Elektriciteitsvoorziening Energievermindering en PV-panelen Infrastructuur Water Visie op waterkringloop Waterleidingnet Warm water Regeling Binnenriolering
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
15 15 15 15 15 15 16 16 16 16 17 17 18 18 19 19 20 20 20 2120 2120 2120 21 2221 2221 2221 2322 2322 2322 2322 23 23 23 23 23 2423 2423 24 24 2524 25 25 25
Pagina 3 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.7.6. 4.7.7. 4.7.8.
Hemelwaterafvoer Terreinriolering Waterhuishouding bodem
2625 2625 26
5. 5.1. 5.1.1. 5.2. 5.3. 5.3.1. 5.3.2. 5.3.3. 5.3.4. 5.3.5. 5.3.6. 5.3.7. 5.3.8. 5.3.9. 5.3.10. 5.3.11. 5.3.12. 5.3.13.
Inrichting gebouw en terrein Vaste inrichting gebouw Sanitaire inrichting Vaste inrichting terrein Technische (aansluit)voorzieningen van gebruikersinstallaties Aansluitvoorzieningen t.b.v. vaste en losse inrichting en gebruikersinventaris Demarcatie gebouw en inrichting Wandcontactdozen 230V en 400V Data- en telefooninstallatie Mededelingensysteem Geluidsversterkerinstallatie schooldeel Lestijdensignaleringssysteem schooldeel Omroepinstallatie Brede School Centrale antenne-installatie (CAI) Tijdinstallatie Toegangscontrole gebruikers CCTV Brede School Gasaansluitingen
27 27 27 27 28 28 28 28 28 29 29 29 29 29 29 30 30 30
6. 6.1. 6.2. 6.3.
Aanvullende aandachtspunten Aandachtspunten technisch onderhoud Aandachtspunten schoonmaakonderhoud Aandachtspunten beheer en onderhoud
31 31 31 31
7. 7.1.
Bijlagen Matrix kwaliteitsadvies Frisse scholen Brede School Zeeheldenwijk Urk
32 32
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 4 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
1.
Algemeen Dit technisch Programma van Eisen (TPvE) is een aanvulling op het ruimtelijk en functioneel Programma van Eisen (rfPvE). In dit TPvE worden ontwerpkaders voor de architect en de adviseurs gegeven. Tijdens de ontwikkeling van het ontwerp zullen de technische eisen nader aangevuld en gedetailleerd worden door de architect en de adviseurs. Sommige onderdelen, zoals benodigde aansluitpunten (wandcontactdozen, datapunten, warm- en koudwaterpunten etc.) zullen in de ontwerpfase nog afgestemd worden met de gebruikers (stakeholders) Uitgangspunten voor het TPvE zijn het vastgestelde budget, de wettelijke kaders en de ambitie van de opdrachtgever. Het is verder een doelstelling om een gebouw te realiseren met een optimale Total Cost of Ownership (TCO). Het betreft een hoogwaardige, moderne, gezonde, frisse, flexibele en onderhoudsvriendelijke Brede school, die bovendien bijna energieneutraal (BENG), gasloos en duurzaam moet worden gerealiseerd. Het (technisch) ontwerp zal aan alle relevante wet- en regelgeving en overige overheidsvoorschriften moeten voldoen. Binnen dit kader vallen onder andere: • Wet Milieubeheer (Wm). • Waterwet. • Arbeidsomstandighedenwet. • Wet geluidhinder (Wgh). • Gemeentelijke bouwverordening. • Vigerend bestemmingsplan c.q. Wet op de Ruimtelijke Ordening. • Bouwbesluit, inclusief alle geldende NEN-normen (www.Bouwbesluitonline.nl).
• Ministeriële richtlijnen. • Drank- en Horecawet. • Het gebruiksbesluit. • De eisen van de plaatselijke nutsbedrijven. • EG-wetgeving en –regelgeving. • Toegankelijkheid van het gebouw overeenkomstig het Handboek voor Toegankelijkheid. • HACCP voor de keuken. Eisen die onder de hierboven benoemde regelgeving vallen, worden inhoudelijk niet benoemd. Kwaliteitsniveau Uitgangspunt voor de kwaliteit van de nieuwe huisvesting is het actuele Bouwbesluit, aangevuld met de specifiek vermelde eisen in dit technisch PvE. Voor de eisen van de groepsruimten wordt gebruik gemaakt van Frisse Scholen september 2015 waarvan de keuze is opgenomen in het document ‘Advies standaard kwaliteitsniveau bij nieuwbouwschool’ van HEVO, hierna te noemen ‘Tabel Kwaliteitsniveau’. Deze eisen zijn voor een deel ter verduidelijking uitgeschreven in dit document.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 5 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Voor de andere ruimten in het gebouw, indien deze afwijken van deze eisen, worden deze specifiek benoemd in dit document. Voor het kinderdagverblijf (KDV) is het kwaliteitskader kinderopvang huisvesting van maart 2019 grotendeels van toepassing. Afwijkingen hierop zijn: • Frisse scholen conform Tabel Kwaliteitsniveau. Dus daglicht bouwbesluit met ambitie naar klasse C. • BENG op basis van eisen onderwijsfunctie. • Losse inrichting (inclusief groen) valt buiten de scope van dit TPvE. • Tochtsluizen met een diepte van 6m in plaats van 3m. • Voor Cat 6A bekabeling in plaats van Cat 6 opgenomen Voor ruimten geschikt voor speciaal onderwijs (SO) worden de eisen en bezetting aangehouden als zijnde het primair onderwijs (PO). Hiervoor wordt gekozen om flexibiliteit voor de toekomst te kunnen realiseren. Het gebouw zal in fasen worden gerealiseerd. Na fase 1 moet de installatie van het gebouw een werkend geheel zijn en dat moet na realisatie van fase 2 ook het geval zijn.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 6 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
2.
Gezondheid
2.1.
Luchtkwaliteit Voor leslokalen/groepsruimten geldt conform Tabel Kwaliteitsniveau B. Dit betekent: • De CO2-concentratie in leslokalen (in de ademzone) is tijdens gebruikstijd maximaal 950 ppm. (Normaal wordt hierdoor een ventilatiecapaciteit van minimaal 8,5 dm³/s (30,6 m³/uur) per persoon verreist) Deze eis geldt ook voor andere verblijfsruimten, met uitzondering van • overleg- of kantoor-/werkruimten met een lage bezetting (1-2 personen) worden voorzien van een minimale luchtaanvoer en -afvoer van circa 100 m³/h en 50 m³/h per persoon. Dit is een zwaardere eis. • Voor niet verblijfsruimten geldt een minimale afzuigcapaciteit conform het bouwbesluit voor toiletten van 7 dm3/s.
2.1.1.
Ruimtevolume (plafondhoogte) • • • • • • • •
Plafondhoogte groepsruimten/KDV: Plafondhoogte verwerkingsruimten: Plafondhoogte kookatelier/denkgroep/snoezelruimte: Plafondhoogte aula/ontmoetingsruimten: Plafondhoogte kantoorruimten/overlegruimten : Plafondhoogte gangen: Plafondhoogte toiletten: Plafondhoogte speellokaal:
2.2.
Visueel comfort
2.2.1.
Reflectiepercentages
≥ 2,8 m¹. (B) ≥ 2,8 m¹. ≥ 2,8 m¹. ≥ 3,5 m¹. (ambitie 4 m1) ≥ 2,6 m¹. ≥ 2,5 m¹. ≥ 2,5 m¹. ≥ 3,0 m¹. (ambitie 3,5 m1)
Voor de lichttechnische berekeningen dient gerekend te worden met de volgende waarden van reflectiepercentages: • Wanden: minimaal 50%. • Vloeren: minimaal 20%. • Plafonds: minimaal 70%. • Vervuilingsfactor: 15%.
2.2.2.
Kunstlicht Verlichtingssterkte ruimten: • Leslokalen/groepsruimten/verwerkingsruimten: 400 lux. • Personeelskamer/KDV: 400 lux. • Docentenwerkruimte, kantoren, spreekkamer: 500 lux. • Denkgroep/snoezelruimte: 300 lux • Aula: 300 lux. • Slaapkamers KDV 300 lux • Keuken: 400 lux. • Conciërgeruimte: 400 lux.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 7 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
• • • •
Berging, werkkast, techniekruimte: Toiletten, kleedruimten: Verkeersruimte, entree: Speellokaal:
250 lux. 250 lux. 250 lux. 300 lux op vloerniveau
Aanvullende eisen: • Kunstverlichting voldoet aan de eisen uit NEN-EN 12464-1. • De Lichtsterkte dient op werkbladhoogte met een gelijkmatigheid van 0,7 te worden aangebracht. • De UGRL (waarde voor de beperking van de ‘verblindingshinder’ ) van toegepaste armaturen is ≤19. • De lichtkleur dient nader te worden bepaald in overleg met de adviseurs en de opdrachtgever. (Ra is groter dan 80) • Daar waar beeldschermen zijn geprojecteerd dienen de armaturen beeldschermvriendelijk uitgevoerd te worden.
2.2.3.
Helderheidswering Helderheidswering en verduisteringsscreens vallen onder het inrichtingsbudget, te organiseren door de gebruikers. De helderheidswering moet zodanig geselecteerd worden, dat luminantie verhoudingen (‘contrasten’ in het gezichtsveld) tussen taak (bijv. schrift), directe omgeving (bijv. tafelblad) en periferie (bijv. raam) maximaal 1:3:10 (taak: directe omgeving: periferie) bedragen.
2.2.4.
Individuele regelbaarheid In elke ruimte kan de verlichting afzonderlijk worden ingeschakeld. Daarmee wordt de bewegingsdetectie ook geactiveerd die vervolgens voor het uitschakelen zorgt. In sanitaire ruimten aanwezigheidsdetectie toepassen. In de KDV groepsruimten moeten dimmers worden toegepast.
2.3.
Akoestisch comfort
2.3.1.
Installatiegeluid Maximaal geluidsniveau in niet-groepsruimten als gevolg van installaties: • Leslokalen/groepsruimten/KDV: 30 dB(A) (C) • Slaapkamers KDV: 30 dB(A) • Snoezelruimte/denkruimte: 30 dB(A) • Zelfstandige werkruimte: 35 dB(A) • Verwerkingsruimten: 35 dB(A) • Kantoren/spreekkamers/vergaderruimte: 35 dB(A). • Aula: 40 dB(A). • Verkeersruimte: 40 dB(A) (niet zijnde onderwijsruimte). • Sanitair (inclusief kleedruimten): 45 dB(A).
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 8 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
• •
2.3.2.
Bergingen/werkkasten Technische ruimte:
45 dB(A) 70 dB(A).
Nagalmtijd In onderstaande tabel zijn de eisen inzake de nagalmtijd 1) opgenomen voor nietgroepsruimten. Nagalmtijd in seconden 0,4-0,6 0,8 0,6 1,2-1,8 2) 0,8 1,0-1,5 <1,0
Ruimtesoort Groepsruimten Leerplein/KDV Slaapruimten KDV/Snoezelruimte/denkruimte Aula/ontmoetingsruimte Kantoorruimten/vergaderruimten Bergingen/werkkasten Verkeersruimten/entree/sanitair 1) 2)
2.3.3.
Gemiddeld over octaafbanden 250 tot en met 2000 Hz in de niet ingerichte ruimte. Af te stemmen op formaat en gebruik
Lucht- en contactgeluidsisolatie binnen het gebouw In de onderstaande tabel zijn de luchtgeluidsisolatie- en de contactgeluidsniveau-eisen opgenomen volgens NEN 5077: Ruimtesoort
Minimale luchtgeluidsisolatie Naar verblijfs- Naar verkeersruimte ruimte DnT;A R’w DnT;A R’w
Maximaal contactgeluidsniveau Naar verblijfsNaar verkeersruimte ruimte [LnT;A in dB] [LnT;A in dB]
Groepsruimten Kantoorruimten/ spreekkamers/ vergaderruimten Snoezelruimte/denk ruimte KDV
43 45
49 51
25 33
29 36
59 59
69 69
45
51
33
36
59
69
39
42
25
29
59
69
Toiletten Technische ruimte
45 45
51 51
25 33
29 36
59 59
69 69
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 9 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
2.4.
Thermisch comfort
2.4.1.
Temperatuuroverschrijdingsberekening (TOB) Voor TOB’s wordt het referentiejaar RA2008T1 (volgens NEN 5060) aangehouden. Hierbij wordt voor de school de zomervakantieperiode niet meegenomen. Voor de KDV moeten deze wel worden meegenomen.
2.4.2.
Verblijfsruimten Voor de verblijfsruimten geldt de volgende eis aangaande het thermisch comfort: • Operatieve temperatuur winter: de operatieve temperatuur (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) dient in het stookseizoen tussen 20 en 24°C te liggen. Regelbaar tussen 22°C ± 2°C •
Operatieve temperatuur zomer: Er wordt actieve koeling toegepast in het gebouw. Bij zichtbare actieve koeling ligt de operatieve temperatuur tussen 23 en 26°C. Eisen voor gebouwen met zichtbare actieve koeling komen overeen met NEN-EN-ISO 7730. Het is een wens om de kantoorruimten, spreekruimten en overlegruimten te laten voldoen aan NEN-ISO 7730, klimaatklasse B, t.w.: - 0,5 < PMV < + 0,5. In die situatie zal - zo is uit onderzoek gebleken - meer dan 80% van de aanwezigen zich thermisch behaaglijk voelen. Bij de genoemde PMV hoort het activiteitenniveau voor kantoorwerk (lichte, hoofdzakelijk zittende activiteit) van 1,2 met de thermische weerstand van de kleding kan worden gesteld op 1 clo in de wintersituatie en 0,5 clo in de zomersituatie. Er wordt een maximaal aantal van 125 gewogen overschrijdingsuren toegestaan in de temperatuuroverschrijdingsberekening.
Voor niet-verblijfsruimten gelden de volgende minimale temperaturen • Sanitaire ruimten 18°C • Verkeersruimten 18°C • Bergingen/ werkkasten 15°C Beperking warmtelast in de zomer De buitengevel zodanig ontwerpen (screens, lamellen, zonwerende beglazing) dat aan paragraaf 2.4.1 wordt voldaan. Zonwering uitgevoerd in screens, centraal per gevel zonlicht en wind geregeld, maar decentraal per ruimte. Daarnaast glazenwassersstand centraal bij conciërge. Waar zonwering van toepassing is: centraal en decentraal regelbare zonwering tot windkracht 7 inclusief centrale glazenwassersstand. Luchtsnelheid/draughtrate: 1. Luchtsnelheid in leefzone ’s zomers ≤ 0,23 m/s. Luchtsnelheid in leefzone ’s winters ≤ 0,19 m/s. 2. In plaats van de aangegeven luchtsnelheden kan ook worden uitgegaan van de Draught Rate (DR) ofwel het verwachte percentage ontevredenen als gevolg van tocht. Voor Klasse C geldt een DR<30%.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 10 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.
Het tochtrisico wordt bepaald op nek- (1,1 m) en enkelniveau (0,1 m) met gesloten ramen en deuren.
Individuele beïnvloeding: • Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen per verblijfsruimte handmatig regelbaar met een bandbreedte van minimaal 2°C binnen de gekozen grenswaarden voor de operatieve temperatuur. Dit dient regelbaar te zijn in het gebouwbeheersysteem (GBS), in de ontwerpfase dient te worden afgestemd of dit per lokaal bedienbaar moet zijn. • De snelheid van de temperatuurregeling is maximaal circa 1°C per half uur. • De bedieningsknop voor de temperatuurregeling moet zonder instructie te begrijpen zijn. • Indien (buiten)zonwering aanwezig is, dient deze vanuit de groepsruimten bedienbaar (of te overrulen) te zijn.
2.4.3.
Vloertemperatuur De vloertemperatuur ligt tussen 17 en 29°C. Bij KDV groepsruimten vloerverwarming toepassen.
2.4.4.
Stralingsasymmetrie De verticale temperatuurgradiënt (verschil tussen de luchttemperatuur op enkel- en hoofdhoogte) is <4 K/m. De stralingstemperatuurasymmetrie (verschil in temperatuur van tegenoverliggende vlakken) is: • bij een warm plafond <7°C; • bij een koude wand <13°C; • bij een koud plafond <18°C; • bij een warme wand <35°C..
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 11 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.
Bruikbaarheid
3.1.
Veiligheid
3.1.1.
Brandveiligheid Het ontwerp van de brandmeldinstallatie moet voldoen aan de wettelijke eisen. In dit kader zijn ook van belang: • Er dient een efficiënte compartimentering te worden gecreëerd binnen de grenzen van het Bouwbesluit, om dure voorzieningen als brandwerende ramen en kozijnen zoveel mogelijk te beperken. • Brandslanghaspels bij voorkeur als inbouw in wand uitvoeren. De vrije ruimte aan de onderzijde moet circa 250 mm bedragen in verband met de geleiderol en de afsluiter. De slang van een brandslanghaspel mag niet door een deur van een brandcompartiment gaan (dus niet in (vlucht)trappenhuizen plaatsen). • Een draagbaar blustoestel met een inhoud van ten minste 6 kilogram sproeischuim (of een vergelijkbaar blusmiddel) behoort aanwezig te zijn in de volgende ruimten (in of nabij); Technische ruimten (cv-ruimte, laagspanningsverdeelruimte etc.). Alle ruimten met een verhoogd brandgevaar.
3.1.2.
Aanvalsplan Met de brandweer moet de situering besproken worden van: • Opstelplaats blusvoertuig. • Vluchtwegen. • Rook- en brandcompartimenten. • Brandslanghaspels. • Brandhydranten op terrein. • Droge blusleidingen (grote of hoge gebouwen). • Sleutelkluis. • Brandmeldcentrale en bedieningspanelen.
3.1.3.
Ontruimingsinstallatie Indien een ontruimingsinstallatie verplicht is, dan moet een PvE worden opgesteld dat door de brandweer moet worden goedgekeurd. Vaak kan worden volstaan met een combinatie van een brandmeldinstallatie en signaalgevers. Deze signalen dienen in elke ruimte voldoende (volgens regelgeving) hoorbaar te zijn. Hierbij maakt men voor de signaalgevers gebruik van de energievoorziening van de brandmeldinstallatie. De capaciteit van deze energievoorziening moet hier dan wel op zijn aangepast (zowel primair als secundair). In dit geval is het niet noodzakelijk de uitgaande verbindingen naar de essentiële apparaten, zoals signaalgevers, bedieningspanelen e.d., op storing te bewaken. Bij een dergelijke installatie moet nog worden opgemerkt dat, onafhankelijk van een brandmelding, de ontruimingsinstallatie handbediend in werking moet kunnen worden gesteld door middel van een bedieningspaneel. Bij slaapvertrekken in kinderdagverblijven zijn de eisen aan de ontruimingsinstallatie hoger.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 12 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.4.
Noodverlichting De noodverlichting moet aangelegd worden conform wet- en regelgeving.
3.1.5.
Vluchtwegaanduiding De vluchtwegaanduiding moet aangelegd worden conform wet- en regelgeving. De (permanent verlichte) vluchtwegaanduidingen met pictogrammen kunnen gecombineerd worden met de noodverlichting.
3.1.6.
Bliksembeveiliging De regelgeving vereist geen bliksembeveiliging.
3.1.7.
Overspanningsbeveiliging De inrichting van de overspanningsbeveiliging is afhankelijk van de omvang van de school. Uitgangspunt is één grofbeveiliging op de hoofdverdeler en vier middenbeveiligingen per 5.000 m² bvo. Daarvoor is het noodzakelijk om in de hoofdverdeelkast en in of nabij eventuele verdeelkasten met voedingen voor gevoelige apparatuur overspanningsafleiders aan te brengen: • Een grofbeveiliging in de hoofdverdeelinrichting (25 kA, klasse B). • Een middenbeveiliging in de onderverdeelinrichtingen (klasse C).
3.1.8.
Uitval van elektriciteit (noodstroomvoorziening) De volgende installatieonderdelen worden voorzien van een noodstroomvoorziening (op basis van accu): • Noodverlichting (centraal of decentraal, tegenwoordig meestal decentraal). • Brandmeldinstallatie (indien van toepassing). • Ontruimingsinstallatie. • Omroepinstallatie. • Inbraakbeveiligingsinstallatie. • ICT-servers (eigen UPS, dit betreft inrichting).
3.1.9.
(Door)valbeveiliging Deze dient te voldoen aan het Bouwbesluit. Houd hierbij rekening met opstelling van eventuele luchtbehandelingskasten en PV-panelen.
3.1.10.
Oproep mindervalidentoilet Het mindervalidentoilet moet worden voorzien van een signalering door middel van een trekkoord, een trekschakelaar en een bel met signaleringslamp. Deze moeten op een goed zichtbare plaats worden aangebracht. Registratie van deze signalering vindt plaats in de centrale receptie.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 13 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.11.
Camerabewaking (CCTV) Het datanetwerk wordt ook gebruikt voor de camerabewaking. Aantal en locaties afhankelijk van het ontwerp, te bepalen door de installatieadviseur in overleg met de gebruikers. De camera’s zelf vallen onder het inrichtingsbudget.
3.1.12.
Toegangscontrole Er zijn geen eisen met betrekking tot toegangscontrole.
3.1.13.
Aanwezigheids- of persoonsregistratie Er komt geen aanwezigheids- of persoonsregistratie.
3.1.14.
Inbraakbeveiliging • • • •
Het ontwerp van de inbraakalarminstallatie moet voldoen aan de volgende eis: BORG. In delen in- en uit te schakelen zijn. Alle buitentoegangsdeuren niveau B1 (3 minuten inbraakwerend). Opslagruimte waardevolle spullen inbraakwerend uitvoeren niveau C2 (10 cm steenachtige wanden, massieve deur 38 mm met 3 minuten inbraakwerend hang- en sluitwerk).
Bij het ontwerp van het gebouw moet in het kader van inbraakpreventie daarnaast aandacht zijn voor: • Het vermijden van donkere gebouwhoeken. • Toepassen van (schrik)verlichting bij poorten etc. • Hang- en sluitwerk conform klasse BRL 3104 SKG 2 sterren. • Het vermijden van opklimbaarheid. • Het op de begane grond van binnenuit beglazen van ramen. Voorzie daarnaast puien die grenzen aan openbare ruimten van zo min mogelijk draairamen.
3.1.15.
Nacht- c.q. waakverlichting Ter vermindering van de kans op inbraak dient een waakverlichting te worden aangebracht. De directie- en administratieruimten, alsmede lokalen op de begane grond en zichtbaar vanaf de openbare weg, dienen aan het plafond aan de gangzijde voorzien te worden van een armatuur met minimaal 15 lux lichtopbrengst in de ruimte, welke tezamen met enkele armaturen van de gangverlichting centraal geschakeld kunnen worden door middel van een schemeringsschakelaar. Bij het overdag inschakelen van de gangverlichting mogen de waakverlichtingsarmaturen in de lokalen niet mee ingeschakeld worden. In sommige gevallen kan de waakverlichting met de noodverlichting worden gecombineerd.
3.1.16.
Schrikverlichting Er wordt niet in schrikverlichting (gevel) voorzien.
3.1.17.
Buitenverlichting In verband met sociale veiligheid en inbraakbeveiliging wordt nabij entrees, fietsenstallingen en parkeerplaatsen buitenverlichting aangebracht. Hiervoor ledverlichting toepassen.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 14 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
3.1.18.
Legionella Installaties voor warm en koud tapwater uitvoeren conform bepalingen in ISSO-publicatie 55.1 Legionellabestrijding.
3.1.19.
Nood- en oogdouches Deze zijn niet van toepassing
3.1.20.
Terreinafscheiding Terreinafscheiding door middel van dubbelstaafmat hekwerk van 1,20 meter hoog voor de school.
3.2.
Toegankelijkheid
3.2.1.
Toegankelijkheid voor mindervaliden Eisen met betrekking tot toegankelijkheid voor mindervaliden conform Bouwbesluit. In het kader van de toegankelijkheid voor mindervaliden zijn de volgende aandachtspunten van belang: • Breng bedieningsknoppen, sluitwerk en apparatuur aan op een hoogte van 90 tot 120 cm. • Stem ook een deel van de loketten, balie, toonbanken, buffetten en garderobes op mindervaliden af. • Creëer extra manoeuvreerruimte bij de toegangen tot het mindervalidentoilet en de lift. • In verband met de integrale toegankelijkheid moeten mindervalidentoiletten worden opgenomen. Het aantal wordt bepaald door het Bouwbesluit, zoals ook uitgebreid beschreven is in het Handboek voor Toegankelijkheid.
3.2.2.
Entrees Pas om tochtverschijnselen te voorkomen tochtsluizen toe. Breng een voldoende lange schoonloopzone aan. Deze kan bestaan uit verdiept liggende metalen roosters buiten en binnen een schoonloopmat van het type Coral Duo of gelijkwaardig.
3.2.3.
Horizontaal verkeer Om opstoppingen te voorkomen moeten deuren, gangen, trappen en deurbreedtes zoveel mogelijk op piektijden worden afgestemd. Afsluitbaarheid, compartimentering en partieel gebruik Er is geen sprake van verhuur of gebruik door derden, dus er hoeft geen compartimentering te worden voorzien. Het bouwdeel van de kinderopvang (althans de gehuurde monofunctionele ruimten) dient een apart afsluitbaar gebruikerscompartiment te zijn.
3.2.4.
Verticaal verkeer In een gebouw met meerdere bouwlagen dient een goede spreiding van trappen te worden gerealiseerd. De minimale breedte van trappen bedraagt 1,5 meter. De breedte wordt bepaald aan de hand van de piekhoeveelheid gebruikers.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 15 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
Mindervaliden- en goederentransport De niveauverschillen per verdieping dienen zoveel mogelijk te worden beperkt. Het vloeroppervlak van de liftkooi meet inwendig minimaal 1,10 x 1,40 m en heeft een sleutelschakeling aan de buitenzijde van de liftkooi. Het type lift dient afgestemd te worden op het gebruik en de hoogte van het gebouw; tot twee bouwlagen kan een platformlift volstaan. De liftinstallatie moet worden gekeurd door het Nederlands Instituut voor Lifttechniek. Voor een gebouw waar de hoogste verdiepingsvloer boven de 20 meter ligt, is een brandweerlift vereist.
3.2.5.
Techniek Het is noodzakelijk dat de technische installaties in een gebouw eenvoudig bereikbaar zijn om deze te onderhouden, repareren of vervangen. Zie hieronder de aanbevelingen hiervoor. Kruipruimten Er wordt minimaal een kruipruimte toegepast onder de delen waar leidingen onder de vloer liggen, maar bij voorkeur onder het gehele schoolgebouw. Aandachtspunten voor deze kruipruimten zijn: • Voldoen aan de Arbo-voorschriften (werken in afgesloten ruimten). • Minimale vrije hoogte 650 mm. • Kruipluiken zodanig aanbrengen dat de afstand tot installatieonderdelen en tussen twee kruipluiken onder de vloer maximaal 20 meter is, rekening houdend met de fundering en indelingen. • Vorstvrije en droge aanleg. • Zwak geventileerd. • Bodemafsluiting. • Drainage bij hoge grondwaterstand en/of bij slecht waterdoorlatende grondlagen. Schachten Bij het toepassen van een schacht gelden de volgende aandachtspunten: • Goede toegankelijkheid van schachten door deuren of toegangsluiken. • Roosters op vloerniveau voor noodzakelijke veiligheid. • Goede geluidsisolerende eigenschappen.
3.3.
Groenvoorzieningen Er wordt beperkt groen voorzien in het gebouw. Aan buitenzijde van gebouw en terrein worden voorzieningen ten behoeve van verbetering van de biodiversiteit voorzien. (Groen inclusief). Denk hierbij aan nestkasten en insectenhotels. In een drainagesysteem voor de beplanting wordt niet voorzien.
3.4.
Materialen
3.4.1.
Duurzame en onderhoudsvriendelijke materialen en materiaaltoepassingen Bij de keuze van bouwmaterialen dient gebruik gemaakt te worden van de Trias Ecologica of driestappenstrategie, namelijk:
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 16 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
• • •
• • •
3.4.2.
Voorkom onnodig materiaalgebruik (hergebruik, minimaliseren hoeveelheden, voorkomen bouwafval). Gebruik eindeloze bronnen (bijvoorbeeld natuurlijke materialen zoals hout, vlas). Gebruik eindige bronnen effectief (slank construeren, gebruik secundaire grondstoffen, gebruik sloop- of kringloopmateriaal, maak constructies demontabel, gebruik standaardmaten, creëer geen hybride materialen die niet meer te scheiden zijn voor hergebruik). Alle toe te passen materialen dienen makkelijk reinigbaar, milieuvriendelijk en onderhoudsarm te zijn. Zorg bij voorkeur voor demontabele onderdelen en herbruikbare of hergebruikte materialen/onderdelen in het kader van circulair bouwen. Circulair bouwen moet passen binnen de budgettaire kaders of er moet op basis van een TCO berekening goedkeuring door de Stuurgroep worden gegeven voor eventueel aanvullend budget.
Vloeren en vloerafwerking Eisen voor de vloeren: • Het draagvermogen afstemmen om het gebouw en de inhoud te kunnen dragen. Uitgangspunten in relatie tot de vloerafwerking: • Een vloerafwerking moet worden afgestemd op het beoogde gebruik in die ruimte. In dit kader zijn vooral reinigbaarheid, krasvastheid, slijtvastheid, gladheid en onderhoudskosten van belang. • Voor de gladheid is een norm beschikbaar voor de antislipwaarde van een vloer; de DIN 511130-92. Voor een onderwijsruimte geldt klasse R9. In de keuken/uitgifte moeten conform de HACCP-normen alle vloeren volgens dit voorschrift worden afgewerkt, antislipklasse R10/R11. Bij de overgangen naar tegelvloeren bij sanitaire ruimten dorpels toepassen. • Vloeren in toiletruimten urinedicht en naadloos afwerken en een holplint toepassen. • Voor vermindering van het schoonmaakonderhoud is een combinatie van een schoonloopmat en een droogloopmat aan te bevelen. Deze moeten een minimale lengte hebben van 4 m¹, buiten dienen afdoende schraap-/persroosters of gelijkwaardig aangebracht te worden. • Bij de toepassing van linoleum of een gietvloer op een begane grondvloer zonder droge kruipruimte een vochtscherm toepassen, zodat optrekkend vocht en dus vochtschade wordt voorkomen. • Bij overgang van natte naar droge ruimten, dorpels op de afscheiding aanbrengen.
• In de fietsenstalling en de techniekruimte bijvoorbeeld een gevlinderde betonvloer of losse betontegels toepassen; indien noodzakelijk met carborundum toeslag.
3.4.3.
Daken, dakafwerkingen en daklichten In het algemeen geldt voor het dak het volgende: • Als er op het dak installaties komen, moeten deze met tegelpaden (breed minimaal 0,6 m) bereikbaar zijn. Het dak moet van binnenuit bereikbaar zijn. • Blijvend afschot van ten minste 15 mm per m¹.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 17 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
• • •
Dakopstanden voldoende hoog, ten minste 120 mm. Nagaan of het mogelijk is om de geveldakopstand zó hoog te maken dat een aparte valbeveiliging voldoende is. Voor de dakafwerking zijn de isolatie en de waterdichte afdichting van belang. Dak en dakafwerking moet (constructief) geschikt zijn voor de toepassing van PVpanelen. Dit geldt ook voor de brandveiligheid.
Algemene eisen daklichten: • Eventueel aan te brengen lichtkoepels en lichtstraten dienen dubbelwandig en in slagvast materiaal uitgevoerd te worden. Koepels dienen inbraakwerend gemonteerd te worden.
3.4.4.
Buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen Aandachtspunten voor buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen: • Gevels moeten met eenvoudig materieel bereikbaar zijn voor reiniging en onderhoud, zodat er geen dure gevelonderhoudinstallatie noodzakelijk is (bijvoorbeeld een vlak en toegankelijk pad van 2 m¹ breed). • Voorzie de onderste bouwlaag van het gebouw zoveel mogelijk van vandaalbestendige materialen. • Veiligheidsbeglazing toepassen waar noodzakelijk.
3.4.5.
Binnenwanden, binnenwandafwerking en binnenwandopeningen Aandachtspunten ten aanzien van binnenwanden, binnenwandafwerking en binnenwandopeningen: • Scheiding tussen casco en inbouwpakket. Kies ervoor om zo weinig mogelijk dragende binnenwanden toe te passen, die wijzigingen van indelingen in de toekomst in de weg staan. • Voor niet-dragende wanden is het aan te bevelen om eenvoudig te plaatsen en te slopen tussenwanden toe te passen, zodat bij een verbouwing de overlast van stof en afvalmaterialen beperkt blijft. Denk in dit kader ook aan de plaatsing van bekabeling/ schakelaars; bij voorkeur niet in te verplaatsen wanden. • Niet-dragende wanden moeten boven het plafond worden doorgezet tot aan de bouwkundige vloer ter voorkoming van omloop- en overspraakgeluid. • In sanitaire ruimten sanitaire volkern wandsystemen toepassen, zodat deze ruimten gemakkelijk te reinigen zijn. Ruimte tussen vloer-wand en wand-plafond moet 0,15 m bedragen, afhankelijk van de balans tussen schoonmaakbaarheid, sociale controle en ongewenst gluren. • Voor personeelstoiletten uitgaan van traditionele opzet van de scheidingswanden. • Wandafwerking: pas een doelgroepbestendige, onderhoudsarme wandafwerking toe die past bij de locatie in de ruimte. Bijvoorbeeld wanden met spaanplaat-melamine lambrisering met erboven sauswerk op glasvezelbehang of spuitwerk.
• Pas onderhoudsarme plinten toe, overweeg in de wand verwerkte plinten (lambrisering als plint of dunne aluminium plinten). • Hoekbeschermers aanbrengen bij binnenwanden waarlangs intensief verkeer te verwachten is.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 18 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
• • • • •
Waar deuren tegen wanden, kolommen etc. kunnen slaan, vloerstoppen of stootrubbers aanbrengen. Stompe deuren toepassen. Deuren moeten stootvast zijn en afgewerkt met onderhoudsvrij materiaal. De afwerking van een binnendeur moet glad en goed afwasbaar zijn. Deuren en kozijnen in brandscheidingen uitvoeren met gecertificeerd systeem (deur, kozijn en glas).
De wanden van de volgende ruimten dienen afgewerkt te worden met wandtegels of een waterdichte coating: • Toiletten (voorzien van waterdichte coating), doucheruimten en keukens. • In werkkasten (circa 1 m²) ter plaatse van de uitstortgootsteen. • Pantry’s ter plaatse van het aanrecht (tot circa 60 cm) boven het aanrechtblad.
3.4.6.
Hang- en sluitwerk • • • •
• • •
• •
3.4.7.
Te openen delen bij binnenwand- en buitenwandopeningen ook van sluitwerk voorzien. Het sluitplan tijdens de ontwerpfase in overleg met de school opstellen. Alle deuren voorzien van een gelijksluitend sleutelsysteem in meerdere niveaus en met generale hoofdsleutel. Elektronische sleutels hebben de voorkeur voor hoofdentree. Hang- en sluitwerk moet passen bij de zwaarte van de deur (deuren afhangen met minimaal drie scharnieren of paumelles) en moet berekend zijn op zwaar en intensief gebruik. Sluitplaten type langschild, door en door bevestigen in verband met zwaar en intensief gebruik. Alle deuren voorzien van deurstoppers op wand en/of vloer. De deuren voor spreekkamers, vergaderruimten en kantoorruimten worden voorzien van valdorpels hierdoor is een maximale geluidsisolatie mogelijk tot 50 dB. Bij het sluiten van de deur wordt de valdorpel zowel aan de slot- als scharnierzijde door middel van het bedieningsmechanisme naar beneden gedrukt. Op deze manier ontstaat een optimale afdichting. Het kozijn van de deur is voorzien van drie rubber dichtingen waarmee drie aanslagvlakken tegen de deur gecreëerd worden. Met deze rubber dichting is een maximale geluidisolatie mogelijk tot 48 dB. Buitendeuren voorzien van windvanger en deurstopper. De deuren van de KDV ruimten voorzien van hoge deurklinken (klink op 1.50 m) zodat kinderen niet zelfstandig deuren kunnen openen.
Trappen, balustrades en leuningen Voor trappen, balustrades en leuningen geldt dat: • De aantreden stroef en slijtvast moeten zijn. • De breedte van de trap op het te verwachten aantal gebruikers wordt afgestemd, dat afhankelijk is van het ontwerp, met een minimum (tussen de leuningen) van 1.500 mm. • Bij trappen breder dan 2.200 mm een tussenleuning toegepast moet worden. • Bij hoogteverschillen > 2.400 mm een tussenbordes toegepast moet worden.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 19 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
•
3.4.8.
Stalen trappen bij een onjuiste detaillering geluidsoverlast veroorzaken; hiertegen moeten maatregelen genomen worden.
Plafondafwerking Bij de keuze van de toe te passen plafonds dient rekening te worden gehouden met: • Geluidsabsorptie dient te voldoen aan de eisen als gesteld in dit document. • Plafonds moeten voldoen aan minimaal brandklasse A1 • Kleur. Donkere kleuren hebben een slechtere reflectiewaarde en zorgen ervoor dat er meer verlichtingsvermogen moet worden toegepast om de verlichtingssterkte te halen. • Het voorkomen van geluidslekken (vooral boven verlaagde plafonds bij sterk geluidsisolerende binnenwanden). • Brandveiligheid. • Het voorkomen van stofophoping. • Boven het plafond geplaatste installatievoorzieningen; deze dienen eenvoudig bereikbaar te zijn. • Eenvoudig te de- en hermonteren systeemplafonds. • Eenvoudig te demonteren plafondplaten, dus bij voorkeur platen van maximaal 600 x 1.200 mm² en niet toepassen van verdekt systeem. • Bereikbaarheid van technische onderdelen waarborgen. • Zo min mogelijk sprongen in hoogte van plafonds, tenzij deze bij scheidingen van ruimten zijn opgenomen. • Toepassing van waterbestendige plafonds in vochtige ruimten. • In het plafond te plaatsen installaties, zoals verlichting, roosters, sensoren etc. • De benodigde opstelruimte van vouw- of panelenwanden. • In speellokaal balvast plafond toepassen. In de volgende ruimten zijn geen (systeem)plafonds nodig: • Technische ruimten. • Bergingen.
3.4.9.
Bestrating • •
3.4.10.
Buitenbestrating terrein in nader overleg met school uitwerken. Bestrating langs de gevel dient zodanig gerealiseerd te worden dat gevelreiniging op een eenvoudige wijze mogelijk is.
Grondbalans Een plan ontwikkelen met een, op de locatie, gesloten grondbalans, zodat er (in principe) geen grond aan- of afgevoerd hoeft te worden, tenzij een andere grondsoort nodig is voor een specifieke toepassing.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 20 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.
Energie en water
4.1.
Energie
4.1.1.
Energieprestatie De energieprestatie dient minimaal bijna energieneutraal (BENG) te zijn. Aanvullend moet deze voldoen aan specifieke eisen zoals opgenomen in Tabel Kwaliteitsniveau, te weten; • Er is een oplevertoets waarbij gecontroleerd is dat de energiebesparende maatregelen, zoals vastgelegd in de BENG-berekening, het energielabel en/of het renovatieplan, daadwerkelijk zijn uitgevoerd. • Er is een ambitie om het gebouw ENG te maken, echter hier dient op basis van een TCO berekening door stuurgroep nog een besluit genomen te worden over de noodzakelijke extra investering.
4.2.
Regelinstallatie •
•
•
•
• •
•
De te realiseren warmte/koude- en luchttechnische installatie dient opgebouwd te zijn uit een aantal afzonderlijke groepen. Elke groep dient voorzien te worden van een eigen temperatuurregeling. Het verdient de voorkeur ruimten met een gelijk gebruiksprofiel in de plannen te clusteren. Het aantal groepen en de omvang van deze groepen dient afgestemd te zijn op het gebruiksprofiel van de betreffende ruimten. Nader overleg met opdrachtgever en gebruikers over de indeling is noodzakelijk tijdens de ontwerpfase. Er dient een gebouwbeheersysteem te worden toegepast in webbased of cloudbased uitvoering op basis van open source/software waarin systeem- en beveiligingsupdates inbegrepen zijn en met een gebruiksvriendelijk dashboard. (benaderbaar uit een willekeurige webbrowser zonder de noodzaak om plugins of extra software te installeren). Het moet mogelijk zijn om via een API (of soortgelijk) statussen/storingen uit te lezen, voor koppeling met externe dashboards. Verder dient het systeem te bestaan uit eenvoudige digitale regelapparatuur in een stand-alone uitvoering met koppeling op het gebouwbeheersysteem. Het gebouwbeheersysteem moet van afstand benaderbaar zijn via een beveiligde verbinding door de installateur. Storingen worden automatisch doorgegeven aan de beheerder en de installateur.
Het deel van het netwerk (het zogenaamde technische netwerk) waar het gebouwbeheersysteem zich bevindt, moet fysiek of virtueel worden afgeschermd van de rest van het netwerk. De installaties van de verschillende gebruikers moeten regeltechnisch gezoneerd worden ten behoeve van het avondgebruik. Voor het gebruik van ruimtes in de avond worden overwerktimers aangebracht per zone De installaties mede ontwerpen op een verlaagde nachttemperatuur, gebaseerd op een optimaal opstookprogramma vanuit de regelinstallatie. Het gebouwbeheersysteem dient een historie- en logboekfunctie over meerdere jaren (minimaal 5 jaar) te bezitten. Deze historie/logboek functie dient over een periodieke back-up/restore functie te beschikken. De regelinstallaties moeten vrij gegeven worden met alle inlogcodes.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 21 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
•
•
Een optimaliseringsapparaat toepassen met centrale klok. De regeling dient minimaal uitgevoerd te zijn met een dag-, avond-, week- en jaarklok. In het gebouw worden slimme meters toegepast voor bemetering van gas, warmte (op de groep van de warmte/koude opwekking/afgifte in overleg een warmtemeter laten aanbrengen), water en elektra. Deze meters zijn voorzien van pulsen en bussysteem(nader te bepalen welke) en zijn aangesloten op de regelinstallatie via een bussysteem (zodat altijd de actuele stand als de totaalstand kan worden uitgelezen). Voor de gebruikersinstallatie wordt de elektra apart bemeterd. Elektrische opwekking (zonnepanelen/inverter) en elektrisch verbruik van de warmte/koude opwekking (bijvoorbeeld warmtepompen, WKO) worden bemeterd of de gegevens worden rechtstreeks uitgelezen via een bussysteem. Het energieverbruik wordt geregistreerd in het gebouwbeheersysteem. Het is mogelijk om de energiegegevens te exporteren naar Excel/CVS en via een API, zodat er een koppeling mogelijk is met externe dashboards.
4.3.
Verwarming
4.3.1.
Warmteopwekking De wijze van warmteopwekking wordt bepaald door de installatieadviseur in samenspraak met de stakeholders en het ontwerpteam, met als uitgangspunt zo energiezuinig mogelijk, met een koel- en verwarmingsoptie. De warmteopwekking dient gasloos te worden gerealiseerd.
4.3.2.
Warmteafgifte en -distributie Om de minimale temperatuur te halen moet er, zeker in de wintermaanden, warmte aan de ruimten worden overgedragen. Dit kan door lucht, convectie of stralingsverwarming. Voor alle verwarmingssystemen geldt dat ze: • Afsluitbaar en inregelbaar moeten zijn. • Per groep of radiator regelbaar moeten zijn. • Flexibel moeten zijn om later nog gewijzigd te kunnen worden. Groepsindelingen zijn noodzakelijk om de verwarmingsinstallatie optimaal te regelen. Afhankelijk van het ontwerp zijn er separate groepen gewenst voor: • Luchtverwarming. • Boilers (bij voorkeur direct gestookte). • Restauratieve voorzieningen. • Clusters/gebouwdelen met andere bedrijfstijden. Indien radiatoren of andere verwarmingslichamen toegepast worden op locaties waar personen op kunnen gaan staan of zitten, maatregelen nemen om dit geheel te voorkomen of de verwarmingslichamen dusdanig bevestigen dat deze het extra gewicht kunnen dragen. In verband met schoonmaakbaarheid bij voorkeur geen radiatoren toepassen. Houd rekening met de functie en bezetting van de ruimte, in bijvoorbeeld kantoren is meestal een andere warmtevraag (eerder en meer) dan bij lokalen.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 22 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.3.3.
Regeling verwarming • • • •
4.3.4.
Energiezuinige verwarming • • • •
4.3.5.
Verwarming is voorzien van weersafhankelijke voorregeling van aanvoerwatertemperatuur. Verwarming kan per ruimte worden ingeregeld. Naregeling kantoren voorzien. De regeling van de verwarming moet geblokkeerd kunnen worden zodanig dat gebruikers deze niet voortdurend qua temperatuurinstelling kunnen veranderen.
Benut zoninstraling in de winter en voorkom deze in de zomer. Realiseer een compartimentering van de verwarming die is gerelateerd aan het gebruik van de ruimten. Beperk transmissieverliezen door het ontwerpen van een compact gebouw. Beperk temperatuurverschillen tussen ruimten.
Beperking warmtelast Maatregelen nemen om de warmtelast te beperken, zoals buitenzonwering. Uitwerking volgt tijdens de ontwerpfase.
4.4.
Koeling Voor de serverruimte, waar de servers zijn voorzien, moet specifiek op deze voorzieningen aangepaste airco worden voorzien. De maximale temperatuur in deze ruimte is 25°C. Patchkasten voorzien van 100 m³/h ventilatie in verband met de warmtelast van de switches.
4.5.
Ventilatie
4.5.1.
Regeling ventilatie De ventilatie is voorzien van een regeling afhankelijk van het gebruik (bijvoorbeeld tijdsafhankelijk aan- en uitschakelen en CO2-sturing bij lokalen). In ruimten met beperkte ventilatie wordt uitgegaan van een constante ventilatiehoeveelheid.
4.5.2.
Energiezuinige ventilatie Bij gebalanceerde ventilatie dient warmteterugwinning (wtw) met een rendement van minimaal 75% toegepast te worden en deze dient te voldoen aan de ErP 2018. Ook dient er maximale vochtterugwinning via het warmtewiel plaats te vinden, met uitzondering van gymzalen.
4.6.
Elektra
4.6.1.
Elektriciteitsvoorziening Het elektrisch vermogen wordt voorzien door een elektrische nutsaansluiting. Afhankelijk van de capaciteit van deze aansluiting zal een trafo noodzakelijk zijn. Er moet op de begane grond of op het terrein een transformatorruimte (traforuimte) komen. Afstemming met nutsbedrijven hierover moet tijdig in het ontwerpproces plaatsvinden door de installatieadviseur.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 23 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.6.2.
Energievermindering en PV-panelen Om op elektrotechnisch gebied het energiegebruik te beperken moet in eerste instantie het benodigde elektrisch vermogen worden beperkt. Vervolgens kan (een deel van) de elektrische energie duurzamer worden opgewekt. Denk ook aan toepassen van: • Centraal uitschakelen van kracht- en lichtgroepen buiten gebruikstijden. • Veegschakeling per verdieping. • Regeling afstemmen op hoeveelheid daglicht (bijvoorbeeld daglichtafhankelijke regeling).
4.6.3.
Infrastructuur De leidinglengtes van grote vermogens dienen zo klein mogelijk gehouden te worden. Eisen met betrekking tot de infrastructuur: • Vanuit de hoofdaansluiting wordt de hoofdverdeelinrichting gevoed, die voorzien is van een reservecapaciteit van 20%. Vanuit deze hoofdverdeelinrichting worden door middel van voedingsleidingen en kabelwegen de verdeelinrichtingen aangesloten. • In een aparte afgaande groep ten behoeve van PV-panelen voorzien. • De voedingsleidingen moeten zoveel mogelijk in aaneengesloten kabelwegen worden aangelegd. Bekabelingen voor sterkstroom en zwakstroom moeten in afzonderlijke compartimenten komen. Voor de data- en telecommunicatie moet in de kabelgoten in een gescheiden compartiment worden voorzien. Dit laatste geldt zowel voor horizontale als voor verticale leidingen. Verticale opbouwleidingen dienen in een slagvaste buis te worden ondergebracht (opbouw zoveel mogelijk vermijden). • Voor de voeding van warmte- en luchttechnische installaties en liftinstallaties moeten afzonderlijke voedingskabels de hoofdschakelinrichting met de verdeelinrichtingen verbinden. Ook deze subverdeelinrichtingen moeten geschikt zijn voor een vermogenstoename van 20%. • De schakel- en verdeelinrichtingen moeten voldoen aan de volgende eisen: 20% reservegroepen en effectieve uitbreidingsruimte voor latere toevoegingen en wijzigingen.
Een standaard berekende hoofdschakelaar en installatieautomaten voor de eindgroepen. Per bouwdeel minimaal één gecombineerde verdeelkast voor licht en krachtstroom.
4.7.
Water
4.7.1.
Visie op waterkringloop In de ontwerpfase dient de waterkringloop in de school beoordeeld te worden om duurzaam om te gaan met drinkwater. Daarbij geldt het minimaliseren van het gebruik door: • Waterbesparende (met uitstroombegrenzing door middel van drukknoppen) en vandaalbestendige kranen toe te passen. • Het aantal warmwaterpunten te beperken. • Kranen zo te selecteren dat de handen goed onder de waterstraal gehouden kunnen worden.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 24 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
• • •
4.7.2.
Toiletten van een waterzuinige spoeling te voorzien. Keerkleppen conform regelgeving toe te passen. Minimaal 1 afsluiter per verdieping toe te passen.
Waterleidingnet Voor de waterinstallatie moet er een waterleidingnet worden aangelegd vanaf de watermeter tot aan de diverse sanitaire aansluitpunten. Aan de buitengevel afsluitbare koudwatertappunten opnemen in overleg met school. Eisen met betrekking tot waterleidingen: • Koudwaterleidingen moeten dampdicht zijn geïsoleerd. • Waterleidingen waaraan vorstschade kan ontstaan, moeten worden voorzien van een zelfregelende elektrische leidingverwarming en isolatie. Dit dient tot een minimum te worden beperkt.
4.7.3.
Warm water Of warm water centraal of decentraal wordt opgewekt is afhankelijk van de capaciteitsberekening en de locaties waar warm water nodig is. Veel toegepast zijn: elektrische boiler of zonneboiler. De installatieadviseur moet bij de uitwerking van het plan een onderbouwde keuze maken. Warmwaterleidingen moeten zoveel mogelijk in lengte worden beperkt en thermisch worden geïsoleerd, met uitzondering van de in het zicht gemonteerde leidingen. In onder andere de volgende ruimten moeten warmwaterpunten komen: • Werkkasten. • Keuken. • Doucheruimte. • Pantry’s. • Toiletruimten voor medewerkers. De installatieadviseur dient in overleg met de stakeholders per ruimte de aantallen koud- en warmwateraansluitingen te bepalen. Er komt geen warm water op de wastafels in sanitaire ruimten en groepsruimten.
4.7.4.
Regeling Koudwaterleidingen niet aanleggen bij ‘hotspots’, omdat deze dan kunnen opwarmen. Legionellavrij ontwerpen conform passende normen.
4.7.5.
Binnenriolering • • •
In de toiletgroepen vloerputjes aanbrengen. In de keuken ook een vloerputje aanbrengen. Bij toepassing van kunststof leidingen in de keuken (heet water) dienen deze doorlopend ondersteund te worden. Op tactische locaties dienen ontstoppingspunten gemaakt te worden.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 25 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
4.7.6.
Hemelwaterafvoer • •
•
4.7.7.
Terreinriolering • •
4.7.8.
Volvul hemelwaterafvoersysteem toepassen (Pluvia of gelijkwaardig). Als binnen het gebouw hemelwaterafvoeren worden opgenomen, moeten deze plaatselijk dampdicht en akoestisch worden geïsoleerd, zodat ze voldoen aan de akoestische eisen van het gebouw. Inpandige pluvia’s moeten goed bereikbaar zijn. Horizontale en verticale hemelwaterafvoeren binnen de gevel en het dak isoleren in verband met condensvorming en geluid.
De waterafvoer van de terreinverharding (terreinriolering) moet worden aangesloten op de hemelwaterafvoer voor de daken. Vanuit de bouw rekening houden met goed bereikbare ontstoppingsputten (binnen en buiten het pand) voor het riool.
Waterhuishouding bodem • •
De hemelwaterafvoer, infiltratie en/of opvang realiseren op basis van eisen van de gemeente en het bestemmingsplan. Ga in de basis uit van opvang op eigen terrein van de hemelwaterafvoer.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 26 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
5.
Inrichting gebouw en terrein
5.1.
Vaste inrichting gebouw Voor vaste inrichting moeten de volgende onderdelen worden opgenomen: • Een adequate bewegwijzering door het gehele gebouw en buitenterrein. Deze bewegwijzering staat los van de (elektronische) aanduidingen van de vluchtwegen. • Lokaalaanduidingen (inclusief ruimtenummers). • Gevelopschrift (nader te bepalen). • Entreebalie voorzien van schuifglas. • Vaste pantryvoorzieningen: (Keukenblok KDV/kookatelier/personeelkamer) Aanrechtblad met spoelbak en waterkraan. Aanrechtkastjes. Nader te bepalen (inbouw)apparatuur (budget inrichting, niet budget bouw). • In onderbouw van de school en groepsruimten SO: Aanrechtblad met spoelbak en waterkraan en 2 aanrechtkastjes. • Brandveilige brievenbus. • Brandweerbuis en/of brandweerkastje (in overleg met brandweer te bepalen en nabij hoofdentree inmetselen of vastlassen). • Zorg voor achterhout voor digiborden (let daarbij op de dikte van de wand wanneer borden aan beide zijden van één wand worden toegepast). • Inrichting voor aula/ontmoetingsruimte ten behoeve van grand café, podium en bibliotheek worden voorzien uit het budget losse inrichting.
5.1.1.
Sanitaire inrichting Vaste sanitaire inrichting die moet worden opgenomen als onderdeel van het bouwbudget: • In jongens-/herentoiletgroepen is een combinatie van urinoirs en een toiletpot gewenst. • Vrijhangende toiletpotten. • Kindertoiletten in KDV. • Urinoirs. • Wastafels. • Uitstortgootstenen. • Spiegels in sanitaire ruimten, bij voorkeur vlak in tegelwerk aanbrengen met ruimte tussen wastafel en spiegel voor zeepdispenser. • Alle sanitaire toestellen voorzien van een stopkraan. • Alle sanitaire ruimten zijn van het water af te sluiten door middel van één kraan boven het systeemplafond. • De toestellen worden uitgevoerd in standaard wit kristalporselein van een A-merk. • De voorgeschreven aantallen en de uitvoering van de sanitaire toestellen kunnen in overleg met de opdrachtgever worden gewijzigd.
5.2.
Vaste inrichting terrein •
Pas een combinatie toe van oplossingen voor het stallen van fietsen, zoals: Een aantal ‘nietjes’ die voorkomen dat te grote aantallen fietsen (tegelijk) omvallen (bijvoorbeeld 1 nietje ten opzichte van 12 fietsen).
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 27 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
• • • • • •
Traditionele fietsenstandaard op het voorwiel. Een overdekte fietsenstalling voor medewerkers voor 30 fietsen inclusief minimaal 6 oplaadpunten voor elektrische fietsen en krachtsroom. Op het terrein moet rekening worden gehouden met de plaatsing van afvalcontainers. Eén vlaggenmast nabij de hoofdentree. Beplanting rondom het gebouw (indien van toepassing) maximaal 1 m¹ hoog. Hekwerk uitvoeren in type dubbelstaafmat hekwerk aansluitend bij de overige terreininrichting. Toegangspoorten voorzien van dubbele/enkele draaipoorten. De gemeente verzorgt (invalide-)parkeerplaatsen en de Kiss en ride zone.
5.3.
Technische (aansluit)voorzieningen van gebruikersinstallaties
5.3.1.
Aansluitvoorzieningen t.b.v. vaste en losse inrichting en gebruikersinventaris Voor een nuttig gebruik van elke ruimte dienen op de functie van die ruimte afgestemde (technische) voorzieningen te worden opgenomen. Locatie en aantallen te bepalen door installatieadviseur in overleg met de stakeholders
5.3.2.
Demarcatie gebouw en inrichting Alle installaties dienen aangelegd te worden tot en met de aansluitpunten in wand, vloer of plafond met voldoende afsluiters. De specifieke inrichting dient op de gebruikersinstallatie aangesloten te kunnen worden.
5.3.3.
Wandcontactdozen 230V en 400V Voor algemeen gebruik en gebruikersinstallaties • De installatieadviseur bepaalt in overleg met de school de aantallen wandcontactdozen voor algemeen gebruik en gebruikersinstallaties. • De benodigde krachtgroepen moeten op een afzonderlijke eindgroep worden aangesloten. • Contactdozen dienen te worden aangesloten op afzonderlijke eindgroepen van de schakel- en verdeelinrichting van de lichtinstallatie, tenzij anders vermeld. • Het gebruik van meervoudige contactdozen 230V passend in één inbouwdoos is niet toegestaan. • De stroomvoorziening van datanetwerkcomponenten moet op aparte groepen worden gezet. • Een scheiding aanbrengen in de stroomvoorziening van netwerkcomponenten ten opzichte van andere facilitaire componenten en de noodstroomvoorziening voor de hoofdcomponenten (serverruimte/-kast).
5.3.4.
Data- en telefooninstallatie • •
Anticiperen op het gebruik van draagbare devices door leerlingen en medewerkers die simultaan gebruik maken van een draadloos datanetwerk. Voor telefoon- en datacommunicatie voorzien in een datanetwerk, categorie 6A. Het draadloze dataverkeer vindt plaats via access points (AP’s). De locatie van de AP's zal afhankelijk zijn van de op te leveren ruimte. De voorkeurslocatie van de AP’s is onder het plafond.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 28 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
•
• • •
•
De verschillende gebruikers moeten hun datanetwerken kunnen koppelen op een eigen patchkast, die aangesloten worden op een ISRA punt. Koppeling naar buiten, moet door elke gebruiker apart voorzien worden. Uitgaan van 19 inch patchkasten. De koppeling tussen de patchkasten (hoofdswitches) uitvoeren in glas in verband met toename van dataverkeer. Vaste data-aansluitpunten aanbrengen voor gebruikersinstallaties, zoals werkstations, tvschermen/mededelingenschermen, bewakingscamera’s en multifunctionals. Locatie en aantallen te bepalen door installatieadviseur in overleg met de school. Actieve componenten maken geen deel uit van de gebouwgebonden inrichting.
Uitgangspunten voor aansluitpunten in groepsruimten: • 2 dubbel data-aansluitpunt • 4 dubbele wandcontactdozen. • 1 data-aansluitpunt boven verlaagd plafond ten behoeve van access point.
5.3.5.
Mededelingensysteem Ten behoeve van de informatievoorziening wordt binnen het gebouw een datanetwerk voor een tv-circuit c.q. mededelingensysteem aangebracht te worden.
5.3.6.
Geluidsversterkerinstallatie schooldeel Ten behoeve van een (mobiele) geluidsversterkerinstallatie bekabelde aansluitpunten aanbrengen. Locatie en aantallen te bepalen door installatieadviseur in overleg met de school.
5.3.7.
Lestijdensignaleringssysteem schooldeel Voor signalering van start en einde van lestijden moet een lestijdenvoorziening worden voorzien. Deze moet hoorbaar zijn in het hele schoolgebouw. De lestijdensignalering moet programmeerbaar zijn. Deze lestijdensignalering combineren met een omroepinstallatie. De lestijdensignalering dient eventueel ook buiten het gebouw hoorbaar te zijn. De lestijdensignalering indelen in verschillende groepen.
5.3.8.
Omroepinstallatie Brede School Er moet in het hele gebouw een verstaanbare omroepinstallatie beschikbaar zijn. Omroep moet mogelijk zijn bij de receptie. Naast programmeerbare omroepen moeten ook incidentele omroepen uitgevoerd kunnen worden. De omroepinstallatie dient wel/niet in verschillende groepen te worden verdeeld.
5.3.9.
Centrale antenne-installatie (CAI) Niet van toepassing.
5.3.10.
Tijdinstallatie Niet van toepassing.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 29 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
5.3.11.
Toegangscontrole gebruikers Niet van toepassing.
5.3.12.
CCTV Brede School Er zijn data-aansluitpunten nodig op specifieke plekken ten behoeve van camerabewaking, zoals bij de hoofdentree of bij de fietsenstalling. De HD-camera’s zelf en de benodigde programmatuur/installatie valt onder het inrichtingsbudget. Locatie en aantallen te bepalen door installatieadviseur in overleg met de stakeholders.
5.3.13.
Gasaansluitingen Niet van toepassing.
1650602-0032.0.3, d.d. 22 juni 2021
Pagina 30 van 32
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
www.hevo.nl
6.
Aanvullende aandachtspunten
6.1.
Aandachtspunten technisch onderhoud • • • • • • • •
6.2.
Aandachtspunten schoonmaakonderhoud • • • • • • • •
6.3.
Eventueel contractvorm met 5-10 jaar onderhoud en energie toepassen met jaarlijkse evaluatie en inzicht bij aanbesteding. Ontwerpen voor slim onderhoud en weinig onderhoudskosten. Prestatieborging. Bij ontwerpbeslissingen onderbouwd inzicht in de exploitatie-effecten en voorzien van referenties. Mogelijke gebruiksovereenkomsten voor materialen, zoals vloerbedekking. Demarcatielijst opstellen voor eigenaar en gebruikers. Het gebouw (en terrein) gebruiken als educatief middel. Bereikbaarheid gebouwdelen voor onderhoud en vervanging (interieur en exterieur).
Deels schoonmaken tijdens gebruikstijden. Niet te veel separatieglas (in verband met vlekken). Niet te veel houtafwerking (wordt in gekrast en dan vies). Per bouwlaag een kast voor de schoonmaak met uitstortgootsteen en wandcontactdoos (glas in toegangsdeur). Vrij hangende toiletten e.d. naadloze (gietvloer) afwerking toiletruimte. Geen radiatoren toepassen. Glasbewassing buitengevel: uitvoerbaar maken met hoogwerker dus terrein hierop afstemmen. Geen horizontale delen toepassen waar stof kan ophopen (zoals vensterbanken of afdekplanken).